id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.204 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20091223.3 Arrest- Rolnummer: 204/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Petroleum PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van artikel 4 van de wet van 22 juli 2009 houdende verplichting tot bijmenging van biobrandstof in de tot verbruik uitgeslagen fossiele motorbrandstoffen, ingesteld door Eric Watteau. Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. # Leefmilieu - Biobrandstof - Verplichting tot inverbruikstelling - Maatschappij die benzineproducten en/of dieselproducten uitslaat tot verbruik. Wettelijke bepalingen: Wet - 22-07-2009 - 4 - 01 ELI link Pub nr 2009011330 Tekst van de beslissing Rolnummer 4773 Arrest nr. 204/2009 van 23 december 2009 In zake : de vordering tot schorsing van artikel 4 van de wet van 22 juli 2009 houdende verplichting tot bijmenging van biobrandstof in de tot verbruik uitgeslagen fossiele motorbrandstoffen, ingesteld door Eric Watteau. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 september 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 september 2009, heeft Eric Watteau, wonende te 1325 Chaumont-Gistoux, Chemin du Grand Sart 32, een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 4 van de wet van 22 juli 2009 houdende verplichting tot bijmenging van biobrandstof in de tot verbruik uitgeslagen fossiele motorbrandstoffen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2009, tweede editie). Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepaling. Op 6 oktober 2009 hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. De verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. Bij beschikking van 10 november 2009 heeft het Hof beslist het onderzoek van de zaak overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten. Bij beschikking van dezelfde dag heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 1 december 2009 na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op woensdag 25 november 2009 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij te bezorgen. De Ministerraad heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 december 2009 : - zijn verschenen : . de verzoekende partij, in eigen persoon; . Mr. J.-F. De Bock en Mr. J. Moens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- A.
- Eric Watteau verantwoordt zijn belang bij de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging van artikel 4 van de wet van 22 juli 2009 « houdende verplichting tot bijmenging van biobrandstof in de tot verbruik uitgeslagen fossiele motorbrandstoffen » - en « in bijkomende orde, van […] elk daaraan verbonden artikel » - door het gegeven dat die bepaling hem zou beletten de brandstoftank van zijn voertuig te vullen met brandstof die niet is vermengd met « agrobrandstoffen ». Hij preciseert dat hij een voertuig bezit wegens de « gebrekkige collectieve mobiliteit » in Waals-Brabant. A.
- De verzoeker voert aan dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan zijn vrijheid van geweten, gewaarborgd bij artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij is van mening dat de bestreden bepaling hem het recht ontneemt zich een goed te verschaffen dat te verzoenen valt met zijn « geweten en zijn diepste overtuigingen ». Hij stelt eveneens dat de bestreden bepaling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel gewaarborgd bij de Grondwet en bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat zij, door hem te beletten een brandstof te kopen die niet met « agrobrandstoffen » is vermengd, hem discrimineert ten opzichte van de « onnadenkenden van de consumptiemaatschappij ». In het algemeen is hij van mening dat de aardoliemarkt op zodanige wijze moet zijn georganiseerd dat die hem toelaat in België gemakkelijk een aantal distributeurs van aardolieproducten te vinden om zo persoonlijk brandstoffen te kunnen kopen die niet met « agrobrandstoffen » zijn vermengd. Bij wijze van vergelijking merkt hij op dat, enerzijds, de Staat de bevolking nooit ertoe zal verplichten bepaalde soorten vlees te eten, uit eerbied voor ieders geloofsovertuiging en, anderzijds, de elektriciteitsmarkt het de geïnteresseerden vandaag mogelijk maakt « groene elektriciteit » te kopen, in overeenstemming met hun ecologische overtuigingen. A.
- De verzoeker preciseert dat de « agrobrandstoffen » hem een onbehaaglijk gevoel geven en volkomen indruisen tegen zijn geweten om economische, sociale, politieke of « geostrategische », religieuze, juridische en financiële redenen. In dat verband legt hij uit dat het gebruik van dergelijke brandstoffen op de wereldmarkt van de landbouwproducten leidt tot een stijging van de prijzen van producten die normaal voor voeding zijn bestemd, waardoor de voedselvoorziening van de armsten in de ontwikkelingslanden in het gedrang kan komen. Hij verwijst in dat opzicht naar een verslag dat de speciaal rapporteur van de Verenigde Naties op de algemene vergadering van de Verenigde Naties heeft voorgesteld over het recht op voeding. Vervolgens herinnert hij aan het heilige karakter van voeding, zoals erkend door verschillende geloofsovertuigingen, in het bijzonder de christelijke. De verzoeker voert ook aan dat de « agrobrandstoffen » afbreuk doen aan zijn « geweten op het vlak van de rechten van de mens » - dat moet blijken uit een plechtige belofte, zijn openbare stellingname en een diploma van gespecialiseerde studies over dat onderwerp -, hoofdzakelijk in zoverre zij het recht op voeding van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen, gewaarborgd bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, gedaan te New York op 19 december 1966, ernstig aantasten. Voorts geeft hij aan dat hij is opgegroeid in een gezin dat tijdens de tweede wereldoorlog met ontbering is geconfronteerd en het ongehoord vond voedsel weg te gooien terwijl elders veel mensen honger leden. De verzoeker uit bovendien zijn vrees voor wraak- en haatgevoelens van uitgehongerde bevolkingen ten aanzien van een westerse maatschappij die voedsel gebruikt om voertuigen te doen rijden. Ten slotte merkt hij op dat de stijging van de prijs van voedingsproducten als gevolg van het gebruik van « agrobrandstoffen » de niet-gouvernementele organisaties die strijden tegen de honger in de wereld, ertoe zal brengen meer financiële hulp te vragen. 4 -B- B.
- Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat bij het Hof een vordering tot schorsing is ingediend die in hoofdzaak betrekking heeft op artikel 4 van de wet van 22 juli 2009 « houdende verplichting tot bijmenging van biobrandstof in de tot verbruik uitgeslagen fossiele motorbrandstoffen », dat bepaalt : « §
- Elke geregistreerde aardoliemaatschappij die benzineproducten en/of dieselproducten uitslaat tot verbruik, is verplicht in hetzelfde kalenderjaar eveneens een hoeveelheid duurzame biobrandstoffen in verbruik te stellen, als volgt : - FAME ten belope van minstens 4 v/v % van de tot verbruik uitgeslagen hoeveelheid dieselproducten; - bio-ethanol, zuiver of in de vorm van bio-ETBE, ten belope van minstens 4 v/v % van de tot verbruik uitgeslagen hoeveelheid benzineproducten. §
- De verplichting bedoeld in § 1 rust niet op de hoeveelheden benzineproducten en/of dieselproducten die een geregistreerde aardoliemaatschappij in verbruik stelt vanuit de verplichte voorraden bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 26 januari 2006 betreffende de aanhouding van een verplichte voorraad aardolie en aardolieproducten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze voorraad en tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop, in zoverre deze verplichte voorraden die onvermengd met biobrandstoffen door APETRA in volle eigendom worden aangehouden en beheerd, in verbruik worden gesteld bij de eerste verwerving door een koper zonder een accijnsnummer ». B.
- Luidens artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 kan slechts tot schorsing van een wetsbepaling worden besloten als ernstige middelen worden aangevoerd en op voorwaarde dat de onmiddellijke uitvoering van die bepaling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Daar die twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat aan één daarvan niet is voldaan, tot de verwerping van de vordering tot schorsing. B.
- De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken ten behoeve van de verzoeker te voorkomen dat een ernstig nadeel, dat door het effect van een eventuele vernietiging niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld, voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van die bepaling. 5 B.
- In de veronderstelling dat het te dezen aangevoerde risico van een nadeel bestaat, is dat risico van financiële of morele aard. Het loutere risico van een financieel verlies vormt in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel (zie arrest nr. 60/92 van 8 oktober 1992, B.3.2; arrest nr. 28/96 van 30 april 1996; arrest nr. 169/2006 van 8 november 2006, B.16.1). De verzoeker voert niet aan dat het te dezen aangevoerde eventuele financiële nadeel zijn solvabiliteit in het gedrang kan brengen. Het aangevoerde morele nadeel zou te dezen verdwijnen indien het Hof, na onderzoek van het beroep tot vernietiging, de bestreden bepaling zou vernietigen, zodat dat nadeel niet moeilijk te herstellen is. B.
- Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient geen uitspraak te worden gedaan over de ernst van de middelen. Het Hof zal die onderzoeken wanneer het uitspraak doet over het beroep tot vernietiging. 6 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 23 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div