← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.012

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.012 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100218.2 Arrest- Rolnummer: 12/2010 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg niet van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg ook van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Rijksdienst voor arbeidsvoorziening PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 10, vierde, zevende en achtste lid, en artikel 11 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - RVA - Vertegenwoordiging in rechte - Delegatie van bevoegdheid. # Gerechtelijk recht - Vertegenwoordiging in rechte - a. Rechtspersonen - b. RVA. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-04-1963 - 10,L4 - 01 ELI link Pub nr 1963042504 Wet - 25-04-1963 - 10,L7 - 01 ELI link Pub nr 1963042504 Wet - 25-04-1963 - 10,L8 - 01 ELI link Pub nr 1963042504 Wet - 25-04-1963 - 11 - 01 ELI link Pub nr 1963042504 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4669 Arrest nr. 12/2010 van 18 februari 2010 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 10, vierde, zevende en achtste lid, en artikel 11 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 18 maart 2009 in zake de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tegen Yolanda Flores Lopez, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 maart 2009, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « I. Schendt artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat : - enerzijds, dat artikel de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, als instelling bedoeld in artikel 1 van de voormelde wet, ertoe zou verplichten een bepaling in acht te nemen die achterhaald is en volkomen betekenisloos met betrekking tot die instelling; - terwijl alle andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die in dezelfde situatie worden geplaatst, de bepalingen van de artikelen 703, eerste lid, en 34 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen aanvoeren (zie het arrest nr. 135/98 van het Arbitragehof van 16 december 1998) met betrekking tot hun recht om in rechte te treden of in rechte te worden vertegenwoordigd ? II.

  1. a)Schendt artikel 10, zevende lid, juncto artikel 11 van de wet betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat : - enerzijds, dat artikel de in artikel 1 van de voormelde wet bedoelde instelling ertoe zou verplichten te worden vertegenwoordigd door de in artikel 9 van diezelfde wet bedoelde persoon bij het verrichten van de gerechtelijke handelingen, en met name bij het vervullen van de vormregels bij hoger beroep, met inbegrip van de ondertekening van het verzoekschrift tot hoger beroep; - terwijl, anderzijds, zoals het Arbitragehof in zijn arrest van 17 mei 2000 heeft bevestigd, artikel 1056, 2°, juncto artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat artikel 1031ter [lees : 1034ter], 6°, van dat Wetboek, dat de verzoeker of zijn advocaat op straffe van nietigheid verplicht het verzoekschrift te ondertekenen, niet van toepassing is op de verzoekschriften tot hoger beroep ?
  2. b)Schendt artikel 10, vierde lid, juncto artikel 10, zesde lid, van de wet betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat : - enerzijds, die bepalingen een in artikel 1 van de wet bedoelde instelling ertoe zouden verplichten een verzoekschrift tot hoger beroep te laten ondertekenen door de in artikel 9 van diezelfde wet bedoelde persoon, zelfs wanneer de ondertekening van de verzoekschriften tot hoger beroep in het huishoudelijk reglement van de instelling als handeling van dagelijks beheer is aangemerkt, overeenkomstig artikel 10, vierde lid; - terwijl, anderzijds, zoals het Arbitragehof in zijn arrest van 17 mei 2000 heeft bevestigd, artikel 1056, 2°, juncto artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dient 3 te worden geïnterpreteerd dat artikel 1034ter, 6°, van dat Wetboek, dat de verzoeker of zijn advocaat op straffe van nietigheid verplicht het verzoekschrift te ondertekenen, niet van toepassing is op de verzoekschriften tot hoger beroep ?
  3. c)Schenden de artikelen 10, achtste lid, en 11 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien zij in die zin dienen te worden geïnterpreteerd dat : - enerzijds, die artikelen 10, achtste lid, en 11 een in artikel 1 van de wet bedoelde instelling ertoe zouden verplichten een verzoekschrift tot hoger beroep te laten ondertekenen, hetzij door de in artikel 10, eerste lid, van diezelfde wet bedoelde persoon, hetzij door de adjunct van de in dat artikel bedoelde persoon, hetzij, bij ontstentenis van de adjunct, door een personeelslid van de instelling dat door het beheerscomité wordt aangewezen, zoals in artikel 11, tweede lid, is bepaald; - terwijl, anderzijds, zoals het Arbitragehof in zijn arrest van 17 mei 2000 heeft bevestigd, artikel 1056, 2°, juncto artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat artikel 1034ter, 6°, van dat Wetboek, dat de verzoeker of zijn advocaat op straffe van nietigheid verplicht het verzoekschrift te ondertekenen, niet van toepassing is op de verzoekschriften tot hoger beroep ? ». Memories zijn ingediend door : - Yolanda Flores Lopez, wonende te 1190 Brussel, Wapenrustingslaan 71/01; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7-9; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 2 december 2009 : - zijn verschenen : . Mr. M.-L. Leburton loco Mr. F. Danjou, advocaten bij de balie te Nijvel, voor Yolanda Flores Lopez; . Mr. M. Willemet, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening; . Mr. P. Slegers, tevens loco Mr. L. Depré en Mr. I. Van Kruchten, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 4 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij het Arbeidshof te Brussel werd op 28 december 1999 een hoger beroep aanhangig gemaakt tegen een vonnis van de Arbeidsrechtbank van 24 november 1999 waarbij het beroep gegrond werd verklaard dat door Yolanda Flores Lopez werd ingesteld tegen een beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), die haar van het recht op werkloosheidsuitkering had uitgesloten. Het verzoekschrift tot hoger beroep is ondertekend door « de heer Wouter Langeraert, Adviseur, voor de Administrateur-generaal, in opdracht ». Yolanda Flores Lopez betwist de geldigheid van dat verzoekschrift tot hoger beroep, om reden dat Wouter Langeraert niet ertoe gemachtigd zou zijn om voor rekening van de RVA hoger beroep in te stellen. Volgens haar zouden enkel de voorzitter van het beheerscomité van de RVA en de administrateur-generaal van de RVA gezamenlijk de bevoegdheid hebben om de instelling in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen te vertegenwoordigen en rechtsgeldig, in haar naam en voor haar rekening, op te treden, overeenkomstig artikel 12 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg. In ondergeschikte orde meent Yolanda Flores Lopez dat, zelfs indien een bevoegdheidsdelegatie zou kunnen worden aangenomen, die te dezen onbestaande zou zijn. De RVA verwijst naar artikel 703, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Dat artikel bepaalt dat de vertegenwoordiging van een rechtspersoon gebeurt door tussenkomst van het bevoegde orgaan van die rechtspersoon, wat te dezen het geval is. Artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 zou te dezen niet toepasbaar zijn, aangezien die bepaling verouderd is, vermits geen enkel geschil inzake werkloosheid aan een administratief rechtscollege kan worden voorgelegd. Indien artikel 10, achtste lid, toch zou moeten worden toegepast, betoogt de RVA dat er een onverantwoord verschil in behandeling bestaat tussen hemzelf, als publiekrechtelijk rechtspersoon onderworpen aan de strikte bepalingen van de wet van 25 april 1963, en de andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die enkel artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek in acht moeten nemen. Bovendien is de RVA van mening dat de ondertekening van een verzoekschrift tot hoger beroep geen essentiële voorwaarde is voor de ontvankelijkheid ervan. In zijn verwijzingsarrest brengt het Hof van Beroep te Brussel in herinnering dat, in verscheidene vroegere arresten en op constante wijze, het de verzoekschriften die door de RVA in identieke omstandigheden werden ingediend, onontvankelijk heeft verklaard. Het brengt bovendien in herinnering dat het Hof van Cassatie zich in dezelfde zin heeft uitgesproken in een arrest van 18 september 2000. Het verwijzende rechtscollege stelt echter tevens vast dat de RVA een nieuwe argumentering uiteenzet door het debat toe te spitsen op de toegang tot het gerecht en daarbij een onverantwoord verschil in behandeling tussen hemzelf en de andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen aan te voeren. Om die reden stelt het Arbeidshof de hiervoor vermelde prejudiciële vragen. 5 III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1. De RVA, appellant voor het verwijzende rechtscollege, is van mening dat artikel 10, achtste lid, van de voormelde wet van 25 april 1963 « betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg » in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het de administrateur-generaal toestaat zijn bevoegdheid om de RVA voor de arbeidsrechtbanken te vertegenwoordigen te delegeren, aangezien die rechtbanken, sinds de inwerkingtreding van het Gerechtelijk Wetboek, de enige rechtscolleges zijn die belast zijn met geschillen die onder de toepassing van de werkloosheidsreglementering vallen. Bij ontstentenis van een dergelijke interpretatie zou de RVA zich in een discriminerende situatie bevinden ten aanzien van de andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen, vermits dan enkel aan de administrateur-generaal van de RVA de mogelijkheid zou worden ontzegd zijn bevoegdheid de instelling te vertegenwoordigen in de geschillen waarvoor hij bevoegd is, te delegeren. A.2. Yolanda Flores Lopez, geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege, betoogt in hoofdorde dat de formulering van de prejudiciële vraag fout is, in zoverre zij artikel 10, achtste lid, beoogt en niet artikel 12, de enige bepaling van de wet van 25 april 1963 die, volgens haar, betrekking heeft op de rechtsvordering. Het door de RVA aangevoerde artikel 10, achtste lid, zou enkel de vertegenwoordiging van de RVA voor de administratieve rechtscolleges beogen, terwijl enkel de voorzitter van het beheerscomité van de RVA en de administrateur-generaal van de RVA gezamenlijk de bevoegdheid hebben om de instelling te vertegenwoordigen in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en, inzonderheid om een verzoekschrift tot hoger beroep in te dienen, overeenkomstig artikel 12 van de voormelde wet. A.3. De Ministerraad voert aan dat artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek enkel de kwestie van de vertegenwoordiging regelt, terwijl de wet van 25 april 1963 de regels betreffende de bevoegdheid van de organen vaststelt. Die bevoegdheid wordt niet gedefinieerd op grond van de aangelegenheden maar op grond van de hoedanigheid van de organen. Hetzelfde geldt voor de persoon belast met het dagelijks beheer aan wie, naast die bevoegdheid ook « andere bevoegdheden » kunnen worden gedelegeerd (artikel 10, vijfde lid). Die persoon kan zelf de bevoegdheid krijgen om een deel van zijn bevoegdheden over te dragen (artikel 10, zesde lid). De Ministerraad is van oordeel dat wanneer de arbeidsgerechten zich moeten uitspreken over geschillen in verband met de wettigheid van bestuursbeslissingen, zij als administratieve rechtscolleges op « bijzonder gerechtelijk beroep » optreden. Het begrip « administratief rechtscollege » moet dus worden begrepen zoals bedoeld in artikel 10, achtste lid, zijnde in een functionele betekenis. De Ministerraad verwijst naar het arrest van het Hof nr. 207/2004 van 21 december 2004 en meent dat het Hof zich in casu heeft uitgesproken over die functionele aard van de toetsing vanwege de arbeidsgerechten. Derhalve stelt het Hof ofwel vast dat de arbeidsgerechten te dezen handelen als bijzondere administratieve rechtscolleges en moet de vertegenwoordiging van de rechtspersoon in rechte een regelmatig karakter vertonen, waardoor de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, ofwel is het Hof van mening dat de arbeidsgerechten niet handelen als bijzondere administratieve rechtscolleges en is de prejudiciële vraag zonder voorwerp, vermits artikel 10, achtste lid, dan niet van toepassing is. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.4. De RVA is van mening dat de redenering van het Hof in het arrest nr. 58/2000 van 17 mei 2000 te dezen kan worden getransponeerd : indien een niet ondertekend verzoekschrift tot hoger beroep geldig is, vermits het hoger beroep slechts de voortzetting uitmaakt van een hangend geding, moet een slecht ondertekend verzoekschrift eveneens worden aanvaard. De ondertekening van het verzoekschrift tot hoger beroep is geen noodzakelijke voorwaarde voor de geldigheid ervan, zodat het nutteloos is zich af te vragen of de persoon die het heeft ondertekend, bevoegd is. A.5. Yolanda Flores Lopez betoogt dat het eerste deel van de tweede prejudiciële vraag slecht geformuleerd is en dat het geen antwoord behoeft. Wat het tweede deel van de tweede vraag betreft, vraagt het verwijzende rechtscollege aan het Hof zich uit te spreken over een norm die het niet kan toetsen, aangezien het te 6 dezen een reglement van interne orde betreft. Ten slotte handelt het derde deel van de prejudiciële vraag niet over de problematiek van de ondertekening van de verzoekschriften tot hoger beroep maar over die van de rechtsvordering. In dat verband merkt de appellante voor het Arbeidshof op dat het verwijzende rechtscollege zich ervan heeft onthouden de bedoelde procedurele situaties te vergelijken. A.6. De Ministerraad doet opmerken dat, teneinde haar stelling te verdedigen, de appellante voor het verwijzende rechtscollege het instrumentum, met name het verzoekschrift tot hoger beroep, verwart met het negotium, zijnde de beslissing om hoger beroep in te stellen. Ten aanzien van de eerste subvraag brengt de Ministerraad in herinnering dat het Gerechtelijk Wetboek de regels vaststelt betreffende de geldigheid van een document, terwijl de wet van 25 april 1963 de regels betreffende de bevoegdheid van vertegenwoordiging en handelen vaststelt. In de eerste subvraag wordt een vergelijking gemaakt van de geldigheidsvoorwaarden van een intellectuele handeling met de geldigheidsvoorwaarden van een document. Aangezien de subvraag dus enkel de vergelijking van onvergelijkbare situaties tot voorwerp heeft, dient ze niet te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede subvraag kan de interpretatie van de verwijzende rechter niet worden verantwoord, aangezien die interpretatie de tekst zelf en het voorwerp van artikel 10, vierde lid, en volgende, van de wet van 25 april 1963 schendt. In die subvraag wordt de geldigheid van een beslissing vergeleken met de geldigheid van een document dat daarmee niet is gelijkgesteld. Bovendien wordt het onderscheid dat voortvloeit uit de door de rechter voorgestelde interpretatie niet redelijkerwijze verantwoord en zou het niet kunnen worden verantwoord, aangezien de wetgever niet vermocht een interpretatie te willen verantwoorden waarbij de in artikel 10, vierde lid, van de wet van 25 april 1963 bedoelde mogelijkheid van delegatie volledig wordt uitgehold. Indien het Hof zou menen dat de voormelde vergelijking toch mogelijk is en vervolgens een discriminatie zou vaststellen, zou die discriminatie enkel kunnen bestaan om reden van een afwijkende interpretatie van de wet. De nuttige interpretatie van dezelfde bepaling zou de verschillende behandeling kunnen verantwoorden en dus tot een ontkennend antwoord op de prejudiciële vraag kunnen leiden. In de derde subvraag wordt, volgens de Ministerraad, eveneens een onwerkzame vergelijking gemaakt, die bijgevolg geen antwoord behoeft. -B- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.1. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de voorwaarden waaronder de persoon belast met het dagelijks beheer van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), namelijk de administrateur-generaal (artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering), overeenkomstig artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 « betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg », aan een of meer personeelsleden zijn bevoegdheid om hem te vertegenwoordigen voor de rechtscolleges kan overdragen, in 7 vergelijking met de in artikel 703, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde wijze van vertegenwoordiging in rechte van de rechtspersonen. B.2. Artikel 10 van de voormelde wet van 25 april 1963 bepaalt : « De persoon belast met het dagelijks beheer, voert de beslissingen van het beheerscomité uit; hij verstrekt aan dit comité alle inlichtingen en onderwerpt het alle voorstellen, die voor de werking van de instelling nuttig zijn. Hij woont de vergaderingen van het beheerscomité bij. Hij leidt het personeel en zorgt, onder het gezag en de controle van het beheerscomité, voor de gang van zaken. Hij oefent de bevoegdheden uit inzake het dagelijks beheer, zoals het huishoudelijk reglement deze bepaalt. Het beheerscomité kan hem andere bepaalde bevoegdheden overdragen. Voor een vlottere gang van zaken kan het beheerscomité binnen de grenzen en voorwaarden die het vaststelt, de met het dagelijks beheer belaste persoon machtigen een deel van de hem verleende bevoegdheden en het ondertekenen van sommige stukken en brieven over te dragen. De persoon belast met het dagelijks beheer vertegenwoordigt de instelling in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, en treedt rechtsgeldig in haar naam, en voor haar rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven. Hij mag nochtans, met instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om op te treden namens de instelling voor de administratieve rechtscolleges in de geschillen omtrent de rechten ontstaan uit een regeling van sociale zekerheid aan een of meer leden van het personeel overdragen ». B.3.1. Volgens de RVA zou de in het geding zijnde bepaling een onverantwoord verschil in behandeling teweegbrengen tussen de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 1 van de wet van 25 april 1963 en de andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen in zoverre enkel aan de eerstgenoemden de verplichting zou worden opgelegd een striktere bepaling, die met betrekking tot de RVA achterhaald en volkomen betekenisloos is, in acht te nemen, terwijl de andere rechtspersonen artikel 703, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen aanvoeren met betrekking tot hun recht om in rechte te treden. 8 B.3.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de ontvankelijkheid van het namens de RVA ingediende verzoekschrift tot hoger beroep tegen een door de arbeidsrechtbank gewezen vonnis wordt betwist, aangezien het is ingediend en ondertekend door een persoon die de delegatie niet onder de in artikel 10, achtste lid, van de voormelde wet van 25 april 1963 bedoelde voorwaarden heeft verkregen. B.3.3. Enkel artikel 10, achtste lid, van de voormelde wet wordt in de eerste prejudiciële vraag beoogd. Aangezien die bepaling een delegatie « aan een of meer leden van het personeel » enkel mogelijk maakt « voor de administratieve rechtscolleges », dient, voor de gerechtelijke handelingen voor andere rechtscolleges, het voormelde artikel 12 van dezelfde wet te worden toegepast luidens hetwelk de instelling gezamenlijk wordt vertegenwoordigd door de persoon die met het dagelijks beheer is belast en door de voorzitter, onder voorbehoud van de vervangingen die bij hetzelfde artikel in geval van verhindering zijn toegestaan (Cass., 18 september 2000, Arr. Cass., 2000, nr. 475; Cass., 18 maart 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 187). B.4.1. Uit de beslissing waarbij aan het Hof vragen worden gesteld, blijkt dat enkel de bevoegdheid om namens de RVA in rechte te treden teneinde te beslissen om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis van de arbeidsrechtbank in het geding is. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.4.2. Luidens artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtspersonen enkel in rechte treden door tussenkomst van hun bevoegde organen, wat niet belet dat de wetgever de delegatie van die bevoegdheid aan andere personen toestaat, zoals personeelsleden die niet de hoedanigheid van orgaan hebben. B.4.3. Aldus kan de administrateur-generaal van de Rijksdienst der Pensioenen « met de instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de gewone en de administratieve gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen » (artikel 19 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen tot wijziging van het zesde en het zevende lid van artikel 49 van het 9 koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers). Op dezelfde wijze kan, in de geschillen bedoeld in artikel 580, 8°, c, van het Gerechtelijk Wetboek, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met name verschijnen « bij monde van een door dit centrum afgevaardigd effectief lid of personeelslid » (artikel 728, § 3, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De Gemeenschaps- en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Arbeidsbemiddeling (FOREm) kan in rechte treden bij monde van een ambtenaar van die Dienst die wordt afgevaardigd op initiatief van zijn administrateur-generaal (artikel 17, achtste lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988). B.4.4. Die overdracht van de bevoegdheid om in rechte te treden is evenzeer verantwoord voor de RVA die een aanzienlijk aantal dossiers beheert en moet beslissen om beroep in te stellen binnen de bepaalde termijnen op straffe van onontvankelijkheid. B.4.5. In zoverre de in het geding zijnde bepaling het niet mogelijk maakt, met de instemming van het beheerscomité, de bevoegdheid om namens de RVA in rechte te treden voor de arbeidsgerechten, over te dragen aan één of meer personeelsleden, voert ze een verschil in behandeling in dat niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.4.6. Artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 kan evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat voor alle geschillen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsreglementering een delegatie van vertegenwoordigingsbevoegdheid mogelijk is voor de geschillen die voor de arbeidsgerechten worden gebracht. Immers, sinds de inwerkingtreding van artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek (wet van 10 oktober 1967), neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en leerlingen en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld in dat artikel, waaronder de wetten en verordeningen inzake werkloosheid. B.4.7. In die interpretatie is artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.5. Rekening houdend met het antwoord op de eerste prejudiciële vraag en met het feit dat, naar luid van de verwijzingsbeslissing zelf, de vraag over de hoedanigheid van de ondertekenaar van de akte van hoger beroep verband houdt met die over de ontvankelijkheid van de akte van hoger beroep die is ingediend door het orgaan via hetwelk de RVA in rechte kan treden, staat het aan de verwijzende rechter te oordelen of het antwoord op de tweede prejudiciële vraag nog nuttig is om het geschil op te lossen. B.6. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg niet van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie volgens welke artikel 10, achtste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg ook van toepassing is op procedures van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de arbeidsgerechten, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 februari 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.