← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.023 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100225.7 Arrest- Rolnummer: 23/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2010-02-26 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-07-02 09:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre zij niet voorziet in het recht, voor het Waalse Gewest dat vrijwillig tussenkomt in de strafrechtspleging tegen de overtreder van de bepalingen van het Waalse decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zijn veroordeeld. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Verhaalbaarheid Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hoei. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Toepassingsgebied - Uitsluiting - Gewesten. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-04-2007 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Decreet Waalse Gewest - 11-03-1999 - 39 ELI link Pub nr 1999027439 Tekst van de beslissing Rolnummer 4760 Arrest nr. 23/2010 van 25 februari 2010 In zake : de prejudiciële vraag over de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hoei. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters M. Melchior, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 juni 2009 in zake het openbaar ministerie tegen de nv « Moulins Laruelle » en de bvba « Pierard Agrophyt », vrijwillig tussenkomende partij : het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 augustus 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij niet voorziet in het recht voor het Waalse Gewest dat vrijwillig tussenkomt in de strafrechtspleging tegen de overtreder van de bepalingen van het decreet van de Waalse Gewestraad van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die strafrechtelijk zijn veroordeeld ? ». Op 2 september 2009 hebben voorzitter P. Martens en rechter T. Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. Bij beschikking van 13 oktober 2009 heeft het Hof beslist de zaak overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten. De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 3 februari 2010 : - is verschenen : Mr. J. Mosselmans loco Mr. P. Peeters en Mr. F. Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Melchior en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Twee rechtspersonen worden voor de Correctionele Rechtbank te Hoei vervolgd wegens inbreuk op artikel 58, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. Het Waalse Gewest komt vrijwillig tussen in de procedure en vraagt, op grond van artikel 79, § 1, 2°, van hetzelfde decreet, dat de overtreder wordt veroordeeld tot het nemen van de gepaste maatregelen om de in het geding zijnde plaats te exploiteren met inachtneming van de voorwaarden van de verleende exploitatievergunning. Het wordt vertegenwoordigd door een advocaat. 3 Na te hebben vastgesteld dat de tussenkomst van het Waalse Gewest nauw verbonden is met de strafvordering, aangezien die ernaar streeft het algemeen belang te vrijwaren, vraagt de Rechtbank zich af of de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt « in zoverre zij niet voorziet in het recht voor de vrijwillig tussenkomende partijen, zoals het Waalse Gewest in de aangelegenheden waarvoor het bevoegd is, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die strafrechtelijk zijn veroordeeld ». Bijgevolg stelt zij de voormelde vraag aan het Hof. III. In rechte -A- De Ministerraad brengt in herinnering dat het Hof zich over een vergelijkbare vraag heeft uitgesproken bij zijn arrest nr. 135/2009 van 1 september

  1. Hij is van mening dat de redenen die het Hof ertoe hebben gebracht om, in dat arrest, vast te stellen dat de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden in zoverre zij de regeling van de verhaalbaarheid niet uitbreiden ten voordele van de gemachtigde ambtenaar van het Waalse Gewest die handelt op grond van artikel 155 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, eveneens verantwoorden dat het Waalse Gewest die regeling niet geniet wanneer het de rechtbank verzoekt om de uitvoering van een van de in artikel 79 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoelde maatregelen. De Ministerraad is van oordeel dat er immers even fundamentele verschillen bestaan tussen het Gewest en de burgerlijke partij, op wie het beginsel van de verhaalbaarheid van toepassing is, als tussen het openbaar ministerie, op wie het niet van toepassing is, en de burgerlijke partij. Die laatstgenoemde verdedigt immers haar persoonlijk belang en beoogt het herstel van haar eigen schade te verkrijgen, terwijl het Gewest, net zoals het openbaar ministerie, het algemeen belang inzake stedenbouw of leefmilieu beoogt te vrijwaren. De Ministerraad besluit daaruit dat zijn herstelvordering tot de strafvordering behoort en verband houdt met de openbare orde. -B- B.1.
  2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Artikel 7 van die wet vervangt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, dat voortaan in het eerste lid bepaalt dat « de rechtsplegingsvergoeding […] een forfaitaire tegemoetkoming [is] in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij ». B.1.
  3. De artikelen 8 tot 11 van de wet van 21 april 2007 wijzigen respectievelijk de artikelen 128, 162bis, 194 en 211 van het Wetboek van strafvordering. Artikel 12 van die wet voegt daarin een nieuw artikel 369bis in. Die bepalingen breiden het beginsel van de verhaalbaarheid uit tot de strafzaken, maar beperken die uitbreiding tot de verhoudingen tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. De persoon die door een strafgerecht ten aanzien van de burgerlijke partij wordt veroordeeld, moet aldus aan die laatstgenoemde de rechtsplegingsvergoeding betalen. De burgerlijke partij wordt daarentegen ertoe veroordeeld 4 de rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet of aan de vrijgesproken beklaagde, maar enkel in de hypothese dat zij alleen verantwoordelijk is voor het op gang brengen van de strafvordering. Wanneer de strafvordering op gang wordt gebracht door ofwel het openbaar ministerie, ofwel een onderzoeksgerecht dat de inverdenkinggestelde verwijst naar een vonnisgerecht, is geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde of aan de vrijgesproken beklaagde, noch ten laste van de burgerlijke partij, noch ten laste van de overheid. B.
  4. De zaak die hangende is voor de verwijzende rechter, is een strafzaak waarin het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering in de persoon van haar minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, is opgetreden met toepassing van artikel 79, § 1, 2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. Die bepaling maakt het de rechtbank mogelijk, in geval van overtreding van sommige bepalingen van het decreet, de overtreder te veroordelen tot de uitvoering van maatregelen teneinde de buren of het milieu tegen de veroorzaakte hinder te beschermen, alsook de uitvoering van werken te bevelen om de hinder te beperken of af te wenden of om de toegang tot de plaats te verbieden. B.
  5. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, wordt het Waalse Gewest dat met toepassing van artikel 79 van het decreet van 11 maart 1999 voor het strafgerecht optreedt, doordat het geen burgerlijke partij is, niet beoogd door artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering. Dat artikel bepaalt immers in het eerste lid dat « ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, […] hen [veroordeelt] tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ». B.
  6. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen, enerzijds, het Waalse Gewest dat met toepassing van artikel 79 van het decreet van 11 maart 1999 optreedt voor een strafgerecht, dat niet de rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen ten laste van de beklaagde die is veroordeeld en, anderzijds, de andere rechtzoekenden, waaronder de personen die zich voor een strafgerecht burgerlijke partij hebben gesteld, die wel de rechtsplegingsvergoeding kunnen verkrijgen ten laste van de partij die in het ongelijk is gesteld. 5 B.
  7. Toen tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 april 2007 de vraag werd opgeworpen inzake de toepassing van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten bij de strafgerechten, heeft de wetgever geoordeeld dat het « meer conform [was] met de principes van gelijkheid en non-discriminatie dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van een schade voor een burgerlijke of een strafrechtelijke jurisdictie op gelijke voet zou behandelen ». De wetgever heeft dan ook ervoor gekozen « het systeem van de verhaalbaarheid uit te breiden tot de relaties tussen de beklaagde (of de beschuldigde) en de burgerlijke partij » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 8). Hij heeft daarentegen beslist dat de verhaalbaarheid niet zou gelden in de verhouding tussen de beklaagde en de Staat, die is vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. In dat verband werd opgemerkt dat « het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 7). B.
  8. Dankzij een burgerlijkepartijstelling kan het slachtoffer van een misdrijf het herstel verkrijgen van de schade die het heeft geleden ten gevolge van dat misdrijf. De vordering die door het Waalse Gewest op grond van artikel 79 van het decreet van 11 maart 1999 wordt ingesteld, stelt het in staat de opdracht van algemeen belang waarmee het is belast, te vervullen, vermits het in het geding zijnde herstel te maken heeft met gevaren, hinder of ongemakken die de inrichting zou kunnen veroorzaken, en niet met de schade die door bepaalde personen wordt geleden. Er bestaat bijgevolg tussen de burgerlijke partij en het Waalse Gewest een wezenlijk verschil doordat eerstgenoemde het herstel van haar eigen schade vordert, terwijl laatstgenoemde optreedt om het algemeen belang te vrijwaren. Wegens de opdracht die aan het Waalse Gewest werd toegewezen, die lijkt op die van het openbaar ministerie, kon de wetgever redelijkerwijs oordelen dat het niet aangewezen was om in zijn voordeel de regeling van de verhaalbaarheid uit te breiden, die hij op strafrechtelijk vlak uitdrukkelijk wilde beperkt zien tot de verhouding tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. B.
  9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre zij niet voorziet in het recht, voor het Waalse Gewest dat vrijwillig tussenkomt in de strafrechtspleging tegen de overtreder van de bepalingen van het Waalse decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zijn veroordeeld. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 februari
  10. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.