id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.020 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100225.4 Arrest- Rolnummer: 20/2010 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-02-26 Raadplegingen: 255 - laatst gezien 2026-07-02 09:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 29, §§ 1 en 2, van de herstelwet van 31 juli 1984 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 29 van de herstelwet van 31 juli 1984, gesteld door het Hof van Cassatie. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Financiering - Solidariteitsbijdrage - Personeelsleden van instellingen van openbaar nut - Personeelsleden die een feitelijke vastheid van betrekking genieten. Wettelijke bepalingen: Wet - 31-07-1984 - 29,§1 - 30 ELI link Pub nr 1984021199 Wet - 31-07-1984 - 29,§2 - 30 ELI link Pub nr 1984021199 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4734 Arrest nr. 20/2010 van 25 februari 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 29 van de herstelwet van 31 juli 1984, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 25 mei 2009 in zake de cvba « ABC » tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 juni 2009, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 29, § 1 en § 2, van de Herstelwet van 31 juli 1984, juncto artikel 1,
- c)van het koninklijk besluit van 12 februari 1981 houdende uitvoering van artikel 1, § 6, van de Herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het : - eensdeels, enkel de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut ‘ als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut ’ aanwijst als zijnde zonder vastheid van betrekking in de zin van artikel 1, § 6, van de voormelde Herstelwet van 10 februari 1981 en derhalve als niet onderworpen aan de solidariteitsbijdrage in de zin van de Herstelwet van 10 februari 1981; - anderdeels, de contractuele personeelsleden van alle andere instellingen van openbaar nut dan deze ‘ als bedoeld bij artikel 1, A en B, […] van de voormelde wet van 16 maart 1954 ’ niet aanwijst als zijnde zonder vastheid van betrekking in de zin van artikel 1, § 6, van de voormelde Herstelwet van 10 februari 1981 en derhalve als wel onderworpen aan de solidariteitsbijdrage bepaald in die Herstelwet van 10 februari 1981 ? ». Memories zijn ingediend door : - de cvba « ABC », met zetel te 2050 Antwerpen, Reinaartlaan 8; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 3 februari 2010 : - zijn verschenen : . Mr. C. Lahaye, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. C. De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de cvba « ABC »; . Mr. B. Van Hyfte, tevens loco Mr. J. Vanden Eynde, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eiseres in cassatie, de cvba « ABC », is een sociale huisvestingsmaatschappij, in de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, erkend door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij. Op 10 februari 1989 wordt de cvba « ABC » gedagvaard door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : RSZ), voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, om de cvba « ABC » te horen veroordelen tot het betalen van achterstallige solidariteitsbijdragen. De vordering is gebaseerd op de herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector. Bij vonnis van 22 januari 1990 wordt de vordering gegrond verklaard en wordt de cvba « ABC » veroordeeld. Tegen dat vonnis wordt beroep ingesteld bij het Arbeidshof te Antwerpen, dat op 19 september 1997 beslist dat de vordering van de RSZ ongegrond is. Bij het Hof van Cassatie wordt een voorziening ingesteld; het Hof vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Bij arrest van 9 december 2004 verklaart het Arbeidshof de vordering van de RSZ ongegrond. Bij het Hof van Cassatie wordt opnieuw een voorziening ingesteld; het Hof vernietigt het arrest van het Arbeidshof te Brussel en verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Gent. Het Arbeidshof te Gent oordeelt, bij arrest van 10 september 2007, dat de vordering van de RSZ gegrond is, om twee redenen : enerzijds, dient de cvba « ABC » als een instelling van openbaar nut in de zin van artikel 1, § 3, c), van de herstelwet van 10 februari 1981 te worden beschouwd en, anderzijds, kan het personeel van de cvba « ABC » dat bij arbeidsovereenkomst was aangeworven, geen vrijstelling van de solidariteitsbijdragen genieten omdat de uitsluitings- of vrijstellingsregel van artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981 enkel geldt voor de instellingen van openbaar nut die voorkomen in de lijst vermeld in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. Tegen dat arrest wordt door de cvba « ABC » een voorziening in cassatie ingesteld. In een eerste middel werpt zij op dat het arrest van het Arbeidshof te Gent niet wettig kon oordelen dat zij te beschouwen was als een « instelling van openbaar nut » in de zin van de herstelwet van 10 februari 1981. In een tweede middel merkt de cvba « ABC » op dat, voor zover zij toch als een instelling van openbaar nut moet worden beschouwd, haar personeel de vrijstelling van artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981 moet kunnen genieten, zo niet zou er sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Bij arrest van 25 mei 2009 verklaart het Hof van Cassatie het eerste middel ongegrond en beslist, met betrekking tot het tweede middel, bovenvermelde prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.1. De eiseres in cassatie merkt op dat het doel van de herstelwet van 10 februari 1981 erin bestond tussen de personeelsleden in de openbare sector, ongeacht of zij statutair dan wel contractueel waren aangeworven, een solidariteit te bewerkstelligen, namelijk een solidariteit tussen degenen die een feitelijke vastheid van betrekking genoten en degenen die dat niet genoten. Degenen die een feitelijke vastheid van betrekking genoten, werden aan de solidariteitsbijdrage onderworpen, de anderen werden ervan vrijgesteld. Die vrijstellingsregel is ingeschreven in artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981. Overeenkomstig artikel 1, § 6, van de voormelde herstelwet is de solidariteitsbijdrage niet verschuldigd door personeelsleden die geen vastheid van betrekking hebben en stelt de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de categorieën vast waarop die niet van toepassing is. De cvba « ABC » is echter niet opgenomen in het koninklijk besluit van 12 februari 1981. 4 Artikel 29, § 1, van de herstelwet van 31 juli 1984 bepaalt dat artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981 in die zin moet worden geïnterpreteerd dat enkel de nominatim in de uitvoeringsbesluiten aangewezen categorieën van personeelsleden worden beschouwd als hebbende geen vastheid van betrekking en dus worden vrijgesteld van de solidariteitsbijdrage. A.1.2. Uit de reeds vermelde wets- en uitvoeringsbepalingen volgt, volgens de eiseres in cassatie, dat het contractueel aangeworven personeel van de cvba « ABC » de vrijstelling van de solidariteitsbijdrage niet kan genieten omdat in de lijst van de vrijgestelde categorieën geen melding wordt gemaakt van de personeelsleden van de erkende huisvestingsmaatschappijen, zoals de cvba « ABC ». Nochtans is het contractueel personeel van de cvba « ABC » vergelijkbaar met het contractueel aangeworven personeel van de instellingen van openbaar nut die vermeld zijn in de lijst van artikel 1, § 3, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, meer in het bijzonder met het contractueel personeel van de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting. Niet alleen vervult de cvba « ABC » een opdracht van algemeen nut die door de wet is bepaald en gelijk is aan de opdracht van de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, zij is tevens aan een gelijke controle overeenkomstig artikel 24 van de wet van 16 maart 1954 onderworpen als de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en het personeel van de cvba « ABC » wordt eveneens contractueel aangeworven. De enkele omstandigheid dat de cvba « ABC » een privaatrechtelijke vennootschap is, doet geen afbreuk aan die vergelijking, omdat talrijke instellingen van openbaar nut de privaatrechtelijke vorm hebben aangenomen (bijvoorbeeld de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij). A.1.3. Bovendien meent de eiseres in cassatie dat er geen pertinent onderscheidingscriterium of redelijke verantwoording bestaat. Bij gebrek aan enige objectieve en redelijke verantwoording om de contractuele personeelsleden in dienst van de cvba « ABC » ongunstiger te behandelen dan dezelfde categorie van personeelsleden van de instellingen die krachtens de wet uitdrukkelijk zijn vrijgesteld, wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. A.2.1. Volgens de Ministerraad bestond de ratio legis van de herstelwet van 10 februari 1981 erin de rijksbijdrage aan de RSZ te verlagen door bepaalde categorieën van werknemers in de overheidssector aan een solidariteitsbijdrage te onderwerpen, omdat zij een feitelijke vastheid van betrekking genieten. Het betrof een tijdelijke maatregel. Omdat de herstelwet van 10 februari 1981 tot verschillende interpretaties aanleiding gaf, werd door de wetgever besloten die te interpreteren in een nieuwe herstelwet. Door die nieuwe herstelwet werd niet alleen artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981 geïnterpreteerd, maar tevens werd de door de Koning vastgestelde lijst van categorieën van personeel die niet de vastheid van betrekking genoot, bekrachtigd. A.2.2. Aan het Hof wordt gevraagd de categorie van contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut bedoeld in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 te vergelijken met de categorie van contractuele personeelsleden van alle andere instellingen van openbaar nut dan die welke zijn bedoeld in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, in zoverre de eerste categorie niet en de tweede categorie wel onderworpen is aan de solidariteitsbijdrage. De Ministerraad merkt op dat het criterium van onderscheid objectief is, namelijk het al dan niet opgenomen zijn als instelling van openbaar nut in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954. Voorts dient, volgens de Ministerraad, te worden opgemerkt dat er een redelijke verantwoording bestaat voor het aangegeven verschil in behandeling in het licht van het doel en de gevolgen van de beoogde maatregel. De beoogde solidariteitsbijdrage had tot doel het overheidspersoneel te doen bijdragen in het herstel van het financiële evenwicht van de sociale zekerheid. De prejudiciële vraag betwist niet dat de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut zoals bedoeld in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 terecht zijn opgenomen in die lijst; enkel de vraag waarom ook de contractuele personeelsleden van alle andere instellingen van openbaar nut niet in de lijst zijn opgenomen, wordt gesteld. Volgens de Ministerraad is het niet onredelijk om redenen van doelmatigheid en van rechtszekerheid om in eerste instantie de Koning op te dragen de categorieën van personeelsleden vast te stellen waarvan kon worden geoordeeld dat ze geen vastheid van betrekking hebben, en om vervolgens aan die lijst een limitatief karakter te geven. Om dezelfde redenen van rechtszekerheid, doelmatigheid en urgentie, was het niet onredelijk om in die lijst slechts categorieën van personeelsleden op te nemen en geen individuele gevallen van instellingen van openbaar nut. Dergelijke instellingen van openbaar nut hebben veelal uiteenlopende publiek- of privaatrechtelijke 5 statuten en personeelsstatuten, zodat het niet onredelijk is geen rekening te houden met de individuele situatie van elke instelling van openbaar nut afzonderlijk. A.2.3. De ontstentenis van het onredelijk karakter van het onderscheid wordt bevestigd door het feit dat personeelsleden die niet onderworpen werden aan de solidariteitsbijdrage, daarom niet ontsnapten aan de verplichting om bij te dragen tot het herstel van de sociale zekerheid, omdat zij in dat geval onder het stelsel van de particulieren vielen. -B- B.1.1. Artikel 29, §§ 1 en 2, van de herstelwet van 31 juli 1984, waarover het Hof wordt ondervraagd, bepaalt : « § 1. Artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, wordt in die zin geïnterpreteerd dat onder de door de wet bedoelde categorieën van personeel, slechts beschouwd worden als geen vastheid van betrekking hebbende degenen die door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden aangewezen. § 2. Worden bekrachtigd met uitwerking op de data van hun respectievelijke inwerkingtreding : 1° het koninklijk besluit van 12 februari 1981 houdende uitvoering van artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector; 2° het koninklijk besluit van 24 april 1981 tot aanvulling van het in 1° bedoeld koninklijk besluit; 3° het koninklijk besluit van 10 juli 1981 tot aanvulling van het in 1° bedoeld koninklijk besluit ». B.1.2. Artikel 1 van de herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector bepaalt : « § 1. De bepalingen van deze wet zijn toepasselijk op de personeelsleden en titularissen van één of meer politieke of openbare mandaten rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon. 6 § 2. In de zin van deze wet wordt verstaan onder : - personeelslid : het vast, stagedoende, tijdelijk of hulppersoneelslid, zelfs aangeworven bij arbeidsovereenkomst, door de Staat of door één van de overheden bedoeld bij § 3 bezoldigd; - politiek mandaat : de functies van Minister, Staatssecretaris, lid van de executieve van een gemeenschap of een gewest, bestendig afgevaardigde, voorzitter of schepen van een agglomeratie of federatie van gemeenten, burgemeester of schepen van een gemeente, voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, voorzitter van een commissie voor de cultuur; - openbaar mandaat : elk mandaat, op welke manier ook bezoldigd, en toevertrouwd door de Staat of één van de bij § 3 bedoelde overheden :
- a)ofwel in de bestuurs- en controleorganen van deze zelfde overheden;
- b)ofwel met het oog op de uitoefening van de voogdij op deze zelfde overheden, met daarin begrepen de functie van provinciegouverneur en van vice-gouverneur van de provincie Brabant;
- c)ofwel met het oog op de controle van de diensten bedoeld bij § 3;
- d)ofwel in de Commissies en Raden ingesteld in de schoot of bij de Staat of de overheden bedoeld in § 3;
- e)ofwel in de verenigingen zonder winstoogmerk opgericht door deze zelfde overheden. § 3. Onder overheid en dienst wordt verstaan :
- a)het Rijk, met daarin begrepen de rechterlijke macht, de Raad van State, het Leger, de Rijkswacht;
- b)de Gemeenschappen en de Gewesten;
- c)de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen;
- d)de provincies, verenigingen van provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies;
- e)de gemeenten, de verenigingen, agglomeraties en federaties van gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de instellingen van openbaar nut die afhangen van de verenigingen, agglomeraties en federaties van gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn alsook de verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
- f)de Franse Commissie voor de Cultuur, de Nederlandse Commissie voor de Cultuur, en de Verenigde Commissies voor de Cultuur van de Brusselse agglomeratie;
- g)de wateringen en de polders; 7
- h)de gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen, met daarin begrepen het universitair onderwijs;
- i)de diensten voor school- en beroepsoriëntering en de vrije psycho-medico-sociale centra;
- j)elke instelling van Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding het overwicht van de openbare overheid vastgesteld wordt. § 4. De bepalingen van deze wet zijn eveneens van toepassing op de bedienaars van de erkende erediensten en de leken-raadgevers die op de begroting van het Ministerie van Justitie zijn ingeschreven. § 5. Voor de toepassing van deze wet worden met de titularissen van een openbaar mandaat gelijkgesteld : de personen die titularis zijn van een mandaat in de schoot van rechtspersonen van privaatrecht, voor zover de mandataris door de Staat of één van de bij § 3 van dit artikel bedoelde overheden benoemd of voorgesteld werd. § 6. De bepalingen van deze wet zijn echter niet van toepassing op de personeelsleden die geen vastheid van betrekking hebben; de Koning stelt bij een Ministerraad overlegd koninklijk besluit de categorieën vast waarop deze wet niet van toepassing is ». B.1.3. Het in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit van 12 februari 1981 « houdende uitvoering van artikel 1, § 6, van de herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sektor » bepaalt in artikel 1, c), ervan : « Genieten niet van de vastheid van betrekking voor de toepassing van de wet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sektor : […]
- c)de bij kontrakt aangeworven personeelsleden tewerkgesteld in de ministeries en bijzondere korpsen, de instellingen van openbaar nut bedoeld bij artikel 1, A en B van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, […] ». B.1.4. Artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalt : « Deze wet is van toepassing op de organismen behorende tot een der volgende vier categorieën : A. […] 8 B. […] Nationale Maatschappij voor de huisvesting; […] ». B.2. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 29, §§ 1 en 2, van de herstelwet van 31 juli 1984 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu enkel aan de categorie van contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut bedoeld in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, een vrijstelling tot betaling van de solidariteitsbijdrage wordt verleend, terwijl aan de categorieën van contractuele personeelsleden van alle andere instellingen van openbaar nut dan die welke zijn bedoeld in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, die vrijstelling niet wordt verleend. B.3.1. De invoering van de solidariteitsbijdrage maakte deel uit van een geheel van maatregelen die erop gericht waren een beleid te voeren met het oog op het herstel van het financiële evenwicht van de sociale zekerheid. Het was de bedoeling, in het kader van het financiële herstel van de sociale zekerheid, de rijksbijdrage aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te verlagen door bepaalde categorieën van werknemers in de overheidssector aan een solidariteitsbijdrage te onderwerpen, omdat zij een feitelijke vastheid van betrekking genoten. In de parlementaire voorbereiding werd daaromtrent aangegeven : « Dit ontwerp van wet voert een solidariteitsbijdrage in vanwege de personeelsleden van de openbare sector en de titularissen van politieke en openbare mandaten ten aanzien van hen die hun betrekking hebben verloren of die geen betrekking vinden. Er werd rekening gehouden met vijf principes : - de opbrengst van deze bijdragen wordt op een solidariteitsfonds in de schoot van de R.S.Z. gestort en de Rijksbijdrage aan de R.S.Z. wordt in dezelfde mate verminderd; - de bijdrage wordt ingevoerd voor een periode van twee jaar. Ze wordt verlengd, indien op 1 september 1982, het aantal vergoedingtrekkende volledige werklozen nog hoger is dan 300.000; - de bijdrage is toepasselijk op alle statutaire of contractuele personeelsleden van de Openbare Sector die een feitelijke vastheid van betrekking genieten, alsook op de titularissen van de politieke en openbare mandaten; - de bijdrage wordt trapsgewijze vastgesteld en is niet toepasselijk op de personeelsleden waarvan het bruto maandloon lager is dan 40 000 F; 9 - de bijdrage, zoals trouwens de sociale zekerheidsbijdragen, wordt niet onderworpen aan de inkomstenbelasting » (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 711/1, p. 1). B.3.2. Aangaande het criterium van « vastheid van betrekking » werd opgemerkt : « de bijdrage is toepasselijk op alle statutaire of contractuele personeelsleden van de openbare sector die een feitelijke vastheid van betrekking genieten. Juist omdat zij dat belangrijke voordeel van de vastheid van betrekking genieten worden de personeelsleden van de openbare sector aan de solidariteitsbijdrage onderworpen. Dat criterium van de vastheid van betrekking wordt bijgevolg gehanteerd in plaats van het verschil tussen statutair en contractueel personeelslid of het verschil tussen personeelsleden die aan alle sociale zekerheidsbijdragen zijn onderworpen of aan een of twee regelingen alleen. Een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit zal de lijst vastleggen van de personeelsleden van de openbare sector die, omdat zij in feite geen vastheid van betrekking hebben, buiten de toepassing van de wet worden gelaten » (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 711/7, p. 2). Uit de bewoordingen en uit de parlementaire voorbereiding van de herstelwet van 10 februari 1981 blijkt dat die wet, door het begrip « vastheid van betrekking » te hanteren om haar toepassingsgebied te bepalen, niet een juridische maar een feitelijke vastheid van betrekking beoogde. B.3.3. Aangaande het door de Koning te nemen koninklijk besluit heeft de wetgever een aantal richtlijnen gegeven : « Van die categorieën [van wie het personeel geen vaste betrekking heeft] kunnen de volgende worden aangehaald : 1) de tijdelijke ambtenaren vermeld in het Regentsbesluit van 30 mei 1947 en het Regentsbesluit van 10 mei 1948; […] 3) de contractuele ambtenaren die werken in de ministeries en instellingen van openbaar nut genoemd in de §§ A en B van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en onderworpen aan alle regelingen van de sociale zekerheid; […] Toch zijn de toestanden blijkbaar zo verschillend dat men aan de Koning de zorg moet overlaten om, steunend op het fundamentele criterium van de vastheid van betrekking, bepaalde categorieën van personeelsleden uit het toepassingsgebied van deze wet te sluiten » (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 711/7, p. 7). 10 B.3.4. Omdat de herstelwet van 10 februari 1981 tot verschillende interpretaties aanleiding gaf, werd besloten om artikel 1, § 6, van de voormelde herstelwet gezagshalve te interpreteren in een nieuwe herstelwet en tevens de door de Koning vastgestelde lijst van categorieën van personeel die niet de vastheid van betrekking genoot, te bekrachtigen. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van herstelwet werd opgemerkt : « Artikel 28 van dit ontwerp voert geen enkel nieuw begrip in. […] Zo bekrachtigt het het criterium van de vastheid van betrekking, dat deze aangelegenheid beheerst. ‘ Alle personeelsleden, ongeacht of zij zich in een statutaire dan wel contractuele toestand bevinden, vallen onder de wet ’ (cfr. verslag van de Commissie van Binnenlandse Zaken van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, Stuk nr. 711/7, 1980-1981, blz. 7). […] Het begrip vastheid van betrekking slaat dus op alle categorieën die zijn opgenomen in het toepassingsgebied van de wet, als enige uitzondering die welke door de Koning krachtens artikel 1, § 6, van de wet uitdrukkelijk worden uitgesloten. Artikel 1 bekrachtigt deze interpretatie » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 927/1, pp. 11-12). B.4. Er bestaat een objectief onderscheid tussen de categorie van personeelsleden van instellingen van openbaar nut die geen solidariteitsbijdrage dienen te betalen en de categorie van personeelsleden van instellingen van openbaar nut die een solidariteitsbijdrage dienen te betalen, naargelang die instelling als instelling van openbaar nut al dan niet vermeld staat in artikel 1, A of B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. B.5.1. De invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van personeelsleden van instellingen van openbaar nut kan worden verantwoord op grond van de overweging dat een algemene solidariteitsinspanning wordt gevraagd van alle bevolkingslagen naar hun draagkracht. Door verschillende wetsbepalingen werd gerealiseerd dat de werknemers, die 59,1 pct. van de beroepsbevolking vertegenwoordigen, voor 59,2 pct. bijdragen tot het herstel, dat het personeel in overheidsdienst, dat 23,6 pct. van de beroepsbevolking vertegenwoordigt, voor 23,3 pct. bijdraagt en dat de vrije beroepen, die 17,3 pct. vertegenwoordigen, een bijdrage leveren van 17,5 pct. (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 711/7, p. 3; Parl. St., Senaat, 1980- 1981, nr. 569/2, p. 2). 11 B.5.2. De in het geding zijnde bepaling heeft in het bijzonder betrekking op de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut, met name de personeelsleden die een feitelijke vastheid van betrekking genieten. Het aandeel van de overheidssector in de solidariteitsinspanning wordt geconcretiseerd door middel van een solidariteitsbijdrage die ten laste valt van hen die over een vaste betrekking beschikken en die ten goede komt aan hen die hun betrekking hebben verloren of er geen vinden. B.5.3. Het staat aan de wetgever, geplaatst voor een belangrijk tekort in de sociale zekerheid (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 711/7, pp. 1-2), te oordelen in hoeverre het opportuun is om, samen met een hele reeks van andere herstelmaatregelen, aan de personeelsleden die rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn door de openbare sector de verplichting op te leggen een solidariteitsbijdrage te betalen. Daarbij vermag de wetgever evenwel niet de draagwijdte van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te miskennen door een maatregel te nemen die onevenredig is ten aanzien van het beoogde doel. B.5.4. De solidariteitsbijdrage is verschuldigd door alle personeelsleden en titularissen van één of meer politieke of openbare ambten die rechtstreeks of onrechtstreeks worden bezoldigd ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijk persoon. De Koning moet evenwel binnen de verschillende categorieën van het personeel bepalen wie geen vaste betrekking heeft en dus buiten het toepassingsgebied van de wet valt. Enkel die categorieën van personeelsleden die voorkomen in een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, dienen die bijdrage niet te betalen. Overwegingen van urgentie, doeltreffendheid en rechtszekerheid kunnen de wetgever verhinderen rekening te houden met de individuele situaties en de diversiteit van de instellingen van openbaar nut, des te meer daar het uitwerken of het in werking stellen van op individuele basis afgestemde maatregelen ertoe zou hebben geleid de verwezenlijking van de doelstelling bestaande in het herstel van het financiële evenwicht, op de helling te zetten, of althans sterk te vertragen. 12 Rekening houdend met de diversiteit van de publiek- en privaatrechtelijke statuten van het personeel van de onderscheiden instellingen van openbaar nut zou een complexe uitwerking, op individuele basis, niet uitvoerbaar zijn geweest voor de invoering van een urgente solidariteitsbijdrage. Het verschil in behandeling is redelijk verantwoord, temeer daar de ambtenaren die niet aan de solidariteitsbijdrage zijn onderworpen, overeenkomstig de herstelwet van 10 februari 1981, eveneens ertoe verplicht zijn bij te dragen tot het herstel van de sociale zekerheid vermits zij onder de privésector vallen (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 569/2, p. 6), en de eventuele verschillen tussen de diverse bijdragewijzen te verwaarlozen zijn. B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 29, §§ 1 en 2, van de herstelwet van 31 juli 1984 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 februari 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div