id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.192 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091126.7 Arrest- Rolnummer: 192/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-11-30 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-02 17:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 41 en 44 van de programmawet van 8 juni 2008 schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de andere in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen en beginselen, in zoverre artikel 44 bepaalt dat artikel 41 uitwerking heeft op 1 januari
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 44 van de programmawet van 8 juni 2008, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Financiering - Werkgeversbijdragen - Verwijlintrest - Wettelijke rentevoet - Bepaling met terugwerkende kracht. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-2008 - 41 - 30 ELI link Pub nr 2008202045 Wet - 08-06-2008 - 44 - 30 ELI link Pub nr 2008202045 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4587 Arrest nr. 192/2009 van 26 november 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 44 van de programmawet van 8 juni 2008, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 12 december 2008 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen de nv « BELERMO », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 december 2008, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 44 van de programmawet van 8 juni 2008, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2008 (tweede editie), de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 84 en 144 ervan, met de beginselen van niet-retroactiviteit van de wetten, van rechtszekerheid, van vertrouwen en van een eerlijk proces, en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre het bepaalt dat artikel 41 van dezelfde programmawet van 8 juni 2008 uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007 en buiten werking treedt op 31 december 2008 ? ». Memories zijn ingediend door : - de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waarvan de zetel is gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 16 september 2009 : - zijn verschenen : . Mr. L.-P. Maréchal, advocaat bij de balie te Luik, voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, loco Mr. A. Gillet, advocaat bij de balie te Nijvel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : RSZ) vordert voor de sociale rechtscolleges de betaling van bijdragen die verschuldigd zijn door de nv « Belermo » voor het tweede kwartaal 2007, van de desbetreffende verhogingen en van de verwijlintresten tegen het tarief van 7 pct. per jaar. Voor de verwijzende rechter stelt de RSZ hoger beroep in tegen een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Luik die de voormelde naamloze vennootschap ertoe veroordeelt aan de RSZ de gevorderde bijdragen en 3 verhogingen te betalen, maar evenwel beslist dat de wettelijke intrest wordt vastgesteld op 6 pct. vanaf 1 januari
- De Arbeidsrechtbank baseert haar beslissing met name op artikel 28 van de wet van 27 juni 1969, dat bepaalt dat de verwijlintrest in geval van niet-betaling van de RSZ-bijdragen de wettelijke rentevoet niet mag overschrijden; de in aanmerking te nemen wettelijke rentevoet is diegene die van toepassing is in burgerlijke en handelszaken, zijnde het tarief van 6 pct. per jaar voor het jaar
- De RSZ stelt hoger beroep in tegen dat vonnis, in zoverre het tarief van de intresten dat van toepassing is op de bijdragen vanaf 1 januari 2007 daarin op 6 pct. wordt vastgesteld. Hij is immers van oordeel dat om het in artikel 28 van de wet van 27 juni 1969 bedoelde plafond vast te stellen de wettelijke rentevoet in fiscale aangelegenheden in aanmerking moet worden genomen, die 7 pct. per jaar bedraagt, krachtens artikel 87, § 2, van de programmawet van 27 december
- Gelet op de aanneming van de programmawet van 8 juni 2008 - en meer in het bijzonder op de artikelen 41 tot 44 ervan, die worden vermeld in een afdeling met als opschrift : « Aanpassing van de wettelijke rentevoet op het gebied van de sociale zekerheid » - stelt het Arbeidshof te Luik de hiervoor uiteengezette prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- Ten gronde zet de Ministerraad in de eerste plaats uiteen dat de in het geding zijnde retroactiviteit absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. De sociale zekerheid, en inzonderheid de betaling van de bijdragen, strekt ertoe een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken, die reeds werd vermeld in het verslag aan de Regent dat de aanneming van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voorafgaat en die werd verankerd in artikel 23 van de Grondwet. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde wet, is het niet toevallig dat artikel 42 van de in het geding zijnde wet de wettelijke rentevoet in sociale aangelegenheden op 7 pct. heeft vastgesteld. Naast de bekommernis om, zoals de zakenwereld eist, die rentevoet af te stemmen op diegene die van toepassing is in fiscale aangelegenheden, ging het erom de boekhoudkundige en informaticatechnische toevalligheden die te wijten zijn aan de onzekerheid in verband met de datum van verschijning van het bericht van het ministerie van Financiën te vermijden; dat bericht – dat een terugwerkende kracht heeft tot 1 januari van het beschouwde jaar – was immers bron van vergissingen en moeilijkheden in het bijhouden van de rekeningen van de RSZ en van de werkgevers. Volgens de Ministerraad zouden diezelfde redenen ten grondslag liggen aan de toekenning van een retroactief karakter aan artikel 41 van de programmawet. Ofschoon voor het jaar 2008 de wettelijke rentevoet gelijkwaardig was aan de « fiscale » rentevoet, bedroeg voor het jaar 2007 daarentegen de wettelijke rentevoet 6 pct., bedroeg de in het koninklijk besluit vastgestelde « sociale » rentevoet 7 pct. en bedroeg de « fiscale » rentevoet eveneens 7 pct. : de in het geding zijnde retroactiviteit zou dus tegemoetkomen aan de wens zowel van de RSZ als van de werkgevers om een gekende en stabiele vaste rentevoet te hebben. A.
- De Ministerraad merkt vervolgens op dat, ten aanzien van de rechtspraak van het Hof ter zake, de retroactiviteit geen invloed heeft op de hangende procedures. Normen die zijn afgekondigd en in werking getreden gedurende een procedure moeten door de rechter worden toegepast, zoals de regels inzake de procedure zelf of een norm die, in strafzaken, de veroordeling verzacht. Te dezen verhindert de vaststelling, met terugwerkende kracht, van de rentevoet van een verwijlintrest de rechtbank niet zich uit te spreken over de toepassing van een rechtsregel, en verandert die wijziging niets aan het debat dat betrekking heeft op het principe van de verschuldigdheid van de bijdrage en van de intrest; de Ministerraad merkt overigens op dat verscheidene koninklijke besluiten tot wijziging van artikel 54 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de voormelde besluitwet van 28 december 1944, een terugwerkende kracht hebben gehad, en zulks zonder problemen op te leveren. 4 Die retroactiviteit heeft evenmin tot gevolg dat ze de afloop van een proces in een bepaalde zin beïnvloedt en ze verplicht de rechter niet anders te oordelen; zij doet geen afbreuk aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen : de burger die voor de arbeidsrechtbank wordt vervolgd, kan zich vrijuit verdedigen, met kennis van de normen die op hem zullen worden toegepast en hij kan zowel de toepassing als de relevantie ervan betwisten. Het arrest van het Hof nr. 20/2006, waarbij de voor het Hof betwiste retroactiviteit werd aangenomen, zou te dezen kunnen worden toegepast. A.
- De Ministerraad doet tevens opmerken dat de retroactiviteit geen discriminatie in het leven roept onder de Belgen. Er zijn geen Belgen ten aanzien van wie in dezelfde situatie – die van schuldenaar van RSZ-bijdragen, die eventueel voor de bevoegde rechtscolleges worden vervolgd tot betaling – door de RSZ een ander tarief zou worden gevorderd. Wat de schuldenaren van RSZ-bijdragen betreft die reeds zouden hebben betaald, is bovendien de nieuwe regel eveneens op hen van toepassing. A.
- Dezelfde partij merkt op dat er geen onevenredigheid is tussen het nagestreefde doel en de last van de toepassing van de norm, aangezien de toekenning van een retroactief karakter aan de desbetreffende norm met name wordt verantwoord door boekhoudkundige en juridische redenen. Ofschoon de rentevoet met 1 pct. is gestegen, zou moeten worden opgemerkt dat voor het vorige jaar
(2006), hij 7 pct. bedroeg en dat hij voor het jaar 2008 eveneens 7 pct. bedroeg : de last is dus 1 pct. gedurende een jaar, wat onbeduidend zou zijn naast de voordelen van de uniformisering. A.5.
- De Ministerraad betwist tevens elke schending van de artikelen 13, 16, 84 en 144 van de Grondwet, waarbij hij onderstreept dat ze niet onder de bevoegdheid van het Hof vallen in de zin van artikel 142 van de Grondwet, noch van artikel 27 van de bijzondere wet van 6 januari
- A.5.
- Artikel 13 verankert het recht om te worden berecht door de bij de wet toegekende rechter. De Ministerraad ziet niet in hoe de in het geding zijnde retroactiviteit, waarbij artikel 2, § 2, van de wet van 5 mei 1865 betreffende fiscale aangelegenheden, met terugwerkende kracht toepasbaar wordt gemaakt op sociale aangelegenheden, dat beginsel zou schenden. Die grief zou dus niet relevant zijn. A.5.
- Dezelfde opmerking zou gelden voor artikel 16, dat de voorwaarden bepaalt waaronder de Belg van zijn eigendom kan worden beroofd. Men zou niet inzien hoe een wijziging van een tarief van een verwijlintrest dat beginsel zou schenden, noch hoe die wijziging het mogelijk zou maken de Belg van zijn eigendom te beroven. A.5.
- Artikel 84 bepaalt dat alleen de wet een authentieke uitlegging van de wetten kan geven. Ook al hebben sommigen, quod non, gemeend in artikel 44, of nog in artikel 41 van de programmawet, een interpretatieve wet te zien, stelt de Ministerraad vast dat aan het grondwettelijke principe tegemoet zou zijn gekomen, vermits het gaat om een wet. A.5.
- Wat betreft artikel 144 ten slotte, volgens hetwelk geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren, ziet de Ministerraad evenmin in hoe de in het geding zijnde norm dat principe in gevaar zou brengen : de wetgever heeft nooit de bedoeling gehad – zulks blijkt noch uit de tekst, noch uit de parlementaire voorbereiding – om die bevoegdheid aan de rechtbanken te onttrekken. A.
- In het vervolg van zijn memorie zet de Ministerraad tevens uiteen dat er geen schending is van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Die beginselen, die werden ontwikkeld tegen het optreden van de Staten wanneer zij niet aan de legitieme verwachtingen van de burgers voldeden – hetzij door hun administratief gedrag onverwacht te wijzigen, hetzij door hun wetgeving plotseling en zonder doeltreffende verantwoording te wijzigen –, zijn niet van absolute toepassing : de rechtbanken hebben daaraan belangrijke matigingen aangebracht, waaronder de voornaamste het bestaan is van een aanvaardbaar evenwicht tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap. Ter staving van die stelling verwijst de Ministerraad naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Cassatie. De Ministerraad voegt daar in ondergeschikte orde aan toe dat de grief, die is afgeleid uit een eventuele inbreuk op de beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen, laat verstaan dat de verwijlintrest een strafrechtelijk karakter heeft, wat het Hof in zijn arrest nr. 9/2003 heeft ontkend. 5 A.
- De Ministerraad betwist tevens dat er schending is van het beginsel van een eerlijk proces of van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Arbeidshof te Luik is een onafhankelijke rechtbank. De verweerder voor die rechtbank heeft zich normaal kunnen verdedigen en zijn verdediging werd geenszins belemmerd, noch wat betreft de toegang tot het dossier, noch wat betreft het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman. Dat Hof zelf heeft overigens geoordeeld dat die grief niet gegrond was. A.
- Dezelfde partij betwist ten slotte elke schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en verwijst inzonderheid naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat vergt dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de middelen en het nagestreefde doel, een verband dat te dezen wel degelijk voorhanden is. A.
- In hoofdorde betwist de RSZ de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag. Enerzijds zou het Hof zijn toetsing niet kunnen uitbreiden tot artikel 41 van de programmawet van 8 juni 2008, aangezien die bepaling niet aan het Hof werd voorgelegd door de verwijzende rechter en de partijen de inhoud van de prejudiciële vraag niet kunnen wijzigen of kunnen laten wijzigen; de vraag zou bijgevolg « verstoken zijn van relevantie ». Anderzijds zouden noch de prejudiciële vraag, noch de motieven van de verwijzingsbeslissing het mogelijk maken vast te stellen welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en bovendien zou het onmogelijk zijn daaruit af te leiden hoe de betwiste bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden : de prejudiciële vraag zou bijgevolg niet de noodzakelijke elementen bevatten om het Hof in staat te stellen uitspraak te doen, in tegenstelling tot het voorschrift van zijn rechtspraak. De RSZ herhaalt dat de partijen de inhoud van de prejudiciële vraag niet kunnen wijzigen of kunnen laten wijzigen; het staat evenmin aan het Hof zijn toetsing uit te breiden tot een verschil in behandeling waarover de verwijzende rechter geen vraag heeft gesteld aan het Hof, noch een verschil in behandeling te onderzoeken waarvoor het Hof zelf de met elkaar te vergelijken categorieën zou moeten definiëren. De prejudiciële vraag zou bijgevolg onontvankelijk zijn. A.10.
- In onderschikte orde - in de veronderstelling dat het Hof zich bevoegd acht om zijn toetsing uit te breiden tot artikel 41 van de programmawet van 8 juni 2008 en dat het de prejudiciële vraag ontvankelijk acht - is de RSZ van mening dat dat artikel 41 moet worden geanalyseerd als een interpretatieve bepaling, en hij ontwikkelt verscheidene argumenten ter staving van die stelling. Volgens de rechtspraak van het Hof in verband met artikel 84 van de Grondwet is een interpretatieve bepaling een bepaling die aan een wettelijke bepaling de zin verleend die de wetgever, vanaf de aanneming daarvan, eraan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen; de wetgever kan, via een interpretatieve bepaling, de toepassingsvoorwaarden preciseren van een wettelijke bepaling en het is eigen aan een interpretatieve wet dat die gevolg heeft op de datum van inwerkingtreding van de wettelijke bepalingen die ze interpreteert. A.10.
- Volgens de RSZ werd het interpretatieve karakter van artikel 41 - op basis waarvan de partijen zich hebben verzet voor de verwijzende rechter - toegekend door de wetgever, wat zowel zou blijken uit de parlementaire voorbereiding als uit de context waarin de in het geding zijnde bepaling is aangenomen. In de memorie worden verschillende uittreksels uit de parlementaire voorbereiding geciteerd, en met name uit het verslag van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, volgens hetwelk « ter wille van de rechtszekerheid […] de artikelen over de wettelijke rentevoet derhalve dusdanig [moeten] worden uitgelegd dat de wettelijke rentevoeten in sociale zaken en in fiscale zaken overeenstemmen, alsook dat voor de beide rentevoeten dezelfde wijzigingsregels worden ingesteld, opdat ze gelijk evolueren ». Bovendien zou, volgens dezelfde partij, de analyse van de context waarin de wet werd aangenomen het mogelijk maken te weerleggen dat de wettelijke rentevoet die in aanmerking moet worden genomen voor de socialezekerheidsbijdragen, moet worden vastgesteld met verwijzing naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken; hij zou daarentegen moeten worden vastgesteld met verwijzing naar de wettelijke rentevoet in fiscale zaken. Daarvan zouden, met name, het feit getuigen dat, vanaf de oorsprong de nalatigheidsintrestvoet in geval van niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen het voorwerp heeft uitgemaakt van specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen en het feit dat, wanneer de wetgever, met de programmawet van 27 december 2006, de fiscale wettelijke rentevoet op het tarief van 7 pct. per jaar heeft vastgesteld, hij voor een tarief heeft gekozen dat identiek is met datgene dat, sinds 1999, zonder onderbreking is vastgesteld als RSZ-tarief. 6 Na te hebben opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof het interpretatieve karakter van een wettelijke bepaling reeds heeft verworpen wanneer de bepaling de tot dan toe door de wetgever gemaakte keuzes fundamenteel tegenspreekt, leidt de RSZ uit de voormelde elementen af dat zulks te dezen niet het geval is : de gelijkstelling van de rentevoet inzake sociale zekerheid met de wettelijke rentevoet in fiscale zaken zou wel degelijk beantwoorden aan een wens die geregeld wordt geuit in de bedrijfswereld en zou ertoe strekken het evenwicht tussen de sociale zekerheid en de rechten van de Schatkist te vrijwaren. A.10.
- De RSZ merkt vervolgens op dat het Hof tevens het interpretatieve karakter van een wettelijke bepaling heeft verworpen wanneer de bepaling een eensgezinde rechtspraak tegenspreekt : zulks zou evenmin het geval zijn te dezen. De rechtspraak van de verwijzende rechter, en meer algemeen van de rechtbanken van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik, zou niet dezelfde zijn als die van de andere arbeidsrechtbanken, die zonder probleem de RSZ de nalatigheidsintrest van 7 pct. toekennen voor het jaar
- Een deel van de rechtspraak gaf aan de wet een interpretatie die niet overeenstemde met de betekenis die de wetgever eraan wilde geven maar, zoals het Grondwettelijk Hof reeds heeft beslist, konden de rechtzoekenden niet blijven rekenen op een rechtspraak die hun gunstig gezind was, maar die inging tegen de wil van de wetgever. A.
- De RSZ betwist dat de interpretatie uiteindelijk een onderscheid in het leven roept wat betreft de betekenis van de bepaling naargelang de toepassingssfeer ervan, en doet tevens opmerken dat de interpretatieve bepaling gevolgen heeft die beperkt zijn in de tijd, namelijk de periode van 1 januari 2007 tot 31 december
- Ofschoon in regel een interpretatieve wet gevolg heeft op de datum van inwerkingtreding van de wettelijke bepalingen die ze interpreteert, vermocht de wetgever te dezen te menen de gevolgen van de interpretatieve bepaling te moeten beperken tot het jaar 2007 : en wel voornamelijk om de rechtszekerheid te vrijwaren, zoals de parlementaire voorbereiding zou bevestigen. Tevens wordt opgemerkt dat in de interpretatie van de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter, de verwijzing naar de wettelijke intrest in burgerlijke zaken en handelszaken voor het jaar 2007 tot nonsens leidt, in zoverre het plafond van 6 pct. dan minder zou bedragen dan de RSZ-verwijlintrest van 7 pct. die door de Koning werd vastgesteld voor dezelfde periode. A.
- Wat betreft de beginselen van niet-retroactiviteit, rechtszekerheid of gewettigd vertrouwen en het recht op een eerlijk proces, zou het interpretatieve karakter dat aan artikel 41 van de wet van 8 juni 2008 moet worden toegekend, volgens de RSZ impliceren dat die beginselen geenszins geschonden zouden zijn. A.
- Ten slotte stelt dezelfde partij, wat betreft de inachtneming van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat de verwijzingsbeslissing niet uiteenzet, en dat zijzelf niet inziet, hoe het in die bepalingen verankerde eigendomsrecht zou kunnen worden geraakt door artikel
- Bovendien wordt opgemerkt dat, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, een beperking van het eigendomsrecht enkel een inbreuk zou vormen op artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, wanneer zij niet bedoeld was om een legitiem algemeen belang te behartigen of indien ze niet evenredig was met dat algemeen belang – wat « kennelijk niet het geval zou zijn »; het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is eveneens van mening dat, teneinde de legitimiteit van het algemeen belang te beoordelen, rekening moet worden gehouden met de ruime marge waarover de wetgever beschikt om een sociaal, economisch en fiscaal beleid te voeren. -B- B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de grondwettigheid van artikel 44 van de programmawet van 8 juni 2008 « in zoverre het bepaalt dat artikel 41 van dezelfde programmawet […] uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007 en buiten werking treedt op 31 december 2008 ». 7 De in het geding zijnde bepalingen B.2.
- Artikel 28 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalde, vóór de wijziging ervan bij de in het geding zijnde programmawet, in paragraaf 1 ervan : « De werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, is aan de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen een bijdrageopslag en een verwijlinterest verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. De bijdrageopslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde bijdragen en de op deze bijdragen berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet ». B.2.
- De wettelijke rentevoet wordt vastgesteld in artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest. Zoals het is vervangen bij de programmawet van 27 december 2006, bepaalde dat artikel 2, vóór de wijziging ervan bij de in het geding zijnde programmawet : « §
- Elk kalenderjaar wordt de wettelijke rentevoet zowel in burgerlijke als in handelszaken vastgesteld als volgt : het gemiddelde van de EURIBOR-rentevoet op 1 jaar tijdens de maand december van het voorafgaande jaar wordt afgerond naar het hoger gelegen kwart percent; de aldus bekomen rentevoet wordt verhoogd met 2 percent. De algemene administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën maakt in de maand januari de wettelijke intrestvoet die tijdens het lopende kalenderjaar van toepassing is, bekend in het Belgisch Staatsblad. §
- De wettelijke rentevoet in fiscale zaken wordt bepaald op 7 percent, zelfs indien de fiscale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken en voor zover er niet uitdrukkelijk in de fiscale bepalingen wordt van afgeweken. Deze rentevoet kan bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden gewijzigd ». B.3.
- De in het geding zijnde programmawet van 8 juni 2008 bevat vier artikelen (41 tot 44), die – zoals het opschrift van de afdeling waarin ze zijn ondergebracht, aangeeft – de wettelijke rentevoet op het gebied van de sociale zekerheid aanpassen. 8 B.3.
- De artikelen 42 en 43 voeren een nieuwe regeling in die, krachtens artikel 44, van toepassing is vanaf 1 januari
- Artikel 42 vult het voormelde artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 aan met een paragraaf die luidt als volgt : « §
- De wettelijke rentevoet in sociale zaken wordt bepaald op 7 pct., zelfs indien de sociale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken en voor zover er niet uitdrukkelijk in de sociale bepalingen, onder meer in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt van afgeweken. Deze rentevoet kan bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden gewijzigd ». Artikel 43 wijzigt het voormelde artikel 28, § 1, van de wet van 27 juni 1969 dat voortaan luidt : « §
- De werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, is aan de inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen een bijdrageopslag en een verwijlinterest van 7 pct. verschuldigd, waarvan de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. De bijdrageopslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde bijdragen ». B.3.
- Bovendien stelt artikel 41 van dezelfde programmawet van 8 juni 2008 de regeling vast die, krachtens artikel 44, van toepassing is vanaf 1 januari 2007 tot 31 december
- Voor die periode bepaalt artikel 41 : « De wettelijke rentevoet bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid, van de wet 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, is de wettelijke rentevoet bedoeld in artikel 2, § 2, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest ». 9 Wat betreft de door de RSZ opgeworpen excepties B.4.
- In hoofdorde betwist de RSZ de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag : enerzijds zou het Hof zijn toetsing niet kunnen uitbreiden tot artikel 41 van de programmawet van 8 juni 2008, aangezien die bepaling niet aan het Hof werd voorgelegd door de verwijzende rechter; anderzijds zouden noch de prejudiciële vraag, noch de motieven van de verwijzingsbeslissing het mogelijk maken te bepalen welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en zou het onmogelijk zijn daaruit af te leiden hoe de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden. B.4.
- Uit de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de grondwettigheid van de terugwerkende kracht die bij artikel 44 aan artikel 41 wordt verleend. Het Hof wordt eveneens verzocht om de situatie van de rechtzoekenden die onder de toepassingssfeer van de artikelen 41 en 44 vallen, te vergelijken met die van de andere rechtzoekenden. B.4.
- De excepties worden verworpen. Ten gronde B.
- Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met inzonderheid het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, van de artikelen 41 en 44 van de programmawet van 8 juni 2008, in zoverre de in artikel 41 vervatte wijziging, krachtens artikel 44, uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2007 tot 31 december
- Wat betreft het aangevoerde interpretatieve karakter van artikel 41 van de programmawet van 8 juni 2008 B.
- De RSZ betoogt dat artikel 41 van de programmawet van 8 juni 2008 moet worden beschouwd als een interpretatieve bepaling, wat zou impliceren dat « te dezen de beginselen 10 van niet-retroactiviteit van de wetten, van rechtszekerheid of van gewettigd vertrouwen, noch van het recht op een eerlijk proces geenszins werden geschonden ». B.
- Luidens artikel 84 van de Grondwet kan alleen de wet een authentieke uitlegging van de wetten geven. Een wet is een interpretatieve wet wanneer ze aan een wetsbepaling de betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen. Het behoort dus tot het wezen van een dergelijke wet dat, onder voorbehoud van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepalingen die zij interpreteert. De waarborg van de niet-retroactiviteit van de wetten zou echter niet kunnen worden omzeild door het enkele feit dat een wet met terugwerkende kracht als een interpretatieve wet zou worden voorgesteld. Er dient dus te worden onderzocht of de wetgever aan de wet de betekenis heeft gegeven die zij redelijkerwijze kon krijgen sinds de aanneming ervan. B.
- In de memorie van toelichting wordt de doelstelling die de wetgever met het aannemen van het artikel 41 beoogde, in de volgende bewoordingen becommentarieerd : « De programmawet van 27 december 2006 heeft het eenvormig concept van de wettelijke rentevoet gesplitst in twee verschillende concepten : de wettelijke rentevoet in burgerlijke en handelszaken en de wettelijke rentevoet in fiscale zaken (deze wettelijke rentevoet in fiscale zaken wordt niet voorgesteld als afwijkend ten opzichte van de wettelijke rentevoet in burgerlijke en handelszaken). Een eventuele wettelijke rentevoet in sociale zaken werd over het hoofd gezien, terwijl het sociale de jongste jaren het fiscale altijd heeft gevolgd wanneer een aparte behandeling niet moest worden overwogen. De bedrijfswereld heeft er steeds op aangedrongen zo weinig mogelijk onderscheid te maken in materies waarvoor dit niet verantwoord is. De wettelijke rentevoet in sociale zaken moet dus dezelfde zijn als de wettelijke rentevoet in fiscale zaken. Daarenboven, wanneer men het percentage van de verwijlinterest in sociale zaken laat afhangen van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door de algemene administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën ‘ in de maand januari ’, zorgt dit voor onduidelijkheid en rechtsonzekerheid zowel voor de werkgevers als voor de Rijksdienst voor sociale zekerheid die een aantal informatica-applicaties moet aanpassen en bepaalde programma’s moet laten draaien om aanpassingen in de werkgeversrekeningen (ongeveer 220 000) met terugwerkende kracht aan te brengen. 11 Het eerste bedoeld bericht werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 januari 2007, waarbij de wettelijke rentevoet voor 2007 op 6 % werd vastgesteld. Artikel 54, eerste lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders werd tot nu toe niet gewijzigd. Het voorziet nog steeds in de toepassing van de wettelijke rentevoet van 7 %. Er wordt bijgevolg voorgesteld om de wettelijke rentevoet bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid, van de wet 27 juni 1969 te interpreteren als zijnde de wettelijke rentevoet waarvan sprake in artikel 2, § 2, van de wet van 5 mei
- Voor 2008 werd het bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 januari 2008, waarbij de wettelijke rentevoet op 7 % werd vastgesteld » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1011/001, pp. 25-26). Artikel 44 wordt verantwoord als volgt : « Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze afdeling. Artikel 41 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007 en treedt buiten werking op 31 december
- Vanaf 1 januari 2009 voorziet artikel 42 immers in een bijzondere sociale rentevoet gelijk aan de fiscale rentevoet. Het interpretatieartikel zal dan ook geen reden tot bestaan meer hebben » (ibid., p. 26). B.
- De eenvoudige bevestiging, in de parlementaire voorbereiding, van het interpretatieve karakter van de in samenhang gelezen artikelen 41 en 44 kan niet leiden tot de conclusie dat die bepalingen tot doel zouden hebben aan artikel 28, § 1, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 de betekenis te verlenen die het geacht wordt altijd te hebben gehad. Het in het geding zijnde artikel 44 van de programmawet daarentegen verklaart artikel 41 van die wet toepasbaar op de periode die loopt van 1 januari 2007 tot 31 december
- Die beide bepalingen hebben geen uitwerking op de datum van aanneming van artikel 28, § 1, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; bovendien wordt vanaf 1 december 2009 een autonome regeling ingevoerd door andere bepalingen van dezelfde wet, namelijk de artikelen 42 en 43 ervan. 12 Aangezien, enerzijds, de artikelen 41 en 44 geen uitwerking hebben op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepaling die geïnterpreteerd wordt geacht en, anderzijds, zij een onderscheid in het leven roepen in de betekenis van het voormelde artikel 28, § 1 , tweede lid, naar gelang van het ogenblik waarop het wordt toegepast, vormen die artikelen, zoals de verwijzende rechter eveneens heeft gemeend, geen interpretatieve bepalingen, maar wel degelijk louter retroactieve bepalingen. B.
- Artikel 44 van de programmawet van 8 juni 2008 verklaart artikel 41 ervan toepasbaar op de periode die loopt van 1 januari 2007 tot 31 december
- Aangezien die programmawet werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2008, heeft de aan het oordeel van het Hof voorgelegde retroactiviteit bijgevolg betrekking op de periode die loopt van 1 januari 2007 tot de bekendmaking van de wet. Wat betreft de terugwerkende kracht van artikel 44 van de programmawet van 8 juni 2008 B.
- De retroactiviteit van een wetsbepaling is enkel verantwoord wanneer ze absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. B.
- Volgens de in B.8 geciteerde parlementaire voorbereiding heeft de wetgever, met de aanneming van artikel 41, de wettelijke rentevoet in sociale zaken willen laten samenvallen met die welke van toepassing is in fiscale zaken, en aldus willen tegemoetkomen aan de wens van de « bedrijfswereld »; hij wilde ook een einde maken aan de rechtsonzekerheid die, zowel voor de werkgevers als voor de RSZ, voortvloeide uit het vroegere systeem, waarin de Algemene Administratie van de thesaurie in de maand januari, in het Belgisch Staatsblad in principe de wettelijke rentevoet bekendmaakte die van toepassing was gedurende het lopende kalenderjaar; bovendien ging het erom de boekhoudkundige en informaticatechnische risico’s te vermijden die te wijten zijn aan de onzekerheid in verband met de datum van verschijning van het bericht van het ministerie van Financiën. 13 Volgens de Ministerraad, maakt artikel 41 - door voor het jaar 2007 een rentevoet van 7 pct. in aanmerking te nemen – ook een « uniformisering van de rentevoet » mogelijk, waarbij de rentevoet dezelfde is als die welke voor het jaar 2006 als voor het jaar 2008 van toepassing is. B.
- Wat in B.12 wordt vermeld, is een doelstelling van algemeen belang die verantwoordt dat de bepalingen van de artikelen 41 tot 43 van de in het geding zijnde wet met terugwerkende kracht worden toegepast op datum van 1 januari 2007, des te meer daar de terugwerkende kracht zeer beperkt is in de tijd, dat de wijziging van de intrestvoet naar gelang van het geval, nu eens in het voordeel, dan eens in het nadeel van de RSZ of van de bijdrageplichtigen is, en slechts betrekking heeft op een bijkomstig element van de bijdragen en bijdrageverhogingen. B.
- De toetsing van de artikelen 41 en 44 van de programmawet van 8 juni 2008 aan de andere in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen leidt niet tot een andere conclusie, nu er geen onevenredigheid is tussen het nagestreefde algemeen belang en het te dezen betrokken particulier belang. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 41 en 44 van de programmawet van 8 juni 2008 schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de andere in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen en beginselen, in zoverre artikel 44 bepaalt dat artikel 41 uitwerking heeft op 1 januari
- Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 26 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div