← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.177

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.177 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091112.2 Arrest- Rolnummer: 177/2009 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-11-23 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-06-30 03:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet december 1984, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Rekening houdend met wat in B.7.2 is uiteengezet, schenden de artikelen 60 tot 73 de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, in de versie ervan die van toepassing was op het aanslagjaar 1984, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zoverre zij in geen specifieke verjaringstermijn voorzien voor de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. - De in ondergeschikte orde gestelde prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december 1984, en over artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid -

  1. Geregulariseerde gewone bijdragen die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid - Vordering tot invordering - Verjaringstermijn - 2.Werkloosheidsverzekering - Financiering - Bijzondere bijdrage - Vordering tot invordering - Verjaringstermijn. Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 27-06-1969 - 42 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 16,§2 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Wet - 03-12-1984 - 2 - 30 Link Justel databank 19841203-30 Wet - 28-12-1983 - 60 tot 73 - 30 ELI link Pub nr 1983004517 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4593 Arrest nr. 177/2009 van 12 november 2009 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december 1984, en over artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter M. Melchior, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 3 december 2008 in zake de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tegen Jacques Electeur en Yvette Englebert, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 december 2008, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  2. Vraag in hoofdorde : ' Schendt artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december 1984 (tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet van toepassing is op de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die op grond van de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen door de zelfstandigen verschuldigd is, terwijl het van toepassing is op de invordering van de geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid die door de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid, en terwijl de personen die beide categorieën van bijdragen verschuldigd zijn, zich in vergelijkbare situaties bevinden en de ontstentenis van een verjaringsregeling het vermogen van de zelfstandigen die de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid verschuldigd zijn, voor onbepaalde duur onzeker maakt, in tegenstelling tot het vermogen van de zelfstandigen die de geregulariseerde gewone bijdragen bij de aanvang van de beroepsbezigheid verschuldigd zijn en een verjaringsregeling genieten die die onzekerheid in de tijd beperkt ? ';
  3. Vragen in ondergeschikte orde : - ' Schendt artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december 1984 (tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet van toepassing is op de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die op grond van de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen door de zelfstandigen verschuldigd is, terwijl het van toepassing is op de invordering van de gewone bijdragen voor sociale zekerheid die door de zelfstandigen tijdens de uitoefening van de beroepsbezigheid verschuldigd zijn ? '; - ' Schendt artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet van toepassing is op de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die op grond van de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen door de zelfstandigen verschuldigd is, terwijl het van toepassing is op de invordering van de gewone bijdragen voor sociale zekerheid die voor de tewerkstelling van werknemers verschuldigd zijn ? ' ». 3 Memories zijn ingediend door : - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7; - Jacques Electeur en Yvette Englebert, wonende te 1070 Brussel, Vanhellemontlaan II/8; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening; - Jacques Electeur en Yvette Englebert. Op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2009 : - zijn verschenen : . Mr. F. Lemaire, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening; . Mr. H. Michel, advocaat bij de balie te Charleroi, voor Jacques Electeur en Yvette Englebert; . Mr. P. Heughebaert loco Mr. F. Gosselin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Jacques Electeur, die in 1983 een zelfstandig beroep uitoefende, heeft voor dat inkomstenjaar een bedrag van 222 350,63 euro ontvangen. Daar hij onderworpen was aan de sociale zekerheid der zelfstandigen heeft de RVA op 10 oktober 2003 een bedrag van 22 235,06 euro gevorderd als bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de inkomsten van het jaar 1983, vermeerderd met het bedrag van 45 381,74 euro dat overeenstemt met de in oktober 2002 vastgestelde interesten. Voor de Arbeidsrechtbank te Brussel, waarvoor het geschil aanhangig is gemaakt, voert Jacques Electeur in hoofdorde de verjaring van de vordering aan en verzoekt hij in ondergeschikte orde verschillende prejudiciële vragen te stellen over de grondwettigheid van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, in zoverre die wet geen enkele bepaling bevat met betrekking tot de verjaringstermijn van de vordering tot betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid en in zoverre zij aan de voormelde 4 bijzondere bijdrage personen onderwerpt wier gezamenlijk belastbaar inkomen het bedrag van drie miljoen Belgische frank bereikt, terwijl andere personen met eenzelfde inkomen dat evenwel afzonderlijk belastbaar is of wier onroerende inkomsten niet belastbaar zijn, die bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid niet verschuldigd zijn. De verwijzende rechter onderzoekt de te dezen toepasselijke wetgeving. Hij stelt vast dat, wegens de ontstentenis van een bijzondere regel inzake de verjaring bepaald in de wet van 28 december 1983, de rechtspraak van oordeel is dat de gemeenrechtelijke verjaring van toepassing is op de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. De verwijzende rechter merkt eveneens op dat het Hof in zijn arrest nr. 71/2004 van 5 mei 2004 die interpretatie ongrondwettig heeft verklaard in zoverre zij ertoe leidt dat de schuldenaars van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid worden geconfronteerd met een grotere onzekerheid ten aanzien van hun vermogen, vermits de vordering tot invordering van die bijzondere bijdrage verjaart na verloop van tien jaar, onzekerheid die de schuldenaars van gewone bijdragen voor sociale zekerheid niet ondergaan, daar hun vordering tot invordering verjaart na vijf jaar met toepassing van artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. De verwijzende rechter is van mening dat dat arrest de rechtscolleges verbiedt de gemeenrechtelijke verjaring voor de vorderingen tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid toe te passen op iedere andere grond, maar merkt eveneens op dat het arrest van het Hof het, wegens de ontstentenis van specifieke wetsbepalingen, niet mogelijk maakt een ander verjaringsstelsel in de plaats te stellen van het gemeenrechtelijke stelsel, waarvan de toepassing op de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid discriminerend is bevonden. De verwijzende rechter is voorts van mening dat noch artikel 42 van de wet van 27 juni 1969, noch artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 en het daarin vastgestelde verjaringsstelsel te dezen kunnen worden toegepast, aangezien het toepassingsgebied ervan losstaat van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. De verwijzende rechter onderzoekt vervolgens de vergelijkbaarheid tussen de in het geding zijnde rechtzoekenden en andere personen die socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn die een specifiek verjaringsstelsel genieten. Hij leidt hieruit af dat de situatie van de in het geding zijnde rechtzoekende vergelijkbaar is met die van iedere zelfstandige bij de aanvang of de hervatting van een beroepsbezigheid die geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid verschuldigd is voor het jaar 1983, zowel wat de aard van de bijdrage betreft als de methode voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag. Voor die tweede categorie voorzag artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 echter in een verjaring na vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het derde jaar dat volgt op het jaar waarin de bezigheid is aangevangen. De verwijzende rechter leidt hieruit af dat het vermogen van de zelfstandige die de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid verschuldigd is, gedurende onbepaalde tijd in onzekerheid verkeert, in tegenstelling tot dat van de zelfstandigen die geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid bij de aanvang van een beroepsbezigheid verschuldigd zijn, waarbij die bijdragen een verjaringsstelsel genieten dat die onzekerheid in de tijd beperkt. In ondergeschikte orde vergelijkt de verwijzende rechter de situatie van de in het geding zijnde rechtzoekenden met die van de zelfstandigen die gewone bijdragen voor sociale zekerheid tijdens de beroepsbezigheid verschuldigd zijn, of nog, met de situatie van de werknemers, waarbij voor hun tewerkstelling gewone bijdragen verschuldigd zijn in het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. III. In rechte -A– Memorie van de verwerende partij voor de verwijzende rechter A.1.
  4. De verwerende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat, indien het Hof de vragen bevestigend beantwoordt, de rechter die ze heeft gesteld artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 5 27 juli 1967 of artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 zal moeten toepassen op de invordering van de bijzondere bijdrage. Dat zou erop neerkomen het toepassingsgebied van de twee voormelde bepalingen uit te breiden. A.1.
  5. De verwerende partij staat vervolgens stil bij de termijn die te dezen van toepassing zou moeten zijn. Zij stelt vast dat de bijzondere bijdrage verschuldigd is door een persoon met een minimum aan inkomsten, ofwel persoonlijk wanneer het een zelfstandige betreft, ofwel via een inhouding op de door de werkgever gestorte bezoldiging of persoonlijk indien de voormelde inhouding niet is gebeurd. De verwerende partij stelt vast dat die bijdrage het voorwerp moet uitmaken van een provisionele storting met toepassing van artikel 62 van de wet van 28 december
  6. Het bedrag van de bijdrage wordt vastgesteld wanneer de inkomsten van het jaar waarop die bijdrage betrekking heeft, definitief vaststaan. Hieruit vloeit voort dat het bedrag van de bijdrage niet kan worden vastgesteld in de loop van het referentiejaar, om de eenvoudige reden dat het verschuldigde bedrag pas na het jaar waarin de inkomsten worden geïnd, kan worden vastgesteld. A.1.
  7. De verwerende partij besluit hieruit dat de vergelijkbaarheid waarvan sprake is, klaarblijkelijk die is welke de Arbeidsrechtbank te Brussel heeft opgemerkt in de vraag die zij in hoofdorde heeft gesteld en niet die welke zij heeft opgemerkt in de vraag die zij in ondergeschikte orde stelt. De gewone bijdragen van de zelfstandigen die verschuldigd zijn in de loop van de beroepsbezigheid zijn immers niet voorlopig en worden niet gestort als een voorschot op hetgeen verschuldigd zou zijn. De bijdragen bedoeld in artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 zijn verschuldigd door de werkgever en hebben geen betrekking op de schuldenaar van de bijzondere bijdrage. De verwerende partij voor de verwijzende rechter leidt hieruit af dat de vraag die de Arbeidsrechtbank te Brussel in hoofdorde heeft gesteld, bevestigend zou moeten worden beantwoord en dat de in ondergeschikte orde gestelde vragen zonder voorwerp zijn. Memorie van de Ministerraad A.2.
  8. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de te dezen gestelde vragen geen antwoord van het Hof behoeven. Hij stelt vast dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 6 maart 1995 een einde heeft gemaakt aan een uiteenlopende rechtspraak betreffende de in het geding zijnde verjaring en voor recht heeft gezegd dat, wegens de ontstentenis van een specifieke wettekst tot regeling van de verjaring van die bijzondere bijdrage, de gemeenrechtelijke verjaring bedoeld in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek moest worden toegepast. Het Hof zou die rechtspraak evenwel impliciet hebben veroordeeld in zijn arrest nr. 71/2004 van 5 mei
  9. De Ministerraad geeft aan dat, bij zijn weten, het Hof van Cassatie sinds het voormelde arrest van het Hof geen arrest meer heeft gewezen in verband met de verjaring van de vorderingen tot invordering van de bijzondere bijdragen. A.2.
  10. De Ministerraad merkt op dat uit de motieven van het vonnis blijkt dat de verwijzende rechter in werkelijkheid aan het Hof een vraag stelt met de precieze en toegegeven bedoeling dat dat laatste hem aangeeft welke reglementering hij zal moeten toepassen om de verjaring van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid in het kader van het aan hem voorgelegde geschil vast te stellen. Volgens de Ministerraad zou uit de vaste rechtspraak van het Hof echter voortvloeien dat het niet aan het laatstgenoemde staat te beslissen welke bepaling moet worden toegepast op de feiten van het geschil. Zodra de verwijzende rechter vaststelt dat het arrest van het Hof hem belet om de gemeenrechtelijke verjaring toe te passen, moet hij uit dat arrest de lering trekken en zelf ofwel de vijfjarige verjaring, ofwel de driejarige verjaring toepassen, maar hij kan in geen geval aan het Hof vragen om aan te geven welke weg hij daarbij moet volgen. Te dezen voert de Ministerraad aan dat de Arbeidsrechtbank te Brussel duidelijk zou hebben aangegeven dat het gemeenrechtelijke verjaringsstelsel niet kon worden toegepast op de feiten die haar zijn voorgelegd en dat er dus een lacune in de wetgeving zou bestaan ten aanzien van de vaststelling van het specifieke verjaringsstelsel voor de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie zou zij dus niet opnieuw een prejudiciële vraag aan het Hof moeten stellen, maar integendeel zelf op grond van haar saisine oordelen of zij de vijfjarige dan wel de driejarige verjaringstermijn bepaald in de reglementering inzake sociale zekerheid dient toe te passen. De Ministerraad onderscheidt vervolgens de lacunes die extrinsiek zijn ten opzichte van de door het Hof getoetste norm en de intrinsieke lacunes vervat in de door het Hof getoetste norm. Alleen in geval van een intrinsieke lacune van de wetsbepaling zou het gebruik van het prejudiciële mechanisme een belang vertonen 6 voor de verwijzende rechter en de ontvankelijkheid van de vraag kunnen verantwoorden. In de hypothese van een extrinsieke lacune zou immers alleen de wetgever de toe te passen regel kunnen vaststellen om de aangeklaagde lacune op te vullen. De Ministerraad voert aan dat te dezen de wet van 28 december 1983, door niet te voorzien in een specifiek vijfjarig of driejarig verjaringsstelsel, impliceert dat de lacune niet voortvloeit uit de inhoud zelf van de getoetste norm, maar uit de ontstentenis van een vergelijkbare norm. De door de verwijzende rechter aangeklaagde lacune vloeit immers niet voort uit de inhoud zelf van het koninklijk besluit nr. 38 of van de wet van 27 juni 1969, maar uit de ontstentenis van een vergelijkbaar verjaringsstelsel in de wet van 28 december
  11. Het Hof zou dus alleen kunnen vaststellen dat een wetgevend optreden noodzakelijk is, hetgeen zou leiden tot de onontvankelijkheid van de te dezen gestelde prejudiciële vragen. A.2.
  12. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zijn geschonden. In de eerste plaats wijst hij op de tegenstrijdige redenering van de verwijzende rechter, die eerst stelt dat het koninklijk besluit nr. 38 niet door middel van interpretatie zou kunnen worden uitgebreid tot de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, gelet op het precieze doel ervan, en vervolgens precies de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit gebruikt om ervan uit te gaan dat de personen die de bijzondere bijdrage verschuldigd zijn, zouden kunnen worden vergeleken met de personen die in het in het geding zijnde koninklijk besluit worden beoogd. De Ministerraad stelt vast dat de Arbeidsrechtbank, om tot die verantwoording van de aangevoerde vergelijking te komen, met name steunt op de methode voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de bijdrage. Uit het arrest nr. 71/2004 van 5 mei 2004 van het Hof zou echter blijken dat objectieve verschillen bestaan tussen de bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid en de gewone bijdragen voor sociale zekerheid. Er zou alleen van discriminatie sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen leidt tot een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen. De Ministerraad stelt vast dat precies de handhaving van een onzekerheid gedurende een langere periode, namelijk dertig of zelfs tien jaar als gevolg van de wijziging van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, de discriminatie in het voormelde arrest vormt. Door het gemeenrechtelijke verjaringsstelsel te vergelijken met het verjaringsstelsel van de gewone sociale bijdragen zou het Hof tot de conclusie zijn gekomen dat een termijn van dertig of tien jaar discriminerend is. Impliciet zou het Hof daarentegen ervan lijken uit te gaan dat een verjaringstermijn van vijf jaar niet onevenredig is. Indien de verwijzende rechter van mening is dat hij de gemeenrechtelijke verjaringstermijn niet kan toepassen, zou hij moeten aanvaarden dat hij alleen de vijfjarige termijn of de driejarige termijn kan toepassen, die door het Hof niet discriminerend is bevonden. De verwijzende rechter kan dus niet worden gevolgd wanneer hij, om de vraag te verantwoorden, de aan de sociale bijdrage onderworpen personen tracht te vergelijken met de andere zelfstandigen die zijn onderworpen aan de geregulariseerde gewone bijdragen bij de aanvang van de beroepsbezigheid. Evenzo zou het specifieke karakter van de functies van zelfstandigen, enerzijds, en van de werknemers, anderzijds, zich er tegen verzetten dat beide soorten beroepen met elkaar worden vergeleken. Memorie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), eisende partij voor de verwijzende rechter A.3.
  13. In zijn memorie merkt de RVA op dat geen enkele bepaling van hoofdstuk III van de wet van 28 december 1983 handelt over de verjaring van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. De rechtspraak heeft hieruit afgeleid dat de gemeenrechtelijke verjaring van dertig jaar moest worden toegepast. Het Hof van Cassatie heeft die stelling bevestigd in een arrest van 6 maart
  14. Het Hof van Cassatie heeft eveneens geoordeeld dat het verjaringsstelsel bepaald in artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders niet diende te worden toegepast, noch de verjaringstermijn bepaald in artikel 16, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38, noch overigens de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek (Cass., 27 februari 1995). A.3.
  15. De RVA onderstreept dat de bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid op geen enkele wijze kunnen worden gelijkgesteld met gewone sociale bijdragen, aangezien de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid een bijdrage sui generis is, met een eigen stelsel en eigen kenmerken. 7 Volgens de RVA streeft de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid een ander doel na dan de gewone bijdragen. De laatstgenoemde strekken immers ertoe sociale voordelen te bieden aan diegenen die ze betalen, terwijl de bijzondere bijdrage rechtstreeks wordt aangewend voor de financiering van de werkloosheidsverzekering. De invordering van de bijzondere bijdrage is toevertrouwd aan de RVA, terwijl de gewone sociale bijdragen worden geïnd door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ) en de sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) voor werknemers. Voor beide categorieën van bijdragen gelden ook onderscheiden rechtsregelingen. Artikel 68 van de wet van 28 december 1983 maakt immers de aftrek mogelijk van de provisionele storting van de bijzondere bijdrage van de gezamenlijk belastbare netto-inkomsten van het jaar van de betaling, terwijl de gewone bijdragen in principe alleen als beroepskosten aftrekbaar zijn, met toepassing van artikel 45, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
  16. Ten slotte zou de berekeningsgrondslag van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid volkomen verschillen van die van de gewone bijdragen. Artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 preciseert immers dat de bijdragen worden uitgedrukt in een percentage van de beroepsinkomsten van een zelfstandige, terwijl de bijzondere bijdrage uitdrukkelijk afwijkt van die bepaling met toepassing van artikel 67, § 2, van de wet van 28 december
  17. Zij wordt immers berekend op basis van het gezamenlijk belastbaar inkomen en de progressiviteit wordt toegepast. Het gezamenlijk belastbaar inkomen van de sociaal verzekerde omvat de inkomsten uit onroerend goed, de inkomsten uit kapitaal en roerend goed, de beroepsinkomsten, alsook de diverse inkomsten. De RVA moet dus wachten op de inlichtingen die overheidsbesturen hem moeten meedelen, zoals dat voortvloeit uit artikel 66 van de wet van 28 december
  18. Wat de roerende inkomsten betreft, zijn het de personen die de bijzondere bijdrage verschuldigd zijn, die aan de RVA de nodige informatie moeten verstrekken met toepassing van artikel 70 van de wet van 28 december
  19. A.3.
  20. De RVA merkt voorts op dat de bijzondere bijdrage verschuldigd is door zowel de zelfstandigen als de werknemers, ambtenaren, gepensioneerden, vrij verzekerden, enz. Alleen de personen wier gezamenlijk belastbaar inkomen meer bedraagt dan drie miljoen Belgische frank zijn evenwel aan die bijdrage onderworpen. Met toepassing van artikel 11, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 berekenen de sociale verzekeringskassen de gewone bijdragen die de zelfstandigen verschuldigd zijn op basis van de beroepsinkomsten met betrekking tot het aanslagjaar van het tweede jaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het jaar waarin de bijdragen verschuldigd zijn. In tegenstelling tot de werknemers en de ambtenaren, moeten de zelfstandigen niet op basis van hun inkomsten van het lopende jaar tot het socialezekerheidsstelsel bijdragen, maar op basis van de inkomsten drie jaar eerder. De bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid wordt daarentegen vastgesteld op basis van de belastbare inkomsten van het jaar waarin zij wordt geïnd. Dat is de reden waarom de schuldenaars van de bijzondere bijdrage op eigen initiatief een provisionele storting moeten doen vóór 1 december van het jaar van de inkomsten in kwestie. Op het ogenblik dat de bijdrage verschuldigd is, kan de RVA onmogelijk overgaan tot de berekening en invordering ervan. Alleen de bijdrageplichtige is immers in staat te weten of zijn belastbare inkomsten en zijn roerende inkomsten bedoeld in artikel 70 van de wet de grens van drie miljoen frank zullen overschrijden. A.3.
  21. De RVA vergelijkt het systeem voor de berekening en de inning van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid met het stelsel van de provisionele betaling gevolgd door latere regularisaties, waarin is voorzien voor de berekening van de sociale bijdragen die verschuldigd zijn bij de aanvang en de hervatting van de beroepsbezigheid. Dat systeem, dat wordt uiteengezet in de artikelen 40 en volgende van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement ter uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, alsook in artikel 10 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38, zou in geen geval kunnen worden gelijkgesteld met het bij de wet van 28 december 1983 ingevoerde stelsel, aangezien de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid alleen verschuldigd is door de zelfstandigen en anderen die inkomsten hebben genoten van meer dan drie miljoen Belgische frank, en niet door diegenen die dat bedrag niet hebben bereikt. De RVA geeft voorts aan dat de voorlopige stortingen die worden uitgevoerd door een zelfstandige bij de aanvang van de beroepsbezigheid, niet mogen worden verward met de provisionele stortingen van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. Ook de regeling met betrekking tot de opvordering zou volledig verschillen voor beide soorten bijdragen. Ten aanzien van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid merkt de RVA op dat hij 8 niet de minste vordering kan instellen tot invordering van de bijzondere bijdrage zolang het bedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten niet definitief is vastgesteld. Het zou hier een fundamenteel verschil betreffen ten opzichte van de gewone bijdragen, vermits die, met toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 19 december 1967, verschuldigd blijven en zelfs in geval van een bezwaarprocedure kunnen worden ingevorderd. In een dergelijk geval worden zij immers berekend op basis van de door de bijdrageplichtigen aangenomen inkomsten. De bijzondere bijdrage zal daarentegen alleen kunnen worden ingevorderd wanneer, voor het betwiste jaar, de gezamenlijk belastbare inkomsten en de roerende inkomsten bedoeld in artikel 70 van de wet definitief zijn vastgesteld. De RVA merkt ten slotte op dat hij geenszins in staat is de verjaring te stuiten door een eenvoudige aangetekende brief te versturen, zoals dat wel het geval is voor de regularisatiebijdragen met toepassing van artikel 16 van het koninklijk besluit nr.
  22. De verjaring kan immers alleen worden gestuit door de schuldenaars voor de Arbeidsrechtbank te dagvaarden. A.3.
  23. Ten aanzien van de vergelijking tussen het sociaal statuut van de werknemers en datgene dat van toepassing is op de personen die op grond van hun inkomsten de bijzondere bijdrage verschuldigd zijn, zoals dat voortvloeit uit de derde prejudiciële vraag, voert de RVA aan dat geen enkele vergelijking mogelijk is, aangezien alleen de zelfstandige socialezekerheidsbijdragen zelf verschuldigd is. De werknemer zou van zijn kant geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, vermits de schuldenaar van die sociale bijdragen in het kader van de wet van 27 juni 1969 de werkgever is en niet de werknemer. De situatie van de RVA zou in dat opzicht geenszins vergelijkbaar zijn met die van de RSZ, die ermee belast is de gewone bijdragen in te vorderen ten laste van de werkgevers. De inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de inning van de twee soorten bijdragen zouden eveneens op geen enkel punt vergelijkbaar zijn. Het loon van een werknemer is immers bekend vóór de inning van de bijdrage en de werkgever is ertoe gehouden het binnen zeer korte termijnen aan de RSZ aan te geven met toepassing van artikel 33 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 ter uitvoering van de wet van 27 juni
  24. Artikel 34 van het voormelde koninklijk besluit bepaalt daarnaast dat het bedrag van de bijdragen elk jaar door de werkgever verschuldigd is op vier bepaalde data. De verjaringstermijn van drie jaar gaat in vanaf dat ogenblik. Ten aanzien van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid verkeert de RVA daarentegen in de absolute onmogelijkheid om die te berekenen en in te vorderen op het ogenblik dat die bijzondere bijdrage verschuldigd is. De RVA zal het bedrag van de verschuldigde bijzondere bijdrage pas kunnen vaststellen en, bijgevolg, invorderen wanneer de belastingadministratie hem het definitieve bedrag van het gezamenlijk belastbaar inkomen van de betrokken bijdrageplichtige heeft meegedeeld. Het zou derhalve volkomen verantwoord zijn dat de verjaringstermijn langer is dan die waarin is voorzien voor de gewone bijdragen die zijn onderworpen aan een totaal andere rechtsregeling wat de invordering betreft. De RSZ beschikt eveneens over bevoegdheden die de RVA niet geniet in het kader van de invordering van de bijzondere bijdragen. De verjaringstermijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum of de opeisbaarheid van de bijdrage zoals die voortvloeit uit artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 kan immers worden gestuit door een eenvoudige aangetekende brief uitgaande van de instelling die belast is met de invordering of door de betekening van een dwangbevel, terwijl de RVA geenszins over die mogelijkheid beschikt. De RVA merkt op dat, indien men het verjaringsstelsel bepaald in artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 38 of het stelsel bepaald in artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 zou moeten toepassen, die verjaring verworven zou zijn nog vóór de gezamenlijk belastbare inkomsten definitief zijn vastgesteld, hetgeen absoluut ondenkbaar zou zijn. A.3.
  25. De RVA merkt voorts op dat, met toepassing van artikel 60 van de wet van 28 december 1983, alle personen die zijn onderworpen aan enig socialezekerheidsstelsel of die in enig opzicht gerechtigd zijn op minstens één van de socialezekerheidsprestaties en van wie het nettobedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan drie miljoen frank bedraagt, jaarlijks ertoe gehouden zijn een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1983 tot 1989 te betalen. Er zou bijgevolg geen enkel onderscheid worden gemaakt tussen de zelfstandigen, de werknemers, de ambtenaren, of nog, de gepensioneerden en de vrij verzekerden. De gemeenrechtelijke termijn zou van toepassing zijn op alle sociaal verzekerden die bij die situatie zijn betrokken. Bijgevolg zou moeilijk kunnen worden aangenomen dat de verjaringstermijn van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid verschilt naargelang de schuldenaar een werknemer of een zelfstandige is. 9 Volgens de RVA zou één enkele termijn moeten worden vastgesteld, ongeacht het statuut van de schuldenaar. Dat zou het doel zijn van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, waarvan de discriminerend bevonden termijn van dertig jaar is teruggebracht tot 10 jaar. De RVA betwist dat het vermogen van de zelfstandigen die de bijzondere bijdrage verschuldigd zijn, gedurende onbepaalde tijd onzeker zou blijven. De schuldenaars van de bijdrage zijn immers ertoe gehouden die op eigen initiatief te betalen door uiterlijk op de datum bepaald in artikel 62 van de wet een provisionele storting te doen. A.3.
  26. De RVA merkt voorts op dat de gewone bijdragen worden geheven in het persoonlijk belang van de bijdrageplichtigen aan wie zij sociale voordelen verstrekken, terwijl de bijzondere bijdrage rechtstreeks wordt aangewend voor de financiering van de werkloosheidsverzekering. Ten slotte wijst de RVA erop dat, bij toepassing van een verkorte verjaring, een ongelijkwaardigheid zou worden ingevoerd tussen de bijdrageplichtigen die hun bijzondere bijdrage integraal hebben betaald en diegenen die daarvan zullen worden vrijgesteld als gevolg van de rechtspraak inzake de verjaring. Memorie van antwoord van de verwerende partij voor de verwijzende rechter A.4.
  27. In antwoord op de argumenten van de RVA wijst de verwerende partij voor de verwijzende rechter erop dat niet wordt ingezien in welke zin het stelsel van de bijzondere bijdrage zou verschillen van dat van de sociale bijdragen. Net zoals voor de sociale bijdragen is de Administratie der directe belastingen ertoe gehouden aan de RVA de inlichtingen mee te delen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de wet van 28 december
  28. De verwerende partij wijst voorts erop dat het in de onderhavige zaak niet gaat om de termijnen voor de vaststelling van de fiscale bijdragen. Het gaat daarentegen om het benaderen van de vraag of de invordering van de bijzondere bijdrage moet worden onderworpen aan de termijn bepaald in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek. Het Hof zou die vraag echter reeds ontkennend hebben beantwoord. De verwerende partij merkt eveneens op dat het Hof zou hebben geoordeeld dat het verschil in aard tussen de bijzondere bijdrage en de andere sociale bijdragen niet kon verantwoorden dat de termijn van de vordering tot invordering die is welke in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. A.4.
  29. Op de stelling van de Ministerraad antwoordt de verwerende partij dat de gestelde prejudiciële vragen op geldige wijze aan het Hof zijn voorgelegd. Indien het Hof besluit tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, in zoverre het niet van toepassing is op de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage, zal de verwijzende rechter het voordeel daarvan immers aan de concluanten moeten toekennen. De verwerende partij merkt voorts op dat, indien het Hof zou oordelen dat de voormelde bepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, hieruit effectief zou voortvloeien dat de termijn van vijf jaar van toepassing is op de invordering van die bijdrage, althans voor de zelfstandigen. De door de Arbeidsrechtbank gestelde vraag zou derhalve pertinent blijven. Memorie van antwoord van de RVA A.5.
  30. De RVA onderstreept dat, wat betreft de sociale bijdragen die zelfstandigen bij de aanvang van de beroepsbezigheid verschuldigd zijn, het systeem van de voorlopige betaling gevolgd door regularisaties niet kan worden gelijkgesteld met het systeem dat bij de wet van 28 december 1983 is ingevoerd, in zoverre de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid alleen verschuldigd is door de zelfstandigen en anderen wier inkomsten meer dan drie miljoen Belgische frank bedroegen. A.5.
  31. De RVA herhaalt eveneens dat de provisionele stortingen die de bijdrageplichtigen vóór 1 december van het lopende jaar met toepassing van artikel 62 van de wet van 28 december 1983 doen, niet mogen worden verward met de voorlopige stortingen met betrekking tot de sociale bijdragen die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang van de beroepsbezigheid en die vervolgens worden geregulariseerd. 10 A.5.
  32. De RVA herinnert voorts eraan dat de belastingadministratie, om de bijkomende belastingen te vestigen, beschikt over een buitengewone inkohieringstermijn van drie jaar die aanvangt op 1 januari van het jaar dat het aanslagjaar aanwijst waarvoor de belasting verschuldigd is. Die termijn kan worden verlengd met twee jaar in geval van een misdrijf dat met frauduleus opzet of met het oog om schade te berokkenen is gepleegd. Er wordt eveneens opgemerkt dat, in sommige gevallen, de belasting kan worden gevestigd na verloop van de voormelde termijnen, indien bijvoorbeeld uit een rechtsvordering blijkt dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven gedurende de vijf jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de belastingadministratie kennis krijgt van de bewijselementen. Jaren later zouden dus bijkomende belastingen kunnen worden geheven, terwijl op dat ogenblik de verjaringstermijnen bepaald in het koninklijk besluit nr. 38 reeds zijn verlopen. De bijdrageplichtigen hebben eveneens de mogelijkheid bezwaarschriften in te dienen, hetgeen de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid nog meer kan vertragen. De RVA onderstreept eveneens dat hij niet op de hoogte wordt gehouden van de vooruitgang in het proces van de vaststelling van de belastbare inkomsten, waarbij alleen de bijdrageplichtige en de belastingadministratie optreden. Die verschillende elementen zouden verantwoorden dat de verjaringstermijn van de bijzondere bijdrage langer zou zijn dan die waarin is voorzien voor de gewone bijdragen. A.5.
  33. De RVA merkt ten slotte op dat, terwijl de bijdragen die verschuldigd zijn in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen sociale voordelen bieden aan de bijdrageplichtigen, met name in de pensioensector, de kinderbijslag en de gezondheidszorgverzekering, de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid geen enkel recht doet ontstaan op sociale prestaties, vermits die bijdrage rechtstreeks wordt aangewend voor de financiering van de werkloosheidsverzekering. -B– Ten aanzien van de in hoofdorde gestelde prejudiciële vraag B.
  34. Het Hof wordt in hoofdorde ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december 1984, in zoverre het niet van toepassing is op de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn krachtens de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, terwijl het van toepassing is op de invordering van de geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid. B.2.
  35. Artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december 1984, bepaalde : « De vordering van de in dit besluit voorziene bijdragen verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de 1e januari die volgt op het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn. 11 De verjaring wordt gestuit : 1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; 2° met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert; 3° met een aangetekende brief door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen verzonden in het raam van de in artikel 21, § 2, 1°, aan dat Instituut toevertrouwde opdracht en waarbij de betrokkene aangemaand wordt aan te sluiten bij een sociaal-verzekeringsfonds. De Koning bepaalt wanneer de verjaringstermijn ingaat wat de bijdragen betreft tot regularisatie verschuldigd in de gevallen bedoeld in artikel 11, § 4 ». De artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, in de versie die op het aanslagjaar 1984 van toepassing is, bepaalden : « Art. 60 De personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt zijn jaarlijks gehouden tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1983, 1984 en
  36. Art.
  37. Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald op 10 % van het belastbaar inkomen van elk aanslagjaar. In afwijking van het eerste lid wordt het bedrag van de bijdrage bepaald op 25 % van het deel van het inkomen dat 3 miljoen overtreft, wanneer het inkomen lager ligt dan 5 miljoen. Wanneer de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting die 3 miljoen frank overtreffen, verkregen worden door meerdere personen, dan is de bijdrage verschuldigd door elk van hen en wordt ze ingevorderd voor een bedrag dat evenredig is aan de verhouding van de inkomsten die elk heeft verkregen met de gezamenlijk belastbare inkomsten. Art.
  38. De bijdrage moet het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van provisionele storting op 1 december, is een nalatigheidsinterest verschuldigd ingaand op deze datum tegen een rentevoet van 1,25 % per maand tot en met de maand waarin de betaling geschiedt. Bij overschrijding van de provisionele storting worden moratoriuminteresten toegekend tegen een rentevoet van 1 % per kalendermaand, ten vroegste met ingang van 1 december van het jaar waarvoor de provisie is verschuldigd. 12 Bij laattijdige provisionele storting wordt er met de maand waarin de storting gedaan wordt geen rekening gehouden. De maand waarin het bericht betreffende de terbeschikkingstelling van het terug te geven bedrag aan betrokkene verstuurd wordt, wordt als een volledige maand aangerekend. Art.
  39. Op verzoek van de personen, bedoeld in artikel 60, mag hun werkgever de bijdrage inhouden op het loon dat hij verschuldigd is, eventueel voor het bedrag bedoeld in artikel 61, derde lid, om het in hun naam en voor hun rekening te storten. Art.
  40. De bijdrage, de provisionele storting en de verwijlinteresten worden door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening geïnd, ingevorderd en besteed aan de werkloosheidsverzekering. De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is gemachtigd langs gerechtelijke weg tot de invordering over te gaan. De Koning bepaalt de technische en administratieve voorwaarden waarin de Rijksdienst de inning en invordering uitvoert. Hij mag de Rijksdienst geen ruimere bevoegdheden verlenen dan die welke toegekend zijn aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid. Art.
  41. De Koning bepaalt de wijze van betaling van de bijdrage aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening. Art.
  42. De openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken, zijn verplicht aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening de inlichtingen te verstrekken welke deze nodig heeft met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk. Art.
  43. De bijdrage wordt beschouwd als een persoonlijke bijdrage, die verschuldigd is in uitvoering van de sociale wetgeving. De berekeningswijze ervan wijkt te uitzonderlijken titel af van artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Art.
  44. Voor zover het bedrag ervan niet hoger ligt dan het werkelijk verschuldigde bedrag, worden de bijdrage en de provisionele storting, voor het jaar van de betaling afgetrokken van de gezamenlijke netto inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van inkomstenbelastingen bedoelde categorieën, op dezelfde gronden als de in artikel 71 van hetzelfde Wetboek bedoelde uitgaven. Artikel
  45. Artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld als volgt : ' 12° de betwistingen betreffende de verplichting van de sociaal verzekerden om een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te storten krachtens hoofdstuk III van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen. ' 13 Art.
  46. In hoofde van de in artikel 60 bedoelde personen die tijdens het jaar 1984 roerende inkomsten hebben die zij krachtens artikel 220bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen niet aangeven in hun jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, worden de bedoelde roerende inkomsten gevoegd bij het globaal belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 60, voor het bepalen van de heffingsbasis van de in dat artikel bedoelde bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. De in het eerste lid bedoelde personen moeten die roerende inkomsten aangeven in een bijzondere aangifte, te doen bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening volgens de modaliteiten te bepalen door de Koning. Hij die, uit welke hoofde ook, deel uitmaakt van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van deze dienst is verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande de in vorig lid bedoelde inlichtingen en mag deze niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke bepalingen van dit hoofdstuk. Art.
  47. Het koninklijk besluit nr. 55 van 16 juli 1982 tot instelling voor 1982 van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 125 van 30 december 1982, en het koninklijk besluit nr. 124 van 30 december 1982 tot instelling voor 1983 van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid worden ingetrokken. Art.
  48. Ten aanzien van de in artikel 60 bedoelde personen houden de artikelen 29 tot 31 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de fiscale en financiële bepalingen op uitwerking te hebben met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op die gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Uiterlijk twee maanden na de conversie in obligaties aan toonder van de bij toepassing van artikel 30, § 1, van de voornoemde wet van 10 februari 1981 bij het grootboek van de staatsschuld op naam ingeschreven staatsleningen, of na het vrijmaken van de bij toepassing van artikel 30, § 2, van dezelfde wet bij de Nationale Bank van België voor rekening van de Deposito- en Consignatiekas neergelegde industriële obligaties of aandelen, moeten de personen die het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de in artikel 70 bedoelde koninklijke besluiten nr. 55 en nr. 124 hebben ingeroepen, een bijkomende provisionele storting doen gelijk aan het bedrag tot belope waarvan zijn aan de verplichte inschrijving op staatsleningen en/of aandelen of obligaties onderworpen waren. Artikel 62, tweede lid is niet van toepassing in de mate dat de ontoereikbaarheid van de provisionele storting het gevolg was van de toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de voornoemde koninklijke besluiten nrs. 55 en 124, voor zover de door het vorige lid opgelegde verplichting nageleefd wordt. Art.
  49. De artikelen 60 tot 69 en 71 van deze wet hebben uitwerking met ingang van 4 augustus 1982 ». B.2.
  50. De geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid, vinden hun oorsprong in artikel 11, § 4, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. 14 Het voormelde artikel 11, § 4, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, bepaalde : « De Koning bepaalt hoe de bijdragen worden berekend wanneer het, ingevolge aanvang of hervatting van beroepsbezigheid, onmogelijk is deze te berekenen op basis van de inkomsten van het in § 2 bedoeld refertejaar. Met dit doel bepaalt hij nader wat, in de zin van deze paragraaf, dient verstaan onder aanvang of hervatting van beroepsbezigheid ». De artikelen 40 en 41 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (Belgisch Staatsblad, 19 december 1967), waaraan de verwijzende rechter refereert in verband met de regularisatiebijdragen die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid, bepaalden op het ogenblik van de aan hem voorgelegde feiten : « Art.
  51. In geval van begin van activiteit in de zin van artikel 38, § 1, betaalt de onderworpene voorlopig : 1° wanneer hij behoort tot de algemene groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1 van het koninklijk besluit nr. 38 : de in dat artikel bedoelde bijdragen berekend op : a) het door genoemd artikel 12, § 1, bedoeld minimuminkomen, zo het gaat om een helper, om een advocaat-stagiair, of om een weduwe die een overlevingspensioen geniet krachtens het pensioenstelsel der zelfstandigen of dit voor werknemers; b) een inkomen van 200 000 F, zo het gaat om een andere onderworpene; 2° wanneer de voorwaarden waarin de bezigheid wordt uitgeoefend van die aard zijn dat de betrokkene zou kunnen behoren tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 2 van het koninklijk besluit nr. 38 : de bijdragen bedoeld in artikel 12, § 2, tweede lid, 2° van het koninklijk besluit nr. 38 berekend op een inkomen van 32 724 F; 3° wanneer de onderworpene bedoeld is in artikel 13, § 1 of § 2 van het koninklijk besluit nr 38 : de bijdragen opgelegd door de bepaling die op hem van toepassing is berekend op een inkomen van 32 724 F. §
  52. De inkomstenbedragen, op basis waarvan de in § 1 bedoelde bijdragen worden berekend, worden aangepast aan de schommelingen van de index der consumptieprijzen, overeenkomstig artikel 14, § 1 van het koninklijk besluit nr.
  53. 15 Voor de toepassing van die bepaling dient aangenomen dat het bedrag van 200 000 F, waarvan sprake in § 1, eerste lid, 1°, b, een bedrag vertegenwoordigt dat reeds aan spilindex 142,75 is aangepast. §
  54. Op grond van objectieve elementen mag het Rijksinstituut de gehuwde vrouwen, de weduwen en de studenten bedoeld in artikel 37, § 1, op hun verzoek, toelaten voorlopig : a) ofwel geen bijdrage te betalen, zo hun vermoedelijk inkomen 32 724 F niet zal bereiken; b) ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die, op basis van een inkomen van 77 472 F, verschuldigd is door een onderworpene bedoeld in artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, zo hun vermoedelijk inkomen die laatste bedrag niet zal overschrijden; c) ofwel de bijdrage te betalen zoals voorzien in § 1, a, zo hun vermoedelijk inkomen het minimuminkomen bedoeld in artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 niet zal overschrijden. De bedragen 32 724 F en 77 472 F worden aangepast overeenkomstig artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr.
  55. Art.
  56. §
  57. De bijdragen worden geïnd op de voorlopige basis bedoeld in artikel 40 zolang er geen refertejaar is in de zin van artikel 11, § 2 van het koninklijk besluit nr.
  58. Het eerste der refertejaren is datgene dat minstens vier kwartalen onderwerping bevat sedert het begin van activiteit in de zin van artikel 38, §
  59. §
  60. De voorlopige bijdragen, met betrekking tot de periode gelegen vóór het jaar waarvoor de bijdragen kunnen vastgesteld worden op basis van een refertejaar bedoeld in § 1, worden geregulariseerd op basis van de bedrijfsinkomsten van het eerste kalenderjaar, volgend op dat waarin het begin van bezigheid, in de zin van artikel 38, § 1, zich voordoet. Indien het begin van bezigheid zich voordoet in de loop van het eerste kwartaal gebeurt de regularisatie op basis van de inkomsten van het jaar waarin het begin van bezigheid zich voordoet. §
  61. Zo de activiteit een einde neemt vooraleer er een kalenderjaar is dat vier kwartalen onderwerping omvat en tot basis kan dienen voor de in § 2, bedoelde regularisatie, worden de voorlopige bijdragen als definitief beschouwd, onder voorbehoud van wat volgt : 1° de bijdrage bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, b, wordt teruggebracht tot de minimumbijdrage bedoeld in artikel 12, § 1 van het koninklijk besluit nr. 38; 2° zo het ging om een begin van activiteit in de zin van artikel 40, § 1, 2° of 3°, mag het Rijksinstituut machtiging verlenen voor de terugbetaling der voorlopige bijdragen, indien objectieve elementen erop wijzen dat de zelfstandige activiteit, zelfs indien ze uitgeoefend 16 ware gedurende een jaar dat vier kwartalen onderwerping omvat, niet minstens het minimuminkomen zou opgeleverd hebben, te rekenen waarvan de personen, bedoeld in de artikelen 12, § 2 of 13, naar gelang het geval, van het koninklijk besluit nr. 38, bijdrageplichtig zijn; 3° de gehuwde vrouwen, de weduwen en de studenten bedoeld in artikel 37, § 1, kunnen, op hun verzoek, en mits akkoord van het Rijksinstituut, de terugbetaling bekomen van de voorlopige bijdragen of de beperking van die bijdragen tot het bedrag bedoeld in artikel 40, § 3, b, indien met objectieve elementen blijkt dan hun zelfstandige activiteit, zelfs indien ze uitgeoefend was geweest gedurende een jaar dat vier kwartalen onderwerping telt, een inkomen zou hebben opgeleverd dat, naargelang van het geval, 32 724 F niet zou hebben bereikt of 77 472 F niet zou hebben overschreden. De hierboven bedoelde bedragen worden aangepast overeenkomstig artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 ». B.3.
  62. Artikel 16, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 is niet van toepassing op de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, ingevoerd bij artikel 60 van de wet van 28 december 1983 (arrest nr. 104/2009 van 9 juli 2009). De artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 voorzien niet in een verjaringstermijn voor de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : RVA). B.3.
  63. Wegens de ontstentenis van een andere tekst die die persoonlijke rechtsvordering aan een bijzondere verjaring onderwerpt, verjaart zij overeenkomstig het gemeen recht, met andere woorden na verloop van de termijn van tien jaar bepaald in artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, in werking getreden op 27 juli 1998, datum van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Tot die datum bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van de persoonlijke rechtsvorderingen – vastgesteld bij artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, in de bewoordingen vóór de vervanging ervan bij artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 – dertig jaar. B.
  64. De verwijzende rechter vergelijkt het verjaringsstelsel dat van toepassing is op de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn krachtens de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 17 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, met het verjaringsstelsel dat van toepassing is op de invordering van de geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid. Volgens de verwijzende rechter zouden die twee categorieën van bijdragen vergelijkbaar zijn wat de aard en de methode voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag betreft. B.5.
  65. Door de invoering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid wilde de wetgever « de last van het economisch en financieel herstel van het land […] spreiden in funktie van ieders draagkracht » door de « opbrengst van deze bijzondere en éénmalige [solidariteits]bijdrage [te besteden] aan de meest getroffen tak van de sociale zekerheid met name de werkloosheidsverzekering » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 758/1, p. 22). B.5.
  66. De bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid verschilt in meerdere opzichten van de geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid bedoeld in artikel 11, § 4, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli
  67. Met de eerstgenoemde bijdrage wordt solidariteit onder de sociaal verzekerden nagestreefd en de opbrengst ervan wordt besteed aan de financiering van de werkloosheidsverzekering. De sociale bijdragen die worden beoogd door het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, waarvan de geregulariseerde bijdragen deel uitmaken, hebben tot doel de toekenning te financieren van sociale uitkeringen die in principe ten goede komen aan de personen die de bijdragen storten. De berekeningswijze van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid wijkt af van die van de bijdragen die worden beoogd door artikel 16, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 (artikel 67, tweede lid, van de wet van 28 december 1983). Het bedrag van de eerstgenoemde bijdrage is gelijk aan een percentage van het belastbaar inkomen, dat meer omvat dan de beroepsinkomsten van de bijdrageplichtige, terwijl de laatstgenoemde bijdragen in principe enkel worden berekend op basis van de beroepsinkomsten van de zelfstandige (artikel 11, § 4, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 en artikel 41, § 2, van het koninklijk besluit van 19 december 1967). De bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid wordt geïnd door de RVA. De bijdragen die worden beoogd door artikel 16, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, 18 worden geïnd door de socialeverzekeringskassen voor zelfstandigen waarbij de bijdrageplichtigen zijn aangesloten of door de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, opgericht binnen het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. De bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid moet het voorwerp uitmaken van een provisionele storting vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar (artikel 62 van de wet van 28 december 1983). De gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid worden geïnd op voorlopige basis, vastgesteld op forfaitaire wijze, en worden geregulariseerd volgens de beroepsinkomsten die in de loop van de betrokken jaren werkelijk zijn geïnd (artikelen 40 en 41 van het koninklijk besluit van 19 december 1967). Ten slotte verschilt de regeling van de fiscale aftrekbaarheid van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid (artikel 68 van de wet van 28 december 1983) van die van de aftrekbaarheid van de bijdragen die worden beoogd door artikel 16, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 (artikel 52, 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992). B.6.
  68. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.6.
  69. De objectieve verschillen die tussen beide categorieën van bijdragen bestaan, volstaan niet om, ten aanzien van het nagestreefde doel, te verantwoorden dat de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid gedurende de gemeenrechtelijke termijn kan worden gevorderd, terwijl de invordering van de geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid, na vijf jaar verjaart : de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaring op de eerste bijdrage doet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de sociaal 19 verzekerden die ze verschuldigd zijn, door hun vermogen gedurende talrijke jaren in de onzekerheid te houden, terwijl die bijdrage slechts bij wijze van uitzondering werd vastgesteld om het hoofd te bieden, in een periode van economische crisis, aan de financieringsmoeilijkheden die de werkloosheidsverzekering kende. B.6.
  70. Doordat bovendien de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid een persoonlijke rechtsvordering is in de zin van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, begint de verjaringstermijn ervan pas te lopen op de dag waarop de verplichting tot betaling van die bijdrage eisbaar wordt. De RVA kan het bestaan van een schuldvordering met betrekking tot die bijdrage of het bedrag ervan pas vaststellen wanneer bepaalde openbare besturen hem de nodige inlichtingen hebben verstrekt (artikel 66 van de wet van 28 december 1983). En het is slechts « aan de hand van [die] inlichtingen » dat hij « aan de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen een berekeningsblad [zendt] met vermelding van het bedrag der verschuldigde bijdrage, de elementen op basis waarvan de bijdrage is vastgesteld, het eventueel saldo dat door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geïnd of teruggegeven moet worden en de verwijlintresten betreffende dit saldo », dat « uiterlijk [moet] worden gestort de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad » (artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 « tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen »). Het is pas nadat die betalingstermijn is verstreken dat de voormelde verjaringstermijn van de vordering tot invordering begint te lopen voor diegene die de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid verschuldigd is. B.6.
  71. Het verschil in behandeling is discriminerend. B.7.
  72. Die discriminatie vindt haar oorsprong evenwel niet in artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december
  73. 20 Zoals het Hof heeft vastgesteld in B.3.1, staat die bepaling immers los van de invordering van de bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid. Het zijn de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zoals die van kracht waren op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, die de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre daarin geen specifieke termijn is bepaald voor de verjaring van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. B.7.
  74. Aangezien de in B.7.1 vastgestelde leemte zich bevindt in de voormelde artikelen 60 tot 73, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, wanneer die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat die bepalingen worden toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bijgevolg komt het de verwijzende rechter toe de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen. B.
  75. De in hoofdorde gestelde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de in ondergeschikte orde gestelde prejudiciële vragen B.
  76. In een tweede, in ondergeschikte orde gestelde prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het voormelde artikel 16, § 2, in zoverre het niet van toepassing is op de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn krachtens de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, terwijl het van toepassing is op de invordering van de gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen tijdens de uitoefening van de beroepsbezigheid verschuldigd zijn. In een derde prejudiciële vraag, die eveneens in ondergeschikte orde is gesteld, wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 21 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in zoverre het niet van toepassing is op de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn krachtens de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, terwijl het van toepassing is op de invordering van de gewone bijdragen voor sociale zekerheid die voor de tewerkstelling van werknemers verschuldigd zijn. B.
  77. Het onderzoek van die prejudiciële vragen is niet van dien aard dat het zou leiden tot een ander besluit dan datgene dat is vermeld in B.7.2 en B.
  78. Zij behoeven derhalve geen antwoord. 22 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 december 1984, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Rekening houdend met wat in B.7.2 is uiteengezet, schenden de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, in de versie ervan die van toepassing was op het aanslagjaar 1984, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij in geen specifieke verjaringstermijn voorzien voor de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. - De in ondergeschikte orde gestelde prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 november
  79. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.177 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.