← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.169

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.169 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091029.4 Arrest- Rolnummer: 169/2009 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Paragraaf 1, A, d), van rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, in de redactie eraan gegeven bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 juni 1992 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 20, in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen niet voor het verlaagde btw-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen voor het verlaagde btw-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Tarief van de belasting PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Fiscaal recht - BTW - Tarieven - Verlaagd tarief van 6% - Leveringen van gebouwen bestemd voor de sociale huisvesting - 1. Psychiatrische verzorgingstehuizen - 2. Bejaardentehuizen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 20 - 20-07-1979 - BIJLAGE - 31 Link Justel databank 19790720-31 Koninklijk Besluit - 29-06-1992 - 5 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4597 Arrest nr. 169/2009 van 29 oktober 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 29 december 2008 in zake de vzw « Zusters van de Bermhertigheid Jesu » tegen de Federale Overheidsdienst Financiën, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 januari 2009, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (bekrachtigd bij wet van 27 mei 1971), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1992 (bekrachtigd bij artikel 55 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen) en 29 juni 1992 (bekrachtigd bij artikel 51 van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen), bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 (bekrachtigd bij artikel 3 van de wet van 15 oktober 1998 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde), bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 (bekrachtigd bij artikel 3 van de programmawet van 5 augustus 2003), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien deze bepaling zo moet geïnterpreteerd worden dat psychiatrische verzorgingsinstellingen, in tegenstelling tot bejaardentehuizen, voor de periode t.e.m. 1 mei 1999 geen beroep kunnen doen op het verlaagde tarief van 6 % zoals ingevoerd bij het koninklijk besluit van 1 december 1995 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Zusters van de Bermhertigheid Jesu », met maatschappelijke zetel te 8200 Brugge, Koning Albert I-laan 8; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 22 september 2009 : - zijn verschenen : . Mr. S. Carton, advocaat bij de balie te Brugge, voor de vzw « Zusters van de Bermhertigheid Jesu »; . Mr. A. van Lidth de Jeude, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Volgens de fiscale administratie diende op de aannemingswerken, uitgevoerd in opdracht van de eisende partij voor de verwijzende rechter, voor twee psychiatrische verzorgingstehuizen in de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997, het btw-tarief van 21 pct. in plaats van 6 pct. te worden toegepast. Op 21 juni 2007 werd aan de eisende partij voor de verwijzende rechter, exploitant van die psychiatrische verzorgingstehuizen, een dwangbevel tot betaling van 502 830,12 euro (verschuldigde btw en boete) betekend. Dat bedrag werd door die partij op 26 juni 2007 « onder voorbehoud » betaald. Op 17 oktober 2007 heeft zij een fiscaal verzoekschrift bij de verwijzende rechter ingediend. Daarin vordert zij in hoofdorde de nietigverklaring van het voormelde dwangbevel en de terugbetaling van de door haar gestorte sommen. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter worden psychiatrische verzorgingstehuizen, in artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging, uitdrukkelijk met erkende rustoorden voor bejaarden gelijkgesteld. Voor de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 komt zij volgens haar dan ook in aanmerking voor de toepassing van het btw-tarief van 6 pct. op de aannemingswerken aan psychiatrische verzorgingstehuizen. De verwijzende rechter merkt daarbij op dat het in het geding zijnde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 de uitvoering betreft van artikel 37 van het BTW-Wetboek en dat de voormelde wet van 27 juni 1978 niets heeft uit te staan met de btw-wetgeving. Bovendien beoogt artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 het verblijf in ziekenhuizen in te korten of te voorkomen. Om die reden wordt aan geïntegreerde diensten voor thuisverzorging en aan erkende rustoorden voor bejaarden een bijzondere erkenning toegekend. In dat artikel 5 worden de psychiatrische verzorgingsinstellingen niet uitdrukkelijk vermeld. Een psychiatrisch verzorgingstehuis is bestemd voor mentaal gehandicapten of personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis, met dien verstande dat zij geen ziekenhuisbehandeling vergen (artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 1990 betreffende de erkenningsnormen). In zulk een tehuis zijn de patiënten niet « leeftijdsgebonden », zodat het niet kan worden gelijkgesteld met een rustoord of een verblijfsinrichting voor bejaarden. Dat psychiatrische verzorgingstehuizen niet onder de toepassing van het btw-tarief van 6 pct. vielen, blijkt volgens de verwijzende rechter ook uit de wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 bij het koninklijk besluit van 26 april 1999. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter is het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geschonden in zoverre psychiatrische verzorgingsinstellingen vóór 1 mei 1999 niet in aanmerking kwamen voor het btw-tarief van 6 pct. en instellingen die zich in eenzelfde situatie bevinden - zoals verblijfsinrichtingen voor bejaarden - wel. Volgens de verwijzende rechter bestaat de doelstelling van de invoering van het btw-tarief van 6 pct. voor de sociale huisvesting onder meer erin de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de werken aan onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen. Dan rijst de vraag of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden in zoverre werken aan onroerende goederen, bestemd voor de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden in psychiatrische verzorgingstehuizen, en uitgevoerd vóór 1 mei 1999, niet in aanmerking kwamen voor de toepassing van het btw-tarief van 6 pct. voor de sociale huisvesting. Na te hebben opgemerkt dat het in het geding zijnde koninklijk besluit door de wetgever is bekrachtigd, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. 4 III. In rechte -A- Standpunt van de eisende partij voor de verwijzende rechter A.1. Psychiatrische verzorgingstehuizen, enerzijds, en verblijfsinrichtingen voor bejaarden, anderzijds, zijn belastingplichtigen die zich in eenzelfde situatie bevinden. De wetgever zelf heeft zulks uitdrukkelijk bepaald, zoals blijkt uit artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging : psychiatrische verzorgingstehuizen worden, zoals rust- en verzorgingstehuizen, uitdrukkelijk met « erkende rustoorden voor bejaarden » gelijkgesteld. Die zienswijze wordt bevestigd door het koninklijk besluit van 26 juli 1990 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van psychiatrische verzorgingstehuizen. Beide categorieën van belastingplichtigen - psychiatrische verzorgingstehuizen en verblijfsinrichtingen voor bejaarden - worden voor de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 en voor de periode vóór 1 mei 1999 op een verschillende wijze belast. Voor dat verschil in behandeling bestaat geen redelijke verantwoording. A.2. Het Hof heeft in een soortgelijke zaak reeds uitspraak gedaan over de vraag of psychiatrische verzorgingstehuizen met verblijfsinrichtingen voor bejaarden en andere rusthuizen kunnen worden gelijkgesteld. In die zaak was de vrijstelling van de onroerende voorheffing aan de orde (arrest nr. 84/2007 van 7 juni 2007). Ook te dezen is het beperken van het toepassingsgebied van het verlaagde tarief tot rusthuizen of bejaardentehuizen, met uitsluiting van de psychiatrische verzorgingstehuizen, strijdig met de doelstelling die met het verlaagde tarief wordt nagestreefd, zodat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden. Met de invoering van het verlaagde btw-tarief beoogde de wetgever allereerst de bouwsector te stimuleren, maar stond hem ook een sociaal doel voor ogen, namelijk de sociale huisvesting te stimuleren. Psychiatrische verzorgingstehuizen vallen daaronder, zodat zij eveneens het verlaagde btw-tarief moeten kunnen genieten. A.3. De eisende partij voor de verwijzende rechter benadrukt dat psychiatrische verzorgingstehuizen geen ziekenhuizen zijn. Ziekenhuizen kunnen niet het verlaagde tarief genieten. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee soorten van instellingen die psychiatrische patiënten bijstaan. Enerzijds, de psychiatrische ziekenhuizen die in het algemeen volgende specialisaties hebben : verslaafdenzorg, psychosenzorg, ouderenpsychiatrie, persoonlijkheidsstoornissen en depressie; anderzijds, de psychiatrische verzorgingstehuizen waar twee types van bewoners verblijven : personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis en personen met een mentale handicap. De toestand van die personen is in die mate gestabiliseerd dat geen opname in een ziekenhuismilieu nodig is. Een psychiatrisch verzorgingstehuis is een residentiële instelling met een vergelijkbare werking als een bejaardentehuis. Voor de meeste opgenomen personen wordt het verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis een definitief verblijf. Bejaardentehuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen staan beide in voor de begeleiding en verzorging van hulpbehoevenden en zulks binnen een sociale context. Beide categorieën van belastingplichtigen bevinden zich aldus niet in situaties die, wat de toekenning van een verlaagd btw-tarief betreft, essentieel verschillend zijn. A.4. De eisende partij voor de verwijzende rechter wijst nog erop dat ten gevolge van het koninklijk besluit van 26 april 1999 psychiatrische verzorgingstehuizen vanaf 1 mei 1999 het verlaagde btw-tarief van 6 pct. kunnen genieten. Er is geen enkele redelijke verantwoording voorhanden waarom zulks vóór 1 mei 1999 niet het geval was. 5 Standpunt van de Ministerraad A.5. De Ministerraad merkt vooraf op dat voor de periode vóór 1 mei 1999 geen sprake was van een veralgemeend verlaagd btw-tarief van 6 pct., zoals in de prejudiciële vraag wordt vermeld, maar van een verlaagd tarief van 12 pct. Van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1998 was wel in een tijdelijk verlaagd tarief van 6 pct. voorzien. Bijgevolg is, zelfs voor de bejaardentehuizen, het verlaagde tarief van 6 pct. niet over de ganse kwestieuze periode van toepassing geweest. A.6. Het begrip « psychiatrisch verzorgingstehuis » is vreemd aan het btw-stelsel. In artikel 44, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek - en enkel in dat artikel - wordt het begrip « psychiatrische inrichting » gehanteerd, dat niet nader wordt gedefinieerd. Dat begrip is synoniem voor « psychiatrisch ziekenhuis ». A.7. De Ministerraad verwijst naar artikel 132, lid 1, b), van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Op grond van dat artikel kunnen de lidstaten voor bepaalde handelingen van algemeen belang belastingvrijstelling verlenen, doch enkel voor handelingen « door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard ». In dat verband brengt de Ministerraad de arresten van 6 november 2003 en 8 juni 2006 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in herinnering. De Ministerraad besluit daaruit dat het begrip « psychiatrische inrichting », vermeld in artikel 44, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek, een overbodige uitbreiding is van de in artikel 132, lid 1, b), van de voormelde richtlijn gehanteerde begrippen, nu de Europese begrippen het internrechtelijke begrip insluiten. Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat « medische verzorging » en « gezondheidskundige verzorging van de mens » diensten zijn die de diagnose, de behandeling en, voor zoveel mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen beogen. Vermits een psychiatrisch verzorgingstehuis is bedoeld voor personen met een mentale handicap of voor personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis, met dien verstande dat die personen geen ziekenhuisbehandeling vergen, moet worden besloten dat zulk een tehuis niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 132, lid 1, b), van de voormelde richtlijn, noch onder dat van artikel 44, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek. A.8. Wat de belastingvrijstelling van bepaalde handelingen van algemeen belang betreft, verwijst de Ministerraad nog naar artikel 44, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek. Dat artikel zet artikel 132, lid 1,

  1. g)en h), van de voormelde richtlijn om in het interne recht. Na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 2005 in herinnering te hebben gebracht, besluit de Ministerraad dat een psychiatrisch verzorgingstehuis een plaats is die handelingen genereert of kan genereren die in de voormelde internrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen zijn bedoeld. Psychiatrische verzorgingstehuizen, evenals bejaardentehuizen, zijn bijgevolg plaatsen die, wat bepaalde handelingen van algemeen belang betreft, van btw kunnen worden vrijgesteld. A.9. Wat de beweerde schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft, verwijst de Ministerraad naar het voormelde arrest van 26 mei 2005 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. In dat arrest wordt het beginsel van de « fiscale neutraliteit » in herinnering gebracht. Dat beginsel verzet zich ertegen dat soortgelijke diensten die met elkaar in concurrentie staan, uit het oogpunt van de btw, verschillend worden behandeld. Vermits te dezen van concurrerende « handelaars » geen sprake is, is het beginsel van de fiscale neutraliteit niet geschonden. Zulks belet evenwel niet dat in het geding voor de verwijzende rechter handelingen aan de orde zijn die door handelaars zijn verricht. Met verwijzing naar Europeesrechtelijke regelgeving en naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, besluit de Ministerraad dat de lidstaten daaromtrent over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikken. De wetgever heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt om de voordelen die uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeien, eerst aan de bejaardentehuizen en pas later aan de psychiatrische verzorgingstehuizen toe te kennen. Daaruit kan geen schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie worden afgeleid, vermits de bejaardentehuizen en de psychiatrische verzorgingstehuizen zich ten opzichte van de in het geding zijnde maatregel in essentieel verschillende situaties bevinden, zodat een identieke fiscale behandeling niet is vereist. Beide categorieën van belastingplichtigen leggen zich immers toe op twee verschillende doelgroepen met onderscheiden noden, behoeften en verzorging van de inwoners. Bejaardentehuizen en psychiatrische 6 verzorgingstehuizen zijn onderscheiden organisaties die verschillen op het vlak van, onder meer, investeringen, kosten, personeelsbestand en infrastructuur. -B- B.1. De prejudiciële vraag betreft rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, meer bepaald paragraaf 1, A, d), van die rubriek X, in de redactie zoals van toepassing op het bodemgeschil. B.2. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de voormelde bepalingen bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die bepalingen aldus dienen te worden geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen, in tegenstelling tot bejaardentehuizen, voor de periode vóór 1 mei 1999, niet het verlaagde btw-tarief van 6 pct. konden genieten. Uit de motieven van de beslissing waarbij de prejudiciële vraag wordt gesteld, blijkt dat de zaak voor de verwijzende rechter een geschil betreft dat op de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 betrekking heeft. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de in het geding zijnde bepalingen zoals van toepassing op het bodemgeschil. Wat de context van de in het geding zijnde bepalingen betreft B.3.1. Artikel 37 van het BTW-Wetboek bepaalt : « § 1. Bij in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de tarieven en geeft Hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering. Bij eenzelfde procedure kan Hij de indeling en de tarieven wijzigen wanneer de economische of sociale omstandigheden zulks vereisen. 7 § 2. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van § 1 van dit artikel genomen besluiten ». B.3.2. Ter uitvoering van het voormelde artikel 37 werd het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 « tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven » genomen. Het voormelde koninklijk besluit, bekrachtigd door de wetgever, werd meermaals gewijzigd. B.3.3. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 juni 1992 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 (Belgisch Staatsblad, 2 juli 1992) bepaalt : « Rubriek X van tabel B van de bijlage bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling : ‘ X. Sociale huisvesting. § 1. Het verlaagd tarief van 12 pct. is van toepassing op : A. de leveringen van nagenoemde in artikel 9, § 3, van het Wetboek bedoelde gebouwen bestemd voor de sociale huisvesting : […]
  2. d)woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, gehandicapten, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen en personen in moeilijkheden, en die worden geleverd en gefactureerd aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren : 1° verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg; 2° instellingen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, gehandicapten huisvesten en die vanwege de bevoegde overheid een tegemoetkoming genieten van het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten of van het Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap of van de “ Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung sowie für die besondere soziale Fürsorge ”; 3° internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen; 8 4° jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdbijstand; 5° opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid; ’ ». B.3.4. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 (Belgisch Staatsblad, 16 december 1995) bepaalt : « In het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven worden na artikel 1bis tijdelijke bepalingen ingevoegd, luidend als volgt : ‘ Tijdelijke bepalingen. Artikel 1ter. In afwijking van artikel 1, worden vanaf 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 onderworpen aan het tarief van 6 pct. de handelingen bedoeld in tabel B, rubriek X, § 1, van de bijlage bij dit besluit. De uitsluitingen opgenomen in rubriek X, § 2, van dezelfde tabel B blijven van toepassing. […] ’ ». B.3.5. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 april 1999 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 (Belgisch Staatsblad, 30 april 1999) bepaalt : « In rubriek X, § 1, A, d), van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  3. a)de woorden ‘ en personen in moeilijkheden ’ worden vervangen door de woorden ‘ , personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten ’;
  4. b)§ 1, A,
  5. d)wordt aangevuld als volgt : ‘ 5° psychiatrische verzorgingstehuizen die op een duurzame wijze in dag- en nachtverblijf personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis of mentaal gehandicapten huisvesten en die door de bevoegde overheid erkend zijn; 9 6° gebouwen waar, ten titel van een initiatief van beschut wonen erkend door de bevoegde overheid, het op een duurzame wijze huisvesten in dag- en nachtverblijf en het begeleiden van psychiatrische patiënten plaatsheeft; ’ ». Dat koninklijk besluit treedt op 1 mei 1999 in werking (artikel 2) en is bijgevolg niet van toepassing op het bodemgeschil. Ten gronde B.4.1. In de interpretatie van de verwijzende rechter, volgens welke psychiatrische verzorgingstehuizen, in de betreffende periode, niet voor het verlaagde btw-tarief van 6 pct. in aanmerking komen, is de maatregel gegrond op een criterium dat niet in verband staat met de doelstelling van het verlaagde btw-tarief van 6 pct. voor de sociale huisvesting die, onder meer, erin bestaat de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen. Door in een verlaagd btw-tarief te voorzien, beoogde de wetgever niet alleen de bouwsector te stimuleren, maar streefde hij ook een sociale doelstelling na, namelijk de sociale huisvesting te ondersteunen. Zowel de verblijfsinrichtingen voor bejaarden als de psychiatrische verzorgingstehuizen behoren tot de sector van de sociale huisvesting, nu beide instaan voor het verblijf en de opvang, in de regel op duurzame wijze, van hulpbehoevende personen. De omstandigheid dat enkel in de verblijfsinrichtingen voor bejaarden dat verblijf en die opvang leeftijdgebonden zijn, doet daaraan niets af. Psychiatrische verzorgingstehuizen verschillen niet fundamenteel van bejaardentehuizen, wat het verblijf en de opvang van hulpbehoevenden in het kader van de sociale huisvesting betreft, zodat het redelijkerwijze niet is verantwoord beide categorieën van instellingen aan een verschillend btw-tarief te onderwerpen wat de werken aan onroerende goederen betreft die voor die opvang worden aangewend. De omstandigheid dat beide categorieën van instellingen verschillend zijn georganiseerd wat betreft, onder meer, investeringen, kosten, personeelsbestand en infrastructuur, is ook niet van dien aard dat zij het verschil in behandeling kan verantwoorden. 10 B.4.2. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.1. De in het geding zijnde bepaling kan evenwel ook op een andere wijze worden geïnterpreteerd. Artikel 5 van het in B.3.3 vermelde koninklijk besluit van 29 juni 1992 bepaalt dat het verlaagde tarief inzake sociale huisvesting van toepassing is op, onder meer, « woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van […] personen in moeilijkheden, en die worden geleverd en gefactureerd aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren : […] opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf […] personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid ». Er kan worden aangenomen dat in die omschrijving de psychiatrische verzorgingstehuizen dienen te worden begrepen. B.5.2. In die interpretatie worden psychiatrische verzorgingstehuizen wat het verlaagde btw-tarief inzake sociale huisvesting betreft, niet anders behandeld dan verblijfsinrichtingen voor bejaarden. Bovendien heeft de wetgever zelf - door het in B.3.5 vermelde koninklijk besluit van 26 april 1999 te bekrachtigen - « psychiatrische verzorgingstehuizen die op een duurzame wijze in dag- en nachtverblijf personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis of mentaal gehandicapten huisvesten en die door de bevoegde overheid erkend zijn », met ingang van 1 mei 1999, uitdrukkelijk aan hetzelfde btw-tarief onderworpen als, onder meer, « verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg ». B.5.3. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Paragraaf 1, A, d), van rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, in de redactie eraan gegeven bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 juni 1992 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 20, in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen niet voor het verlaagde btw-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen voor het verlaagde btw-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2009. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.169 Gerelateerde publicatie(
  6. s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.