← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.016

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.016 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100218.6 Arrest- Rolnummer: 16/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 837 - laatst gezien 2026-07-02 09:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Redelijke termijn PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. Strafrechtspleging - Strafvordering - Overschrijding van de redelijke termijn - Gevolgen -

  1. Verdachte voor het onderzoeksgerecht -
  2. Beklaagde voor de vonnisrechter -
  3. Onontvankelijkheid of verval van de strafvordering. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen -
  4. Recht van verdediging -
  5. Redelijke termijn. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4704 Arrest nr. 16/2010 van 18 februari 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 27 november 2008 in zake het openbaar ministerie tegen S.F. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 mei 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 21ter VTSV de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.1 van het E.V.R.M., in die zin dat een ongelijkheid bestaat tussen enerzijds een verdachte en anderzijds een beklaagde, vermits de Kamer van Inbeschuldigingstelling t.a.v. eerstgenoemde - wanneer vastgesteld wordt dat de redelijke termijn overschreden werd - bij toepassing van artikel 235bis S.V. verval van strafvordering kan uitspreken, terwijl de feitenrechter t.a.v. laatstgenoemde - wanneer hij vaststelt dat de redelijke termijn overschreden werd - deze sanctie niet zou kunnen uitspreken vermits als dusdanig niet voorzien in artikel 21ter V.T.S.V. ? ». W.S. en de Ministerraad hebben memories en memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 17 december 2009 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 12 januari 2010, na de partijen te hebben verzocht zich uit te spreken, in een uiterlijk op 8 januari 2010 ter griffie neer te leggen aanvullende memorie waarvan zij binnen dezelfde termijn kopie meedelen aan de andere partij in de zaak, over de eventuele gevolgen van de arresten van het Hof van Cassatie van 27 oktober 2009 (P.09.0901.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3) en 24 november 2009 (P.09.0930.N en P.09.1080.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9) voor de beantwoording van de in deze zaak gestelde prejudiciële vraag. W.S. en de Ministerraad hebben aanvullende memories ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 januari 2010 : - zijn verschenen : . Mr. P. Traest, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. E. Clijmans en Mr. I. Bollingh, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor W.S.; . Mr. J. Huygh loco Mr. M. Pilcer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil S.F. en W.S. worden vervolgd voor gemeenrechtelijke en fiscale valsheid in geschriften met betrekking tot de boekhouding van de vennootschappen « Food Trade International » en « International Price », alsook voor het indienen van een onjuiste fiscale aangifte. Tevens worden S.F., W.S. en C.H. vervolgd wegens witwasverrichtingen via het wisselkantoor nv « Stevens & Cie ». W.S. voert aan dat de redelijke termijn is overschreden, aangezien er negen jaar zijn verstreken sinds hij voor het eerst in kennis werd gesteld van een mogelijke vervolging, naar aanleiding van huiszoekingen begin
  6. Hij vraagt bijgevolg dat het verval van de strafvordering wordt uitgesproken. Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2008 dient de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de artikelen 235bis en 235ter van het Wetboek van strafvordering, bij de regeling van de rechtspleging uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn. Het verval van de strafvordering is krachtens artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering één van de mogelijke sancties. In die sanctie is echter niet voorzien wat beklaagden betreft die voor de bodemrechter verschijnen, aangezien zij onderworpen zijn aan de procedure van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Om die redenen stelt de Rechtbank de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  7. Allereerst voert de Ministerraad aan dat de toestand van een verdachte niet vergelijkbaar is met die van een beklaagde. De verdachte verschijnt immers voor de onderzoeksgerechten, terwijl dit voor de beklaagde niet het geval is. Hierdoor verschillen de rechten van de verdachte en van de beklaagde, alsook de modaliteiten van beslechting van het onderzoek. A.1.
  8. Vervolgens meent de Ministerraad dat artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering niet voorziet in het verval van de strafvordering als sanctie voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof van Cassatie bevestigde in zijn arresten van 10 december 2002 en van 28 mei 2008 dat bij toepassing van die bepaling de enige mogelijke sancties de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring of het uitspreken van een straf lager dan de wettelijke minimumstraf zijn. De Ministerraad merkt tevens op dat in artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering geen melding wordt gemaakt van de overschrijding van de redelijke termijn. In de artikelen 20 en volgende van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wordt de redelijke termijn evenmin aangehaald als reden van verval van de strafvordering. Daaruit volgt volgens de Ministerraad dat de overschrijding van de redelijke termijn geen reden van verval van de strafvordering kan zijn. A.1.
  9. Als laatste element voert de Ministerraad aan dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 8 april 2008 niet heeft geoordeeld dat de kamer van inbeschuldigingstelling het verval van de strafvordering zou moeten uitspreken wanneer zij vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden. Het Hof stelde enkel vast dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling kennis neemt van een zaak en de inverdenkinggestelde de overschrijding van de redelijke termijn opwerpt, zij daarover, alsook over de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure, uitspraak dient te doen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering. A.1.
  10. In zijn aanvullende memorie stelt de Ministerraad dat de arresten van het Hof van Cassatie van 27 oktober 2009 en van 24 november 2009 duidelijk maken dat de onderzoeksgerechten bij toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering nooit vermogen het verval van de strafvordering vast te stellen indien de overschrijding van de redelijke termijn niet als gevolg heeft gehad dat de rechten van verdediging onherstelbaar zijn aangetast. Bijgevolg zou het aangevoerde verschil in behandeling onbestaande zijn. 4 A.2.
  11. W.S. voert allereerst aan dat het niet redelijk te verantwoorden valt dat de vonnisrechter niet over de mogelijkheid beschikt om het verval van de strafvordering uit te spreken, terwijl de onderzoeksgerechten dat wel kunnen. Hij wijst erop dat bij overschrijding van de redelijke termijn de belangen van de beklaagde en van de verdachte in even ernstige mate worden geschaad. Het is daarom noodzakelijk dat de vonnisrechter over dezelfde bevoegdheden beschikt als de onderzoeksgerechten. Het zou daarenboven strijdig zijn met de essentiële beginselen van het strafprocesrecht, wanneer de vonnisrechter in geringere mate rechtsherstel zou kunnen verlenen dan de onderzoeksgerechten. A.2.
  12. Vervolgens betoogt W.S. dat, wanneer er in het geval van verval van de strafvordering geen uitspraak over de grond van de zaak zou worden gedaan, de belangen van de benadeelde niet in het gedrang zouden komen. De benadeelde beschikt op grond van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek immers over meerdere mogelijkheden om in het gerechtelijk onderzoek tussen te komen en dit mee te sturen. Eveneens kunnen de burgerlijke belangen van de benadeelde die bij de rechter aanhangig werden gemaakt vóór het verstrijken van de redelijke termijn, nog steeds door de burgerlijke rechter worden beoordeeld, zodat hij nog steeds aanspraak heeft op schadevergoeding. A.2.
  13. Ten slotte zet W.S. uiteen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het verval van de strafvordering als sanctie voor de overschrijding van de redelijke termijn oplegt noch uitsluit. De artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereisen enkel dat aan de overschrijding van de redelijke termijn een rechtsgevolg wordt gekoppeld. Volgens het Hof van Cassatie moeten de onderzoeksgerechten op grond van die artikelen eveneens rechtsherstel verlenen wanneer de overschrijding van de redelijke termijn wordt aangevoerd. Dit is momenteel echter beperkt tot het opleggen van de stopzetting van vervolging of het verval van de strafvordering. A.2.4.
  14. In zijn aanvullende memorie stelt W.S. dat de arresten van het Hof van Cassatie van 27 oktober 2009 en van 24 november 2009 het arrest van 8 april 2008 tegenspreken. Dat laatste arrest zou immers duidelijk hebben gemaakt dat bij overschrijding van de redelijke termijn tijdens de onderzoeksfase de onderzoeksgerechten de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering dienen uit te spreken, terwijl de eerstgenoemde arresten preciseren dat zij die sancties slechts vermogen uit te spreken indien de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging onherstelbaar heeft aangetast, en dat zij de loutere overschrijding van de redelijke termijn daarentegen enkel vermogen vast te stellen, doch niet vermogen te bestraffen. A.2.4.
  15. Volgens W.S. hebben de arresten van 27 oktober 2009 en van 24 november 2009 evenwel geen gevolg voor de onderhavige prejudiciële vraag. Ten eerste zouden die arresten immers een schending inhouden van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook tijdens de onderzoeksfase een daadwerkelijk rechtsmiddel vereist teneinde de procesvoortgang te bespoedigen en een compensatie te bieden voor de reeds opgelopen achterstand. Een loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn maakt volgens hem geen daadwerkelijk rechtsherstel uit, aangezien dat noch preventieve, noch compensatoire werking heeft. Bovendien zou een dergelijke procedure, indien ze al als rechtsmiddel zou kunnen worden bestempeld, zelf veelal de redelijke termijn overschrijden. Zodoende zouden de Belgische wetgeving en rechtspraak in strijd zijn met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens inzake de redelijke duur van het vooronderzoek. Ten tweede zouden de vermelde arresten van het Hof van Cassatie ook naar Belgisch recht bekritiseerbaar zijn. De redelijke termijn zou immers een middel zijn dat de regelmatigheid van de rechtspleging betreft, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling ertoe is gehouden die middelen op bindende wijze te beslechten. Zulks gebeurt ook in verband met de verjaring of met de nietigheid een bepaalde onderzoeksdaad. Ten derde zou de rechtsonderhorige geen garantie bezitten dat de vonnisrechter rekening houdt met de vaststelling door de onderzoeksgerechten dat de redelijke termijn is overschreden. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de vonnisrechter daartoe. A.2.4.
  16. Volgens W.S. vermag de omstandigheid dat de onderzoeksgerechten in een dergelijke beslissing de burgerlijke rechtsvordering terzijde zouden schuiven, aan bovenstaande conclusie geen afbreuk te doen. De burgerlijke partij beschikt immers over de mogelijkheid om de betreffende burgerlijke rechtsvordering aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Eenzelfde hypothese doet zich voor wanneer de strafvordering verjaard is. 5 -B- B.1.
  17. De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, doordat de vonnisrechter, wanneer hij vaststelt dat de redelijke termijn werd overschreden, niet de sanctie van het verval van de strafvordering kan uitspreken, terwijl de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering dat verval wel kan uitspreken. B.1.
  18. De door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking betreft een interpretatie van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering zoals die kon voortvloeien uit een arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2008 (Cass., 8 april 2008, P.07.1903.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.7). In dat arrest oordeelde het Hof : «
  19. Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve of op verzoek van een der partijen de regelmatigheid van de procedure bij de regeling van de rechtspleging en in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak.
  20. Hieruit volgt dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering kennisneemt van de zaak en bij die gelegenheid door de inverdenkinggestelde geroepen wordt uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, zij toepassing moet maken van artikel 235bis, § 1, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering. Zij dient dan overeenkomstig dit artikel over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, een debat op tegenspraak te houden en uitspraak te doen. De kamer van inbeschuldigingstelling is immers een nationale instantie tot dewelke de inverdenkinggestelde zich kan richten als bedoeld in artikel 13 EVRM ». Dat arrest betekende een ommekeer ten opzichte van de vroegere rechtspraak, die stelde dat enkel de vonnisrechter uitspraak doet over de overschrijding van de redelijke termijn (Cass., 8 november 2005, P.05.1191.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20), nadat die rechtspraak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens expliciet was veroordeeld (EHRM, 25 september 2007, De Clerck t. België, §§ 84-85). 6 B.1.
  21. Aangezien artikel 235bis als enige mogelijke sancties de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering (artikel 235bis, § 5) en de nietigheid « van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging » (artikel 235bis, § 6) vermeldt, vermocht de verwijzende rechter redelijkerwijze ervan uit te gaan dat het onderzoeksgerecht dat de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering kon uitspreken. Daarom stelde hij het Hof een vraag betreffende artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, dat de vonnisrechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, niet een dergelijke mogelijkheid geeft. B.1.
  22. In drie recente arresten verduidelijkte het Hof van Cassatie evenwel zijn rechtspraak : « Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij schending van het verdrag een passende rechtshulp te verlenen, vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder het recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, onaantastbaar oordeelt welke het passende rechtsherstel is. Het kan daartoe oordelen dat dit rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de verwijzingsrechter dit gegeven in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak » (Cass., 27 oktober 2009, P.09.0901.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3). « Het onderzoeksgerecht dat beslist over de regeling van de rechtspleging, kan nochtans ook over de overschrijding van de redelijke termijn oordelen. Alleen wanneer het oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is, kan het hem van rechtsvervolging ontslaan. Aldus wordt de verdachte overeenkomstig artikel 13 EVRM daadwerkelijke rechtshulp geboden om door het vonnisgerecht en eventueel, onder de hierboven vermelde beperking, door het onderzoeksgerecht een miskenning van zijn recht op een proces binnen redelijke termijn te doen vaststellen. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft evenwel niet de bevoegdheid om louter omwille van de overschrijding van de redelijke termijn het verval van de strafvordering uit te spreken waarbij dan nog de burgerlijke rechtsvordering zonder meer wordt ter zijde geschoven » (Cass., 24 november 2009, P.09.0930.N). « Wanneer het onderzoeksgerecht oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering 7 meer mogelijk is en hij van rechtsvervolging wordt ontslagen, moet het preciseren tegen welke bewijsmiddelen en waarom de verdachte zich niet meer behoorlijk zou kunnen verdedigen. Deze motivering moet het Hof toelaten te toetsen of de kamer van inbeschuldigingstelling wettig heeft kunnen oordelen, zoals zij dat heeft gedaan » (Cass., 24 november 2009, P.09.1080.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9). B.
  23. De strekking van de in B.1.4 vermelde arresten heeft als gevolg dat het door de verwijzende rechter opgeworpen verschil in behandeling niet meer bestaat, aangezien in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die niet als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », de onderzoeksgerechten noch de vonnisgerechten vermogen het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken. Ook in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die wel als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », bestaat er geen verschil in behandeling tussen de verdachte voor het onderzoeksgerecht en de beklaagde voor de vonnisrechter. De vonnisrechter dient immers, indien de bewijsvoering onmogelijk is geworden, de beklaagde vrij te spreken en, indien het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar is aangetast, dient hij de onontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen. B.
  24. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 februari
  25. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.016 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.20 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080408.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.