← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.013

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.013 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100218.3 Arrest- Rolnummer: 13/2010 Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Ten aanzien van een meerderjarige geadopteerde schenden artikel 350, artikel 356-1, tweede lid, en het bij de wet van 24 april 2003 opgeheven artikel 370, § 4, van het Burgerlijk Wetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Adoptie PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 350, 356-1, tweede lid, en 370, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Burgerlijk recht - Afstamming - Adoptie - Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde na de adoptie - Gevolgen -

  1. Ten volle geadopteerden - Meerderjarige geadopteerden -
  2. Niet-geadopteerden. # Rechten en vrijheden - Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 350 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 356-1,L2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 370,§4 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet - 24-04-2003 - 32 ELI link Pub nr 2003009435 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4714 Arrest nr. 13/2010 van 18 februari 2010 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 350, 356-1, tweede lid, en 370, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter M. Melchior, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 8 mei 2009 in zake Ludwig Van Wambeke tegen Lucienne Van Ryckeghem en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 mei 2009, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  3. Schendt artikel 350 (nieuw) alsook artikel 370, § 4 (oud) en artikel 356 - 1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (nieuw) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 8 E.V.R.M. in de mate aan de vaststelling van de afstamming van een natuurlijk en nadien geadopteerd kind geen ander gevolg toekomt dan de verbodsbepalingen van de artikelen 161 tot 164 van het Burgerlijk Wetboek, dit in tegenstelling tot een dergelijke vaststelling van de afstamming ten aanzien van een niet geadopteerd natuurlijk kind waaraan alle gevolgen verbonden zijn van artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek ?
  4. Schendt artikel 350 (nieuw) alsook artikel 370, § 4 (oud) en artikel 356 - 1, 2° lid van het Burgerlijk Wetboek (nieuw) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 8 E.V.R.M. in de mate dat de volle adoptie wel kan herroepen worden wanneer een tweede volle adoptie volgt, terwijl de volle adoptie niet kan herroepen worden wanneer de geadopteerde, na vaststelling van de vaderlijke afstamming terug met zijn biologische vader wenst verbonden te worden op basis van artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Ludwig Van Wambeke, wonende te 8370 Uitkerke, Blankenbergse Dijk 164; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 12 januari 2010 : - zijn verschenen : . Mr. A. Louf, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. J. Verdonck, advocaat bij de balie te Brugge, voor Ludwig Van Wambeke; . Mr. J. Mosselmans loco Mr. P. Peeters en Mr. A. Vandaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In de procedure voor de verwijzende rechter wordt vastgesteld dat de inmiddels overleden Eric Loosvelt, echtgenoot van Lucienne Van Ryckeghem en vader van Rik Loosvelt, tevens de vader is van Ludwig Van Wambeke, die in 1971 werd geadopteerd door Marc Van Wambeke en Nelly Hostens. Het betrof een volle adoptie, toen « wettiging door adoptie » genoemd. De partijen zijn het niet eens over de gevolgen van die vaststelling van het vaderschap. Volgens Ludwig Van Wambeke moeten daaraan alle rechtsgevolgen worden verbonden waarin artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek voorziet. Hij meent aanspraak te kunnen maken op dezelfde rechten, met name inzake erfenis, als de wettelijke kinderen van Eric Loosvelt. Lucienne Van Ryckeghem en Rik Loosvelt beroepen zich op de artikelen 350, tweede lid, en 356-1 van het Burgerlijk Wetboek. Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of adoptanten nadat het vonnis van adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, maakt daaraan geen einde. Indien het om een gewone adoptie gaat, heeft de vaststelling van de afstamming gevolgen voor zover zij niet strijdig zijn met de adoptie. Indien het een volle adoptie betreft, heeft de vaststelling van de afstamming slechts de toepassing van de verbodsbepalingen inzake het huwelijk, bedoeld in de artikelen 161 tot 164 van het Burgerlijk Wetboek, tot gevolg. Alvorens uitspraak te doen, stelt de verwijzende rechter de hiervoor aangehaalde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.
  5. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, wijst Ludwig Van Wambeke erop dat een niet-geadopteerd kind steeds over de mogelijkheid beschikt om de afstamming ten aanzien van zijn biologische ouders te doen vaststellen en op grond daarvan erfrechtelijke aanspraken te laten gelden. Een geadopteerd kind kan eveneens de afstamming ten aanzien van zijn biologische ouders doen vaststellen, maar dat heeft geen ander gevolg dan dat de verbodsbepalingen inzake het huwelijk, bedoeld in de artikelen 161 tot 164 van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing worden. De verwantschapsband tussen de geadopteerde en zijn biologische ouders blijft verbroken. Daar komt bij dat de geadopteerde geen inspraak had bij de adoptie en die ook niet kan herroepen. Ludwig Van Wambeke ziet daarin een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en een schending van de rechten van het kind. In het arrest nr. 117/2001 van 3 oktober 2001 oordeelde het Hof dat de onherroepelijkheid van de volle adoptie de stabiliteit van het statuut van het adoptieve kind beoogt, waarmee voorrang wordt gegeven aan het belang van het kind, maar in casu kan de onherroepelijkheid van de volle adoptie geenszins in het belang van het kind worden geacht. Vijf jaar na de adoptie zou Marc Van Wambeke immers zijn echtgenote (en geadopteerde zoon) hebben verlaten en nog eens negen jaar later werd de echtscheiding door onderlinge toestemming toegestaan. Ludwig Van Wambeke verwijst voorts naar de arresten nrs. 67/97, 53/2000 en 117/
  6. Hij besluit dat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat om aan de vaststelling van de afstamming van een geadopteerd kind niet dezelfde rechtsgevolgen te verbinden als aan de vaststelling van de afstamming van enig ander kind, zodat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden. A.1.
  7. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, zegt Ludwig Van Wambeke niet in te zien waarom, met toepassing van het voormelde arrest nr. 117/2001, zijn volle adoptie door Marc Van Wambeke niet kan worden herroepen. Het enige verschil met dat arrest is dat er geen nieuwe volle adoptie volgt. A.2.
  8. De Ministerraad werpt in de eerste plaats op dat de tweede prejudiciële vraag onontvankelijk is omdat Ludwig Van Wambeke geen discriminatie kan aanvoeren tegen de ten volle geadopteerde die opnieuw zou worden geadopteerd na herroeping van de eerste adoptie. Een dergelijke tweede adoptie is overeenkomstig artikel 355 van het Burgerlijk Wetboek enkel mogelijk wanneer de betrokkene op het ogenblik van de tweede 4 adoptie minderjarig is. Ludwig Van Wambeke wordt dan ook, wat de herroeping van de adoptie betreft, op dezelfde wijze behandeld als andere meerderjarigen die de eerste keer ten volle werden geadopteerd. In zoverre de tweede prejudiciële vraag toch ontvankelijk zou worden geacht, is het verschil in behandeling dat erin wordt uiteengezet volgens de Ministerraad redelijk verantwoord. Wanneer na een volle adoptie enkel een biologische afstammingsband wordt vastgesteld, wordt niet in opvang van de geadopteerde voorzien. Wanneer de geadopteerde daarentegen opnieuw wordt geadopteerd, neemt de tweede adoptant het op zich de minderjarige ook op te vangen. Het zou derhalve niet onredelijk zijn om ten aanzien van de geadopteerde van wie na de adoptie enkel de afstamming werd vastgesteld, de adoptie niet te herroepen. A.2.
  9. Ook het in de eerste prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling is volgens de Ministerraad redelijk verantwoord. Als de minderjarige reeds ten volle werd geadopteerd door een derde vóór de vaststelling van de biologische afstamming, dan kunnen uit die vaststelling redelijkerwijze niet alle gevolgen van de afstamming voortvloeien overeenkomstig artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek. De voorafgaande adoptie blijft immers bestaan. De Ministerraad verwijst eveneens naar het arrest nr. 117/2001, waaruit blijkt dat de wetgever met de figuur van de volle adoptie en de onherroepelijkheid van de volle adoptie, de gelijkstelling met de gewone afstammingsband heeft nagestreefd, alsook het verbreken van alle banden met de oorspronkelijke familie. Wat de uitzondering van de huwelijksbeletsels betreft, verwijst de Ministerraad naar de verantwoording die het Hof ter zake heeft gegeven in het arrest nr. 157/
  10. Indien het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend zou beantwoorden, dan zou dat volgens de Ministerraad tot de kennelijk onredelijke situatie kunnen leiden waarbij de geadopteerde ten aanzien van wie nadien de biologische afstamming wordt vastgesteld, rechten zou kunnen laten gelden in twee families, zijn adoptiefamilie en zijn biologische familie. De bescherming die een geadopteerde geniet in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan niet zover strekken dat ook het recht op eerbiediging van het privéleven van de biologische familie mag worden verstoord. Minstens zou het overeenkomstig lid 2 van die bepaling redelijk verantwoord zijn om de toepassing van het recht op eerbiediging van het privéleven van de ten volle geadopteerde niet uit te breiden tot zijn biologische familie, in het licht van de integriteit van de adoptiefamilie. -B- B.
  11. Artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Ongeacht de wijze waarop de afstamming is vastgesteld, hebben de kinderen en hun afstammelingen dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de ouders en hun bloed- en aanverwanten en hebben de ouders en hun bloed- en aanverwanten dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de kinderen en hun afstammelingen ». Artikel 350 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van de adoptant of van een van de adoptanten nadat het vonnis van adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, maakt vanaf dat tijdstip en voor de toekomst een einde aan de adoptie ten aanzien van die adoptant of van die adoptanten. Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of de adoptanten nadat het vonnis van adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, maakt daaraan geen einde. Indien het om een gewone adoptie gaat, heeft deze 5 afstamming gevolgen voorzover deze niet strijdig zijn met die van de adoptie. Indien het een volle adoptie betreft, heeft die afstamming slechts de toepassing van de verbodsbepalingen inzake het huwelijk bedoeld in de artikelen 161 tot 164 tot gevolg ». Artikel 356-1 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De volle adoptie verleent aan het kind en zijn afstammelingen een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen, als ware het kind geboren uit de adoptant of uit de adoptanten. Onder voorbehoud van de huwelijksbeletsels omschreven in de artikelen 161 tot 164, houdt het kind dat ten volle is geadopteerd, op tot zijn oorspronkelijke familie te behoren. Kinderen of adoptieve kinderen van de echtgenoot van de adoptant of van de persoon met wie hij samenwoont, zelfs overleden, houden evenwel niet op te behoren tot de familie van die echtgenoot of van de persoon met wie wordt samengewoond. Indien deze nog in leven is, wordt het ouderlijk gezag over de geadopteerde gezamenlijk uitgeoefend door de adoptant en die echtgenoot of persoon met wie wordt samengewoond ». Artikel 370, § 4, van hetzelfde Wetboek, dat eveneens in de prejudiciële vraag wordt vermeld maar dat werd opgeheven bij artikel 3 van de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, bepaalde : « De vaststelling van de afstamming van een kind na het vonnis of het arrest dat de volle adoptie homologeert of uitspreekt, heeft geen ander gevolg dan de verbodsbepalingen van de artikelen 161 tot 164 inzake huwelijk ». B.
  12. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de vermelde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schenden doordat de vaststelling van de afstamming van een geadopteerd kind geen ander gevolg heeft dan dat de verbodsbepalingen inzake het huwelijk van toepassing worden, terwijl de vaststelling van de afstamming van een niet- geadopteerd kind alle gevolgen inzake afstamming doet ontstaan (eerste vraag) en doordat de volle adoptie kan worden herroepen wanneer een tweede volle adoptie volgt, terwijl de volle adoptie niet kan worden herroepen na vaststelling van de afstamming van de geadopteerde (tweede vraag). B.
  13. De vordering voor de verwijzende rechter is ingesteld door een meerderjarige geadopteerde. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. 6 B.
  14. Aangezien meerderjarigen niet meer voor volle adoptie in aanmerking komen (artikel 355 van het Burgerlijk Wetboek), kan de hypothese bedoeld in de tweede prejudiciële vraag (herroeping van volle adoptie wanneer een tweede volle adoptie volgt) zich niet voordoen. De in het geding zijnde bepalingen doen derhalve ten aanzien van meerderjarige geadopteerden niet het voorgelegde verschil in behandeling ontstaan. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.
  15. Met de regel dat de volle adoptie aan het kind en zijn afstammelingen een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen verleent, als ware het kind geboren uit de adoptant of uit de adoptanten, en dat het ten volle geadopteerde kind ophoudt tot zijn oorspronkelijke familie te behoren, onder voorbehoud van de huwelijksbeletsels (artikel 356-1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek), zelfs indien achteraf de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of de adoptanten wordt vastgesteld (artikel 350, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek), heeft de wetgever, enerzijds, de gelijkstelling met de gewone afstammingsband nagestreefd en, anderzijds, de stabiliteit van de verwantschapsbanden en de gezinsomgeving van de geadopteerde willen waarborgen. Het verschil in behandeling, wat de gevolgen inzake vaststelling van de afstamming betreft, tussen ten volle geadopteerden en niet-geadopteerden steunt op een objectief criterium, dat relevant is ten aanzien van de voormelde doelstelling. Aangezien de ten volle geadopteerde een volledige gelijkstelling geniet met de kinderen geboren uit de adoptant of de adoptanten, doen de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige gevolgen ontstaan in zoverre zij hem verhinderen, wanneer de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of de adoptanten wordt vastgesteld, dezelfde rechten en verplichtingen te hebben als de andere kinderen van de voormelde andere persoon. Het in de eerste prejudiciële vraag voorgelegde verschil in behandeling is derhalve niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 B.
  16. Het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, leidt niet tot een andere conclusie. B.
  17. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Ten aanzien van een meerderjarige geadopteerde schenden artikel 350, artikel 356-1, tweede lid, en het bij de wet van 24 april 2003 opgeheven artikel 370, § 4, van het Burgerlijk Wetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 februari
  18. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.