← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.007 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100204.3 Arrest- Rolnummer: 7/2010 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-02 08:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, ingesteld door de nv « WIMI ». Fiscaal recht - Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - Belasting op automatische ontspanningstoestellen - Heffingsgrondslag - Opstellen van een verboden kansspel - Wijziging van de wetgeving - Terugwerkende kracht - Rechtszekerheid. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 19-12-2008 - 96 - 40 ELI link Pub nr 2008036457 Tekst van de beslissing Rolnummer 4672 Arrest nr. 7/2010 van 4 februari 2010 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, ingesteld door de nv « WIMI ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 april 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 april 2009, heeft de nv « WIMI », met maatschappelijke zetel te 9451 Haaltert, Wijngaardstraat 36, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008). De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 januari 2010 : - zijn verschenen : . Mr. S. De Raedt loco Mr. A. Doolaege, advocaten bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de feiten A.

  1. De verzoekende partij is een onderneming die automatische ontspanningstoestellen verhuurt aan horecazaken. Voor het aanslagjaar 2001 vorderde de fiscale administratie op grond van de artikelen 91 en 92 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna : WIGB) een aanslag van ambtswege van 4 957,87 euro voor elk van de 57 toestellen, omdat het om « verboden kansspelen » zou gaan in de zin van artikel 3, 2, en artikel 4 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna : de Wet Kansspelen). Tijdens de bezwaarprocedure en voor de Rechtbank van eerste aanleg te Gent betwist de verzoekende partij die aanslagen van ambtswege om, onder meer, de volgende twee redenen. 3 De eerste reden betreft de kwalificatie van de automatische ontspanningstoestellen als « verboden kansspelen ». Het zou niet om kansspelen gaan, aangezien de speler geen ander voordeel kan krijgen dan het recht om maximaal vijf keer gratis verder te spelen. A fortiori zou het niet om een verboden kansspel kunnen gaan, aangezien de verzoekster over de nodige vergunningen beschikt. De tweede reden betreft het gebrek aan wettelijke grondslag voor die belasting. De artikelen 91 en 92 van het WIGB, zoals ze van toepassing waren in 2001, voorzagen immers enkel in een aanslag van ambtswege wegens het opstellen van een verboden kansspel in de zin van artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974, maar voorzagen niet in een aanslag van ambtswege wegens het opstellen van een verboden kansspel in de zin van de Wet Kansspelen. De wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel werd opgeheven met ingang van 30 december 2000, zodat er volgens de verzoekster in het aanslagjaar 2001 geen « verboden kansspelen » in de zin van de artikelen 91 en 92 van het WIGB bestonden. De artikelen 134 en 135 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) zouden volgens de verzoekster de uitkomst van die betwisting ongunstig beïnvloeden. Die bepalingen vervangen in artikel 91 van het WIGB immers, met terugwerkende kracht tot 30 december 2000, de woorden « artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974 » door de woorden « de artikelen 4, 7 en 8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ». De verzoekende partij diende een beroep tot vernietiging van die bepalingen in. Bij zijn arrest nr. 124/2008 van 1 september 2008 vernietigde het Hof de artikelen 134 en 135 van de voormelde wet wegens schending van de bevoegdheidverdelende regels. Bij artikel 21 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 werd artikel 91 van het WIGB hersteld in de redactie eraan gegeven door het vernietigde artikel 134 van de voormelde wet van 1 maart
  2. Op grond van artikel 96, tweede streepje, van hetzelfde decreet van 19 december 2008 heeft artikel 21 uitwerking met ingang van 30 december
  3. Ten aanzien van het middel A.
  4. De verzoekende partij voert een schending aan, door artikel 96, tweede streepje, van het voormelde decreet van 19 december 2008, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij is van mening dat de bestreden bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt door aan artikel 21 van hetzelfde decreet een terugwerkende kracht van meer dan zeven jaar te verlenen. Zo zouden belastingplichtigen wier belastingsschuld betrekking had op de aanslagjaren 2000 tot 2007 en reeds definitief was ontstaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet, gelijk worden behandeld ten opzichte van belastingplichtigen wier belastingsschuld betrekking had op het aanslagjaar 2008 en bijgevolg nog niet definitief was ontstaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet, terwijl de beide categorieën van belastingplichtigen zich in een verschillende situatie zouden bevinden. Die terugwerkende kracht schendt volgens de verzoekende partij het grondbeginsel van de rechtszekerheid, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording zou bestaan. Bovendien zou de inwerkingtreding met terugwerkende kracht van artikel 21 van het decreet van 19 december 2008 de afloop van de 57 door de verzoekende partij ingestelde betwistingen van de ambtshalve aanslagen ongunstig beïnvloeden en zouden de rechtscolleges worden verhinderd zich over een welbepaalde rechtsvraag in een welbepaalde zin uit te spreken. Met name zou het argument van de verzoekende partij, in elk van de 57 betwistingen aangehaald, dat de bestreden aanslagen moeten worden vernietigd wegens schending van de artikelen 91 en 92 van het WIGB vanwege het feit dat die bepalingen een aanslag van ambtswege mogelijk maken wegens het opstellen van een verboden kansspeltoestel in de zin van de wet van 24 oktober 1902, terwijl die wet reeds sinds 30 december 2000 was opgeheven, zodat de verzoekster onmogelijk een verboden kansspeltoestel in de zin van de reeds opgeheven wet van 24 oktober 1902 kan hebben opgesteld, zijn achterhaald. Immers, door de inwerkingtreding van artikel 21 van het decreet van 19 december 2008 is de verwijzing in artikel 91 van het WIGB naar de wet van 24 oktober 1992 vervangen door de thans geldende Wet Kansspelen. 4 Aangezien door de terugwerkende kracht van die bepaling de afloop van hangende rechtsgedingen wordt beïnvloed, kan die terugwerkende kracht enkel worden verantwoord door « uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang ». De verzoekende partij ziet in casu niet in waarin die uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang zouden bestaan. Volgens de verzoekende partij heeft de bestreden bepaling zelfs als enige bedoeling in te grijpen in hangende rechtsgedingen. In 2008 vermocht de fiscale administratie immers nog slechts aanslagen van ambtswege te vestigen met betrekking tot de aanslagjaren 2006 en volgende. Het voorzien in een retroactieve inwerkingtreding vanaf 30 december 2000 kan volgens de verzoekende partij dan ook enkel als bedoeling hebben in te grijpen in rechtsposities die, ondanks het verstrijken van de aanslagtermijnen, niet definitief zijn geworden doordat, zoals te dezen, een procedure hangende is. A.
  5. Volgens de Vlaamse Regering heeft de door de verzoekende partij aangeklaagde retroactiviteit een louter formeel karakter, vermits de bestreden bepaling geen nieuwe regeling invoert, maar enkel de voorheen bestaande regelgeving consolideert. Het louter formeel karakter van de grief wordt nog versterkt door de omstandigheid dat de geconsolideerde maatregel zelf evenmin enige inhoudelijke wijziging in de regeling van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen heeft aangebracht. Immers, de geconsolideerde bepaling, namelijk de eerdere wijziging in artikel 91 van het WIGB bij de wet van 1 maart 2007, bracht in die regeling slechts een legistieke correctie aan en zulks ter wille van de rechtszekerheid. Kortom, te dezen is volgens de Vlaamse Regering geen sprake van inmenging in de uitoefening van de rechtsprekende functie, laat staan van retroactiviteit als zodanig, maar uitsluitend van een wettelijke « bekrachtiging », bij decreet, van een louter wegens een externe onwettigheid vernietigde maatregel van de federale wetgever waarbij een legistieke correctie werd aangebracht. Met de bestreden bepaling wordt op generlei wijze een wijziging beoogd wat de kwalificatie van een automatisch ontspanningstoestel als « verboden kansspel » betreft. Zoals dat het geval was met de oude wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, wordt bij de Wet Kansspelen een principieel verbod op de exploitatie van kansspelen ingesteld en wordt het aan de Koning overgelaten om te bepalen in welke omstandigheden sommige kansspelen toch mogen worden geëxploiteerd. Aldus wordt niet meer beoogd dan een status quo, meer bepaald dat met de fiscale maatregel nog steeds alle handelingen die ook krachtens de strafwet worden verboden, aan een ambtshalve belastingaanslag blijven onderworpen. Vervolgens wijst de Vlaamse Regering op een legistieke regel die te dezen naar analogie kan worden toegepast. De wetgevingstechniek schrijft immers voor dat, wanneer een uitvoeringsbepaling steunt op een opgeheven wetsbepaling, die uitvoeringsbepaling haar rechtskracht behoudt in zoverre de rechtsregel waarop de uitvoering is gegrond, in de nieuwe wet is overgenomen. Ook in een wetskrachtige norm moet de verwijzing naar de opgeheven wet worden gelezen als een verwijzing naar de nieuwe wettelijke bepaling waarin de materiële rechtsregel waarnaar werd verwezen, werd overgenomen. Ten slotte verwijst de Vlaamse Regering, per analogie, naar de talrijke precedenten in de rechtspraak van het Hof waarin de redelijke verantwoording werd erkend van de wettelijke bekrachtiging van een administratieve rechtshandeling waarvan werd beweerd dat zij door een externe illegaliteit was aangetast, zelfs indien tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring aanhangig was en zelfs na de vernietiging ervan door de Raad van State (arresten nrs. 67/92, 5/94, 49/98, 95/2003, 56/2005 en 166/2008). Aan de hand van die rechtspraak is volgens de Vlaamse Regering aangetoond dat een soortgelijk procedé als datgene waarvan te dezen de grondwettigheid wordt bestreden, reeds herhaaldelijk door het Hof grondwettig werd bevonden. De Vlaamse Regering besluit dat niet genoeg kan worden benadrukt dat het gaat om een loutere « consolidatie », bij een wetskrachtige norm, van een inhoudelijk niet gewijzigde en uitsluitend wegens externe illegaliteit vernietigde wetskrachtige bepaling die op haar beurt evenmin enige inhoudelijke wijziging impliceerde en zulks zonder dat werd teruggekomen op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen. A.
  6. De verzoekende partij betwist dat de bestreden bepaling geen inhoudelijke wijziging in de voorheen bestaande regelgeving zou hebben aangebracht. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden decreetsbepaling, stelden de artikelen 91 en 92 van het WIGB het opstellen van een verboden kansspel belastbaar en werd, wat de definitie van een verboden kansspel betreft, verwezen naar de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel. Na de inwerkingtreding van de bestreden decreetsbepaling, wordt het opstellen van een verboden kansspel in de zin van de Wet Kansspelen belastbaar gesteld. Bijgevolg is het antwoord op de vraag of een verboden kansspel in de zin van de wet van 24 oktober 1902 hetzelfde is als een verboden kansspel in de zin van de Wet Kansspelen doorslaggevend. Volgens de verzoekende partij verschillen beide wetten fundamenteel van elkaar. In dat verband 5 verwijst zij naar de omzendbrief nr. COL 8/2004 van het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep van 12 oktober 2004, naar de parlementaire voorbereiding van de Wet Kansspelen en naar de rechtsleer. Daaruit besluit de verzoekende partij dat een verboden kansspel in de zin van de wet van 24 oktober 1902 niet hetzelfde is als een verboden kansspel in de zin van de Wet Kansspelen. Wat de verwijzing door de Vlaamse Regering betreft naar de wetgevingstechniek in zake de rechtskracht van een uitvoeringsbepaling die op een opgeheven bepaling steunt - techniek die volgens de Vlaamse Regering te dezen bij analogie zou kunnen worden toegepast – is de verzoekende partij van oordeel dat die techniek te dezen niet relevant is. Allereerst kunnen de artikelen 91 en 92 van het WIGB, die wetgevende akten zijn, geenszins als uitvoeringsbepalingen van wetgevende akten worden beschouwd. Bovendien is de wet van 24 oktober 1902 opgeheven. Door die opheffing kunnen de rechtsgevolgen van die wet niet meer worden gehecht aan de na de opheffing voorgevallen feiten. Zulks betekent volgens de verzoekende partij dat na de opheffing van die wet geen toestellen meer kunnen bestaan waarvan de exploitatie op grond van de wet van 24 oktober 1902 is verboden. Wat de door de Vlaamse Regering aangehaalde rechtspraak van het Hof inzake de wettelijke bekrachtiging van een administratieve rechtshandeling betreft, betoogt de verzoekende partij dat die rechtspraak te dezen niet relevant is. Deze zaak heeft immers geen betrekking op een administratieve rechtshandeling; er is a fortiori geen sprake van een besluit dat door een externe illegaliteit is aangetast. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
  7. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, dat bepaalt : « Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2009, met uitzondering van : […] - artikel 21, dat uitwerking heeft met ingang van 30 december 2000; […] ». Het niet bestreden artikel 21 luidt : « In artikel 91 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen worden de woorden ‘ artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974 ’ vervangen door de woorden ‘ de artikelen 4, 7 en 8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ’ ». 6 Ten aanzien van het wettelijke kader B.2.
  8. Artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974, (hierna : de oude wet betreffende het spel) verbood in beginsel het opstellen en uitbaten van elk kansspel, tenzij die welke door of krachtens die bepaling limitatief werden opgesomd. B.2.
  9. De oude wet betreffende het spel werd opgeheven door artikel 72 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna : de Wet Kansspelen). Krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C, trad die opheffing in werking op 30 december
  10. Met ingang van die datum bepalen de artikelen 4, 7 en 8 van de Wet Kansspelen welke kansspelen verboden zijn. Die artikelen luiden als volgt : « Art.
  11. Het is verboden, onder welke vorm, op welke plaats en op welke rechtstreekse of onrechtstreekse manier ook, één of meer kansspelen of kansspelinrichtingen te exploiteren tenzij die overeenkomstig deze wet zijn toegestaan. Niemand mag zonder voorafgaande vergunning van de kansspelcommissie een of meer kansspelen of kansspelinrichtingen exploiteren ». « Art.
  12. De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit per klasse van kansspelinrichting de lijst van kansspelen en het aantal kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan onder de voorwaarden van deze wet. De kansspelcommissie geeft hiervoor een advies binnen een termijn van drie maanden. Art.
  13. De Koning bepaalt voor elk kansspel geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse II en III per speelkans het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers en gokkers. Hij kan tevens het maximumbedrag bepalen dat een speler of gokker mag verliezen per door Hem vastgestelde speelduur. In de kansspelinrichtingen klasse II zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler of gokker gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 25 euro. In de kansspelinrichtingen klasse III zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler of gokker gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 12,50 euro. 7 De Koning kan zulks ook bepalen voor kansspelen geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse I. Het is steeds verboden om twee of verschillende apparaten op elkaar aan te sluiten met het oog op het toekennen van één prijs ». B.2.
  14. Ingevolge die bepalingen is een limitatieve lijst van de toegelaten kansspelen opgenomen in het koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I, in het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de lijst van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 april 2004 met hetzelfde opschrift, en in het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III, vervangen bij het koninklijk besluit van 2 maart 2004 met hetzelfde opschrift. Elk kansspel dat niet in die koninklijke besluiten wordt vermeld, is een verboden kansspel in de zin van de artikelen 4, 7 en 8 van de Wet Kansspelen. B.
  15. De artikelen 91 en 92 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna : WIGB) bestraffen het opstellen van een verboden kansspel middels een aanslag van ambtswege. Vooraleer zij werden gewijzigd bij de artikelen 134 en 135 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), luidden die artikelen als volgt : « Art.
  16. De bepalingen van titel IV, met uitzondering van de artikelen 76, 80, § 2, 87, 88 en 93 zijn niet van toepassing op de automatische kansspeltoestellen waarvan de exploitatie is verboden krachtens artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november
  17. Art.
  18. Het opstellen van een in artikel 91 bedoeld toestel opgesteld in de bij artikel 76, § 1, omschreven plaatsen, geeft aanleiding tot een aanslag van ambtswege van 5 000 EUR ten name van de eigenaar van het toestel of, indien de eigenaar niet gekend is, ten name van de persoon die toestemming verleende om het toestel in de gezegde plaatsen op te stellen. De eigenaar alsmede de persoon die toestemde in de opstelling van het toestel zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de aldus gevestigde belasting en van de bijhorigheden. 8 De ambtshalve gevestigde belasting is onmiddellijk te betalen. Zij kan worden gevestigd in een termijn van drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor zij verschuldigd is ». B.4.
  19. Na de vervanging van de oude wet betreffende het spel door de Wet Kansspelen, bleef in artikel 91 van het WIGB de verwijzing naar artikel 1 van de oude wet betreffende het spel behouden. B.4.
  20. Artikel 134 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) had als doel de tekst van artikel 91 van het WIGB in overeenstemming te brengen met de nieuwe wetgeving op de kansspelen. Die bepaling luidde als volgt : « In artikel 91 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen worden de woorden ‘ artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974 ’ vervangen door de woorden ‘ de artikelen 4, 7 en 8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ’ ». B.4.
  21. Artikel 135 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) bepaalde dat artikel 134 uitwerking heeft met ingang van 30 december
  22. De parlementaire voorbereiding verklaart die terugwerkende kracht door te verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van de Wet Kansspelen (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 178). B.
  23. De verzoekende partij diende een beroep tot vernietiging van die bepalingen in. Bij zijn arrest nr. 124/2008 van 1 september 2008 vernietigde het Hof de artikelen 134 en 135 van de voormelde wet wegens schending van de bevoegdheidverdelende regels. B.
  24. Bij artikel 21 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 werd artikel 91 van het WIGB hersteld in de redactie eraan gegeven door het vernietigde artikel 134 van de voormelde wet van 1 maart
  25. Op grond van artikel 96, tweede streepje, van hetzelfde decreet van 19 december 2008 - de thans bestreden bepaling - heeft artikel 21 uitwerking met ingang van 30 december
  26. 9 Ten gronde B.
  27. De verzoekende partij voert een schending aan, door artikel 96, tweede streepje, van het decreet van 19 december 2008, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De bestreden bepaling zou het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden door aan artikel 21 van hetzelfde decreet, met ingang van 30 december 2000, terugwerkende kracht te verlenen. Zo zouden belastingplichtigen wier belastingsschuld betrekking had op de aanslagjaren 2000 tot 2007 en reeds definitief was ontstaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet, gelijk worden behandeld ten opzichte van belastingplichtigen wier belastingsschuld betrekking had op het aanslagjaar 2008 en bijgevolg nog niet definitief was ontstaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet, terwijl de beide categorieën van belastingplichtigen zich in een verschillende situatie zouden bevinden. Die terugwerkende kracht zou volgens de verzoekende partij het grondbeginsel van de rechtszekerheid schenden. Bovendien zou die terugwerkende kracht de afloop van de 57 door de verzoekende partij ingestelde betwistingen van de ambtshalve aanslagen ongunstig beïnvloeden en zouden de rechtscolleges worden verhinderd zich over een welbepaalde rechtsvraag in een welbepaalde zin uit te spreken. B.
  28. Artikel 21 van het decreet van 19 december 2008 vervangt in artikel 91 van het WIGB de verwijzing naar artikel 1 van de oude wet betreffende het spel door een verwijzing naar de artikelen 4, 7 en 8 van de Wet Kansspelen, die aan de Koning opdragen om limitatief te bepalen welke kansspelen zijn toegelaten. Aldus past het voormelde artikel 21 de heffingsgrondslag van de in artikel 92 van het WIGB bedoelde heffing van ambtswege voor het opstellen van een verboden kansspel aan, aan de gewijzigde wetgeving inzake kansspelen. B.
  29. De bestreden bepaling doet het voormelde artikel 21 retroactief in werking treden op 30 december 2000 en beïnvloedt aldus de 57 geschillen tussen de verzoekende partij en de fiscale administratie betreffende het aanslagjaar 2001, waarin de verzoekende partij telkens een aanslag van ambtswege wegens het opstellen van een verboden kansspel betwistte. In elk van die zaken argumenteerde de verzoekende partij dat er, gelet op het fiscaal wettigheidsbeginsel, voor het aanslagjaar 2001 geen verboden kansspelen konden zijn, omdat 10 artikel 91 van het WIGB toen voor de definitie van een verboden kansspel naar een opgeheven wet verwees. De retroactieve aanpassing van artikel 91 van het WIGB heeft als gevolg dat dit argument achterhaald is, en grijpt bijgevolg rechtstreeks in in de 57 procedures waarin de verzoekende partij betrokken is. B.10.
  30. De terugwerkende kracht van een wettelijke bepaling kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot doel heeft de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een bepaalde zin te beïnvloeden of de rechtscolleges te verhinderen zich uit te spreken over een rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de bevoegde wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. B.10.
  31. Aangezien de bestreden bepaling hangende rechtsgedingen beïnvloedt, moet het Hof onderzoeken of de terugwerkende kracht waarin die bepaling voorziet, is verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang. B.
  32. In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet : « Artikel 135 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) bepaalt dat artikel 134 uitwerking heeft met ingang van 30 december
  33. De parlementaire voorbereiding verklaart die terugwerkende kracht door te verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van de Wet Kansspelen (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 178). Aangezien artikel 91 van het WIGB sinds 1 januari 1989 tot de bevoegdheden van de gewesten behoort en enkel de gewesten bevoegd zijn om in die bepaling legistieke correcties aan te brengen, alsook om de inwerkingtreding hiervan te bepalen, vernietigt het Grondwettelijk Hof de artikelen 134 en 135 van de wet van 1 maart
  34. Door deze vernietiging bevat artikel 91 van het WIGB opnieuw de verwijzing naar artikel 1 van de opgeheven oude wet betreffende het spel. Tegelijkertijd vervalt hiermee de mogelijkheid om het opstellen van een verboden kansspel te bestraffen middels een aanslag van ambtswege. 11 De voorgestelde wijziging remedieert deze vernietiging door terug te verwijzen naar de nieuwe wet van 7 mei 1999 en komt tegemoet aan de bemerkingen van het Grondwettelijk Hof. Dit artikel herneemt het doel van artikel 134 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III). Hierdoor wordt artikel 91 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WIGB) in overeenstemming gebracht met de nieuwe wetgeving op de kansspelen (wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, B.S. 30 december 1999). De datum van inwerkingtreding, op 30 december 2000, stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van de artikelen 4, 7 en 8 van de voormelde wet overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 1894/1, pp. 6-7; zie ook : ibid., nr. 1894/6, pp. 5-6). B.
  35. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever, door het voormelde artikel 21 aan te nemen, beoogde een bevoegdheidsoverschrijding te verhelpen die door de federale wetgever werd begaan, en die het Hof in zijn arrest nr. 124/2008 van 1 september 2008 heeft vastgesteld. Ten gevolge van de vernietiging die in dat arrest werd uitgesproken, bevatte artikel 91 van het WIGB opnieuw de verwijzing naar de opgeheven wet van 24 oktober 1902, in plaats van de Wet Kansspelen van 7 mei
  36. Om die situatie te verhelpen, heeft de decreetgever de datum van uitwerking van het voormelde artikel 21 op 30 december 2000 vastgesteld, datum die overeenstemt met de datum van inwerkingtreding van die wet. De bestreden maatregel doet evenmin rechtsonzekerheid ontstaan en past eveneens in het kader van de zorg voor een coherente regelgeving. B.
  37. Om die redenen wordt de terugwerkende kracht waarin de bestreden bepaling voorziet, door dwingende motieven van algemeen belang verantwoord. De toetsing aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, gesteld dat het van toepassing zou zijn, leidt niet tot een andere conclusie. B.
  38. Het middel is niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 februari
  39. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.