id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.202 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091223.1 Arrest- Rolnummer: 2002/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 702 - laatst gezien 2026-07-02 06:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State », ingesteld door de Vlaamse Regering. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-07-2008 - 4 - 36 ELI link Pub nr 2008009714 Tekst van de beslissing Rolnummer 4641 Arrest nr. 202/2009 van 23 december 2009 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State », ingesteld door de Vlaamse Regering. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 februari 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 februari 2009, heeft de Vlaamse Regering beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2008). Memories zijn ingediend door : - Frank Bels, die keuze van woonplaats heeft gedaan te 3970 Leopoldsburg, Caimolaan 99; - de nv « Prayon », met maatschappelijke zetel te 4480 Engis, rue Joseph Wauters 144; - de Ministerraad. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - Frank Bels; - de nv « Prayon ». Op de openbare terechtzitting van 12 november 2009 : - zijn verschenen : . Mr. R. Heijse, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij; . Mr. L. Cornelis loco Mr. G. Van Grieken, advocaten bij de balie te Brussel, voor Frank Bels; . Mr. L. Cornelis, advocaat bij de balie te Brussel, voor de nv « Prayon »; . Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Vandevoorde, loco Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partijen A.
- Frank Bels motiveert zijn tussenkomst door erop te wijzen dat de Raad van State, bij het arrest nr. 179.257 van 1 februari 2008, een aantal in 1998 ten aanzien van hem genomen administratieve handelingen heeft vernietigd. Vermits de bestreden bepaling inhoudt dat de bij de wet van 25 juli 2008 ingevoerde stuitingsregel van toepassing is op beroepen tot nietigverklaring die bij de Raad van State waren ingesteld vóór de inwerkingtreding van die wet, vrijwaart die bepaling zijn recht om een vordering tot herstel van de schade in te leiden. A.
- De nv « Prayon » motiveert haar tussenkomst door erop te wijzen dat de Vlaamse Regering, bij een besluit van 1 mei 1992, een voordien aan haar toegekende stortvergunning heeft opgeheven. Het desbetreffende besluit werd - bijna tien jaar na het instellen van het beroep - door de Raad van State vernietigd bij het arrest nr. 103.704 van 18 februari
- Op 27 juni 2003 heeft de nv « Prayon » bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een vordering ingeleid strekkende tot het verkrijgen van een vergoeding van de door haar geleden schade. Bij vonnis van 22 september 2005 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de vordering was verjaard. Vermits de beroepsprocedure tegen dat vonnis nog steeds hangende is en er dus nog geen in kracht van gewijsde gegane beslissing voorhanden is, dient ervan te worden uitgegaan dat de verjaring van de vordering, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 25 juli 2008, werd gestuit door het bij de Raad van State ingestelde beroep tot nietigverklaring. Ten aanzien van het eerste middel A.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en van niet-retroactiviteit van de wetten, doordat de bestreden bepaling de temporele werking van de wet van 25 juli 2008 derwijze zou bepalen dat erdoor afbreuk wordt gedaan aan reeds verworven verjaringen. A.
- De verzoekende partij wijst erop dat bij de wet van 25 juli 2008 werd bepaald dat de verjaring van het recht om voor een burgerlijke rechtbank schadevergoeding te vorderen gegrond op een onrechtmatige overheidsdaad, wordt gestuit door het instellen van een beroep tot nietigverklaring van de desbetreffende administratieve handeling bij de Raad van State. Pas nadat deze zich heeft uitgesproken, begint er een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De bestreden bepaling betreft het temporele toepassingsgebied van de nieuwe regeling. Volgens die bepaling is de wet van toepassing op beroepen tot nietigverklaring die bij de Raad van State zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding ervan, maar niet wanneer de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van die wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingesteld. De verzoekende partij is van oordeel dat de bestreden bepaling een ongunstige weerslag heeft op de financiën van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, aangezien die entiteiten de reeds verworven verjaringen in een veelheid aan dossiers niet langer kunnen genieten. Vorderingen tot schadevergoeding die in 2008 onontvankelijk waren verklaard vanwege het reeds ingetreden zijn van de verjaring, herleven plots doordat aan de nieuwe stuitingsregeling terugwerkende kracht wordt verleend. De verzoekende partij verwijst daarbij naar een zaak waarin de tegen haar gerichte vordering tot schadevergoeding - ten bedrage van 85 miljoen euro - door de rechter in eerste aanleg onontvankelijk was verklaard wegens verjaring, maar die nu herleeft, vermits het beroep tegen de beslissing in eerste aanleg nog hangende is. A.5.
- Volgens de verzoekende partij is het vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie dat bij het bepalen van de werking in de tijd van wetten geen afbreuk mag worden gedaan aan definitief verworven rechten. Bovendien wordt in de rechtsleer algemeen aanvaard dat het enkele verloop van de verjaringstermijn voldoende is opdat de verjaring kan intreden. De verjaring van een rechtsvordering hangt dus niet af van een rechterlijke beslissing die de verjaring vaststelt, maar enkel van het loutere feit dat de voor de verjaring vereiste periode is verstreken. Wanneer de verjaringstermijn bij wet wordt verlengd, kan de nieuwe langere termijn dan ook niet worden toegepast indien de oude kortere termijn reeds is verstreken. Er is in de rechtsleer dan ook geoordeeld dat de wetgever ten onrechte heeft bepaald dat het definitief verworven karakter van de verjaring afhangt van een in kracht van gewijsde gegane beslissing. 4 A.5.
- De verzoekende partij is van oordeel dat de bestreden bepaling onder de personen die zich konden beroepen op het voordeel van een verworven verjaring een dubbel verschil in behandeling in het leven roept : ten eerste, naargelang al dan niet een in kracht van gewijsde gegane beslissing voorhanden is betreffende de verjaring; ten tweede, naargelang de schuldeiser al dan niet voorafgaand aan het instellen van een burgerlijke rechtsvordering een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft ingesteld. Die verschillen in behandeling zijn volgens haar niet redelijk verantwoord. A.
- De Ministerraad meent dat het middel niet moet worden onderzocht in zoverre het een schending van het rechtszekerheidsbeginsel aanvoert. Dat beginsel is immers zeer vaag en omvat diverse aspecten, zoals het verbod van terugwerkende kracht en de naleving van de gewettigde verwachtingen (vertrouwensbeginsel). Het rechtszekerheidsbeginsel wordt bovendien niet als dusdanig erkend door het Hof van Cassatie, noch door de Raad van State. Vermits de verzoekende partij niet duidelijk aangeeft in welke zin dat beginsel zou zijn geschonden, dient het middel enkel te worden onderzocht in zoverre het de schending van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit betreft. A.7.
- In ondergeschikte orde, in zoverre het Hof zou oordelen dat de grief betreffende de schending van het rechtszekerheidsbeginsel in aanmerking kan worden genomen, is de Ministerraad van oordeel dat de bestreden bepaling noch het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit, noch het vertrouwensbeginsel schendt. A.7.
- De Ministerraad is het eens met de verzoekende partij dat het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van wetten verbiedt dat definitief verworven rechten opnieuw ter discussie worden gesteld. Verworven rechten zijn echter subjectieve rechten die een zodanige graad van concretisering hebben verkregen dat zij kunnen worden aangevoerd tegen de wil van de wetgever om de wet te wijzigen. Ofschoon de verzoekende partij over een subjectief recht beschikt om in een hele reeks hangende zaken het voordeel van de verjaring te vorderen, zet zij op geen enkele wijze uiteen waarom dat subjectieve recht zou moeten worden beschouwd als zijnde verworven. De Ministerraad verwijst in dit kader naar het arrest nr. 91/99, waarin het Hof zou hebben geoordeeld dat een wettelijke bepaling die een nieuwe oorzaak van schorsing van de verjaringstermijn van de strafvordering invoert, zonder te voorzien in overgangsbepalingen voor de hangende zaken, moet worden geacht een probleem te zijn van onmiddellijke toepassing van de wet, wat dus uitsluit dat het om een probleem van retroactiviteit gaat. Hij verwijst eveneens naar het arrest nr. 182/2008, waarin het Hof zou hebben geoordeeld, ten aanzien van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, dat het niet ongrondwettig is om bij het bepalen van de temporele werking van een wet, te voorzien in een uitzondering voor de definitieve gerechtelijke beslissingen. Het Hof zou overigens ook reeds hebben geoordeeld, meer bepaald in het reeds aangehaalde arrest nr. 91/99, dat een bepaling die onmiddellijk van toepassing is en geen probleem van retroactiviteit stelt, in beginsel grondwettig is, behoudens indien gewettigde verwachtingen worden geschonden en geen enkele ernstige reden van algemeen belang verantwoordt dat bepaalde rechten opnieuw ter discussie worden gesteld. A.7.
- Volgens de Ministerraad maakt de verzoekende partij niet duidelijk in welke zin haar gewettigde verwachtingen zouden zijn aangetast. Het gaat immers te dezen slechts om zaken waarin de schuldeisers van de Vlaamse Regering, zonder een burgerlijke vordering in te stellen, bepaalde beslissingen van die Regering gedurende meerdere jaren hebben bestreden bij de Raad van State. Op strikt juridisch vlak erkent de verzoekende partij overigens dat de problematiek van de stuitende werking van het indienen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State op de verjaringstermijn van de burgerrechtelijke vordering controversieel was in de rechtspraak en in de rechtsleer tot het Hof van Cassatie, in twee arresten van 16 februari 2006, heeft geoordeeld dat het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State geen stuitende werking heeft op die verjaringstermijn. Er kon dan ook voor de verzoekende partij geen sprake zijn van een gewettigde verwachting. A.
- In uiterst ondergeschikte orde, in zoverre het Hof ondanks alles toch zou oordelen dat het algemeen rechtsbeginsel van niet-retroactiviteit van wetten en het vertrouwensbeginsel op één of andere wijze zouden zijn geschonden, is de Ministerraad van oordeel dat er te dezen niet kan worden gesproken van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen die een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld bij de Raad van State maar geen vordering voor de burgerlijke rechtbanken, en anderzijds, de personen die hebben nagelaten welk beroep dan ook in te stellen, is objectief en redelijk verantwoord ten aanzien van het doel van de wet van 25 juli
- De Ministerraad is bovendien van oordeel dat het criterium afgeleid uit het bestaan van een in kracht van gewijsde gegane beslissing reeds werd aanvaard door het Hof. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd herhaalde malen verwezen naar de overgangsbepalingen van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring en naar wat het Hof daarover heeft beslist. In die overgangsbepalingen werd immers een onderscheid gemaakt naargelang een 5 rechtsvordering al dan niet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard was verklaard vóór de inwerkingtreding van de wet. In het arrest nr. 27/2003 diende het Hof te antwoorden op de vraag of de desbetreffende overgangsbepaling geen discriminatie in het leven roept ten nadele van de ijverige schuldeiser, dit wil zeggen diegene die een rechtsvordering heeft ingesteld die bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard. Het Hof oordeelde dat het in overeenstemming is met het fundamentele beginsel van onze rechtsorde dat de rechterlijke beslissingen niet kunnen worden gewijzigd dan ingevolge de aanwending van rechtsmiddelen. Dat standpunt werd bevestigd in het arrest nr. 98/
- A.
- Frank Bels is van oordeel dat de bestreden bepaling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hij wijst erop dat, ofschoon de wet van 25 juli 2008 van toepassing is op alle openbare overheden, alleen de Vlaamse Regering een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld. Hij meent dat de verzoekende partij het standpunt van de rechtsonderhorige volledig uit het oog verliest. Wanneer met dat standpunt rekening wordt gehouden, is de bestreden bepaling volkomen gerechtvaardigd. De wetgever heeft terecht kunnen oordelen dat alle personen die een procedure bij de Raad van State hebben ingeleid en alle personen die de zaak bij een andere rechtbank aanhangig hebben gemaakt, gelijk dienen te worden behandeld. Een nietigverklaring van de bestreden bepaling zou juist een discriminatie veroorzaken, vermits een verschil in behandeling in het leven zou worden geroepen tussen personen die een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State hebben ingediend, naar gelang van de datum van de uitspraak van die laatste, ofschoon zij het verzoekschrift op dezelfde datum ingediend zouden kunnen hebben. Frank Bels is ook van oordeel dat het criterium van onderscheid dat de verzoekende partij bekritiseert, namelijk het voorhanden zijn van een annulatieprocedure bij de Raad van State, niet uitdrukkelijk is opgenomen in de bestreden bepaling, maar wel in de niet-bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 25 juli
- Met betrekking tot de uitzondering betreffende de in kracht van gewijsde gegane beslissingen, is hij van oordeel dat rechterlijke uitspraken in een rechtsstaat een bijzondere status hebben. Het is dus verantwoord dat de schuldeiser het burgerlijke geding niet kan laten heropenen wanneer de justitiële rechter een definitieve uitspraak heeft gedaan. A.
- De nv « Prayon » wijst erop dat het Hof van Cassatie in een arrest van 16 februari 2006 heeft geoordeeld dat een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State de verjaring van het recht om voor een burgerlijke rechtbank schadevergoeding te vorderen gegrond op een onrechtmatige overheidsdaad, niet stuit. Daardoor was men verplicht om tegelijk procedures bij de Raad van State en bij de burgerlijke rechtbank in te leiden, wat de wetgever proceseconomisch niet verantwoord heeft geacht. De bestreden overgangsregeling is precies erop gericht de onbillijke gevolgen van de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie te ondervangen. De wetgever is impliciet maar zeker ervan uitgegaan dat personen die een beroep instellen bij de Raad van State de uitkomst van die procedure konden afwachten alvorens een aansprakelijkheidsvordering in te leiden bij de burgerlijke rechter. Daarom heeft hij erin voorzien dat de nieuwe regel ook toepasselijk is op hangende procedures. De wetgever heeft zelfs uitdrukkelijk geoordeeld dat het tegendeel aanvaarden discriminatoir zou zijn. De nv « Prayon » is van oordeel dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling legitiem is en dat ook de verzoekende partij dat impliciet erkent, vermits zij haar beroep tot vernietiging heeft beperkt tot artikel 4 van de wet van 25 juli 2008, te weten de overgangsregel. A.11.
- Volgens de nv « Prayon » kan niet ernstig worden betwist dat de verschillen in behandeling die door de verzoekende partij worden bekritiseerd, steunen op objectieve criteria, namelijk het al dan niet voorhanden zijn van een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep werd ingesteld en het al dan niet bestaan van een procedure bij de Raad van State. Zij is van oordeel dat die verschillen ook relevant en redelijk verantwoord zijn. A.11.
- Met betrekking tot het verschil in behandeling gebaseerd op het al dan niet bestaan van een procedure bij de Raad van State voorafgaand aan het inleiden van een burgerlijke procedure, wijst de nv « Prayon » erop dat de wet van 25 juli 2008 juist erop is gericht aan het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State stuitende werking toe te kennen. Het is dus duidelijk dat het bekritiseerde verschil in behandeling relevant is. Dat verschil is bovendien redelijk verantwoord, vermits de verzoekende partij door het instellen van een beroep tot nietigverklaring rechtsherstel nastreeft. De wetgever heeft de personen die een aansprakelijkheidsvordering tegen de overheid inleiden op dezelfde wijze willen behandelen, ongeacht of zij meteen een zaak inleiden bij de burgerlijke rechter, dan wel eerst bij de Raad van State. De wetgever vermocht daarbij redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de verjaring loopt en blijft lopen ten aanzien van de eiser die noch voor de Raad van State, noch voor de burgerlijke rechtbank een zaak aanhangig heeft gemaakt. Bovendien is de rechtstoestand van schuldeisers die niet tijdig een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State hebben ingesteld of van wie het tijdige beroep werd afgewezen, duidelijk onderscheiden van de schuldeisers die tijdig en met succes een dergelijke procedure hebben ingeleid. 6 A.11.
- Met betrekking tot het verschil in behandeling gebaseerd op het al dan niet bestaan van een in kracht van gewijsde gegane beslissing, is de nv « Prayon » van oordeel dat de verzoekende partij een verkeerd uitgangspunt hanteert. Het is immers niet zo dat de verjaring wordt verworven door het verlopen van de verjaringstermijn. Het inleiden van een aansprakelijkheidsvordering komt erop neer dat bij de burgerlijke rechter een geschil aanhangig wordt gemaakt. Tot dat geschil kan al dan niet een betwisting met betrekking tot de verjaring behoren. Het volstaat vanzelfsprekend niet dat de verweerder zich in een dergelijk geschil op de verjaring beroept, aanvoerend dat de verjaringstermijn zou zijn verstreken, om tot de verjaring en de daaruit volgende « verworven rechten » te kunnen besluiten, wanneer de eiser de verjaring betwist. Het zijn de hoven en de rechtbanken die moeten beslissen over het al dan niet bestaan van de verjaring. Wanneer echter op dat vlak reeds een in kracht van gewijsde gegane beslissing bestaat, waartegen geen voorziening in cassatie werd ingesteld, hebben de hoven en rechtbanken hun rechtsmacht uitgeput, wat het desbetreffende verschil in behandeling ook verantwoordt. Zolang er geen in kracht van gewijsde gegane beslissing voorhanden is, blijft de mogelijkheid echter bestaan dat de feitenrechters bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, tot het besluit komen dat geen verjaring is ingetreden, zodat er ook geen sprake kan zijn van een aantasting van de rechtszekerheid. A.
- De nv « Prayon » is van oordeel dat het niet zeker is dat de rechtspraak van het Hof betreffende de niet-retroactiviteit van wetten van toepassing is in de huidige zaak. Die rechtspraak is immers ontwikkeld naar aanleiding van zaken waarin de overheid wetgevend optreedt met de bedoeling haar positie in een hangend rechtsgeding veilig te stellen. Te dezen wordt de rechtspositie van de federale Staat geenszins gunstig beïnvloed door de bestreden bepaling. Maar indien zou worden aangenomen dat de desbetreffende rechtspraak toepasselijk is, moet worden vastgesteld dat de toepassing van de nieuwe stuitingsregel op hangende geschillen redelijk is verantwoord ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang. De nv « Prayon » verwijst daarbij naar de argumentatie van het Hof in zijn arrest nr. 98/2003, al erkent ze dat de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest verschilt van de voorliggende zaak, in die zin dat het Hof in het prejudiciële arrest nr. 25/95 de vroegere verjaringsregeling ongrondwettig had geacht. Niettemin is de problematiek volgens haar gelijksoortig. De wetgever heeft immers impliciet geoordeeld dat de vroegere verjaringsregels onbillijk waren, en moeilijk te verzoenen met het gelijkheidsbeginsel. De nv « Prayon » is van oordeel dat het Hof in zijn arrest nr. 98/2003 uitdrukkelijk heeft aanvaard dat de wetgever, binnen bepaalde grenzen, een nieuwe verjaringsregeling vermag in te voeren die op hangende geschillen van toepassing is, teneinde de rechtszekerheid te dienen. A.13.
- De verzoekende partij antwoordt dat de Ministerraad en de nv « Prayon » ten onrechte stellen dat de arresten van het Hof van Cassatie van 16 februari 2006 afweken van een bestaande visie. Die arresten worden ten onrechte voorgesteld als zijnde « onverwacht ». Uit de bewoordingen van de relevante bepalingen kon worden afgeleid dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State noch een schorsende, noch een stuitende werking had op de verjaring van de burgerlijke vordering. In tegenstelling tot wat de Ministerraad en de nv « Prayon » lijken te beweren, bestaat er ook rechtsleer die de voormelde arresten van het Hof van Cassatie verdedigbaar achtte. A.13.
- Met betrekking tot de stelling van de Ministerraad dat niet duidelijk zou zijn in welke zin het rechtszekerheidsbeginsel zou zijn geschonden, antwoordt de verzoekende partij dat dit beginsel het verbod van retroactiviteit omvat, zodat de schending van beide beginselen kon worden aangevoerd in het verzoekschrift. Met betrekking tot het verschil in behandeling gebaseerd op het al dan niet bestaan van een procedure bij de Raad van State voorafgaand aan het inleiden van een burgerlijke procedure, is de verzoekende partij van oordeel dat de nv « Prayon » haar argumentatie verkeerd interpreteert. Zij verduidelijkt dat zij het feit bekritiseert dat, gegeven dat een beroep bij de Raad van State voorheen niet stuitend werkte en dus geen invloed had op de verjaring, de verkregen verjaring ten voordele van bepaalde schuldeisers retroactief ongedaan wordt gemaakt op grond van de omstandigheid dat zij eerder een beroep bij de Raad van State hebben ingesteld. Andere schuldeisers genieten dat voordeel niet. Aldus wordt er soelaas geboden aan degenen die het recht ter zake verkeerd hebben toegepast, minstens een risico hebben genomen dat ze hadden kunnen voorkomen door wel meteen een burgerlijke procedure in te leiden. Met betrekking tot het verschil in behandeling gebaseerd op het al dan niet voorhanden zijn van een in kracht van gewijsde gegane beslissing, antwoordt de verzoekende partij dat de hoven en de rechtbanken de verjaring louter kunnen en mogen vaststellen op basis van de verjaringsregels die bestaan op het ogenblik van het inleiden van de oorspronkelijke vordering. Daarom is het niet relevant of er al dan niet reeds een definitieve eindbeslissing bestaat. De omstandigheid dat er nog geen definitieve eindbeslissing bestaat, heeft dus geenszins tot gevolg dat, bij gewijzigde wetgeving, nieuwe verjaringsregels zouden mogen worden toegepast. 7 Ten aanzien van het tweede middel A.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van de federale loyauteit, zoals gewaarborgd bij artikel 143, § 1, van de Grondwet, doordat de federale wetgever, bij het aannemen van de bestreden bepaling, zijn bevoegdheid heeft uitgeoefend op een wijze die het de gemeenschappen en de gewesten onmogelijk of bijzonder moeilijk maakt de hun toegewezen bevoegdheden uit te oefenen. A.15.
- De verzoekende partij erkent dat de aangelegenheid die de wet van 25 juli 2008 regelt op zich behoort tot de bevoegdheid van de federale Staat. Maar vermits de bepalingen van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, krachtens artikel 71, § 1, eerste lid, juncto artikel 50, § 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, ook van toepassing zijn op de gemeenschappen en de gewesten, hebben de bij de wet van 25 juli 2008 doorgevoerde wijzigingen ook gevolgen voor, onder meer, de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. Daarom kon de wet van 25 juli 2008 slechts worden aangenomen na overleg met de deelstaten. A.15.
- Volgens de verzoekende partij brengt de bestreden bepaling met zich mee dat het de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest overdreven moeilijk wordt gemaakt om hun bevoegdheden uit te oefenen. Het merendeel van het contentieux bij de Raad van State heeft immers betrekking op aangelegenheden die tot de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten behoren, onder meer openbare werken, stedenbouw, leefmilieu, cultuur en gezondheidsbeleid. De financiële ruimte die door het herleven van eerder verjaarde vorderingen wordt geblokkeerd, heeft een reële impact op de mogelijkheid om in die domeinen een beleid te voeren. A.
- De Ministerraad erkent dat de wet van 25 juli 2008 een invloed heeft op de financiën van de deelgebieden, maar ziet niet in hoe de federale wetgever zijn bevoegdheden betreffende de verjaringsregels zou kunnen uitoefenen zonder dat dit een invloed zou hebben op die financiën. Het Hof heeft overigens, volgens de Ministerraad, meermaals geoordeeld dat een wetgever zijn bevoegdheden kan uitoefenen ook wanneer die bevoegdheidsuitoefening een invloed heeft op de bevoegdheden van een andere wetgever. Dit geldt in het bijzonder wanneer die invloed louter financieel is. Ofschoon de verzoekende partij beweert dat de financiële gevolgen van de bestreden maatregel te dezen bijzonder ernstig zijn, toont zij dit niet aan. Aangezien de wet van 25 juli 2008 van toepassing is op alle overheden (de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten), verstoort zij op geen enkele wijze het evenwicht van de federale constructie. Dat evenwicht zou juist worden verstoord indien de federale Staat zijn bevoegdheden betreffende de verjaringsregels niet zou mogen uitoefenen wanneer dat een invloed zou hebben op de financiën van de deelgebieden. Bovendien nemen in de Senaat 21 gemeenschapssenatoren zitting, die waken over de belangen van de deelgebieden bij het aannemen van federale wetgeving. A.
- Frank Bels is van oordeel dat het tweede middel in wezen niet verschilt van het eerste. Hij verwijst dan ook naar zijn argumentatie bij dat eerste middel. Hij voegt eraan toe dat de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement op geen enkel ogenblik een belangen- of een bevoegdheidsconflict hebben aangevoerd bij de behandeling van de tekst die heeft geleid tot de wet van 25 juli
- Ook de Vlaamse gemeenschapssenatoren hebben dat niet gedaan. De regeringen en de parlementen van de andere deelgebieden lijken het bovendien niet oneens te zijn met de bestreden bepaling. A.18.
- De nv « Prayon » is van oordeel dat de eventuele impact van de bestreden bepaling op het door de Vlaamse Regering te voeren beleid louter speculatief en onzeker is. Eventuele schadevergoedingen en de impact ervan op de begroting volgen niet rechtstreeks uit de stuiting van de verjaring van een aansprakelijkheidsvordering, maar evenzeer uit mogelijke fouten van de verzoekende partij. Tussen de bestreden bepaling, eventuele schadevergoedingen, mogelijke gevolgen op de begroting en mogelijke gevolgen op de gekozen beleidsopties bestaat geen band van voldoende zekerheid en onafwendbaarheid. Bovendien dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 niet bestrijdt. Nochtans zijn de gevolgen van die bepaling voor de toekomst manifest verstrekkender dan die van de bestreden bepaling. A.18.
- De nv « Prayon » wijst erop dat het voorwerp van het aansprakelijkheidsgeschil waarin zij met het Vlaamse Gewest is verwikkeld niet meer bedraagt dan 0,40 pct. van de middelen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest die voor 2009 werden begroot. De impact op de bevoegdheidsuitoefening kan bijgevolg moeilijk als overdreven worden gekwalificeerd. Bovendien is die impact beperkt in de tijd. Het gaat immers om een 8 overgangsregel. De bestreden bepaling leidt bijgevolg niet tot een definitieve, structurele inperking van de middelen van de verzoekende partij. De mogelijke nadelige gevolgen gelden overigens ook voor de federale Staat zelf. A.18.
- Met betrekking tot de kritiek van de verzoekende partij dat geen overleg heeft plaatsgevonden, antwoordt de nv « Prayon » dat de eventuele ontstentenis van samenwerking in een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever niet heeft voorzien in een verplichting van samenwerking, niet leidt tot een schending van de bevoegdheidverdelende regels. A.
- De verzoekende partij antwoordt dat het feit dat geen belangen- of bevoegdheidsconflicten aanhangig werden gemaakt, niet relevant is. Hetzelfde geldt voor de argumenten afgeleid uit de aanwezigheid van de gemeenschapssenatoren in de Senaat. Zij betwist ook de stelling van de Ministerraad dat het uitoefenen van de bevoegdheid betreffende het vaststellen van verjaringsregels automatisch financiële gevolgen heeft. Het invoeren van het beginsel dat een procedure bij de Raad van State stuitend werkt, heeft op zich geen financiële gevolgen. Het houdt enkel in dat niet reeds bij de aanvang van de administratieve procedure ook een burgerlijke procedure moet worden opgestart om bepaalde rechten te vrijwaren. De verzoekende partij is eveneens van oordeel dat de overige partijen de financiële impact onterecht minimaliseren. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.
- De wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State (hierna : de wet van 25 juli 2008) voorziet in een regeling waarbij de verjaringstermijn van een vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door een vernietigde administratieve handeling wordt gestuit als gevolg van het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. B.1.
- Die regeling werd in de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt : « De achterstand bij de Raad van State is een oud zeer, dat sedert een tiental jaar onhoudbare proporties heeft aangenomen. […] Gewone burgers […], die geconfronteerd worden met een volgens hen onwettige overheidsbeslissing […], kunnen […] voor schorsing en vernietiging naar de Raad van State trekken. Spijtig genoeg blijven zij daar jaren in onzekerheid over hun rechtspositie, gelet op de aanzienlijke achterstand. […] 9 Vooraleer de betrokken burgers te weten komen of een beslissing al dan niet ongedaan wordt gemaakt wegens wetsoverschrijding, en zij dus aanspraak kunnen maken op een schadevergoeding, zijn er gemiddeld vijf jaar verlopen. Evenwel verjaren overeenkomstig art. 2262bis B.W. alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. […] Gelet op de mogelijkerwijs nog tussenkomende administratieve beroepsprocedure, is vaak al een deel van de verjaringstermijn verlopen nog voor het vernietigingsverzoek bij de Raad van State wordt ingesteld. […] De kans is dus zeer groot dat het recht om schadevergoeding te vorderen verjaart lopende de vernietigingsprocedure. Vele advocaten zullen hun cliënten dan ook aanraden om onmiddellijk na het instellen van het vernietigingsverzoek of tijdens de procedure voor de Raad van State een burgerlijke vordering in te stellen, en deze vordering te laten verwijzen naar de rol. Immers, overeenkomstig artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vormt een dagvaarding voor het gerecht een burgerlijke stuiting. Overeenkomstig een vaste rechtspraak blijft deze stuiting trouwens voortduren gedurende het aanhangig zijn van de zaak, zodat de nieuwe verjaringstermijn maar begint te lopen na het beëindigen van die aanleg. Deze door de slechte werking van de instelling gegroeide rechtspraktijk is evenwel geen goede zaak, vermits zij het risico van het verlies van recht op schadevergoeding geheel ten laste legt van de burger : het is deze laatste die een potentieel slachtoffer is van de abnormale traagheid van de rechtsgang. Bovendien vult dit de rollen van de burgerlijke rechtbanken met zaken die gedurende jaren niet in staat zijn, zodat de administratieve last onnodig toeneemt. Het is daarnaast een nutteloze bijkomende kost voor de burger die naderhand vaststelt dat de bestreden overheidsbeslissing toch niet werd vernietigd » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2007, nr. 4-10/1, pp. 1-3). B.
- Het bestreden artikel 4 van de wet van 25 juli 2008, dat de inwerkingtreding van die regeling betreft, bepaalt : « Deze wet is van toepassing op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan. Zij is evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van deze wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend ». 10 Ten aanzien van het eerste middel B.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en van niet-retroactiviteit van de wetten. In een eerste onderdeel bekritiseert de Vlaamse Regering het feit dat de bestreden bepaling, op een discriminatoire wijze, afbreuk zou doen aan reeds verworven verjaringen. In een tweede onderdeel bekritiseert zij het verschil in behandeling dat door de bestreden bepaling in het leven zou worden geroepen tussen, enerzijds, de personen wier vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van de wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingesteld en, anderzijds, de personen wier vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van de wet niet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingesteld. In een derde onderdeel bekritiseert zij het verschil in behandeling dat in het leven zou worden geroepen tussen schuldenaren, naargelang de schuldeiser al dan niet voorafgaand aan het instellen van een burgerlijke rechtsvordering, een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft ingesteld. B.4.
- Wat de inwerkingtreding van de wet betreft, bepaalde artikel 3 van het wetsvoorstel dat tot de wet van 25 juli 2008 heeft geleid dat de inwerkingtreding van de wet niet tot gevolg had dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen « wanneer de rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaard is vóór de inwerkingtreding van deze wet » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2007, nr. 4-10/1, p. 6). B.4.
- In de Senaat werd een amendement aangenomen dat het voorgestelde artikel 3 verving door de volgende tekst : « De wet is van toepassing op de bestaande rechtsgeschillen in de mate ze niet beslecht werden bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-10/2, p. 2, en nr. 4-10/3, p. 17). De toelichting bij dat amendement verwijst, enerzijds, naar artikel 11 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring en, anderzijds, naar het arrest nr. 98/2003 van 2 juli 2003 van het Hof « waarbij het Arbitragehof, op een 11 prejudiciële vraag gesteld door het hof van beroep te Bergen, duidelijk stelde dat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest een objectief aanknopingspunt vormt en aldus niet discriminerend is » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-10/3, p. 15). B.4.
- De Raad van State merkte evenwel het volgende op met betrekking tot de door de Senaat aangenomen tekst : « Om de bedoeling van de wetgever weer te geven, zoals ze thans blijkt uit de besprekingen in de Senaat, zou artikel 3 zo moeten worden aangepast dat de personen die op het arrest van de Raad van State hebben gewacht, de mogelijkheid krijgen om voor de burgerlijke rechter nog op te treden wanneer het arrest is uitgesproken (of ter kennis gebracht) op een datum die valt binnen een kortere termijn dan de wettelijke verjaringstermijn » (advies nr. 44.302/2 van 29 april 2008, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/004, p. 13). B.4.
- In antwoord hierop heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers een amendement aangenomen dat overeenkomt met de bestreden bepaling. Dat amendement werd als volgt verantwoord : « In dit amendement wordt artikel 3 opnieuw geformuleerd teneinde te trachten rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State over het gebrek aan duidelijkheid ervan. De wet is van toepassing verklaard op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan. Ofwel is het beroep nog steeds aanhangig en in dit geval stuit het de verjaring tot het tijdstip waarop de Raad van State de beslissing uitspreekt, ofwel is er reeds uitspraak gedaan over het beroep en in dit geval is een nieuwe verjaringstermijn beginnen te lopen vanaf het tijdstip waarop de Raad van State de beslissing heeft uitgesproken en kan de verjaringstermijn al dan niet verstreken zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet. De toepassing van de wet kan evenwel niet tot gevolg hebben dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing, waarmee de burgerrechtelijke vordering verjaard is verklaard en waartegen geen cassatieberoep is ingediend, ter discussie wordt gesteld » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/005, pp. 3-4). B.
- Met artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 wenst de wetgever te verzekeren dat de nieuwe wet van toepassing zou zijn op « hangende » zaken, alsmede op « de zaken waarbij men bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling minder dan 5 jaar is verwijderd van het vernietigingsarrest van de Raad van State » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-10/3, p. 12), zonder dat het evenwel « mogelijk [is] beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan op losse schroeven te zetten » (ibid., p. 13). 12 B.
- De bestreden bepaling brengt met zich mee dat bepaalde vorderingen tot herstel van de schade veroorzaakt door een administratieve handeling, die vóór de inwerkingtreding van de wet van 25 juli 2008 als verjaard konden worden beschouwd, alsnog ontvankelijk zijn. Aldus verleent die bepaling terugwerkende kracht aan de nieuwe regeling en kan zij, door afbreuk te doen aan de door de oude wet gewekte verwachtingen, de rechtszekerheid in het gedrang brengen. B.
- De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van één of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. B.8.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wet van 25 juli 2008 niet los kan worden gezien van twee arresten van het Hof van Cassatie van 16 februari 2006, waarbij werd geoordeeld dat « het verzoekschrift tot vernietiging van een administratieve handeling voor de Raad van State […] de verjaring […] van het recht om voor een burgerlijke rechtbank schadevergoeding te vorderen gegrond op een onrechtmatige overheidsdaad [niet stuit of schorst] » (Cass., 16 februari 2006, C.05.0022.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8 en C.05.0050.N). 13 Met de bestreden bepaling wou de wetgever « aandacht […] schenken aan de rechtzoekende die er tot het arrest van het Hof van Cassatie van 16 februari 2006 van kon uitgaan dat hij [na een vernietigingsarrest van de Raad van State] nog kon vorderen voor de burgerlijke rechtbank » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-10/3, pp. 15-16). B.8.
- Vóór de aangehaalde arresten van het Hof van Cassatie van 16 februari 2006 was het antwoord op de vraag of de verjaring van het recht om voor een burgerlijke rechtbank schadevergoeding te vorderen gegrond op een onrechtmatige overheidsdaad wordt gestuit door een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, omstreden in de rechtsleer en in de rechtspraak. B.8.
- Die rechtsonzekerheid vormt een bijzondere omstandigheid die te dezen de terugwerkende kracht van de nieuwe regeling - beperkt tot « hangende zaken » en « zaken waarbij men bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling minder dan 5 jaar is verwijderd van het vernietigingsarrest van de Raad van State » - kan verantwoorden. De wetgever heeft terecht kunnen oordelen dat de situatie van de rechtzoekenden die vóór de arresten van het Hof van Cassatie van 16 februari 2006 erop hadden vertrouwd dat zij de uitkomst van de procedure bij de Raad van State konden afwachten alvorens een aansprakelijkheidsvordering bij de burgerlijke rechtbanken in te leiden, diende te worden geregulariseerd. B.9.
- Het in het tweede onderdeel van het eerste middel bekritiseerde verschil in behandeling is redelijk verantwoord gelet op het fundamentele beginsel van onze rechtsorde dat de rechterlijke beslissingen niet kunnen worden gewijzigd dan ingevolge de aanwending van rechtsmiddelen. Bijgevolg kan de wet niet van toepassing zijn wanneer een definitief geworden rechterlijke beslissing een vordering tot schadevergoeding verjaard heeft verklaard. B.9.
- Het feit dat uit de bestreden bepaling voortvloeit dat de wet wel van toepassing kan zijn op vorderingen tot schadevergoeding die vóór de inwerkingtreding van de wet verjaard zijn verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen cassatieberoep is ingesteld, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Gelet op dat cassatieberoep is er immers nog geen sprake van een definitief geworden rechterlijke beslissing. 14 B.
- Het in het derde onderdeel van het eerste middel bekritiseerde verschil in behandeling is eveneens redelijk verantwoord, vermits de wetgever, ervan uitgaande dat de rechtzoekenden vóór de arresten van het Hof van Cassatie van 16 februari 2006 erop konden vertrouwen dat zij de uitkomst van de procedure bij de Raad van State konden afwachten alvorens een vordering tot herstel van de schade bij de burgerlijke rechtbanken in te leiden, precies heeft willen bewerkstelligen dat die rechtzoekenden, na een vernietigingsarrest van de Raad van State, alsnog een vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling kunnen instellen. B.
- Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.12.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de beginselen van evenredigheid en van federale loyauteit. B.12.
- De verzoekende partij betwist niet dat de door de bestreden bepaling geregelde aangelegenheid behoort tot de bevoegdheid van de federale Staat. Zij is evenwel van oordeel dat die bepaling, door het doen « herleven » van vorderingen tot herstel van schade, ernstige financiële gevolgen heeft voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, waardoor het die overheden onmogelijk of bijzonder moeilijk wordt gemaakt om de hun toegewezen bevoegdheden doelmatig uit te oefenen. Bovendien bekritiseert zij het feit dat de federale wetgever over de bestreden bepaling geen overleg heeft gepleegd met de gemeenschappen en de gewesten. B.
- In de uitoefening van hun bevoegdheden dienen de wetgevers het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, in acht te nemen. Dat beginsel houdt in dat geen enkele overheid bij het voeren van het beleid dat haar is toevertrouwd, zo verregaande maatregelen mag nemen dat het voor een andere overheid onmogelijk of overdreven moeilijk wordt om het beleid dat haar is toevertrouwd doelmatig te voeren. 15 B.
- De omstandigheid dat de bestreden bepaling een weerslag kan hebben op de financiën van de gemeenschappen en de gewesten volstaat in beginsel niet om te besluiten tot een schending van het evenredigheidsbeginsel. Dit geldt des te meer wanneer die weerslag occasioneel en bijgevolg niet structureel van aard is. Zoals bij het onderzoek van het eerste middel is gebleken, heeft de federale wetgever, op grond van specifieke omstandigheden, terecht kunnen oordelen dat het noodzakelijk was te voorzien in een bijzondere overgangsmaatregel. Ermee rekening houdend, enerzijds, dat het een overgangsmaatregel betreft, die bijgevolg slechts een beperkte werking in de tijd heeft, en, anderzijds, dat de weerslag ervan op de financiën van de gemeenschappen en de gewesten slechts occasioneel van aard is, maakt de bestreden bepaling het de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest noch onmogelijk, noch overdreven moeilijk hun bevoegdheden uit te oefenen. B.
- Wat de aangevoerde ontstentenis van overleg betreft, voorzien noch de Grondwet, noch de wetten tot hervorming der instellingen in een verplichting voor de federale wetgever om bij het uitvaardigen van regelgeving betreffende de verjaring van vorderingen tot herstel van schade overleg te plegen met de gemeenschappen en de gewesten. Bovendien is de desbetreffende bevoegdheid van de federale Staat niet dermate verweven met gemeenschaps- of gewestbevoegdheden dat ze alleen in samenwerking kan worden uitgeoefend. B.
- De bestreden bepaling schendt het evenredigheidsbeginsel dat bij de uitoefening van bevoegdheden in acht moet worden genomen, niet. B.
- Uit het beginsel van de federale loyauteit leidt de verzoekende partij geen andere argumenten af dan die welke werden afgeleid uit de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel. B.
- Het tweede middel is niet gegrond. 16 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 23 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.202 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060216.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div