id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.176 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091112.1 Arrest- Rolnummer: 176/2009 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-11-23 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-06-30 03:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met wat is vermeld in B.4.3, schendt artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Algemeen BURGERLIJK RECHT - JEUGDRECHT - Jeugdbeschermingswet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Jeugdrechtbank te Mechelen. Jeugdbescherming -
- Minderjarigen die ten aanzien van een zelfde burgerlijke partij een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd -
- Rechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Veroordeling in solidum tot betaling van één rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-04-2007 - 9 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Rolnummer 4557 Arrest nr. 176/2009 van 12 november 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Jeugdrechtbank te Mechelen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 november 2008 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen R.H. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 november 2008, heeft de Jeugdrechtbank te Mechelen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art. 162bis Sv. het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgesteld in art. 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het wordt toegepast op procedures in zaken van jeugdbescherming voor de jeugdrechtbank, doordat, gelet op de afzonderlijke behandeling van de zaak van elke minderjarige volgens art. 56 van de wet van 8 april 1965, personen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd elk afzonderlijk veroordeeld worden tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij, terwijl (meerderjarige) personen die een misdrijf hebben gepleegd samen (hoofdelijk) tot deze rechtsplegingsvergoeding kunnen worden veroordeeld ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 2 juni 2009 : - is verschenen : Mr. J. Mosselmans loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de verwijzende rechter worden een minderjarige en zijn burgerrechtelijk aansprakelijke ouders gedagvaard door het openbaar ministerie en een aantal burgerlijke partijen. Met verwijzing naar artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering is de minderjarige van oordeel dat er geen wettelijke basis voorhanden is om hem tot de gevorderde rechtsplegingsvergoeding te veroordelen, minstens dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden. De verwijzende rechter overweegt dat overeenkomstig artikel 62 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (hierna : de Jeugdbeschermingswet) de wetgeving betreffende de vervolgingen in correctionele zaken van toepassing is, indien de Jeugdbeschermingswet geen eigen procedureregels bevat. Bij ontstentenis van zulke regels dient volgens de verwijzende rechter te worden aangenomen dat artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering ook geldt met betrekking tot vonnissen van de jeugdrechtbank inzake jeugdbeschermingsmaatregelen. Voorts wijst de minderjarige erop dat overeenkomstig artikel 56 van de Jeugdbeschermingswet, voor de jeugdrechtbank de zaak van elke minderjarige afzonderlijk wordt behandeld, zelfs indien het als misdrijf omschreven feit door meerdere personen werd gepleegd. De minderjarige meent dat er sprake is van discriminatie, nu in een zaak voor de jeugdrechtbank de burgerlijke partij ten aanzien van elke veroordeelde 3 minderjarige een rechtsplegingsvergoeding kan vorderen, terwijl voor de strafrechtbank zulks enkel mogelijk is ten aanzien van het geheel van de veroordeelden. Volgens de minderjarige is het noodzakelijk daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen. De minderjarige is van oordeel dat artikel 56 van de Jeugdbeschermingswet, in samenhang gelezen met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, het gelijkheidsbeginsel schendt. De verwijzende rechter overweegt dat artikel 56 van de Jeugdbeschermingswet een specifieke en substantiële procedureregel is die een goede rechtsbedeling voor de betrokken minderjarige beoogt te waarborgen, zowel in het belang van die minderjarige als in dat van andere bij de zaak betrokken jongeren, onder meer door de mogelijkheid te creëren een dialoog van vertrouwen tot stand te brengen tussen de jeugdrechter en de jongere. In het geval dat verschillende personen bij hetzelfde misdrijf zijn betrokken, kan zulks aanleiding geven tot verschillende beslissingen inzake schadevergoeding die aan eenzelfde burgerlijke partij toekomen. Gelet evenwel op de specificiteit van de procedures voor de jeugdrechtbank en de finaliteit van het voormelde artikel 56 is er volgens de verwijzende rechter geen reden om die bepaling op zich aan de toetsing van het Hof voor te leggen. Volgens de verwijzende rechter rijst er echter een probleem in zoverre met betrekking tot de procedures inzake jeugdbescherming niet in een specifieke regel inzake de rechtsplegingsvergoeding is voorzien. Bijgevolg is het wel een relevante vraag of de toepassing van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, in zaken van jeugdbescherming, leidt tot een minder gunstige behandeling van minderjarigen, gelet op het feit dat de burgerlijke partij in elke zaak tegen een minderjarige een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding kan vorderen. Bovendien rijst de vraag of het feit dat de burgerlijke partij is genoodzaakt zich in elke zaak burgerlijke partij te stellen en afzonderlijke debatten kunnen worden gevoerd, een voldoende verantwoording voor die minder gunstige behandeling biedt. Alvorens te oordelen over de vorderingen van de burgerlijke partijen tot veroordeling van de minderjarige en zijn ouders tot een rechtsplegingsvergoeding, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad merkt vooraf op dat overeenkomstig artikel 62 van de Jeugdbeschermingswet de wetgeving betreffende de vervolgingen in correctionele zaken dient te worden toegepast, indien de Jeugdbeschermingswet geen eigen procedureregels bevat. Vermits de wetgever niet in een afzonderlijke regeling betreffende de rechtsplegingsvergoeding in jeugdzaken heeft voorzien, is artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering van toepassing op uitspraken van de jeugdrechtbank met betrekking tot jeugdbeschermingsmaatregelen. A.
- Volgens de Ministerraad wenst de verwijzende rechter een antwoord op de vraag of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt geschonden, in zoverre minderjarigen die ten aanzien van eenzelfde burgerlijke partij een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, elk afzonderlijk tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding kunnen worden veroordeeld, terwijl meerderjarigen, in dezelfde feitelijke omstandigheden, hoofdelijk tot een rechtsplegingsvergoeding worden veroordeeld. De prejudiciële vraag dient volgens de Ministerraad ontkennend te worden beantwoord. Overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de Jeugdbeschermingswet geschieden het onderzoek en de behandeling in aangelegenheden waarbij maatregelen ten aanzien van minderjarigen noodzakelijk zijn, voor elke minderjarige afzonderlijk. Dat is te dezen het geval. Artikel 56 van de Jeugdbeschermingswet vormt een specifieke en substantiële procedureregel in die wet. Die bepaling beoogt een goede rechtsbedeling voor jongeren te waarborgen, zowel in het belang van de jongere wiens zaak wordt onderzocht als in het belang van andere bij de zaak betrokken jongeren. 4 Zoals de verwijzende rechter zelf aangeeft, heeft de afzonderlijke behandeling van minderjarigen die ten aanzien van eenzelfde burgerlijke partij een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, tot gevolg dat de burgerlijke partij is genoodzaakt zich in elke zaak afzonderlijk burgerlijke partij te stellen en afzonderlijke debatten te voeren. Aangezien zulks voor de burgerlijke partij aanzienlijke meerkosten op het vlak van juridische bijstand en vertegenwoordiging met zich meebrengt, is het volgens de Ministerraad redelijk verantwoord dat die burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding ten aanzien van elke veroordeelde minderjarige kan verkrijgen. A.
- De Ministerraad merkt nog op dat artikel 56, tweede lid, van de Jeugdbeschermingswet uitsluitend betrekking heeft op de debatten op strafrechtelijk gebied. Die bepaling vindt niet noodzakelijkerwijze toepassing op de debatten met betrekking tot de burgerlijke vordering. Niets belet de jeugdrechter om, nadat op strafrechtelijk gebied tegen elk van de minderjarigen een beslissing werd genomen, bepaalde aspecten van de burgerlijke vordering tegen minderjarigen die bij een zelfde feit zijn betrokken, gezamenlijk te behandelen. Zulks impliceert dat de jeugdrechter, net zoals de correctionele rechter, evenzeer over de mogelijkheid beschikt om veroordeelde minderjarigen overeenkomstig artikel 1020 van het Gerechtelijk Wetboek in solidum te veroordelen tot betaling van één rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat minderjarigen die ten aanzien van eenzelfde burgerlijke partij een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, elk afzonderlijk tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die burgerlijke partij kunnen worden veroordeeld, terwijl meerderjarigen die ten aanzien van eenzelfde burgerlijke partij een misdrijf hebben gepleegd gezamenlijk tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die burgerlijke partij kunnen worden veroordeeld. B.1.
- Uit de verwijzingsbeslissing van 12 november 2008 blijkt dat de verwijzende rechter rekening heeft gehouden, wat de burgerlijkepartijstelling betreft, met de gegevens in een andere zaak met betrekking tot een andere minderjarige omtrent dezelfde feiten. De verwijzende rechter, rechtsprekend over de vorderingen van de burgerlijke partijen, zegt voor recht dat die veroordeling solidair geldt met de andere minderjarige. In zijn vonnis van 9 april 2008 omtrent de andere minderjarige heeft de verwijzende rechter met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding geoordeeld dat het, gelet op de beperkte middelen van die minderjarige, het gepast voorkwam het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe te kennen van 375 euro. 5 B.2.
- Artikel 9 van de wet van 21 april 2007 voegt een artikel 162bis in het Wetboek van strafvordering in, dat bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». Dat artikel maakt deel uit van hoofdstuk III van de voormelde wet, waarvan de bepalingen het beginsel van de verhaalbaarheid uitbreiden tot de strafzaken, maar die uitbreiding beperken tot de verhoudingen tussen de inverdenkinggestelde of de beklaagde en de burgerlijke partij. De persoon die door een strafgerecht ten aanzien van de burgerlijke partij wordt veroordeeld, moet aldus aan die laatstgenoemde de rechtsplegingsvergoeding betalen. B.2.
- In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat in de toepassing van de verhaalbaarheid voor de strafgerechten is voorzien omdat het « meer conform [leek] te zijn met de principes van gelijkheid en niet-discriminatie dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van schade voor een burgerlijke dan wel voor een strafrechtelijke rechtbank, gelijk zou behandelen », en dat het voorstel om de regeling van de verhaalbaarheid uit te breiden tot de relaties tussen de beklaagde en de burgerlijke partij in overeenstemming was met het advies van de Ordes van advocaten en dat van de Hoge Raad voor de Justitie (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, pp. 5-6). B.
- Op grond van artikel 62 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (hierna : de Jeugdbeschermingswet), gelden, behoudens afwijking, voor de in titel II, hoofdstuk III, van die wet bedoelde procedures - namelijk de maatregelen ter bescherming van de minderjarigen -, de wetsbepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele zaken, behoudens wanneer die toepassing zou indruisen tegen de algemene beginselen die het jeugdbeschermingsrecht beheersen. 6 In de interpretatie van de verwijzende rechter is, bij ontstentenis van afwijking in de Jeugdbeschermingswet, artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering van toepassing op uitspraken van de jeugdrechtbank met betrekking tot jeugdbeschermingsmaatregelen. B.4.
- Krachtens artikel 56, tweede lid, van de jeugdbeschermingswet wordt in de zaken betreffende maatregelen ten aanzien van minderjarigen, « het geval van elke minderjarige afzonderlijk onderzocht ». Geen andere minderjarige mag daarbij aanwezig zijn, behalve gedurende de voor eventuele confrontaties nodige tijd. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, vormt die bepaling een specifieke en substantiële procedureregel in de Jeugdbeschermingswet. Die bepaling beoogt een goede rechtsbedeling voor de betrokken jongere te waarborgen, zowel in het belang van de jongere wiens geval wordt onderzocht, als in het belang van andere bij de zaak betrokken jongeren, onder meer door de mogelijkheid te creëren een dialoog in vertrouwen tot stand te brengen tussen de jeugdrechter en de jongere. B.4.
- Uit het vereiste dat minderjarigen die ten aanzien van eenzelfde burgerlijke partij een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, afzonderlijk worden behandeld, vloeit voort dat die burgerlijke partij genoodzaakt is zich ten aanzien van elke betrokken minderjarige burgerlijke partij te stellen en, in de regel, afzonderlijke debatten te voeren. B.4.
- Het voormelde artikel 56, tweede lid, geldt evenwel slechts voor de debatten betreffende de maatregelen ter bescherming van de minderjarigen. Die bepaling staat niet eraan in de weg dat de debatten betreffende bepaalde aspecten van de burgerlijke vordering tegen minderjarigen die bij eenzelfde feit zijn betrokken, gezamenlijk zouden worden gevoerd, zodat de jeugdrechter de minderjarigen in solidum tot betaling van één rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij kan veroordelen. Wanneer de debatten over de burgerlijke vordering ten aanzien van de betrokken minderjarigen afzonderlijk worden gevoerd, kan de rechter een veroordeling uitspreken tot de rechtsplegingsvergoeding, solidair met die welke hij voorafgaandelijk heeft uitgesproken. 7 B.
- Gelet op wat voorafgaat is de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met wat is vermeld in B.4.3, schendt artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div