3, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen, zoals het was geformuleerd vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 maart 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet de kwalificaties bepaalt waarvan de toekenning van de erin beoogde toelagen afhankelijk wordt gemaakt en in zoverre het de Koning toestaat om, op onbeperkte wijze, de minister van Landsverdediging ertoe te machtigen de aan Hem verleende machtiging uit te oefenen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - MILITAIR RECHT - Leger Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 11, §
, tweede lid, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 130 van de wet van 27 maart 2003, gesteld door de Raad van State. Leger - Statuut van de militairen -
, tweede lid, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 130 van de wet van 27 maart 2003, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter M. Melchior, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 192.198 van 2 april 2009 in zake Christian Simons tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 april 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Houdt artikel 11, §§
3, tweede lid, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 maart 2003, een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het aan de Koning de bevoegdheid opdraagt om ten gunste van de militairen toelagen, vergoedingen en andere geldelijke voordelen of voordelen in natura in te stellen en om in de gevallen die Hij bepaalt de Minister van Landsverdediging te belasten met het vaststellen van de tarieven en de regels voor de toekenning van die voordelen, met als gevolg dat de rechten van bepaalde militairen volledig door de wet worden vastgesteld en die van andere militairen gedeeltelijk door de Koning of door de Koning en de Minister, terwijl artikel 182 van de Grondwet aan de wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om de rechten en de verplichtingen van de militairen te regelen ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2009 : - is verschenen : kapitein V. De Saedeleer, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - is de voornoemde partij gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil C. Simons, beroepsonderofficier bij de krijgsmacht, heeft bij de Raad van State de vernietiging gevorderd van een beslissing waarbij de chef van de generale staf zijn goedkeuring hecht aan de beslissing van de beroepscommissie die bevoegd is voor de door de verzoeker gevorderde toekenning van toelagen voor informaticataken. De Raad van State stelt dat artikel 11, §§
3, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 maart 2003, de Koning toelaat om, ten gunste van de militairen in werkelijke dienst, inzonderheid het recht op toelagen in het leven te roepen op grond van bekwaamheidsbewijzen en bijzondere prestaties waarop artikel 10 geen toepassing vindt. De tarieven en de regels van toekenning van die toelagen worden vastgesteld door de Koning of door de minister van Landsverdediging in de gevallen die de Koning kan bepalen. Een koninklijk besluit van 2 juni 2000 houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken belast de daarin aangewezen ministers met het bepalen van de genoemde taken en de chef van de generale staf met het opstellen van de lijst van de 3 militairen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, waarbij de voormelde ministers ermee worden belast criteria vast te stellen wat betreft de militairen die, hoewel ze geen in de organieke tabellen van de krijgsmacht vermelde betrekking van informaticus uitoefenen, echter met informaticataken worden belast (ministerieel besluit van 6 juni 2000). Artikel 3 van het ministerieel besluit van 6 juni 2000 bepaalt dat de chef van de generale staf of diens gemachtigde attesteert dat de militair gemiddeld 80 pct. van de totale werktijd aan de informaticataken besteedt. Eén helft van de toelage is afhankelijk van een vast percentage van de brutojaarwedde, de andere wordt toegekend op beslissing van de chef van generale staf op basis van de verhouding waarin de militair heeft bijgedragen in de informaticataken en na advies van de korpscommandant van laatstgenoemde. In een reglement IF090 van de generale staf van de krijgsmacht wordt die verhouding gepreciseerd, waarbij het beslissingsproces wordt vastgesteld, en wordt inzonderheid bepaald dat de korpscommandant een beoordeling moet geven van de wijze waarop de betrokkene persoonlijk heeft bijgedragen tot de uitvoering van zijn opdracht. De aanvraag wordt voorgelegd aan een erkenningscommissie, die inzonderheid het percentage van het variabele deel van de toelage vaststelt. De Raad van State oordeelt dat het geschil geen betrekking heeft op een subjectief recht waarvoor de hoven en rechtbanken exclusief bevoegd zijn : hij stelt in dit verband dat de toekenning van de tweede helft van de toelage waarop de aanvrager recht heeft die 80 pct. van zijn werktijd aan informaticataken besteedt, afhangt van een beslissing van de chef van de generale staf betreffende de mate waarin de aanvrager persoonlijk bijdraagt tot de informaticataken waarop hij zich beroept en dat een dergelijke beslissing niet kan worden genomen op grond van een onderzoek van de aanvraag die werd ingediend in het licht van precieze reglementaire voorwaarden, maar een concrete evaluatie en beoordeling vereist van de kwaliteit van de door de aanvrager geleverde prestaties; ze wordt bijgevolg niet genomen in de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, maar heeft een voornamelijk discretionair karakter. De verzoeker leidt een eerste middel af uit een schending van artikel 182 van de Grondwet alsmede van artikel 11, § 2, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen; hij brengt de subdelegatie aan de minister in het geding van de bevoegdheid om de criteria van toekenning van de toelage voor informaticataken vast te stellen en heeft vragen bij de grondwettigheid van artikel 11 van de wet van 20 mei 1994, in zoverre het aan de Koning de bevoegdheid toevertrouwt om premies in het leven te roepen ten gunste van militairen, terwijl artikel 182 van de Grondwet enkel aan de wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de militairen te regelen; hij stelt voor dat hieromtrent een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof. De Raad van State verwijst naar artikel 11, §§
3, van de wet van 20 mei 1994 en stelt vast dat de Koning de minister van Landsverdediging kon belasten met het vaststellen van het tarief en de criteria van toekenning van de toelage voor informaticataken; hij is echter van mening dat de kwestie van de wettigheid van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 alsmede van het ministerieel besluit van 6 juni 2000 impliceert dat voorafgaandelijk de grondwettigheid van artikel 11 van de wet van 20 mei 1994 wordt onderzocht en stelt bijgevolg aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de prejudiciële vraag A.
3, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen bepaalt in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 maart 2003 : « §
, tweede lid, van de in het geding zijnde wet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling in het leven roept tussen militairen naargelang hun rechten volledig worden geregeld door de wet of, op grond van de in het geding zijnde bepalingen, gedeeltelijk worden geregeld door de Koning (of door de Koning 5 en de minister), terwijl de bevoegdheid om de rechten en verplichtingen van de militairen te regelen een bevoegdheid is die bij artikel 182 van de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden. B.2.
3, een ruime bevoegdheid opdragen aan de Koning, dient hierbij dezelfde opmerking te worden gemaakt als die welke is gemaakt bij artikel 2, § 1, derde lid » (ibid., p. 22). De in het geding zijnde bepaling werd aangenomen zonder bespreking (Parl. St., Senaat, 1993-1994, nr. 927-2, p. 126, en Kamer, 1993-1994, nr. 1392/2, p. 5). B.
3, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen, zoals het was geformuleerd vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 maart 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet de kwalificaties bepaalt waarvan de toekenning van de erin beoogde toelagen afhankelijk wordt gemaakt en in zoverre het de Koning toestaat om, op onbeperkte wijze, de minister van Landsverdediging ertoe te machtigen de aan Hem verleende machtiging uit te oefenen. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 november 2009. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.