← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.151

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.151 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090930.5 Arrest- Rolnummer: 151/2009 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-30 10:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 4, tweede lid, van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State », ingesteld door Jan Herremans. Gerechtelijk recht - Vordering tot schadevergoeding - Verjaring - Stuiting - Beroep tot vernietiging bij de Raad van State -

  1. Toepassing op lopende zaken -
  2. In kracht van gewijsde gegane beslissingen. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-07-2008 - 4,L2 - 36 ELI link Pub nr 2008009714 Tekst van de beslissing Rolnummer 4598 Arrest nr. 151/2009 van 30 september 2009 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 4, tweede lid, van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State », ingesteld door Jan Herremans. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter M. Melchior, waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 januari 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 januari 2009, heeft Jan Herremans, wonende te 1500 Halle, Chopinlaan 3, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4, tweede lid, van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2008). De Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben memories ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 juli 2009 : - zijn verschenen : . Mr. L. Christiaens loco Mr. B. Biesemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. K. Ronse, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. F. Vandevoorde loco Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  3. De verzoekende partij voert aan dat artikel 4, tweede lid, van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State » (hierna : de wet van 25 juli 2008) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre die bepaling in een uitzondering voorziet op de toepassing van de wet op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan (artikel 4, eerste lid, van de wet van 25 juli 2008). Volgens die partij doet de bestreden bepaling een verschil in behandeling ontstaan tussen, enerzijds, personen die geen cassatieberoep hebben ingesteld en, anderzijds, personen die wel een cassatieberoep hebben ingesteld, zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestaat. Dat is, volgens haar, inzonderheid 3 het geval wanneer een persoon een arrest van het hof van beroep heeft verkregen waarbij de vordering verjaard werd verklaard, nadat het Hof van Cassatie zijn arrest van 16 februari 2006 heeft gewezen waarin het Hof oordeelt dat het verzoekschrift tot vernietiging van een administratieve handeling voor de Raad van State de verjaringstermijn niet stuit of schorst : die persoon kon redelijkerwijs ervan uitgaan dat het zinloos was nog een cassatieberoep in te stellen. A.2.
  4. Na de totstandkoming van de bestreden bepaling te hebben toegelicht, verwijst de Ministerraad naar de rechtspraak van het Hof aangaande de artikelen 10 en 11 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring (arresten nr. 27/2003 van 19 februari 2003 en nr. 98/2003 van 2 juli 2003) en aangaande de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008). Volgens die partij vloeit uit voormelde arresten voort dat rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd. A.2.
  5. De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat uit de artikelen 23 tot en met 28 van het Gerechtelijk Wetboek voortvloeit dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing niet het voorwerp kan uitmaken van gewone rechtsmiddelen (verzet en hoger beroep), maar dat een dergelijke beslissing nog deels of geheel kan worden vernietigd naar aanleiding van de uitoefening van een buitengewoon rechtsmiddel (voorziening in cassatie, derdenverzet, herroeping van het gewijsde). Bijgevolg was het, volgens die partij, noodzakelijk in de bestreden bepaling te preciseren dat de wet niet van toepassing is wanneer de vordering verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingesteld : anders zouden rechtsonderhorigen die een voorziening in cassatie hadden ingesteld, worden uitgesloten van het voordeel van de nieuwe wetgeving. A.2.
  6. In zoverre de verzoekende partij wenst te verkrijgen dat elke uitzondering op de onmiddellijke toepassing van de wet wordt afgeschaft, voert de Ministerraad aan dat die uitzondering is gerechtvaardigd door het voormelde beginsel dat rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd. Volgens hem is de bestreden bepaling onmisbaar om die doelstelling te bereiken. A.
  7. Volgens de Vlaamse Regering mist het middel van de verzoekende partij feitelijke grondslag, vermits er geen definitieve beslissing is wanneer door het instellen van een cassatieberoep het geschil over het recht waarop de vordering is gebaseerd, wordt voortgezet. Nog volgens die partij gaat het niet over de vraag of er een cassatieberoep is ingesteld of niet, maar wel over de vraag of een arrest definitief is of niet. A.
  8. In haar memorie van antwoord wijst de verzoekende partij erop dat, volgens de parlementaire voorbereiding, de wet beoogt tegemoet te komen aan de onbillijkheid die ontstaat wanneer de vordering tot schadevergoeding verjaart doordat de procedure voor de Raad van State te lang aansleept. Gelet op die doelstelling is de bestreden bepaling niet redelijk verantwoord. -B- B.1.
  9. De wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State » (hierna : de wet van 25 juli 2008) voorziet in een regeling waarbij de verjaringstermijn van een vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door een vernietigde administratieve handeling wordt gestuit als gevolg van het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. 4 B.1.
  10. Artikel 4 van de wet van 25 juli 2008, die de inwerkingtreding van die regeling betreft, bepaalt : « Deze wet is van toepassing op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan. Zij is evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van deze wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend ». B.1.
  11. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen het tweede lid van het voormelde artikel
  12. B.
  13. Volgens de verzoekende partij schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat zij een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de personen wier vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van de wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingesteld en, anderzijds, de personen wier vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van de wet niet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingesteld. B.3.
  14. Wat de inwerkingtreding van de wet betreft, bepaalde artikel 3 van het oorspronkelijke wetsvoorstel dat tot de wet van 25 juli 2008 heeft geleid dat de inwerkingtreding van de wet niet tot gevolg heeft dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen « wanneer de rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaard is vóór de inwerkingtreding van deze wet » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2007, nr. 4-10/1, p. 6). B.3.
  15. In de Senaat werd een amendement aangenomen dat het voorgestelde artikel 3 verving door de volgende tekst : « De wet is van toepassing op de bestaande rechtsgeschillen in de mate ze niet beslecht werden bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4- 10/2, p. 2, en nr. 4-10/3, p. 17). De toelichting bij dat amendement verwijst, enerzijds, naar artikel 11 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring en, anderzijds, naar het arrest nr. 98/2003 van 2 juli 2003 van het Hof « waarbij het Arbitragehof, op een 5 prejudiciële vraag gesteld door het hof van beroep te Bergen, duidelijk stelde dat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest een objectief aanknopingspunt vormt en aldus niet discriminerend is » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-10/3, p. 15). B.3.
  16. De Raad van State merkte evenwel het volgende op met betrekking tot de door de Senaat aangenomen tekst : « Om de bedoeling van de wetgever weer te geven, zoals ze thans blijkt uit de besprekingen in de Senaat, zou artikel 3 zo moeten worden aangepast dat de personen die op het arrest van de Raad van State hebben gewacht, de mogelijkheid krijgen om voor de burgerlijke rechter nog op te treden wanneer het arrest is uitgesproken (of ter kennis gebracht) op een datum die valt binnen een kortere termijn dan de wettelijke verjaringstermijn » (advies nr. 44.302/2 van 29 april 2008, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/004, p. 13). B.3.
  17. In antwoord hierop heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers een amendement aangenomen dat overeenkomt met de bestreden bepaling. Dat amendement werd als volgt verantwoord : « In dit amendement wordt artikel 3 opnieuw geformuleerd teneinde te trachten rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State over het gebrek aan duidelijkheid ervan. De wet is van toepassing verklaard op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan. Ofwel is het beroep nog steeds aanhangig en in dit geval stuit het de verjaring tot het tijdstip waarop de Raad van State de beslissing uitspreekt, ofwel is er reeds uitspraak gedaan over het beroep en in dit geval is een nieuwe verjaringstermijn beginnen te lopen vanaf het tijdstip waarop de Raad van State de beslissing heeft uitgesproken en kan de verjaringstermijn al dan niet verstreken zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet. De toepassing van de wet kan evenwel niet tot gevolg hebben dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing, waarmee de burgerrechtelijke vordering verjaard is verklaard en waartegen geen cassatieberoep is ingediend, ter discussie wordt gesteld » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/005, pp. 3-4). B.
  18. Met artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 wenst de wetgever te verzekeren dat de nieuwe wet van toepassing zou zijn op « hangende » zaken, alsmede op « de zaken waarbij men bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling minder dan 5 jaar is verwijderd van het vernietigingsarrest van de Raad van State » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-10/3, p. 12), zonder dat het evenwel « mogelijk [is] beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan op losse schroeven te zetten » (ibid., p. 13). Uit de bestreden bepaling vloeit dan ook voort dat de 6 wet niet van toepassing is wanneer een definitief geworden rechterlijke beslissing de vordering tot schadevergoeding verjaard heeft verklaard. B.5.
  19. Het in B.2 vermelde verschil in behandeling dat uit die bepaling voortvloeit, is redelijk verantwoord gelet op het fundamentele beginsel van onze rechtsorde dat de rechterlijke beslissingen niet kunnen worden gewijzigd dan ingevolge de aanwending van rechtsmiddelen. Bijgevolg kan de wet niet van toepassing zijn wanneer een definitief geworden rechterlijke beslissing een vordering tot schadevergoeding verjaard heeft verklaard. B.5.
  20. Het feit dat uit de bestreden bepaling voortvloeit dat de wet wel van toepassing kan zijn op vorderingen tot schadevergoeding die vóór de inwerkingtreding van de wet verjaard zijn verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen cassatieberoep is ingesteld, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Gelet op dat cassatieberoep is er immers nog geen sprake van een definitief geworden rechterlijke beslissing. B.
  21. Het middel is niet gegrond. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 30 september
  22. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.