id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.158 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091020.2 Arrest- Rolnummer: 158/2009 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-10-27 Raadplegingen: 740 - laatst gezien 2026-07-03 02:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat het de fiscale administratie toelaat de subsidiaire aanslag aan de beoordeling van de rechter voor te leggen in een nieuw geding, schendt artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat het de fiscale administratie enkel toelaat de subsidiaire aanslag aan de beoordeling van de rechter voor te leggen tijdens het geding waarin uitspraak wordt gedaan over de nietigheid van de initiële aanslag, schendt artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Algemeen (inkomstenbelasting - vestiging en invordering) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Vestiging en invordering - Aanslag - Onregelmatige aanslag - Nietigverklaring - 1. Door de rechter - Vestiging van een subsidiaire aanslag - Ontbreken van een vervaltermijn - 2. Door de gewestelijke directeur - Vestiging van een nieuwe aanslag - Vervaltermijn. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 356 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4565 Arrest nr. 158/2009 van 20 oktober 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 7 november 2008 in zake de Belgische Staat tegen Geert Swinnen en Anna Hermans, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 november 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 356 W.I.B. 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat geen termijn wordt bepaald binnen dewelke de subsidiaire aanslag moet worden gevestigd, terwijl voor de vestiging van de aanslag normaal wel een termijn bepaald wordt door de artikelen 353 en 354 W.I.B. 1992 en terwijl artikel 355 W.I.B. 1992 bepaalt dat wanneer de aanslag wordt nietig verklaard door de gewestelijke directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar de administratie een nieuwe aanslag kan vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Geert Swinnen en Anna Hermans, wonende te 3110 Rotselaar, Esdreef 32; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 16 september 2009 : - zijn verschenen : . Mr. P. Renier, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. J. Speecke, advocaat bij de balie te Kortrijk, voor Geert Swinnen en Anna Hermans; . Mr. C. Cologne loco Mr. P. Declercq, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben rechter T. Merckx-Van Goey en voorzitter P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De aanslag in de personenbelasting die voor het aanslagjaar 1999 werd gevestigd ten name van Geert Swinnen en zijn echtgenote Anna Hermans werd door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven vernietigd bij vonnis van 23 februari 2007 omdat de termijn van één maand waarover de belastingplichtige beschikt om te antwoorden op het bericht van wijziging, niet werd gerespecteerd en omdat de kennisgeving van aanslag van ambtswege niet het volledige bedrag van de inkomsten en de andere gegevens vermeldde waarop de aangekondigde aanslag zou worden gebaseerd. Dat vonnis ging in kracht van gewijsde op 2 april 2007. 3 Vervolgens vestigde de fiscale administratie op 29 augustus 2007, datum van inkohiering, een subsidiaire aanslag op grond van artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992). Het verzoek tot geldigverklaring en invorderbaarheid van de subsidiaire aanslag werd middels een deurwaardersexploot betekend aan Geert Swinnen en Anna Hermans op 7 september 2007 en werd ter griffie neergelegd op 12 oktober 2007. Voor de verwijzende rechter voeren de Geert Swinnen en Anna Hermans aan dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou zijn geschonden, doordat artikel 356 niet voorziet in een termijn waarbinnen een subsidiaire aanslag kan worden gevestigd, terwijl dergelijke termijnen wel bestaan in andere gevallen, met name in het geval bedoeld in artikel 355 van het WIB 1992. De rechter stelt vast dat de termijn bedoeld in artikel 355 van het WIB 1992, indien hij van toepassing zou zijn, zou zijn overschreden, en stelt daarop de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A– Standpunt van Geert Swinnen en Anna Hermans A.1. De verwerende partijen in het bodemgeschil voeren aan dat de belastingplichtige die na de nietigverklaring van de aanslag door de gewestelijke directeur wordt geconfronteerd met een nieuwe aanslag conform artikel 355 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), zich in dezelfde situatie bevindt als de belastingplichtige die na de nietigverklaring van de aanslag door de rechter wordt geconfronteerd met een subsidiaire aanslag conform artikel 356 van het WIB 1992. In beide gevallen wordt de aanslag immers vernietigd vanwege een procedurefout en in beide gevallen ligt het initiatiefrecht bij de fiscale administratie. A.2. Zij betogen dat het feit dat artikel 355 van het WIB 1992 daartoe een vervaltermijn van drie maanden na het definitief worden van het vonnis bepaalt, terwijl de fiscale administratie krachtens artikel 356 van het WIB 1992 aan geen enkele termijn zou zijn gebonden, een ongelijke behandeling uitmaakt, die niet kan worden gerechtvaardigd, zodat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou zijn geschonden. Het gevaar bestaat immers dat de fiscale administratie, bij toepassing van de in het geding zijnde bepaling, pas geruime tijd na het definitief worden van het vonnis dat de initiële aanslag nietig verklaart, een subsidiaire aanslag aan de rechter voorlegt. A.3. Zij zetten met name uiteen dat de ratio van aanslagtermijnen in het rechtszekerheidsbeginsel gelegen is. Elke aanslagprocedure in het fiscaal recht, behalve de in het geding zijnde bepaling, voorziet daarom in een strikt bepaalde of minstens bepaalbare vervaltermijn waarbinnen die aanslag moet worden gevestigd. A.4. Zij zijn tevens van mening dat de rechter aan wie de subsidiaire aanslag wordt voorgelegd, niet bevoegd is om te beoordelen of de redelijke termijn zou zijn overschreden. Bovendien zou het bepalen welke termijn « redelijk » is, aanleiding geven tot willekeur, of minstens conflicteren met de strikt bepaalde vervaltermijnen. Daarnaast zou ook de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel in fiscale zaken, gelet op de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, onvoldoende waarborgen bieden. De rechter zou bijgevolg niet over een wettelijke mogelijkheid beschikken om een aanslag nietig te verklaren wegens een overschrijding van de redelijke termijn. A.5. Tot slot voeren de verwerende partijen in het bodemgeschil aan dat de in het geding zijnde bepaling ook op een andere manier kan worden geïnterpreteerd, en dat die interpretatie wel grondwetsconform zou zijn. Die interpretatie houdt in dat de fiscale administratie de subsidiaire aanslag enkel tijdens het geding waarin uitspraak wordt gedaan over de nietigheid van de aanslag, kan voorleggen aan de rechter die met die zaak belast is. In die interpretatie zou het gerechtvaardigd zijn dat de in het geding zijnde bepaling geen termijn bepaalt, aangezien de rechter, en niet de fiscale administratie, meester van het geding blijft. 4 Standpunt van de Ministerraad A.6. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de in het geding zijnde categorieën niet vergelijkbaar zijn. De strikt bepaalde termijnen in de artikelen 353, 354 en 355 van het WIB 1992 zouden immers niet vergelijkbaar zijn met de « redelijke termijn » waarbinnen de in het geding zijnde bepaling dient te worden toegepast. Bovendien zijn de eerstgenoemde bepalingen enkel van toepassing in de administratieve fase, terwijl de in het geding zijnde bepaling enkel in de door de belastingplichtige gestarte gerechtelijke fase van toepassing is. Terwijl de ene fase door het fiscaal recht wordt beheerst, wordt de andere fase door het gerechtelijk recht geregeld. A.7.1. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het in het geding zijnde onderscheid objectief kan worden gerechtvaardigd. Het ontbreken van een termijn in de in het geding zijnde bepaling zou worden verantwoord door het feit dat moet worden vermeden dat belastingplichtigen ontsnappen aan een belasting die niettemin verschuldigd is. A.7.2. Daarnaast wijst de Ministerraad op de doelstelling om de procedure zo veel mogelijk te versnellen. In plaats van de procedure van nul te laten herbeginnen, moet de fiscale administratie een subsidiaire aanslag aan het oordeel van de rechter voorleggen, zodat minstens de fase van het administratief bezwaar wordt overgeslagen. A.8. Verder betoogt de Ministerraad dat de gevolgen van de in het geding zijnde procedure evenredig zijn, aangezien de fiscale administratie bij toepassing van de in het geding zijnde bepaling niet eindeloos kan wachten met het voorleggen van een subsidiaire aanslag. De termijn die nodig is om een subsidiaire aanslag te vestigen, verschilt naar gelang van de omstandigheden van de zaak, maar doordat in de in het geding zijnde procedure steeds een rechter optreedt, zal normaal gezien worden beoordeeld of aan de vereisten van de redelijke termijn is voldaan. Bovendien kan het volgens de Ministerraad in sommige gevallen interessant zijn dat er overleg plaatsvindt tussen de belastingplichtige en de fiscale administratie, hetgeen zou worden bemoeilijkt indien er een vervaltermijn zou bestaan. A.9. Tot slot beklemtoont de Ministerraad dat de in het geding zijnde bepaling inderdaad de keuze biedt aan de fiscale administratie om, hetzij in het kader van de initiële procedure, hetzij in het kader van een nieuwe procedure voor dezelfde rechter, een subsidiaire aanslag te vestigen. Een duidelijke wettekst mag immers niet worden geïnterpreteerd in het licht van zijn parlementaire voorbereiding. Volgens de Ministerraad maakt geen van beide procedures inbreuk op het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. -B– B.1.1. De artikelen 353, 354 en 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) vormen het gemeen recht inzake de fiscale aanslagtermijnen. Artikel 353 van het WIB 1992 bepaalt : « De belasting met betrekking tot de inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311, wordt gevestigd binnen de in artikel 359 gestelde termijn, die evenwel niet korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de bevoegde aanslagdienst is toegekomen. 5 In afwijking van het eerste lid mag de in artikel 359 gestelde termijn evenwel niet korter zijn dan zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 306 bedoelde voorstel van aanslag aan de belastingplichtige is toegestuurd ». Artikel 354 van het WIB 1992 bepaalt : « Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311 mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waar voor de belasting is verschuldigd. Deze termijn wordt met twee jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. De onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de in artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen eveneens worden gevestigd binnen de termijn bepaald in de twee vorige leden. Wanneer de belastingplichtige of de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 3 jaar, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371 een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift en die van de beslissing van de directeur of de gedelegeerde ambtenaar, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen ». Artikel 359 van het WIB 1992 bepaalt : « Het aanslagjaar begint op 1 januari en eindigt op de daaropvolgende 31ste december. Evenwel kan de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting op geldige wijze gevestigd worden tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd ». B.1.2. Aangezien de wetgever van oordeel was dat het nietig verklaren, hetzij door de gewestelijke directeur, hetzij door de rechter, van de initiële aanslag, niet tot gevolg mag hebben dat bepaalde belastingplichtigen worden ontheven van belastingen die ze verschuldigd zijn, bepaalde hij bij artikel 32 van de wet van 20 augustus 1947 « waarbij wijzigingen worden gebracht :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.