← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.011

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.011 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100218.1 Arrest- Rolnummer: 11/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Verhaalbaarheid Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 128 van het Wetboek van strafvordering, zoals aangevuld bij artikel 8 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat - Op gang brengen van de strafvordering door een burgerlijkepartijstelling - Buitenvervolgingstelling - Verhaalbaarheid ten laste van de burgerlijke partij. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 128 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 128,L2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 21-04-2007 - 8 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Tekst van de beslissing Rolnummer 4654 Arrest nr. 11/2010 van 18 februari 2010 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 128 van het Wetboek van strafvordering, zoals aangevuld bij artikel 8 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij beschikking van 16 februari 2009 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen D.D. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 maart 2009, heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, niet de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie bepaald in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het ertoe verplicht de burgerlijke partij te veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan alle inverdenkingestelden die worden bijgestaan door een raadsman en een buitenvervolgingstelling genieten, zonder een onderscheid te maken tussen de fundamenteel verschillende gevallen waarbij : - de raadkamer een buitenvervolgingstelling uitspreekt omdat tegen de inverdenkinggestelde die persoonlijk door de burgerlijke partij in het geding is gesteld, geen of onvoldoende bezwaren bestaan; - de raadkamer een buitenvervolgingstelling uitspreekt omdat tegen een inverdenkinggestelde die alleen door het openbaar ministerie, ten onrechte, in het geding is gesteld, terwijl de burgerlijke partij daarvan zou hebben afgezien maar zich daartegen niet kan verzetten, geen of onvoldoende bezwaren bestaan; - de raadkamer een buitenvervolgingstelling uitspreekt omdat zij vaststelt dat de strafvordering is verjaard, terwijl zij niet kan nagaan of er toch voldoende bezwaren bestaan op basis waarvan de vordering gegrond had kunnen worden verklaard indien die niet was verjaard, hetgeen ertoe leidt de burgerlijke partij automatisch te veroordelen die op rechtsgeldige wijze een vordering heeft ingesteld die alleen door het niet optreden van het openbaar ministerie tot verjaring wordt gebracht, zonder dat die burgerlijke partij wordt gehoord over de eventuele gegrondheid van haar vordering; - de raadkamer een buitenvervolgingstelling uitspreekt ten aanzien van een inverdenkinggestelde die alleen het openbaar ministerie per vergissing heeft gedagvaard, waardoor de burgerlijke partij automatisch wordt veroordeeld voor een vergissing die zij niet heeft begaan ? Is er geen niet te verantwoorden en discriminerende ongelijkheid van behandeling tussen : - enerzijds, de burgerlijke partij die de identiteit kent van de vermoedelijke dader(

  1. s)van het misdrijf tegen wie zij een strafzaak op gang brengt, en die instaat voor de gevolgen van haar eigen beslissing in het kader van de procedure die zij kiest om tegen die vermoedelijke dader(
  2. s)in te stellen, en - anderzijds, de burgerlijke partij die de identiteit niet kent van de vermoedelijke dader(
  3. s)van dat misdrijf en die, aangezien zij niet anders kan dan een strafzaak op gang te brengen 3 tegen X, moet instaan voor de gevolgen van beslissingen – of de ontstentenis van beslissingen en/of vergissingen – buiten haar om, in het kader van een procedure waarop zij geen vat heeft, aangezien de strafvordering op onafhankelijke wijze alleen door het openbaar ministerie wordt uitgeoefend ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 2 december 2009 : - is verschenen : Mr. F. Tulkens, tevens loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 18 december 2000 dient een mevrouw, bij een onderzoeksrechter, tegen onbekenden een klacht met burgerlijkepartijstelling in wegens als diefstal en heling omschreven feiten. Met het oog op de regeling van de rechtspleging verzoekt de procureur des Konings te Bergen bij vordering van 10 juli 2008 de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg twaalf personen naar de correctionele rechtbank te verwijzen. Acht onder hen worden bijgestaan door een advocaat. De raadkamer stelt, ten aanzien van zeven van die inverdenkinggestelden, vast dat de strafvordering is verjaard, zodat zij niet bevoegd is om na te gaan of er tegen hen voldoende bezwaren bestaan om zich over de tegen hen gerichte burgerlijke vordering uit te spreken. Ten aanzien van de achtste inverdenkinggestelde die door een advocaat wordt bijgestaan, merkt de raadkamer op dat die persoon als gevolg van een vergissing betreffende zijn identiteit tijdens het opstellen van de vordering van de procureur des Konings in dat document staat vermeld en wordt verzocht te verschijnen, zodat ook te zijnen aanzien de buitenvervolgingstelling moet worden bevolen. Alvorens uitspraak te doen over de veroordeling van de burgerlijke partij die de strafvordering op gang heeft gebracht tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, stelt de raadkamer aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad onderstreept in de eerste plaats dat, rekening houdend met het doel van artikel 128 van het Wetboek van strafvordering, de prejudiciële vragen alleen betrekking hebben op de hypothese van een gerechtelijk onderzoek geopend door middel van een burgerlijkepartijstelling voor een onderzoeksrechter. 4 Daarnaast is hij van mening dat in de prejudiciële vragen wordt verzocht om een onderscheid te maken tussen twee soorten voorbeeldgevallen die elk een verschillend onderzoek en specifieke antwoorden behoeven. A.2. De Ministerraad onderzoekt eerst de twee situaties die in de tweede prejudiciële vraag worden onderscheiden en voert aan dat het verantwoord is die op dezelfde manier te regelen. Volgens hem verantwoordt het gegeven dat de persoon die zich burgerlijke partij stelt zonder de vermoedelijke daders van het aangeklaagde misdrijf aan te wijzen, op dat ogenblik niet weet hoeveel personen in verdenking zullen worden gesteld tijdens de onderzoeksprocedure, waarop hij geen vat heeft, geen uitzondering op de regel volgens welke de burgerlijke partij ertoe gehouden is een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan alle inverdenkinggestelden die een buitenvervolgingstelling genieten. Hij voert in de eerste plaats aan dat de burgerlijkepartijstelling waarbij de naam van inverdenkinggestelden wordt vermeld, zich niet fundamenteel onderscheidt van die waarbij geen namen worden vermeld. In beide gevallen is het de burgerlijke partij die het initiatief voor het op gang brengen van de strafvordering neemt en wordt de zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakt in rem (en niet in personam), zodat, zelfs indien de burgerlijkepartijstelling gepaard gaat met het aanwijzen van vermoedelijke daders, het aantal inverdenkinggestelden onbepaald blijft op het ogenblik dat het gerechtelijk onderzoek wordt geopend, vermits de onderzoeksmagistraat in alle gevallen ertoe gehouden is alle personen in verdenking te stellen die het onderzoek zou aanwijzen als dader, mededader of medeplichtige van de aangeklaagde misdrijven. Hij dringt erop aan dat, in beide voorbeeldgevallen, de burgerlijke partij aan de oorsprong ligt van de strafprocedure gericht tegen de beklaagden die de kosten voor de verdediging moeten dragen. De Ministerraad onderstreept dat die hypothesen zich onderscheiden van die van het op gang brengen van de strafvordering door het openbaar ministerie, gevolgd door een burgerlijkepartijstelling. In dat opzicht merkt hij op dat het Hof het feit dat het openbaar ministerie niet ertoe gehouden is aan de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde een rechtsplegingsvergoeding te betalen, reeds herhaaldelijk en onder meer in het arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 grondwettig heeft bevonden. De Ministerraad voert vervolgens aan dat de regel vervat in artikel 1022, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek het mogelijk maakt de onvoorzienbaarheid te beperken in verband met het bedrag van de verschuldigde rechtsplegingsvergoedingen in geval van meerdere inverdenkinggestelden, meer bepaald wanneer hun aantal niet bekend is op het ogenblik van de burgerlijkepartijstelling. De begrenzing van de verschuldigde bedragen en het forfaitaire karakter van de rechtsplegingsvergoeding zouden aldus voorkomen dat de toegang tot de rechter wordt belemmerd en dat onbillijke situaties worden gecreëerd wanneer het aantal partijen aanwezig « aan elke kant van de balie » niet evenwichtig is. Hij voegt eraan toe dat de bevoegdheid die artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechter verleent om de rechtsplegingsvergoeding onder meer wegens « de complexiteit van de zaak » of « het kennelijk onredelijke karakter van de situatie » te verminderen, het ook mogelijk maakt onvoorzienbare, onbillijke en onevenredige situaties te voorkomen of te corrigeren. De Ministerraad voert ten slotte aan dat, indien wordt voorzien in een ander systeem, dat gunstiger is voor de persoon die zich burgerlijke partij stelt zonder vermoedelijke dader aan te wijzen, dit als neveneffect zou kunnen hebben dat de burgerlijkepartijstellingen worden aangemoedigd, ten koste van het zoeken naar de waarheid en van de goede werking van het gerecht. Hij preciseert dat een ander systeem ertoe zou kunnen aanzetten valse « klachten tegen X » in te dienen teneinde een geïdentificeerde vermoedelijke dader, die door de burgerlijke partij evenwel als onbekend wordt voorgesteld, te beletten de toegang tot het strafdossier aan te vragen. A.3.1. De Ministerraad onderzoekt vervolgens de situaties die worden beschreven in de laatste drie streepjes van de eerste prejudiciële vraag en merkt op dat al die situaties betrekking hebben op een buitenvervolgingstelling die niet toe te rekenen is aan de burgerlijke partij die ertoe gehouden is de rechtsplegingsvergoeding te betalen. A.3.2. Hij herinnert in de eerste plaats eraan dat het slachtoffer van een misdrijf dat klacht indient, niet ertoe gehouden is zich tegelijk burgerlijke partij te stellen, en dat een klacht zonder simultane burgerlijkepartijstelling hem nooit ertoe zal verplichten de rechtsplegingsvergoeding te betalen. Hij merkt op dat, rekening houdend met het mogelijke gevolg ervan - het automatisch op gang brengen van een nog niet ingestelde strafvordering -, een burgerlijkepartijstelling een handeling moet zijn die op ernstige motieven steunt en die op voorzichtige wijze moet worden gesteld. Hij is van mening dat de burgerlijke partij, die aan de oorsprong ligt 5 van de strafvervolgingen gericht tegen de inverdenkinggestelden, de gevolgen van die handeling moet dragen en het bekende en voorzienbare risico moet ondergaan van een eventuele veroordeling tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. De Ministerraad preciseert ook dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwijzingsbeslissing laat uitschijnen, de persoon die zich bij een onderzoeksrechter burgerlijke partij heeft gesteld, zonder de vermoedelijke dader van het aangeklaagde misdrijf te identificeren, in zekere mate vat heeft op de aldus ingestelde procedure, in het bijzonder ten aanzien van de identiteit van de personen op wie de vorderingen van de procureur des Konings met het oog op de regeling van de rechtspleging door de raadkamer, betrekking hebben. In dat verband merkt hij in de eerste plaats op dat de burgerlijke partij, zowel tijdens het gerechtelijk onderzoek als bij het afsluiten ervan, op grond van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, van het Wetboek van strafvordering aan de onderzoeksrechter kan vragen een aanvullende onderzoekshandeling te stellen; in de tweede plaats kan de burgerlijke partij zich tijdens het gerechtelijk onderzoek bijkomend burgerlijke partij stellen tegen personen die niet in haar oorspronkelijke klacht zijn aangewezen; ten derde kan de burgerlijke partij, met het oog op de regeling van de rechtspleging, voor de raadkamer conclusies indienen tot wijziging van haar burgerlijkepartijstelling, zodat zij niet ertoe gehouden is het eens te zijn met de keuze van de personen op wie de vorderingen van de procureur des Konings betrekking hebben en zodat zij haar burgerlijkepartijstelling moet rechtzetten wanneer zij van mening is dat die vorderingen met het oog op de verwijzing naar een rechtbank verkeerdelijk betrekking hebben op bepaalde personen. A.3.3. Wat het geval betreft van een beschikking tot buitenvervolgingstelling uitgesproken als gevolg van een vergissing betreffende de persoon of doordat geen of onvoldoende bezwaren bestaan tegen een inverdenkinggestelde op wie zowel de burgerlijkepartijstelling als de vorderingen van de procureur des Konings die niet door de burgerlijke partij worden tegengesproken, betrekking hebben, acht de Ministerraad het redelijk dat die laatste kan worden veroordeeld tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding. Hij is daarentegen van mening dat indien, in die omstandigheden, de burgerlijkepartijstelling noch de latere conclusies ervan betrekking hebben op de inverdenkinggestelde, die vergoeding niet verschuldigd is, daar ervan moet worden uitgegaan dat de strafvordering niet op gang is gebracht door de burgerlijke partij, maar uitsluitend door het openbaar ministerie. A.3.4. Wat het geval betreft van een beschikking tot buitenvervolgingstelling uitgesproken wegens de verjaring van de strafvordering, die niet bestond op het ogenblik van de burgerlijkepartijstelling en die uitsluitend is veroorzaakt door het niet optreden van het openbaar ministerie, voert de Ministerraad aan dat de veroordeling van de burgerlijke partij tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding niet verantwoord is en dat de wet daar trouwens niet in voorziet. In hoofdorde merkt hij op dat de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepaling in die zin interpreteert dat zij onder meer de gevallen beoogt waarin de raadkamer, bij de regeling van de rechtspleging, de verjaring van de strafvordering vaststelt. Uit de bewoordingen van het eerste lid van artikel 128 van het Wetboek van strafvordering leidt hij evenwel af dat het tweede lid - dat voorziet in de veroordeling van de burgerlijke partij tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding - niet van toepassing is op dat voorbeeldgeval, zodat de prejudiciële vraag in dat opzicht zonder voorwerp is. De Ministerraad preciseert dat, wanneer de strafvordering verjaard is, de vervolgingen vervallen of onontvankelijk zijn en er dus geen reden meer is tot vervolging. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien de in het geding zijnde bepaling ondanks de bewoordingen ervan in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij het geval van de verjaring van de strafvordering beoogt, de wetgever de in het tweede lid opgenomen regel daarom nog niet heeft willen toepassen op de hypothese van een verjaring die uitsluitend voortvloeit uit het niet optreden van het openbaar ministerie. Hij verklaart dat, gelet op het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, erkend in de Grondwet en in internationaalrechtelijke bepalingen, artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet van toepassing is op het geval van de buitenvervolgingstelling uitgesproken wegens de verjaring van de strafvordering die niet verjaard was bij de burgerlijkepartijstelling. Hij legt uit dat het niet verantwoord zou zijn dat de burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding moet betalen wanneer de buitenvervolgingstelling uitsluitend voortvloeit uit het niet optreden van het openbaar ministerie. Hij voegt eraan toe dat een buitenvervolgingstelling die steunt op de verjaring van de strafvordering de burgerlijke partij niet het recht ontneemt om later een burgerlijke vordering voor de burgerlijke rechter in te stellen en dat niet zou kunnen worden verantwoord dat die burgerlijke partij voor die rechter in het gelijk wordt gesteld na te zijn veroordeeld tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding. 6 -B- B.1. Artikel 128 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 24 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, en aangevuld bij artikel 8 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt : « Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging. In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggestelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ». Die vergoeding is « een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij » (artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007). B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering - ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 21 april 2007 - met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de in het geding zijnde bepaling meerdere categorieën van burgerlijke partijen die door een klacht met burgerlijkepartijstelling een strafvordering op gang hebben gebracht, op dezelfde manier zou behandelen. De eerste beoogde identieke behandeling betreft, enerzijds, de burgerlijke partij die in haar klacht de dader van het misdrijf aanwijst en, anderzijds, de burgerlijke partij die de identiteit van die dader niet kent. 7 De tweede aangeklaagde identieke behandeling betreft, enerzijds, de burgerlijke partij die in haar klacht als dader van het aangeklaagde misdrijf de inverdenkinggestelde had aangewezen die een buitenvervolgingstelling geniet omdat tegen hem geen of onvoldoende bezwaren bestaan en, anderzijds, de burgerlijke partij die in haar klacht niet de inverdenkinggestelde had aangewezen die een buitenvervolgingstelling geniet wegens de verjaring van de strafvordering die uitsluitend toe te schrijven is aan het niet optreden van de procureur des Konings. De derde aan het Hof voorgelegde identieke behandeling betreft, enerzijds, de burgerlijke partij die in haar klacht als dader van het aangeklaagde misdrijf de inverdenkinggestelde had aangewezen die een buitenvervolgingstelling geniet omdat tegen hem geen of onvoldoende bezwaren bestaan en, anderzijds, de burgerlijke partij die in haar klacht niet de inverdenkinggestelde had aangewezen die een buitenvervolgingstelling geniet omdat zijn inverdenkingstelling door de vorderingen van de procureur des Konings voortvloeit uit een vergissing die hij met betrekking tot de inverdenkinggestelde heeft begaan. Die categorieën van burgerlijke partijen zijn, met toepassing van de in het geding zijnde bepaling, de bij artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. B.3. De rechtsplegingsvergoeding waarvan sprake is in de in het geding zijnde bepaling, heeft alleen betrekking op de burgerlijke vordering, namelijk de vordering voor het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 1684/4, pp. 5 en 8; ibid., nr. 1686/5, p. 32; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, pp. 5-6). Die vergoeding is, zoals in B.1 is vermeld, verschuldigd aan de partij die in het gelijk wordt gesteld. De maatregel opgenomen in de in het geding zijnde bepaling strekt dus ertoe ten laste van diegene die een dergelijke vordering heeft ingesteld - door een burgerlijkepartijstelling bij een onderzoeksrechter - alle of een deel van de kosten en erelonen van de advocaat te leggen die een persoon moet betalen die in verdenking is gesteld in het kader van de strafvordering - op gang gebracht door die burgerlijkepartijstelling - en die de raadkamer, bij de regeling van de rechtspleging, meent niet te moeten verwijzen naar een rechtbank voor het misdrijf dat de grond van zowel de burgerlijke vordering als de strafvordering vormt. 8 B.4. De drie in B.2 beschreven identieke behandelingen worden samen onderzocht. B.5. Iedere persoon ten aanzien van wie de strafvordering is ingesteld, geniet in het kader van het gerechtelijk onderzoek dezelfde rechten als de inverdenkinggestelde (artikel 61bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 12 maart 1998). Een persoon die, zoals diegenen die behoren tot de tweede categorie van de derde in B.2 beschreven identieke behandeling, niet in verdenking is gesteld door de onderzoeksrechter, maar het voorwerp uitmaakt van een tenlastelegging door de vorderingen van de procureur des Konings met het oog op de regeling van de rechtspleging, geniet bijgevolg het recht dat de in het geding zijnde bepaling aan de inverdenkinggestelde toekent. B.6.1. Naar het voorbeeld van de inverdenkinggestelde die wordt aangewezen door een klacht met burgerlijkepartijstelling die de strafvordering op gang brengt, zijn zowel de inverdenkinggestelde als de persoon ten aanzien van wie de strafvordering is ingesteld in het kader van het gerechtelijk onderzoek, die niet door een dergelijke klacht worden aangewezen, de verwerende partijen in de burgerlijke vordering die door die klacht wordt ingesteld. B.6.2. De in B.2 beschreven categorieën hebben gemeen dat zij betrekking hebben op het op gang brengen van de strafvordering door een burgerlijkepartijstelling. B.7. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een geheel van maatregelen die beantwoorden aan de zorg « dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van schade voor een burgerlijke dan wel een strafrechtelijke rechtbank, gelijk zou behandelen » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 1684/4, pp. 5 en 8; ibid., nr. 1686/5, p. 32; Parl. St., Kamer, 2006- 2007, DOC 51-2891/002, p. 5). De veroordeling voorgeschreven bij de in het geding zijnde bepaling is verantwoord door het gegeven dat de burgerlijke partij « de strafvordering zelf - maar zonder succes - op gang heeft gebracht » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 1684/4, pp. 5 en 9; ibid., nr. 1686/5, p. 33; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 6). B.8. Doordat de burgerlijke partij de strafvordering op gang heeft gebracht, heeft zij de inverdenkinggestelde ertoe gedwongen of kan zij hem ertoe hebben gedwongen zijn verweer 9 te organiseren gedurende een hele procedure die niet, zoals dat het geval is wanneer de strafvordering op gang is gebracht door het openbaar ministerie, is aangevat om het belang van de maatschappij te verdedigen, maar om een persoonlijk belang te verdedigen. In die omstandigheden volstaan de wil om de persoon die zich bij de onderzoeksrechter burgerlijke partij stelt, op dezelfde wijze te behandelen als de persoon die zijn burgerlijke vordering voor een burgerlijk rechtscollege brengt, en de omstandigheid dat de eerstgenoemde persoon ook de strafvordering op gang brengt, om redelijk te verantwoorden dat die burgerlijke partij ertoe wordt veroordeeld alle of een deel van de advocatenkosten te dragen die de verweerder in de burgerlijke vordering voor een strafrechtelijk rechtscollege moet betalen wanneer die een buitenvervolgingstelling geniet wegens de verjaring van de strafvordering die toe te schrijven is aan het niet optreden van de procureur des Konings, of wanneer de tenlastelegging ten aanzien van die verweerder in de burgerlijke vordering slechts voortvloeit uit een vergissing begaan door de procureur des Konings. B.9. Een dergelijke maatregel doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkenen, aangezien de rechter ter zake beschikt over een bevoegdheid die hem in staat stelt het bedrag van de vergoeding te verminderen tot het voorgeschreven minimum door met name rekening te houden met « het kennelijk onredelijk karakter van de situatie » (artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). B.10. De in het geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.11. De toetsing aan die grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met de in B.2 vermelde verdragsbepalingen, zou niet tot een andere conclusie kunnen leiden. B.12. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 128, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 februari 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.