id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.160 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091020.4 Arrest- Rolnummer: 160/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-27 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-06-30 03:43 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsinrichting - Secundair onderwijs Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 19 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 « tot bevordering van de kosteloosheid in het onderwijs van de Franse Gemeenschap door de afschaffing van de homologatierechten voor diploma's en door de vereenvoudiging van de procedures voor hun uitreiking », ingesteld door de bvba « AGNES SCHOOL ». Rechtspleging - Beroep tot vernietiging - Ontvankelijkheid - Belang. # Onderwijs - Franse Gemeenschap - Getuigschriften van hoger secundair onderwijs - Uitreikingsvoorwaarden. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 25-04-2008 - 19 - 38 ELI link Pub nr 2008029288 Tekst van de beslissing Rolnummer 4576 Arrest nr. 160/2009 van 20 oktober 2009 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 19 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 « tot bevordering van de kosteloosheid in het onderwijs van de Franse Gemeenschap door de afschaffing van de homologatierechten voor diploma’s en door de vereenvoudiging van de procedures voor hun uitreiking », ingesteld door de bvba « AGNES SCHOOL ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 december 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 december 2008, heeft de bvba « AGNES SCHOOL », met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Louis Hapstraat 143, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 19 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 « tot bevordering van de kosteloosheid in het onderwijs van de Franse Gemeenschap door de afschaffing van de homologatierechten voor diploma’s en door de vereenvoudiging van de procedures voor hun uitreiking » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juni 2008). De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 september 2009 : - zijn verschenen : . Mr. A. Verriest, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Merodio loco Mr. M. Merodio, advocaten bij de balie te Luik, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.
- De verzoekende partij geeft aan dat zij onder andere tot doel heeft scholen op te richten, te beheren en uit te baten. Zij is de inrichtende macht van twee scholen voor kleuter- en lager onderwijs met een specifiek pedagogisch project, namelijk de « Acacia school », met een gemengde kleuterafdeling en een afdeling lager onderwijs voor meisjes, en de « Alpha school », met een afdeling lager onderwijs voor jongens. Zij voert aan dat het pedagogisch project van die scholen nauw aansluit bij de behoeften en de capaciteiten van het kind, op elke leeftijd, en wijst erop dat de leerkrachten een permanente interne vorming genieten die steunt op specifieke pedagogische methoden die in zowat 150 scholen over de hele wereld worden gevolgd. Beide scholen brengen tweetaligheid in de praktijk via taalbadonderwijs. 3 A.1.
- De verzoekende partij geeft aan dat zij wegens het onderscheid, vanaf het lager onderwijs, tussen de afdeling « meisjes » en de afdeling « jongens », geen aanspraak kan maken op subsidies vanwege de Franse Gemeenschap, die haar niet inricht, noch subsidieert. Zij is evenmin een instelling waarvan het onderwijs kan leiden tot het behalen van een diploma of een getuigschrift onder een buitenlands stelsel en waarvan het onderwijs is erkend door de Franse Gemeenschapsregering. Zij wijst erop dat zij ernaar streeft om, zodra haar leerlingen de cyclus basisonderwijs (lager onderwijs) hebben beëindigd, een structuur op te richten voor secundair onderwijs die leidt tot de toekenning van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs. Ten aanzien van het belang A.2.
- De verzoekende partij geeft aan dat zij een onderwijsinstelling is die niet door de overheid wordt gesubsidieerd en dat haar situatie bijgevolg rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door de bepalingen van het bestreden decreet in zoverre zij aan het einde van de cyclus van hoger secundair onderwijs geen getuigschriften van hoger secundair onderwijs (hierna : GHSO) kan uitreiken die kunnen worden voorzien van het zegel van de Franse Gemeenschap. A.2.
- In haar memorie betwist de Franse Gemeenschapsregering het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden in zoverre zij thans enkel onderwijs verstrekt aan schoolplichtige minderjarigen van het lager onderwijs; ondanks de intentie die zij uitspreekt, heeft zij er geen belang bij de mogelijkheid te eisen om GHSO’s uit te reiken die voorzien zijn van het zegel van de Franse Gemeenschap. A.2.
- De verzoekende partij weerlegt het argument van de Franse Gemeenschapsregering op grond van het arrest nr. 76/96 van 18 december 1996 (B.2.7) waarbij het belang van twee vzw’s werd aangenomen om de vernietiging te vorderen van bepalingen die betrekking hadden op het buitengewoon onderwijs, op basis van het maatschappelijk doel van de verzoekende partijen, dat het bevorderen van de vrijheid van het onderwijs in al haar aspecten betrof. Zij is de inrichtende macht van twee scholen voor kleuter- en lager onderwijs en heeft tot doel, zodra de leerlingen de cyclus lager onderwijs hebben beëindigd, een structuur voor hoger secundair onderwijs op te richten. Zij wenst te wachten met het organiseren van haar secundair onderwijs totdat de leerlingen de cyclus lager onderwijs die zij aanvatten bij de oprichting van haar scholen, hebben beëindigd. De bestreden norm zal dus vroeg of laat, maar zeker, op haar worden toegepast. Ten gronde A.3.
- De verzoekende partij wijst op de bepalingen van de artikelen 4, 5, 18 en 19 van het bestreden decreet, waarbij artikel 19 meer in het bijzonder wordt beoogd, en op de commentaar bij en de bespreking van die bepalingen tijdens de parlementaire voorbereiding. A.3.
- De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 1, van de Grondwet, door artikel 19 van het bestreden decreet. Die bepaling zou twee discriminaties teweegbrengen. A.4.
- Volgens de verzoekende partij zou een eerste discriminatie voortvloeien uit het feit dat, van de scholen die niet door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd, noch gesubsidieerd, alleen de scholen die in 2006 GHSO’s hebben uitgereikt die beantwoordden aan de voorwaarden voor de homologatie ervan (op grond van de artikelen 9 en 10 van het Regentsbesluit van 31 december 1949 tot coördinatie van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, die werden opgeheven bij artikel 5 van het bestreden decreet), krachtens het bestreden artikel 19, de GHSO’s die zij in de toekomst zullen uitreiken, kunnen laten voorzien van het zegel van de Franse Gemeenschap; de andere scholen die niet door de Franse Gemeenschap zijn georganiseerd, noch gesubsidieerd, kunnen daarentegen in de toekomst niet langer de door hen uitgereikte GHSO’s laten voorzien van het zegel van de Franse Gemeenschap, zelfs indien het onderwijs dat door de leerlingen van die scholen wordt gevolgd, voldoet aan de wetgevende voorschriften die binnen de Franse Gemeenschap gelden. 4 Met de bestreden bepaling wordt een geprivilegieerde « overgangsregeling » voorbehouden aan de scholen die in 2006 GHSO’s hebben uitgereikt die beantwoordden aan de voorwaarden die zij vaststelt, rekening houdend met het feit dat andere scholen onderwijs organiseren dat voldoet aan de wetgevende voorschriften die binnen de Franse Gemeenschap gelden (zelfs indien zij niet door haar zijn georganiseerd, noch gesubsidieerd) en met het feit dat artikel 5 van het bestreden decreet de artikelen 9 en 10 van het voormelde Regentsbesluit opheft. De verzoekende partij is van mening dat het redelijk en passend zou zijn geweest het GHSO enkel te onderwerpen aan de voorwaarde met betrekking tot het verifiëren of het onderwijs dat de leerlingen van zulke scholen volgen, wel degelijk voldoet aan de wetgevende voorschriften die binnen de Franse Gemeenschap gelden. A.4.
- In haar memorie doet de Franse Gemeenschapsregering gelden dat de overgangsregeling die door het decreet werd ingevoerd, ingevolge een opmerking van de Raad van State werd georganiseerd ten gunste van de scholen waarvan het voordien geldende systeem de controle had gewaarborgd die voorafging aan de homologatie van de getuigschriften die zij uitreikten. Dat criterium is een objectief criterium. In de veronderstelling dat het systeem discriminerend is, zou men de situatie van die scholen moeten afstemmen op die van de scholen die niet door de Franse Gemeenschap worden gesubsidieerd, noch georganiseerd, zodat noch de enen, noch de anderen de in het geding zijnde overgangsregeling zouden kunnen toepassen. A.4.
- In haar memorie van antwoord voert de verzoekende partij aan dat het door haar bekritiseerde onderscheid niet verantwoord is; zij doet gelden dat een school die thans getuigschriften uitreikt die aan de homologatievoorwaarden voldoen, maar die in 2006 geen getuigschriften heeft uitgereikt, bijvoorbeeld omdat de school pas was opgericht, niet de regeling van de « automatische » homologatie kan genieten (zelfs al zou het onderwijs dat in die school wordt verstrekt, behoorlijk onderwijs zijn); een school die in 2006 wel getuigschriften heeft uitgereikt die aan de homologatievoorwaarden beantwoordden, kan daarentegen wel de regeling van de « automatische » homologatie genieten, zelfs al zou het onderwijs dat er thans wordt verstrekt, niet meer beantwoorden aan de vereisten inzake kwaliteit van het onderwijs. Zij voert aan dat het enige pertinente en adequate criterium een criterium is dat betrekking heeft op de huidige kwaliteit van het studieniveau van het onderwijs dat in de betrokken school wordt verstrekt. A.5.
- Volgens de verzoekende partij zou de bestreden bepaling een tweede discriminatie teweegbrengen tussen, enerzijds, de scholen die niet door de Franse Gemeenschap zijn georganiseerd, noch gesubsidieerd en waarin de betrokken leerlingen onderwijs volgen dat voldoet aan de binnen de Franse Gemeenschap geldende wetgevende voorschriften en, anderzijds, de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde scholen waarin de leerlingen eveneens onderwijs volgen dat voldoet aan de wetgevende voorschriften die binnen de Franse Gemeenschap gelden. Niets verantwoordt volgens haar dat, van de scholen die onderwijs verstrekken dat overeenstemt met de voormelde voorschriften, alleen die welke door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd, de door hen uitgereikte GHSO’s kunnen laten bedrukken met het zegel van de laatstgenoemde. A.5.
- Zij herinnert in dat verband eraan dat artikel 11 van het decreet van 25 april 2008 van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap preciseert dat de Algemene Inspectiedienst wordt belast met de controle van het studieniveau in het kader van het huisonderwijs. Die dienst zorgt ervoor dat het verstrekte onderwijs de leerplichtige minderjarige de mogelijkheid biedt een studieniveau te verwerven dat gelijkwaardig is aan het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden bedoeld bij de artikelen 16 en 25 of 35 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren. Zij begrijpt niet waarom, indien de Algemene Inspectiedienst vaststelt dat een gelijkwaardig studieniveau, in de zin van de voormelde bepaling, wordt bereikt door het onderwijs dat wordt verstrekt door een school die niet zou zijn georganiseerd, noch gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, die school geen GHSO’s zou kunnen uitreiken die van het zegel van de Franse Gemeenschap kunnen worden voorzien. A.5.
- In haar memorie doet de Franse Gemeenschapsregering gelden dat de twee categorieën van onderwijsinstellingen niet vergelijkbaar zijn. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet waarin wordt aangegeven in welk opzicht de homologatieprocedure voortaan overbodig zou zijn gelet op de maatregelen die sinds 1997 werden genomen, voert zij aan dat de controle waarin het decreet van 5 de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 « tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap » voorziet en waaraan de scholen die niet worden georganiseerd, noch gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, zijn onderworpen, op zich niet kan volstaan om een automatische homologatie te rechtvaardigen zoals die welke geldt voor de scholen die wel door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd. Zij wijst erop dat, in de praktijk, de leerlingen van de scholen die niet door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd, noch gesubsidieerd, in principe ressorteren onder artikel 5 van het voormelde decreet van 25 april 2008; die scholen, met uitzondering van die welke worden beoogd in artikel 3 van hetzelfde decreet, bieden een vorm van « huisonderwijs » aan in de zin van dat decreet. Indien de verzoekende partij GHSO’s zou mogen uitreiken, zou om het even welke ouder, vzw, … die huisonderwijs verstrekt eveneens het recht kunnen eisen om er in de toekomst uit te reiken. Dat zou niet kunnen worden toegestaan, en in zijn arrest nr. 87.093 van 9 mei 2000 heeft de Raad van State overigens beslist dat het huisonderwijs niet dezelfde waarborgen bood als het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs en dat een verschillende behandeling van beide onderwijsvormen dus geen discriminatie inhield. A.5.
- In haar memorie van antwoord acht de verzoekende partij het noodzakelijk dat er een verband bestaat tussen het voordeel van een automatische homologatie en de controle van het niveau van het onderwijs dat door de betrokken instellingen wordt verstrekt. Het decreet van 25 april 2008 organiseert een controle die het mogelijk maakt om na te gaan of het studieniveau dat wordt verzekerd door de instellingen die huisonderwijs verstrekken, gelijkwaardig is aan het studieniveau van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde instellingen. De verzoekende partij beweert helemaal niet dat iedere persoon die huisonderwijs verstrekt, het recht zou kunnen eisen om getuigschriften uit te reiken die automatisch kunnen worden gehomologeerd, maar is van mening dat er, vanaf het ogenblik dat er een strikte controle is van de kwaliteit van het onderwijs dat door de instellingen voor huisonderwijs wordt verstrekt en het betrokken onderwijs voldoet aan de verschillende criteria die tijdens die controle worden onderzocht, geen enkele objectieve reden is om die instellingen geen regeling te laten genieten die identiek is aan die van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde instellingen, wat de homologatie van de uitgereikte getuigschriften betreft : het criterium dat doorslaggevend moet zijn bij de invoering van een homologatieregeling zou betrekking moeten hebben op de kwaliteit van het onderwijs dat door een instelling wordt verstrekt, zonder dat men de categorie van onderwijs (door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs, of huisonderwijs) waartoe de instelling behoort, in aanmerking neemt. -B- B.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 « tot bevordering van de kosteloosheid in het onderwijs van de Franse Gemeenschap door de afschaffing van de homologatierechten voor diploma’s en door de vereenvoudiging van de procedures voor hun uitreiking ». Uit de uiteenzetting van het enige middel en uit het dispositief van het verzoekschrift blijkt nochtans dat het beroep beperkt is tot artikel 19 van dat decreet. B.
- De artikelen 4, 5, 18, eerste lid, en 19 van het bestreden decreet (waarbij die laatste twee bepalingen overgangs- en opheffingsbepalingen worden genoemd) bepalen : « Art.
- De overheden en instanties van de Franse Gemeenschap, namelijk de schoolinrichtingen, de diensten van het Ministerie van de Franse Gemeenschap, de algemene inspectiedienst, zoals bedoeld in het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene 6 inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs, ieder wat haar betreft, kijken na of de studies van de leerlingen gevolgd worden overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften binnen de Franse Gemeenschap. Het Ministerie van de Franse Gemeenschap drukt het zegel van de Franse Gemeenschap op de getuigschriften van het hoger secundair onderwijs die uitgereikt worden door de schoolinrichtingen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften binnen de Franse Gemeenschap. Wanneer een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs niet aan die voorschriften beantwoordt of geen voldoende oprechtheid vertoont, kan het Ministerie van de Franse Gemeenschap aan de inrichtende macht of aan het inrichtingshoofd een termijn opleggen om de nodige bewijzen te leveren. Wanneer het nodige bewijs bedoeld in het vorige lid niet geleverd wordt, wordt het zegel van de Franse Gemeenschap niet gedrukt op het getuigschrift van het secundair onderwijs ». « Art.
- De artikelen 9 en 10 van het Regentsbesluit van 31 december 1949 tot coördinatie van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, worden opgeheven ». « Art.
- De getuigschriften van het hoger secundair onderwijs die uitgereikt werden door een schoolinrichting, georganiseerd, gesubsidieerd of bedoeld in artikel 19, tussen 1 januari 2007 en 31 december 2007, worden als gehomologeerd geacht ». « Art.
- In afwijking van artikel 4 kunnen de getuigschriften van het hoger secundair onderwijs die uitgereikt worden door een schoolinrichting die noch georganiseerd of gesubsidieerd wordt door de Franse Gemeenschap, met het zegel van de Franse Gemeenschap gedrukt worden voor zover de getuigschriften van het hoger secundair onderwijs die uitgereikt werden door deze voor het jaar 2006, aan de voorwaarden beantwoordden voor de homologatie ervan overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van het Regentsbesluit van 31 december 1949 tot coördinatie van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, en voor zover de studies van de betrokken leerlingen gevolgd worden overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften binnen de Franse Gemeenschap. Het Ministerie van de Franse Gemeenschap kan overgaan tot de verificatie van de overeenstemmende uitvoering van deze voorschriften ». 7 Ten aanzien van het belang B.3.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden, omdat zij op dit ogenblik enkel onderwijs verstrekt aan leerplichtige minderjarigen uit het lager onderwijs en dat zij er dus geen belang bij heeft de mogelijkheid te eisen om getuigschriften uit te reiken ter bekrachtiging van hoger secundair onderwijs. B.3.
- Artikel 3 van de statuten van de verzoekende partij geeft aan dat zij onder andere tot doel heeft scholen op te richten, te beheren en uit te baten. Zij wijst erop dat de twee scholen waarvan zij de inrichtende macht is, kleuter- en lagere scholen zijn die werden opgericht in 2002 en in 2007, en dat zij de bedoeling heeft, zodra de leerlingen hun lager onderwijs hebben beëindigd, een structuur voor secundair onderwijs op te richten die leidt tot de toekenning van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs. B.3.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
- De elementen die door de verzoekende partij zijn aangevoerd, tonen niet aan dat zij zou beschikken over een voldoende belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling vermits het onderwijs dat wordt verstrekt door de scholen waarvan zij de inrichtende macht is, lager onderwijs is, terwijl de getuigschriften waarvan zij de uitreikingsvoorwaarden aanvecht, getuigschriften zijn van het hoger secundair onderwijs. Ter zitting heeft zij erkend dat zij geen afdelingen van secundair onderwijs heeft opgericht. Haar belang is derhalve slechts hypothetisch. B.3.
- Het beroep is niet ontvankelijk. 8 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 20 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div