id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.169 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091029.4 Arrest- Rolnummer: 169/2009 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Paragraaf 1, A, d), van rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, in de redactie eraan gegeven bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 juni 1992 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 20, in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen niet voor het verlaagde btw-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen voor het verlaagde btw-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Tarief van de belasting PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Fiscaal recht - BTW - Tarieven - Verlaagd tarief van 6% - Leveringen van gebouwen bestemd voor de sociale huisvesting - 1. Psychiatrische verzorgingstehuizen - 2. Bejaardentehuizen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 20 - 20-07-1979 - BIJLAGE - 31 Link Justel databank 19790720-31 Koninklijk Besluit - 29-06-1992 - 5 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4597 Arrest nr. 169/2009 van 29 oktober 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 29 december 2008 in zake de vzw « Zusters van de Bermhertigheid Jesu » tegen de Federale Overheidsdienst Financiën, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 januari 2009, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (bekrachtigd bij wet van 27 mei 1971), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1992 (bekrachtigd bij artikel 55 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen) en 29 juni 1992 (bekrachtigd bij artikel 51 van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen), bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 (bekrachtigd bij artikel 3 van de wet van 15 oktober 1998 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde), bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 (bekrachtigd bij artikel 3 van de programmawet van 5 augustus 2003), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien deze bepaling zo moet geïnterpreteerd worden dat psychiatrische verzorgingsinstellingen, in tegenstelling tot bejaardentehuizen, voor de periode t.e.m. 1 mei 1999 geen beroep kunnen doen op het verlaagde tarief van 6 % zoals ingevoerd bij het koninklijk besluit van 1 december 1995 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Zusters van de Bermhertigheid Jesu », met maatschappelijke zetel te 8200 Brugge, Koning Albert I-laan 8; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 22 september 2009 : - zijn verschenen : . Mr. S. Carton, advocaat bij de balie te Brugge, voor de vzw « Zusters van de Bermhertigheid Jesu »; . Mr. A. van Lidth de Jeude, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Volgens de fiscale administratie diende op de aannemingswerken, uitgevoerd in opdracht van de eisende partij voor de verwijzende rechter, voor twee psychiatrische verzorgingstehuizen in de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997, het btw-tarief van 21 pct. in plaats van 6 pct. te worden toegepast. Op 21 juni 2007 werd aan de eisende partij voor de verwijzende rechter, exploitant van die psychiatrische verzorgingstehuizen, een dwangbevel tot betaling van 502 830,12 euro (verschuldigde btw en boete) betekend. Dat bedrag werd door die partij op 26 juni 2007 « onder voorbehoud » betaald. Op 17 oktober 2007 heeft zij een fiscaal verzoekschrift bij de verwijzende rechter ingediend. Daarin vordert zij in hoofdorde de nietigverklaring van het voormelde dwangbevel en de terugbetaling van de door haar gestorte sommen. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter worden psychiatrische verzorgingstehuizen, in artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging, uitdrukkelijk met erkende rustoorden voor bejaarden gelijkgesteld. Voor de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 komt zij volgens haar dan ook in aanmerking voor de toepassing van het btw-tarief van 6 pct. op de aannemingswerken aan psychiatrische verzorgingstehuizen. De verwijzende rechter merkt daarbij op dat het in het geding zijnde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 de uitvoering betreft van artikel 37 van het BTW-Wetboek en dat de voormelde wet van 27 juni 1978 niets heeft uit te staan met de btw-wetgeving. Bovendien beoogt artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 het verblijf in ziekenhuizen in te korten of te voorkomen. Om die reden wordt aan geïntegreerde diensten voor thuisverzorging en aan erkende rustoorden voor bejaarden een bijzondere erkenning toegekend. In dat artikel 5 worden de psychiatrische verzorgingsinstellingen niet uitdrukkelijk vermeld. Een psychiatrisch verzorgingstehuis is bestemd voor mentaal gehandicapten of personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis, met dien verstande dat zij geen ziekenhuisbehandeling vergen (artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 1990 betreffende de erkenningsnormen). In zulk een tehuis zijn de patiënten niet « leeftijdsgebonden », zodat het niet kan worden gelijkgesteld met een rustoord of een verblijfsinrichting voor bejaarden. Dat psychiatrische verzorgingstehuizen niet onder de toepassing van het btw-tarief van 6 pct. vielen, blijkt volgens de verwijzende rechter ook uit de wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 bij het koninklijk besluit van 26 april 1999. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter is het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geschonden in zoverre psychiatrische verzorgingsinstellingen vóór 1 mei 1999 niet in aanmerking kwamen voor het btw-tarief van 6 pct. en instellingen die zich in eenzelfde situatie bevinden - zoals verblijfsinrichtingen voor bejaarden - wel. Volgens de verwijzende rechter bestaat de doelstelling van de invoering van het btw-tarief van 6 pct. voor de sociale huisvesting onder meer erin de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de werken aan onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen. Dan rijst de vraag of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden in zoverre werken aan onroerende goederen, bestemd voor de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden in psychiatrische verzorgingstehuizen, en uitgevoerd vóór 1 mei 1999, niet in aanmerking kwamen voor de toepassing van het btw-tarief van 6 pct. voor de sociale huisvesting. Na te hebben opgemerkt dat het in het geding zijnde koninklijk besluit door de wetgever is bekrachtigd, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. 4 III. In rechte -A- Standpunt van de eisende partij voor de verwijzende rechter A.1. Psychiatrische verzorgingstehuizen, enerzijds, en verblijfsinrichtingen voor bejaarden, anderzijds, zijn belastingplichtigen die zich in eenzelfde situatie bevinden. De wetgever zelf heeft zulks uitdrukkelijk bepaald, zoals blijkt uit artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging : psychiatrische verzorgingstehuizen worden, zoals rust- en verzorgingstehuizen, uitdrukkelijk met « erkende rustoorden voor bejaarden » gelijkgesteld. Die zienswijze wordt bevestigd door het koninklijk besluit van 26 juli 1990 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van psychiatrische verzorgingstehuizen. Beide categorieën van belastingplichtigen - psychiatrische verzorgingstehuizen en verblijfsinrichtingen voor bejaarden - worden voor de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 en voor de periode vóór 1 mei 1999 op een verschillende wijze belast. Voor dat verschil in behandeling bestaat geen redelijke verantwoording. A.2. Het Hof heeft in een soortgelijke zaak reeds uitspraak gedaan over de vraag of psychiatrische verzorgingstehuizen met verblijfsinrichtingen voor bejaarden en andere rusthuizen kunnen worden gelijkgesteld. In die zaak was de vrijstelling van de onroerende voorheffing aan de orde (arrest nr. 84/2007 van 7 juni 2007). Ook te dezen is het beperken van het toepassingsgebied van het verlaagde tarief tot rusthuizen of bejaardentehuizen, met uitsluiting van de psychiatrische verzorgingstehuizen, strijdig met de doelstelling die met het verlaagde tarief wordt nagestreefd, zodat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden. Met de invoering van het verlaagde btw-tarief beoogde de wetgever allereerst de bouwsector te stimuleren, maar stond hem ook een sociaal doel voor ogen, namelijk de sociale huisvesting te stimuleren. Psychiatrische verzorgingstehuizen vallen daaronder, zodat zij eveneens het verlaagde btw-tarief moeten kunnen genieten. A.3. De eisende partij voor de verwijzende rechter benadrukt dat psychiatrische verzorgingstehuizen geen ziekenhuizen zijn. Ziekenhuizen kunnen niet het verlaagde tarief genieten. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee soorten van instellingen die psychiatrische patiënten bijstaan. Enerzijds, de psychiatrische ziekenhuizen die in het algemeen volgende specialisaties hebben : verslaafdenzorg, psychosenzorg, ouderenpsychiatrie, persoonlijkheidsstoornissen en depressie; anderzijds, de psychiatrische verzorgingstehuizen waar twee types van bewoners verblijven : personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis en personen met een mentale handicap. De toestand van die personen is in die mate gestabiliseerd dat geen opname in een ziekenhuismilieu nodig is. Een psychiatrisch verzorgingstehuis is een residentiële instelling met een vergelijkbare werking als een bejaardentehuis. Voor de meeste opgenomen personen wordt het verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis een definitief verblijf. Bejaardentehuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen staan beide in voor de begeleiding en verzorging van hulpbehoevenden en zulks binnen een sociale context. Beide categorieën van belastingplichtigen bevinden zich aldus niet in situaties die, wat de toekenning van een verlaagd btw-tarief betreft, essentieel verschillend zijn. A.4. De eisende partij voor de verwijzende rechter wijst nog erop dat ten gevolge van het koninklijk besluit van 26 april 1999 psychiatrische verzorgingstehuizen vanaf 1 mei 1999 het verlaagde btw-tarief van 6 pct. kunnen genieten. Er is geen enkele redelijke verantwoording voorhanden waarom zulks vóór 1 mei 1999 niet het geval was. 5 Standpunt van de Ministerraad A.5. De Ministerraad merkt vooraf op dat voor de periode vóór 1 mei 1999 geen sprake was van een veralgemeend verlaagd btw-tarief van 6 pct., zoals in de prejudiciële vraag wordt vermeld, maar van een verlaagd tarief van 12 pct. Van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1998 was wel in een tijdelijk verlaagd tarief van 6 pct. voorzien. Bijgevolg is, zelfs voor de bejaardentehuizen, het verlaagde tarief van 6 pct. niet over de ganse kwestieuze periode van toepassing geweest. A.6. Het begrip « psychiatrisch verzorgingstehuis » is vreemd aan het btw-stelsel. In artikel 44, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek - en enkel in dat artikel - wordt het begrip « psychiatrische inrichting » gehanteerd, dat niet nader wordt gedefinieerd. Dat begrip is synoniem voor « psychiatrisch ziekenhuis ». A.7. De Ministerraad verwijst naar artikel 132, lid 1, b), van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Op grond van dat artikel kunnen de lidstaten voor bepaalde handelingen van algemeen belang belastingvrijstelling verlenen, doch enkel voor handelingen « door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard ». In dat verband brengt de Ministerraad de arresten van 6 november 2003 en 8 juni 2006 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in herinnering. De Ministerraad besluit daaruit dat het begrip « psychiatrische inrichting », vermeld in artikel 44, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek, een overbodige uitbreiding is van de in artikel 132, lid 1, b), van de voormelde richtlijn gehanteerde begrippen, nu de Europese begrippen het internrechtelijke begrip insluiten. Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat « medische verzorging » en « gezondheidskundige verzorging van de mens » diensten zijn die de diagnose, de behandeling en, voor zoveel mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen beogen. Vermits een psychiatrisch verzorgingstehuis is bedoeld voor personen met een mentale handicap of voor personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis, met dien verstande dat die personen geen ziekenhuisbehandeling vergen, moet worden besloten dat zulk een tehuis niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 132, lid 1, b), van de voormelde richtlijn, noch onder dat van artikel 44, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek. A.8. Wat de belastingvrijstelling van bepaalde handelingen van algemeen belang betreft, verwijst de Ministerraad nog naar artikel 44, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek. Dat artikel zet artikel 132, lid 1,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.