← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.014

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.014 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100218.4 Arrest- Rolnummer: 14/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 251 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Werkstraffen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 37quinquies, § 1, van het Strafwetboek, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken, gesteld door de Politierechtbank te Gent. Strafrecht - Misdrijven - Straffen - Veroordeling tot een werkstraf - Uitvoering - Ongeval op de weg van en naar het werk. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-04-2002 - 3 - 33 ELI link Pub nr 2002009412 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 37quinquies,§1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Rolnummer 4715 Arrest nr. 14/2010 van 18 februari 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 37quinquies, § 1, van het Strafwetboek, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken, gesteld door de Politierechtbank te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 25 mei 2009 in zake Etienne Meermans tegen het Vlaamse Gewest en de nv « Mobral », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 mei 2009, heeft de Politierechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 37quinquies, § 1, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 17 april 2002, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het artikel, op die wijze uitgelegd dat degene die tot een werkstraf werd veroordeeld en zich voor de uitvoering van de werkstraf op de weg van en naar het hem opgelegde werk begeeft, indien hij op de weg slachtoffer is van een ongeval geen aanspraak kan maken op vergoeding op grond van de arbeidsongevallenwet zoals voorzien voor werknemers uit de private en de overheidssector overeenkomstig de wet van 10 april 1971, aldus het slachtoffer die bepaalde vergoeding niet toekent terwijl het geviseerde artikel wel bepaalt dat het werk wordt uitgevoerd onder toezicht van (de in de tekst bepaalde diensten van) het ministerie van justitie ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Mobral », met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Keizer Karelstraat 75; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 17 december 2009 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 12 januari 2010, na de Ministerraad te hebben gevraagd uiterlijk op 7 januari 2010 ter griffie de tekst neer te leggen van de overeenkomst met Ethias waarvan sprake in zijn memorie van 14 september 2009 (punt 19), meer bepaald in de versie van toepassing ten tijde van het kwestieuze ongeval van 4 december 1997, en daarvan binnen dezelfde termijn kopie te bezorgen aan de andere partij in de zaak, namelijk de nv « Mobral ». De Ministerraad heeft een kopie van een verzekeringspolis van de Onderlinge Maatschappij der Openbare Besturen voor een « collectieve verzekering tegen ongevallen » alsook van een polis voor de « verzekering der burgerlijke aansprakelijkheid en tegen lichamelijke ongevallen » van dezelfde maatschappij (OMOB - thans Ethias) ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 januari 2010 : - zijn verschenen : . Mr. F. De Vlieger, advocaat bij de balie te Gent, voor de nv « Mobral »; . Mr. J. Mosselmans, tevens loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en M. Melchior verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de voorafgaande rechtspleging Etienne Meermans werd het slachtoffer van een ongeval op de openbare weg, waarbij hij verwondingen opliep met een blijvende arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Hij vordert vergoeding voor de geleden schade voor de verwijzende rechter. De nv « Mobral », die samen met het Vlaamse Gewest aansprakelijk wordt gesteld voor het ongeval, voert aan dat het te dezen om een arbeidsongeval zou gaan, nu de betrokkene onderweg was voor de uitvoering van een alternatieve straf onder toezicht en controle van de Federale Overheidsdienst Justitie. De verwijzende rechter neemt er in zijn tussenvonnis van 22 december 2008 akte van dat E. Meermans in zijn conclusies preciseert « dat hij niet gebonden was door een arbeidsovereenkomst, maar dat hij zich op het tijdstip van het ongeval naar huis begaf van de dienstverleningsplaats waar hij dienst verleende in uitvoering van een alternatieve straf (werkstraf ?) ». De verwijzende rechter overweegt dat hij « derhalve verzekerd [zou] zijn tegen lichamelijke ongevallen en burgerlijke aansprakelijkheid tijdens de uitvoering van de straf, maar [dat] de weg van huis naar en van de werkzaamheden […] niet verzekerd [zou] zijn ». De nv « Mobral » vordert dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld over de mogelijke ongelijkheid, op het stuk van de vergoeding voor een arbeidsongeval, tussen de situatie van een werknemer uit de privésector of de overheidssector en de situatie van personen zoals E. Meermans. Na de nv « Mobral » te hebben uitgenodigd om een prejudiciële vraag te formuleren met het oog op een concrete aanwijzing van de wetsbepaling die discriminerend wordt geacht en met opgave van het motief waaruit de discriminatie zou moeten blijken, stelt de verwijzende rechter de hiervoor geciteerde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.

  1. De nv « Mobral » is van mening dat alle werknemers die arbeidsprestaties leveren onder het gezag van een werkgever - te dezen de Federale Overheidsdienst Justitie - naar analogie met de regeling van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 verzekerd moeten worden voor de risico’s eigen aan arbeid en aan arbeidsongevallen op de weg van en naar het werk. A.1.
  2. De nv « Mobral » doet opmerken dat voor verschillende situaties die vergelijkbaar zijn met de huidige een regeling is uitgewerkt, met name : - voor personen gebonden door een overeenkomst voor beroepsopleiding, voor wie de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een verzekering dient af te sluiten die de stagiairs gelijkwaardige voordelen toekent (artikelen 95, § 1, en 116 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding); 4 - voor onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst waarbij zij niet verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst en die vallen onder de arbeidsongevallenwet, hoewel zij geen loon verwerven; - voor kandidaat-ondernemers in activiteitencoöperaties, die krachtens het koninklijk besluit van 15 juni 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het statuut van kandidaat-ondernemer in een activiteitencoöperatie, gedekt zijn door de Arbeidsongevallenwet. A.1.
  3. De nv « Mobral » besluit dat indien E. Meermans activiteiten uitvoert in het kader van artikel 37quinquies van het Strafwetboek, hij geacht moet worden gedekt te zijn door de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en dat hij door de Federale Overheidsdienst Justitie vergoed moet worden, indien men niet wil dat dergelijke personen worden gediscrimineerd ten aanzien van andere categorieën van werknemers of daarmee gelijkgestelde personen. A.2.
  4. De Ministerraad doet opmerken dat E. Meermans niet is veroordeeld tot een werkstraf in de zin van artikel 37quinquies van het Strafwetboek, maar een dienstverlening uitvoerde in opdracht van het parket overeenkomstig de modaliteiten van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag, die uitsluitend betrekking heeft op het stelsel van de werkstraf, dan ook zonder voorwerp. Aangezien de prejudiciële vraag niets uit te staan heeft met het bodemgeschil en dus niet bijdraagt tot de oplossing van dat geschil, dient de prejudiciële vraag als niet- ontvankelijk te worden afgewezen. A.2.
  5. In de veronderstelling dat de prejudiciële vraag zou worden geherformuleerd, dient deze naar het oordeel van de Ministerraad ontkennend te worden beantwoord. De Ministerraad doet opmerken dat de arbeidsongevallenwet van toepassing is op werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden en dat een arbeidsongeval een ongeval is dat plaatsvindt naar aanleiding van een arbeidsovereenkomst. Bij een arbeidsovereenkomst primeert de wilsvrijheid tussen de partijen. Een werkstraf of een dienstverlening kan bezwaarlijk worden gelijkgesteld met prestaties in het raam van een arbeidsovereenkomst. Er is immers geen sprake van enige wilsvrijheid om een overeenkomst tot stand te brengen. Weliswaar moet de betrokkene zijn instemming geven met de werkstraf of dienstverlening, maar dan nog is er geen sprake van enige arbeidsovereenkomst. De betrokkene verricht geenszins arbeid tegen loon, wat eveneens een constitutief bestanddeel is van een arbeidsovereenkomst. De betrokkene voert het werk kosteloos uit als een vorm van herstel aan de samenleving. De Ministerraad is dan ook van mening dat de situatie van werknemers die prestaties leveren in het kader van een arbeidsovereenkomst niet vergelijkbaar is met die van personen die veroordeeld zijn tot een werkstraf. Minstens is er een redelijke verantwoording voor de uitsluiting van een tot een werkstraf veroordeelde persoon uit het toepassingsgebied van de arbeidsongevallenwet. Zulks geldt ook ten aanzien van de persoon die een dienstverlening uitvoert. A.2.
  6. De Ministerraad doet opmerken dat de Federale Overheidsdienst Justitie jaarlijks met de verzekeringsmaatschappij nv « Ethias » een verzekering afsluit die geneeskundige of andere kosten dekt in het geval waarin een veroordeelde het slachtoffer wordt van een ongeval bij de uitvoering van een werkstraf. Ofschoon de betrokkene geen aanspraak kan maken op een vergoeding op grond van de arbeidsongevallenwet, is hij wel verzekerd voor kosten als gevolg van een ongeval. Van enige discriminatie tussen een veroordeelde en een werknemer is er dan ook geen sprake. De Ministerraad is van mening dat de arbeidsongevallenwet niet van toepassing is op overheidspersoneel, in tegenstelling tot wat de verwijzende rechter stelt. Volgens de Ministerraad dient niet nader te worden ingegaan op een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel tussen veroordeelden en overheidspersoneel. A.2.
  7. De Ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. 5 -B- Ten aanzien van de pertinentie van de prejudiciële vraag B.
  8. Met de prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het discriminerend is dat een persoon die is veroordeeld tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37quinquies, § 1, van het Strafwetboek en die op de weg naar of van dat werk het slachtoffer is van een ongeval, geen aanspraak kan maken op enige vergoeding op grond van de arbeidsongevallenwetgeving, ook al geschiedt het werk overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling onder het toezicht van de Federale Overheidsdienst Justitie. B.
  9. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is omdat een oordeel van het Hof over artikel 37quinquies, § 1, van het Strafwetboek niet zou kunnen bijdragen tot de oplossing van het bodemgeschil, aangezien er te dezen geen sprake zou zijn van enige uitvoering van een werkstraf in de zin van de in het geding zijnde bepaling, maar van de uitvoering van een dienstverlening overeenkomstig artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering. B.
  10. In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd die klaarblijkelijk niet op het bodemgeschil kunnen worden toegepast, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen niet. B.
  11. De door een van de verwerende partijen voor de verwijzende rechter gesuggereerde prejudiciële vraag heeft betrekking op de hypothese van de uitvoering van een werkstraf overeenkomstig artikel 37quinquies, § 1, van het Strafwetboek, dat bepaalt : « Wie overeenkomstig artikel 37ter tot een werkstraf is veroordeeld, wordt gevolgd door een justitieassistent van de Dienst justitiehuizen van [de] FOD Justitie van het gerechtelijk arrondissement van zijn verblijfplaats. Op de tenuitvoerlegging van de werkstraf wordt toegezien door de probatiecommissie van de verblijfplaats van de veroordeelde, waaraan de justitieassistent rapporteert ». 6 Die bepaling maakt deel uit van afdeling Vbis (« De werkstraf »), die bij wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken (Belgisch Staatsblad, 7 mei 2002, pp. 19021 e.v.) is ingevoegd in boek I, hoofdstuk II (« Straffen »), van het Strafwetboek. De in het geding zijnde bepaling is krachtens artikel 15 van de voormelde wet van 17 april 2002 in werking getreden op de datum van bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad, dit is op 7 mei
  12. Uit de gegevens van het dossier voor de verwijzende rechter (tussenvonnissen van 19 januari 2004 en 26 februari 2007) blijkt dat het ongeval op de openbare weg dat aanleiding is tot de vordering tot schadevergoeding dateert van 4 december
  13. Uit wat voorafgaat volgt dat het voormelde ongeval ratione temporis kennelijk niet het gevolg kan zijn van een activiteit naar aanleiding van de uitvoering van een werkstraf in de zin van de in het geding zijnde bepaling. Het Hof kan derhalve niet ingaan op de prejudiciële vraag, die betrekking heeft op een bepaling die kennelijk geen verband houdt met de zaak voor de verwijzende rechter. B.
  14. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 februari
  15. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.