id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.017 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100225.1 Arrest- Rolnummer: 17/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-07-02 17:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 197 van het Strafwetboek, artikel 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, aldus geïnterpreteerd dat het misdrijf van gebruik van valse stukken blijft voortduren, zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte, schenden niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 193, 196 en 197 van het Strafwetboek, artikel 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de artikelen 21, 22 en 23 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Gent. Strafrecht -
- Wettigheidsbeginsel in strafzaken - Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten -
- Voortdurend misdrijf - Valsheid in geschriften, gevolgd door gebruik van het valse stuk. # Strafrechtspleging - Strafvordering - Verjaringstermijn - Aanvang - Voortdurend misdrijf - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 450 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 193 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 196 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 197 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 23 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - 73bis - 32 Link Justel databank 19690703-32 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 12,L2 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4676 Arrest nr. 17/2010 van 25 februari 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 193, 196 en 197 van het Strafwetboek, artikel 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de artikelen 21, 22 en 23 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 maart 2009 in zake het openbaar ministerie tegen H. D.G. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 april 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 193, 196 en 197 Sw, 73bis BTW en 450 WIB en de artikelen 21, 22 en 23 V.T.Sv. het grondwettelijke legaliteitsbeginsel zoals verwoord in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens inzoverre zij worden geïnterpreteerd in die zin dat het misdrijf van gebruik van valse stukken wordt gekwalificeerd als een voortdurend misdrijf doordat het gebruik blijft voortduren zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte ? ». De procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, H. D.G., Y.D., S.S., de minister van Financiën, G.V. en de Ministerraad hebben ieder een memorie ingediend. H. D.G., Y.D., S.S. en de Ministerraad hebben ook memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 12 januari 2010 : - zijn verschenen : . Mr. J. Meese, tevens loco Mr. W. Van Steenbrugge, advocaten bij de balie te Gent, voor H. D.G.; . Mr. P. Arnou, advocaat bij de balie te Brugge, voor Y.D. en S.S.; . Mr. C. Decordier, advocaat bij de balie te Gent, voor de minister van Financiën; . Mr. R. Tournicourt, advocaat bij de balie te Brussel, voor G.V.; . Mr. C. Raymaekers, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de Correctionele Rechtbank te Gent staan een veertigtal beklaagden terecht voor, onder meer, het plegen van het misdrijf van gebruik van valse stukken. De Rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie, de burgerlijke partijen en de verdediging zeer uiteenlopende standpunten innemen met betrekking tot de verjaring van de strafvordering en dat dit het gevolg is van het feit dat er onenigheid bestaat over de vraag of het misdrijf van gebruik van valse stukken dient te worden gekwalificeerd als een aflopend dan wel als een voortdurend misdrijf. Volgens de Rechtbank werd het misdrijf tot in 1932 door de rechtsleer en de rechtspraak gekwalificeerd als een aflopend misdrijf. Vanaf dat ogenblik ontstond er in de rechtspraak van het Hof van Cassatie een kentering die heeft geleid tot de huidige opvatting van dat Hof, volgens welke het gebruik van valse stukken voortduurt, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaald optreden van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte. Vermits de door het Hof van Cassatie gegeven interpretatie van het misdrijf wordt betwist in de rechtsleer, achtte de Rechtbank het nodig de hierboven vermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- Ten aanzien van de tussenkomst A.1.
- G.V. wenst tussen te komen in het hangende geding en verwijst daarbij naar rechtspraak van het Hof, volgens welke moet worden aangenomen dat de personen die het afdoende bewijs leveren van het rechtstreekse gevolg dat het antwoord dat het Hof op een prejudiciële vraag zal geven, op hun persoonlijke situatie kan hebben, doen blijken van een belang om voor het Hof tussen te komen. Hij wijst erop dat de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel in een vordering van 23 november 2006 heeft gevraagd hem te verwijzen naar de Correctionele Rechtbank wegens het plegen van het misdrijf van gebruik van valse stukken. Uit die vordering blijkt dat de procureur het desbetreffende misdrijf kwalificeert als een voortdurend misdrijf. In zoverre het Hof in de huidige zaak zou vaststellen dat er sprake is van een schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zou dit een belangrijke invloed hebben op de tegen hem ingestelde vordering. G.V. meent dat hij om die reden belang heeft om tussen te komen in het geding. Minstens zou hij belang hebben omdat hij de intentie heeft om dezelfde prejudiciële vraag te laten stellen. A.1.
- De Ministerraad meent dat G.V. niet doet blijken van een belang in de zaak waarin de verwijzing is gelast en dat het niet volstaat dat hij een belang zou hebben in een analoge zaak. Ten gronde A.2.
- De procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Gent is in hoofdorde van oordeel dat de gestelde prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien ze de interpretatie betreft die het Hof van Cassatie geeft aan de in het geding zijnde bepalingen, en dus niet die bepalingen op zich. Volgens hem is het Hof niet bevoegd om zich uit te spreken over interpretaties van wetten door de rechtspraak. A.2.
- In ondergeschikte orde is de procureur des Konings van oordeel dat het Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met een identiek onderwerp, meer bepaald in het arrest nr. 199/2005 van 21 december 2005, en dat op de huidige vraag op dezelfde wijze kan worden geantwoord. Ofschoon de in die zaak gestelde vraag enigszins anders was geformuleerd, blijkt duidelijk dat ze betrekking had op de bestaanbaarheid met het wettigheidsbeginsel in strafzaken van de erin opgesomde wetsartikelen, in de interpretatie dat het misdrijf van gebruik van valse stukken dient te worden gekwalificeerd als een voortdurend misdrijf. Zowel in de huidige zaak als in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 199/2005 werd de vraag gesteld omdat de desbetreffende kwalificatie gevolgen heeft op het vlak van de verjaring van de strafvordering. 4 A.3.
- Y.D., beklaagde voor de verwijzende rechter, meent dat de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar zijn met het wettigheidsbeginsel in strafzaken en verwijst daarbij naar rechtsleer volgens welke de kwalificatie als voortdurend misdrijf moet blijken uit de wijze waarop het misdrijf in de wet is omschreven. Volgens hem bevat de tekst van artikel 197 van het Strafwetboek geen enkele indicatie in die richting. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt integendeel dat de wetgever het gebruik van valse stukken veeleer als een aflopend misdrijf heeft beschouwd. Ook de Franse rechtsleer kwalificeert het misdrijf op die manier. De visie van het Hof van Cassatie houdt in dat het gebruik van valse stukken geen aflopend, maar een voortdurend misdrijf is. Het misdrijf viseert aldus niet langer de gedraging van het aanwenden van de stukken, maar wel de toestand die erin bestaat dat de waarheidsvermomming uitwerking kan krijgen. Die interpretatie is niet bestaanbaar met het wettigheidsbeginsel in strafzaken, dat verbiedt dat een toestand strafbaar is zonder dat dit uit de wet blijkt. Bovendien is dat beginsel eveneens geschonden doordat de interpretatie van het Hof van Cassatie onvoldoende afgrenzende kracht heeft; die interpretatie is immers gebaseerd op uiterst vage criteria zoals het beoogde doel en de uitwerking van de waarheidsvermomming. A.3.
- Y.D. is van oordeel dat het arrest nr. 199/2005 van het Hof te dezen niet relevant is, aangezien het in dat arrest ging over het verjaringsstelsel dat wordt gehanteerd bij collectieve misdrijven, en niet over de kwalificatie van het misdrijf van gebruik van valse stukken als een voortdurend misdrijf. Wat de door de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Gent aangevoerde exceptie van onbevoegdheid betreft, is hij van oordeel dat het Hof wel degelijk bevoegd is om zich uit te spreken over de vraag of een wettelijke norm in een bepaalde interpretatie bestaanbaar is met de Grondwet. A.4.
- Volgens H. D.G., beklaagde voor de verwijzende rechter, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de rechter zich in werkelijkheid twee vragen stelt. De eerste vraag betreft de bestaanbaarheid van de kwalificatie van het gebruik van valse stukken als voortdurend misdrijf met het wettigheidsbeginsel, de tweede de vraag of de interpretatie van het Hof van Cassatie wel voldoende afgrenzende kracht heeft, zoals vereist door dat beginsel. A.4.2.
- Wat de eerste vraag betreft, is H. D.G van oordeel dat de kwalificatie als voortdurend misdrijf niet bestaanbaar is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Hij wijst erop dat het Hof van Cassatie het gebruik van valse stukken oorspronkelijk heeft gekwalificeerd als een aflopend misdrijf. In de regel is elk misdrijf overigens aflopend, tenzij de wetgever duidelijk heeft gemaakt dat het om een voortdurend misdrijf gaat. Pas later is het Hof op zijn eerdere rechtspraak teruggekomen en werd het misdrijf gekwalificeerd als voortdurend. De « duur-formule » werd bovendien doorheen de jaren steeds ruimer geïnterpreteerd. Zo werd medio de jaren negentig door het Hof van Cassatie gesteld dat het gebruik van valse fiscale stukken geen einde neemt door het enkele feit dat de fiscus een standpunt inneemt ten aanzien van die valse stukken, noch door het feit dat de administratie het gebruik van valse stukken heeft vastgesteld en op grond daarvan een aanslagprocedure instelt. In de rechtsleer wordt verduidelijkt dat met die uitspraken het determinerende criterium wordt gesitueerd bij het « nuttige effect » dat lijkt te moeten worden ingevuld als de misleiding van de fiscus : zolang de fiscus wordt misleid, behoudt het valse stuk zijn nuttig effect. A.4.2.
- H. D.G. wijst erop dat de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Cassatie veelvuldig werd bekritiseerd in de rechtsleer, onder meer op grond van het feit dat de auteurs van het Strafwetboek met het gebruik van valse stukken een aflopend misdrijf op het oog zouden hebben gehad. Bovendien wijst hij erop dat de wetgever ook nu een voorkeur doet gelden voor de kwalificatie als aflopend misdrijf, aangezien het gebruik van valse stukken in het ontwerp van Wetboek van strafprocesrecht, overgezonden door de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers op 2 december 2005, wordt omschreven als een aflopend misdrijf. De Hoge Raad voor de Justitie was het desbetreffende voorstel weliswaar niet erg genegen, maar de Senaat heeft de kritiek van de Hoge Raad naast zich neergelegd. Ten slotte verwijst hij ook naar een conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie voorafgaand aan een arrest van dat Hof van 21 mei 2008, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook op het niveau van dat Hof het besef begint te groeien dat de rechtspraak niet in overeenstemming is met de tekst van de wet. A.4.2.
- Volgens H. D.G. betekent « gebruiken » het zich bedienen van iets als middel tot een bepaald doel. Opdat er kan worden gesproken van een gebruik, hoeft de handeling niet noodzakelijk enig effect te hebben. De vaststelling dat het gebruik van een vals stuk, zelfs wanneer het beoogde doel werd bereikt, voortduurt indien het nog nuttige gevolgen kan hebben, staat in schril contrast met de taalkundige betekenis van « gebruik », waarbij het doel niet hoeft te zijn bereikt en er geenszins sprake is van een vereiste van een « nuttig gevolg ». Daaruit volgt volgens H. D.G. dat de « duur-formule » die door het Hof van Cassatie is ontwikkeld niet in artikel 197 van het Strafwetboek is terug te vinden. 5 A.4.2.
- Met betrekking tot het eerste aspect van het wettigheidsbeginsel, besluit H. D.G. dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord, indien de in het geding zijnde bepalingen aldus worden geïnterpreteerd dat het gebruik van valse stukken wordt beschouwd als een voortdurend misdrijf. Worden die bepalingen evenwel geïnterpreteerd in die zin dat het een aflopend misdrijf is, dan is er geen schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken. A.4.
- Wat het tweede aspect van het wettigheidsbeginsel betreft, meent H. D.G. dat, door de duur van het gebruik te koppelen aan het beoogde doel en aan de uitwerking van de waarheidsvermomming, een uiterst vaag criterium in het leven werd geroepen dat leidt tot een verregaande beoordelingsvrijheid voor de feitenrechters en bijgevolg tot zeer uiteenlopende rechtspraak. Het desbetreffende criterium biedt de feitenrechters en de rechtsonderhorigen weinig houvast om het einde van het strafbare feit vast te stellen. Dit wordt overigens nog versterkt door het feit dat, volgens het Hof van Cassatie, de dader van de valsheid ook strafrechtelijk verantwoordelijk is voor het gebruik van het valse stuk dat de door hem voorziene en gewilde voortzetting is van de valsheid, zelfs indien van dat valse stuk gebruik wordt gemaakt door een derde. De prejudiciële vraag dient bijgevolg, ook wat het tweede aspect ervan betreft, bevestigend te worden beantwoord. A.4.
- Wat de door de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Gent aangevoerde exceptie van onbevoegdheid betreft, is H. D.G. van oordeel dat het Hof wel degelijk bevoegd is om zich uit te spreken over de vraag of een wettelijke norm in een bepaalde interpretatie bestaanbaar is met de Grondwet. Bovendien is hij van oordeel dat het door de procureur aangehaalde arrest nr. 199/2005 een ander onderwerp had. A.5.
- S.S., beklaagde voor de verwijzende rechter, meent dat de huidige prejudiciële vraag nog niet werd beantwoord door het Hof. Het arrest nr. 199/2005 van 21 december 2005 betrof weliswaar een gelijksoortige problematiek, maar de daarbij beantwoorde vraag had geen betrekking op de kwalificatie van het gebruik van valse stukken als voortdurend misdrijf, wel op de verjaringsregels bij samenloop tussen valsheid en het gebruik van valse stukken. A.5.
- S.S. wijst erop dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie niet in overeenstemming is met de tekst van de in het geding zijnde bepalingen en dat, vóór het ontstaan van die rechtspraak, ervan werd uitgegaan dat het gebruik van valse stukken een aflopend misdrijf was. Hij is van oordeel dat het wettigheidsbeginsel in strafzaken vereist dat uit de bewoordingen van de wet kan worden afgeleid of het misdrijf aflopend of voortdurend is, en, in geval van een voortdurend misdrijf, wanneer het voltooid is. A.5.
- S.S. zet uiteen dat de term « gebruik », die niet in het Strafwetboek wordt gedefinieerd, moet worden geïnterpreteerd, zij het dat die interpretatie ertoe moet leiden dat enkel kan worden gestraft wat strafbaar is op grond van de tekst van de wet, en wat strafbaar werd vooropgesteld door de wetgever. Vermits de term niet is gedefinieerd, dient hij te worden geïnterpreteerd in de normale betekenis ervan. Daarbij moet echter ook rekening worden gehouden met de wil van de wetgever. De interpretatie die het Hof van Cassatie aan de term « gebruik » geeft, is niet in overeenstemming met de wil van de wetgever, noch met het gewone taalgebruik. Het gebruik van valse stukken is overigens een opzettelijk misdrijf, waarbij de dader de wil moet hebben om het stuk te gebruiken. Hij moet wetens en willens een daad van gebruik stellen. Nergens kan uit worden afgeleid dat de wetgever de daad van gebruik heeft willen laten blijven duren, zolang het beoogde voordeel blijft duren. De interpretatie van het Hof van Cassatie stelt een toestand strafbaar, terwijl de wetgever een handeling strafbaar heeft willen stellen. Bovendien, indien zou worden aanvaard dat het wel degelijk om een voortdurend misdrijf gaat, is het absoluut niet duidelijk hoelang het misdrijf blijft duren. Het is juist dat het tot de beoordelingsbevoegdheid van de rechter behoort om uit te maken wanneer een misdrijf ophoudt te bestaan, maar die beoordeling moet terug te koppelen zijn aan een wettekst. Anders wordt de beoordeling willekeurig, wat manifest in strijd is met het wettigheidsbeginsel. A.5.
- Wat de door de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Gent aangevoerde exceptie van onbevoegdheid betreft, is S.S. van oordeel dat het Hof wel degelijk bevoegd is om zich uit te spreken over de vraag of een wettelijke norm in een bepaalde interpretatie bestaanbaar is met de Grondwet. A.6.
- De Ministerraad zet uiteen dat het gebruik van valse stukken, sinds een arrest van het Hof van Cassatie van 4 juli 1932, door de rechtspraak wordt gekwalificeerd als een voortdurend misdrijf. De rechtspraak van het Hof van Cassatie is op dat vlak constant. Het einde van het laatste gebruik doet de verjaring lopen. Bovendien vereist de notie « gebruik » geen materieel optreden van de dader. Zelfs het feit dat het stuk zich buiten het materiële bereik van de dader bevindt, belet het « gebruik » niet. Wel dient, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, de duur van het gebruik te worden beperkt tot de periode waarin het valse stuk een 6 rechtstreeks effect sorteert. Indien het effect een gevolg is van een latere juridisch onderscheiden oorzaak, is het geen gevolg meer van het misdrijf (zoals de geldige benoemingshandeling op grond van een vals diploma). A.6.
- Volgens de Ministerraad is een voortdurend misdrijf een misdrijf bestaande uit een ononderbroken en door de dader bestendigde delictuele toestand. Of een misdrijf aflopend dan wel voortdurend is, moet blijken uit de aard ervan of uit de tekst van de wet. Te dezen dient te worden vastgesteld dat het Strafwetboek zelf geen aanwijzingen bevat over de aard van het misdrijf. Ook de artikelen 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW-Wetboek) en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) bevatten op dat vlak geen aanwijzingen. Volgens de Ministerraad bevat de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen evenmin enige aanwijzing. Bij gebrek aan een uitdrukkelijke vermelding in de wet of een uitdrukkelijke passage in de parlementaire voorbereiding staat het, volgens de Ministerraad, aan de rechtspraak om uit de wet de aard van het misdrijf af te leiden. Overwegingen betreffende de taalkundige interpretatie van het woord « gebruik » zijn niet dienstig, vermits het toekomt aan de verwijzende rechter om de desbetreffende misdrijven te interpreteren. Vermits de kwalificatie als voortdurend misdrijf wordt geschraagd door een constante rechtspraak van het Hof van Cassatie, kan niet worden gesteld dat de gevolgen van het misdrijf onvoorzienbaar zouden zijn. Het feit dat het misdrijf niet gemakkelijk verjaart, is allicht vervelend voor de betrokkenen, doch zij weten dit vooraf. Zij kunnen bijgevolg de gevolgen van hun daden inschatten. A.6.
- De Ministerraad wijst erop dat een groot deel van de rechtsleer de kwalificatie van het gebruik van valse stukken als voortdurend misdrijf heeft onderschreven. Hij erkent niettemin dat bepaalde auteurs een andere mening zijn toegedaan. Die auteurs opteren voor de kwalificatie als aflopend misdrijf, onder meer omdat de in de rechtspraak van het Hof van Cassatie gehanteerde « duur-formule » te vaag zou zijn. Daarbij wordt ook vaak verwezen naar Franse rechtsleer. De Ministerraad is van oordeel dat de argumenten van die auteurs niet overtuigen. Franse rechtsleer is volgens hem niet dienstig, vermits ze niet handelt over de Belgische wet. Sommige auteurs zijn van oordeel dat uit de parlementaire voorbereiding van het Strafwetboek blijkt dat de wetgever het gebruik van valse stukken « veeleer » als een ogenblikkelijke gedraging heeft beschouwd. Daardoor geven die auteurs evenwel impliciet toe dat de parlementaire voorbereiding geen uitsluitsel geeft over de aard van het misdrijf. De Ministerraad meent overigens dat uit de parlementaire voorbereiding van het Strafwetboek geenszins kan worden afgeleid dat de wetgever het gebruik « veeleer » als een ogenblikkelijke gedraging heeft beschouwd. In de parlementaire voorbereiding van het BTW-Wetboek en van het WIB 1992 is volgens de Ministerraad evenmin enige aanwijzing terug te vinden. In het verslag van de bespreking in de Kamer van volksvertegenwoordigers betreffende artikel 72 van het BTW-Wetboek, tijdens de zitting 1968-1969, wordt echter wel verwezen naar rechtspraak van het Hof van Cassatie. Ofschoon die rechtspraak een andere problematiek betreft, geeft die verwijzing volgens de Ministerraad aan dat de wetgever zich bewust was van de rechtspraak van het Hof van Cassatie op het vlak van het voortdurend karakter van het misdrijf van gebruik van valse stukken. A.6.
- De Ministerraad wijst erop dat in het wetsontwerp houdende het Wetboek van strafprocesrecht, overgezonden door de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers op 2 december 2005, het misdrijf van gebruik van valse stukken wordt omschreven als een aflopend misdrijf. De Hoge Raad voor de Justitie is het evenwel niet eens met die nieuwe omschrijving. De Hoge Raad achtte het « noodzakelijk voor het onderzoek dat inzake valsheid in geschrifte het tijdstip waarop de verjaring van de strafvordering aanvangt, niet wordt vervroegd ». Daaruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat de huidige interpretatie niet alleen correct is, maar ook opportuun. A.6.
- De Ministerraad is van oordeel dat het interpreteren van de wet in die zin dat het gebruik van valse stukken een voortdurend misdrijf is, niet kan worden beschouwd als een ontoelaatbaar ruime interpretatie van de strafwet. Het is voor elke persoon bepaalbaar hoelang hij gebruik maakt van het valse stuk, namelijk hoelang het stuk in kwestie het beoogde effect heeft. Het staat daarbij uiteindelijk aan de feitenrechter om uit te maken tot wanneer het misdrijf heeft geduurd, meer bepaald wanneer het nuttige gebruik is gestopt. Volgens de Ministerraad stelt het Hof van Cassatie de definitieve vestiging van de belasting als uiterste datum voor het einde van het gebruik, zij het dat dit niet als een algemene regel geldt. Uit andere elementen kan blijken dat het nuttige effect vroeger is gestopt. De belastingplichtige heeft bovendien steeds de mogelijkheid te verzaken aan de gevolgen van de door hem aangewende stukken. Op die wijze stopt hij het gebruik en begint de verjaring te lopen. Dit is, volgens de Ministerraad, volstrekt in overeenstemming met het wettigheidsbeginsel. 7 A.6.
- In tegenstelling tot andere partijen is de Ministerraad van oordeel dat de vraag niet kan worden opgesplitst in twee delen. Het komt immers niet toe aan de partijen om de door de verwijzende rechter gestelde vraag te herformuleren. Hij is bovendien van oordeel dat het onderscheid dat andere partijen maken met het arrest nr. 199/2005 van 21 december 2005 kunstmatig is, vermits de in dat arrest beantwoorde vraag handelde over de gevolgen van het feit dat de misdrijven van valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken als een collectief misdrijf worden beschouwd, dat blijft voortduren zolang het beoogde doel blijft bestaan. Die gevolgen houden meer bepaald in dat de verjaring van dat collectieve misdrijf pas begint te lopen zodra dat doel niet meer bestaat. Ook thans trekt de verwijzende rechter het verjaringsstelsel van het gebruik van valse stukken in twijfel. In de vraag wordt verwezen naar de beweerde onvoorspelbaarheid van het verjaringsstelsel. In het aangehaalde arrest heeft het Hof die « onvoorspelbaarheid » echter grondwettig geacht (B.11.4). A.
- De Belgische Staat, in de hoedanigheid van burgerlijke partij in de bij de verwijzende rechter hangende zaak, is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Hij verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgens welke het wettigheidsbeginsel niet verbiedt dat de rechter de strafwet interpreteert. De wetten vertonen immers noodzakelijkerwijze een bepaalde algemeenheid in hun bewoordingen. Volgens de Belgische Staat heeft het Hof reeds een arrest gewezen op een prejudiciële vraag met hetzelfde onderwerp, meer bepaald het arrest nr. 199/2005 van 21 december
- Daaruit blijkt dat er geen sprake is van een schending van het wettigheidsbeginsel. Bovendien kan niet worden gesteld dat de feitenrechter vrij is om het aanvangspunt van de verjaring van de strafvordering vast te stellen. Hij oordeelt alleen op grond van de feitelijke elementen van de zaak. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter om op grond van de strafrechtelijke bepalingen uit te maken wanneer een misdrijf ophoudt te bestaan en wanneer dienovereenkomstig de verjaringstermijn begint te lopen. A.8.
- G.V. is van oordeel dat de kwalificatie als voortdurend misdrijf moet blijken uit de wet. Het strafrecht viseert in de regel enkel ogenblikkelijke gedragingen en slechts bij uitzondering voortdurende toestanden. Omdat de erkenning van het voortdurend karakter van een misdrijf in de praktijk vaak ertoe leidt dat het betrokken misdrijf onverjaarbaar wordt, moet de rechtsfiguur, volgens G.V., met voldoende terughoudendheid worden toegepast en zou, bij stilzwijgen van de wetgever, de voorkeur moeten uitgaan naar de kwalificatie als aflopend misdrijf. Hij wijst nog erop dat de kwalificatie van het gebruik van valse stukken als een voortdurend misdrijf in de rechtsleer wordt bekritiseerd. A.8.
- Volgens G.V. heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het gebruik van valse stukken die tot staving van een belastingaangifte worden aangewend, in de regel slechts zijn nuttig effect verliest bij de definitieve vaststelling van de belasting en dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan doordat de administratie voordien het gebruik van valse stukken door de belastingplichtige heeft vastgesteld en op grond daarvan de aanslagprocedure heeft ingeleid. Die rechtspraak is volgens G.V. problematisch, omdat ze de facto leidt tot de onverjaarbaarheid van de strafvordering en omdat de delictuele toestand niet meer afhankelijk is van de wil van de dader, maar van de wil van de taxatieambtenaar. Wanneer deze niet tot inkohiering van de aanslag overgaat, laat hij de delictuele toestand voortduren en dwingt hij de belastingplichtige een misdrijf te begaan. Zelfs wanneer de belastingplichtige een bijkomende aangifte zou indienen, dan nog kan de administratie de inkohiering uitstellen tot twaalf maanden na de definitieve strafrechtelijke veroordeling (artikel 358, § 1, 3°, en § 2, 3°, van het WIB 1992). Daarbij komt nog dat het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het gebruik van valse stukken verder uitwerking blijft hebben in de situatie waarin de belastingplichtige administratief beroep instelt tegen de litigieuze aanslag, waarover de belastingadministratie niet wil beslissen vooraleer de strafrechtspleging is afgelopen. Indien hij het bezwaar handhaaft, blijft hij dus een misdrijf plegen; indien hij afziet van het bezwaar en de aanvullende aanslag aanvaardt, stopt het misdrijf, maar dat leidt dan weer tot een schending van de rechten van verdediging, van het vermoeden van onschuld en van het recht niet te worden gedwongen te getuigen tegen zichzelf of een bekentenis af te leggen. A.8.
- Volgens G.V. vereist het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld. Hij verwijst daarbij naar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, van het Hof van Cassatie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hij verwijst ook naar adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarin onder meer werd geoordeeld dat de wetgever voor het strafbare feit nauwkeurig dient aan te geven waarin het bestaat, zonder dat voor de interpretatie naar de memorie van toelichting moet of kan worden verwezen. Het wettigheidsbeginsel vereist bovendien dat de rechter de strafwet strikt interpreteert. Hij mag de strafwet niet uitbreiden, zo niet gedraagt hij zich als wetgever. Door een aflopend misdrijf te interpreteren als een voortdurend misdrijf, wordt de strafbaarstelling uitgebreid. Een dergelijke uitbreiding is niet mogelijk zonder een wettelijke verankering. Volgens G.V. was - en is - het de bedoeling van de wetgever om het gebruik van valse stukken te kwalificeren als een aflopend misdrijf. Aangezien de kwalificatie als voortdurend misdrijf louter van 8 jurisprudentiële origine is, en aangezien die kwalificatie geen steun vindt in de wet, noch in de parlementaire voorbereiding, noch in de rechtsleer, kan niet anders dan worden besloten dat ze in strijd is met het wettigheidsbeginsel. Doordat de fiscale administratie de aanvang van de verjaring kan beïnvloeden, is deze onvoorspelbaar, zodat eveneens niet is voldaan aan de vereiste van voorzienbaarheid. Bovendien is de rechtspraak van het Hof van Cassatie gebaseerd op uiterst vage criteria (het beoogde doel, het nuttige gevolg, enz.) zodat de rechtsonderhorige onmogelijk met zekerheid kan bepalen of er bij hem al dan niet nog sprake is van een verder durende toestand van strafbaar gebruik. A.8.
- G.V. is ten slotte van oordeel dat de prejudiciële vraag die heeft geleid tot het arrest nr. 199/2005 van het Hof een andere draagwijdte had dan de in de huidige zaak gestelde vraag. -B- Wat de draagwijdte van de prejudiciële vraag betreft B.
- De verwijzende rechter vraagt of de artikelen 193, 196 en 197 van het Strafwetboek, artikel 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW-Wetboek), artikel 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) en de artikelen 21, 22 en 23 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, in de interpretatie dat het « gebruik van valse stukken » een voordurend misdrijf is - doordat het gebruik blijft voortduren, zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte -, bestaanbaar zijn met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Het Hof wordt niet gevraagd de rechtspraak van het Hof van Cassatie te toetsen aan de in de prejudiciële vraag aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen, wel de in het geding zijnde bepalingen, in de aangegeven interpretatie, te toetsen aan die grondwets- en verdragsbepalingen. Wanneer een rechter het Hof ondervraagt over de grondwettigheid van bepalingen in een bepaalde interpretatie, antwoordt het Hof, in de regel, op de vraag door die bepalingen in die interpretatie te onderzoeken. 9 Wat de in het geding zijnde bepalingen betreft B.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en de wijze waarop de prejudiciële vraag is geformuleerd, blijkt dat die vraag in werkelijkheid enkel de wetsbepalingen betreft die het « gebruik van valse stukken » strafbaar stellen, namelijk artikel 197 van het Strafwetboek, artikel 73bis van het BTW-Wetboek en artikel 450 van het WIB
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die artikelen. B.4.
- Uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat die artikelen aan het Hof worden voorgelegd in hun huidige redactie. B.4.
- Artikel 197 van het Strafwetboek bepaalt : « In alle gevallen in deze afdeling vermeld, wordt hij die gebruik maakt van de valse akte of van het valse stuk, gestraft alsof hij de dader van de valsheid was ». B.4.
- Artikel 73bis van het BTW-Wetboek, laatst gewijzigd bij artikel 49 van de programmawet (I) van 27 december 2006, bepaalt : « Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 EUR tot 125.000 EUR of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 73 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt. Hij die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 125.000 EUR of met één van die straffen alleen ». B.4.
- Artikel 450 van het WIB 1992, laatst gewijzigd bij artikel 36 van de programmawet (I) van 27 december 2006, bepaalt : « Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 EUR tot 125.000 EUR of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 449 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt. 10 Hij die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 125.000 EUR of met één van die straffen alleen ». Wat de ontvankelijkheid van de memorie van tussenkomst betreft B.
- De Ministerraad is van oordeel dat de partij die vraagt om tussen te komen niet doet blijken van het vereiste belang om tussen te komen in het geding. B.
- Ofschoon moet worden vermeden dat voor het Hof personen in rechte treden die slechts een hypothetisch belang hebben bij de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen, dient het Hof rekening te houden met het versterkte gezag van gewijsde dat voortvloeit uit artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en ervoor te zorgen dat prejudiciële vragen met betrekking tot identieke problemen niet worden vermenigvuldigd. Door toe te staan dat elke persoon die doet blijken van een belang de vernietiging kan vorderen van een bepaling waarvan het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft vastgesteld dat ze de Grondwet schendt, heeft artikel 4, tweede lid, dat in de bijzondere wet van 6 januari 1989 is ingevoerd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, het gevolg versterkt dat een op prejudiciële vraag gewezen arrest kan hebben voor de personen die geen partij waren bij dat arrest. Er dient dus te worden aangenomen dat de personen die het afdoende bewijs leveren van het rechtstreekse gevolg dat het antwoord dat het Hof op een prejudiciële vraag zal geven, op hun persoonlijke situatie kan hebben, doen blijken van een belang om voor het Hof tussen te komen. B.
- De partij die vraagt om tussen te komen wijst erop dat zij wordt vervolgd voor het plegen van het misdrijf van gebruik van valse stukken. Uit de haar betreffende vordering van de procureur des Konings blijkt dat hij dat misdrijf kwalificeert als een voortdurend misdrijf in de zin zoals aangegeven in de prejudiciële vraag. 11 Rekening houdend met die omstandigheden doet die partij blijken van een voldoende belang om in de onderhavige rechtspleging tussen te komen. Ten gronde B.8.
- De artikelen 12 en 14 van de Grondwet bepalen : « Art.
- De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren ». « Art.
- Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
- Dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend ». B.8.
- Op grond van artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om wetgevende normen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. Wanneer evenwel een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is met die van een of meer van de voormelde grondwetsbepalingen, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. 12 Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II of van de artikelen 170, 172 of 191 van de Grondwet, het Hof, bij zijn onderzoek, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. In zoverre het het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgt, heeft artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. B.8.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. B.8.
- Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. 13 B.8.
- Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.
- De kwalificatie van het « gebruik van valse stukken » als een voortdurend misdrijf vindt steun in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het gebruik voortduurt, zelfs zonder een nieuw feit van de dader van de valsheid en zonder herhaald optreden van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte (zie onder meer Cass. 4 juli 1932, Pas. 1932, I, p. 223; 11 januari 1960, Arr. Cass., 1960, p. 412; 6 februari 1979, Arr. Cass., 1978-79, p. 638; 4 maart 1986, Arr. Cass., 1985-86, nr. 423; 6 maart 2001, Arr. Cass., 2001, nr. 123; 7 februari 2007, P.06.1491.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070207.6). « Het strafbaar karakter van een gebruik van valse stukken voor de vervalser, vereist dus niet dat hij de duur ervan kon voorzien, het volstaat dat hij kon voorzien dat het valse stuk de door hem gewenste uitwerking zal hebben of zal kunnen hebben » (Cass., 7 februari 2007, voormeld). B.
- De kwalificatie als voortdurend, dan wel als aflopend misdrijf, heeft op zich geen invloed op het feit dat elke persoon weet dat hij kan worden vervolgd en veroordeeld indien zijn initiële gedraging samenvalt met de constitutieve elementen van het misdrijf dat door de in het geding zijnde bepalingen wordt bestraft. B.11.
- Die kwalificatie heeft wel gevolgen op het vlak van de verjaring van de strafvordering, die begint te lopen te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd (artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering), wat bij een voortdurend misdrijf pas het geval is wanneer de delictuele toestand is beëindigd. B.11.
- Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de strafrechter om uit te maken, op grond van de strafrechtelijke bepalingen, wanneer een misdrijf ophoudt te bestaan en wanneer dienovereenkomstig de verjaringstermijn begint te lopen. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken verzet zich niet ertegen dat de strafrechter, naar gelang van de verwezenlijking of 14 niet van het door de dader « nagestreefde doel » en het « nuttige gevolg » van zijn beginhandeling, het einde van het misdrijf van gebruik van valse stukken in feite bepaalt. B.11.
- De onvoorspelbaarheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat strafbaar was op het ogenblik dat de initiële strafbare handeling werd gesteld, nog met dezelfde straf zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van de door de dader verwachte termijn van verjaring, doordat het misdrijf, in tegenstelling tot wat de dader had gedacht, een voordurend karakter heeft, is niet van die aard dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Rekening houdend met de in B.9 aangehaalde vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, kan te dezen bovendien niet staande worden gehouden dat de rechtsonderhorige zich in de onmogelijkheid zou bevinden om vooraf op afdoende wijze in te schatten of het desbetreffende misdrijf een voortdurend karakter heeft. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 197 van het Strafwetboek, artikel 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, aldus geïnterpreteerd dat het misdrijf van gebruik van valse stukken blijft voortduren, zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte, schenden niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.017 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070207.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div