← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.019 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100225.3 Arrest- Rolnummer: 19/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2010-02-26 Raadplegingen: 679 - laatst gezien 2026-07-02 09:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Verhaalbaarheid Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Veroordeling van de verzekeraar van de veroordeelde tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet - 21-04-2007 - 9 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-09-1994 - 10 - 30 Link Justel databank 19940917-30 Grondwet 1994 - 17-09-1994 - 11 - 30 Link Justel databank 19940917-30 Tekst van de beslissing Rolnummers 4695, 4701 en 4709 Arrest nr. 19/2010 van 25 februari 2010 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnissen van 28 april, 5 en 12 mei 2009 in zake respectievelijk Jeanine Hubrechtsen en Dany Fraeyman tegen de nv « Axa Belgium », Machteld Lowagie tegen de nv « Dexia Verzekeringen » en Luc Flipts en Mia Leenknegt tegen de nv « Fortis Insurance Belgium », waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 5, 11 en 18 mei 2009, heeft de Politierechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007, het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank enkel de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding en dus niét de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij (verzekeringsmaatschappij), terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank wel moet (minstens kan) veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding zodra ze wordt aangemerkt als ‘ in het ongelijk gestelde partij ‘, en dit alles in de hypothese dat de strafrechtbank enkel de (vrijwillig of gedwongen tussengekomen) verzekeraar van de beklaagde heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding ? »;
  2. « Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007, samen gelezen met art. 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomsten, het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij samen gelezen, zoals gedaan door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 23 april 2009, voorzien dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn in solidum met de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij (verzekeringsmaatschappij) veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding, terwijl de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij, mede in het licht van het arrest van het Hof van Cassatie dd. 2 december 2008, daartoe niét kan veroordeeld worden in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank en enkel gericht tegen deze vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4695, 4701 en 4709 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de nv « Dexia Verzekeringen », met zetel te 1000 Brussel, Livingstonelaan 6; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 3 februari 2010 : - is verschenen : Mr. J. Mosselmans, tevens loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en M. Melchior verslag uitgebracht; 3 - is de voornoemde advocaat gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De drie bodemgeschillen betreffen de afhandeling van de burgerlijke belangen, nadat de Politierechtbank te Brugge bij eerdere tussenvonnissen Hilaire Aneca, Renato Pullara, respectievelijk Dirk Samyn had veroordeeld ingevolge door hen veroorzaakte verkeersongevallen. In de zaak nr. 4695 is de dader intussen overleden. Bijgevolg zijn de partijen, enerzijds, zijn vrijwillig tussenkomende verzekeraar, de nv « Axa Belgium », en, anderzijds, de slachtoffers, Dany Fraeyman en Jeanine Hubrechtsen. In de zaak nr. 4701 is de verzekeraar van Renato Pullara vrijwillig tussengekomen, en wordt die laatste bij de afhandeling van de burgerlijke belangen niet meer betrokken; de partijen zijn, enerzijds, de nv « Dexia Verzekeringen » en, anderzijds, het slachtoffer, Machteld Lowagie In de zaak nr. 4709 werden Dirk Samyn en zijn vrijwillig tussenkomende verzekeraar, de nv « Fortis Insurance Belgium », in 2004 in solidum veroordeeld tot het betalen van een deel van de schadevergoeding, en werd een geneesheer-deskundige aangesteld. In het bodemgeschil, waarin uitspraak wordt gedaan over de overige burgerlijke belangen, wordt Dirk Samyn niet meer betrokken; de partijen zijn, enerzijds, de nv « Fortis Insurance Belgium » en anderzijds de slachtoffers, de huwgemeenschap Luc Flipts-Mia Leenknegt en Willem Flipts. In de drie bodemgeschillen vorderen de slachtoffers krachtens artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering de betaling van een rechtsplegingsvergoeding lastens de vrijwillig tussenkomende verzekeraar. De verwijzende rechter verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie waarin wordt geoordeeld dat de tussenkomende partij niet kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij (Cass., 2 december 2008, P.08.0482.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.6). Hij wijst tevens op het arrest nr. 70/2009 van 23 april 2009, waarin het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat die omstandigheid niet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, maar hij merkt op dat het Hof zijn onderzoek in dat arrest heeft beperkt tot de hypothese waarin de beklaagde en diens verzekeraar in solidum zijn veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. Aangezien in de bodemgeschillen daarentegen enkel de vrijwillig tussenkomende verzekeraar wordt veroordeeld, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vragen, die betrekking hebben op die laatste hypothese. III. In rechte -A- Standpunt van de nv « Dexia Verzekeringen » A.
  3. Betreffende de eerste prejudiciële vraag merkt de nv « Dexia Verzekeringen » op dat artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is op de hypothese waarin alleen de verzekeraar voor de politierechtbank wordt gedagvaard voor de afhandeling van de burgerlijke belangen, aangezien die bepaling blijkens haar letterlijke tekst enkel kan worden toegepast wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht. Zij stelt dat als gevolg daarvan de strafrechter de verzekeraar niet kan veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding indien de burgerlijke partij de vordering enkel verder voert tegen de verzekeraar. 4 A.
  4. Het gegeven dat de burgerlijke rechtbank de verzekeraar in die omstandigheden wel tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding kan veroordelen, is volgens de nv « Dexia Verzekeringen » niet in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Zij verwijst daartoe naar het arrest nr. 66/2009, waarin het Hof als criterium zou hebben aangenomen dat dient te worden onderzocht welke procespartij de kosten van de in het gelijk gestelde partij heeft veroorzaakt. Dit kan volgens haar nooit de vrijwillig tussenkomende verzekeraar zijn. A.
  5. Bijkomend voert de nv « Dexia Verzekeringen » aan dat tussen de burgerlijke procedure en de strafprocedure wezenlijke verschillen bestaan. Ten eerste zouden voor de burgerlijke rechtbank alleen particuliere belangen worden beslecht, terwijl een door het openbaar ministerie ingestelde vordering voor de strafrechter betrekking zou hebben op het algemeen belang en de bestraffing van de niet-naleving van een gedragsnorm. Ten tweede zou de burgerlijke vordering die samen met een strafvordering voor de strafrechtbanken wordt gebracht, worden beheerst door de specifieke regels van het strafprocesrecht, terwijl dezelfde burgerlijke vordering die voor een burgerlijke rechtbank wordt gebracht, volgens de regels van het gerechtelijk privaatrecht zou verlopen. A.
  6. Betreffende de tweede prejudiciële vraag merkt de nv « Dexia Verzekeringen » op dat het al dan niet verder betrekken van de beklaagde in de procedure ter afhandeling van de burgerlijke belangen een objectief en duidelijk criterium is. Bovendien komt die keuze toe aan de burgerlijke partij zelf. Standpunt van de Ministerraad A.
  7. Betreffende de eerste prejudiciële vraag merkt de Ministerraad op dat de politierechtbank wel degelijk een rechtsplegingsvergoeding kan toekennen ten laste van de vrijwillig tussenkomende verzekeraar, ook indien alleen de verzekeraar bij de afhandeling van de burgerlijke belangen wordt betrokken. De politierechter doet in dat geval immers uitspraak als burgerlijke rechter. Hij voert immers aan dat artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst ook van toepassing is wanneer alleen de verzekeraar partij is bij de burgerlijke afhandeling van de zaak. De bewoordingen « onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn » houden volgens hem immers in dat de verzekeraar voor het strafgerecht steeds onder dezelfde voorwaarden in de zaak dient te worden betrokken als voor het burgerlijk gerecht. A.
  8. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad op dat de verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 2 december 2008 geen afbreuk doet aan wat hij in het kader van de eerste prejudiciële vraag heeft uiteengezet. In dat arrest deed het Hof van Cassatie immers alleen uitspraak over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, en niet over artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. -B- B.1.
  9. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Dat artikel 9 wijzigt, samen met de artikelen 8, 10, 11 en 12, verschillende bepalingen van het Wetboek van strafvordering, teneinde het beginsel van de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de door de strafgerechten berechte zaken. 5 B.1.
  10. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». B.
  11. Uit de vonnissen waarbij het Hof wordt ondervraagd, blijkt dat, in tegenstelling tot de vonnissen waarbij het Hof in het arrest nr. 70/2009 van 23 april 2009 werd ondervraagd, de verwijzende rechter niet de beklaagde en diens verzekeraar, vrijwillig tussenkomende partij, in solidum heeft veroordeeld tot het vergoeden van de burgerlijke partijen, maar dat bij de afhandeling van de burgerrechtelijke gevolgen van de strafrechtelijke veroordelingen enkel de verzekeraar betrokken was, en niet de veroordeelde. B.
  12. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de hypothese waarin, nadat het strafgerecht de verzekerde strafrechtelijk heeft veroordeeld, deze niet verder bij de afhandeling van de burgerlijke belangen wordt betrokken, zodat enkel de verzekeraar wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. In die hypothese zou, volgens de verwijzende rechter, geen rechtsplegingsvergoeding kunnen worden toegekend lastens de verzekeraar. B.
  13. Artikel 82, derde lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt : « De verzekeraar betaalt, zelfs boven de dekkingsgrenzen, de kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen, maar alleen in zover die kosten door hem of met zijn toestemming zijn gemaakt of, in geval van belangenconflict dat niet te wijten is aan de verzekerde, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt ». B.
  14. Artikel 89, § 5, van dezelfde wet bepaalt : « Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk 6 gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ». B.
  15. Krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. B.
  16. Aangezien de Politierechtbank oordeelt dat zij, indien zij zitting zou houden in burgerlijke zaken, de verzekeraar zou kunnen veroordelen tot een schadevergoeding en tot de rechtsplegingsvergoeding van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, kan zij, wanneer zij uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering terwijl zij zitting houdt in strafzaken, dezelfde veroordelingen uitspreken met toepassing van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992, ook al voorziet artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering niet expliciet in die hypothese (Cass., 4 maart 2009, P.08.1682.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090304.6). B.
  17. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het in de prejudiciële vragen vermelde verschil in behandeling niet bestaat. B.
  18. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 februari
  19. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.019 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090304.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.