id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.032 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100330.6 Arrest- Rolnummer: 32/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-30 Raadplegingen: 791 - laatst gezien 2026-07-02 09:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Kernenergie Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 60 tot 66 of van de artikelen 64 en 65 van de programmawet van 22 december 2008 (« Wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales »), ingesteld door de nv « Electrabel », de nv « Synatom », de nv « EDF Belgium » en de nv « S.P.E. ». Kernenergie - Voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in die kerncentrales - Repartitiebijdrage - Belastingplichtigen -
- Kernexploitanten -
- Vennootschappen die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen. # Fiscaal recht -
- Wettigheidsbeginsel -
- Niet-retroactiviteit. # Rechten en vrijheden - Eigendomsrecht. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-2003 - 61 ELI link Pub nr 2003011326 Wet - 22-12-2008 - 60 tot 66 - 32 ELI link Pub nr 2008021120 Wet - 22-12-2008 - 64 - 32 ELI link Pub nr 2008021120 Wet - 22-12-2008 - 65 - 32 ELI link Pub nr 2008021120 Tekst van de beslissing Rolnummers 4666, 4730, 4735 en 4738 Arrest nr. 32/2010 van 30 maart 2010 ___________ In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 60 tot 66 of van de artikelen 64 en 65 van de programmawet van 22 december 2008 (« Wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales »), ingesteld door de nv « Electrabel », de nv « Synatom », de nv « EDF Belgium » en de nv « S.P.E. ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 maart 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 maart 2009, heeft de nv « Electrabel », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 8, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 60 tot 66 van de programmawet van 22 december 2008 (« Wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008, vierde editie. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juni 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 juni 2009, heeft de nv « Synatom », met maatschappelijke zetel te 1200 Brussel, Arianelaan 7, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 64 en 65 van dezelfde programmawet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juni 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 juni 2009, heeft de nv « EDF Belgium », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Bischoffsheimlaan 11, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 60 tot 66 van dezelfde programmawet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 juni 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 juni 2009, heeft de nv « S.P.E. », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 47, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 60 tot 66 van dezelfde programmawet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4666, 4730, 4735 en 4738 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben elk een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 3 februari 2010 : - zijn verschenen : . Mr. L. Swartenbroux, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. J.-M. Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Mr. D. Garabedian, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4666; . Mr. J. Scalais en Mr. O. Vanhulst, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4730; . Mr. A. Brohez en Mr. T. Chellingsworth, loco Mr. P. Callens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4735; . Mr. P. Smet en Mr. J. Everaert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4738; 3 . Mr. G. Block, Mr. J. Autenne en Mr. A. De Geeter, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad, in de zaken nrs. 4666 en 4730; . Mr. L. Simont, Mr. B. Paquot en Mr. M. von Kuegelgen, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad, in de zaken nrs. 4735 en 4738; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 4666 Wat het belang betreft A.
- De naamloze vennootschap « Electrabel » (hierna : Electrabel) doet blijken van haar belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 60 tot 66 van de programmawet van 22 december 2008 door de omstandigheid dat die bepalingen haar juridische en financiële situatie rechtstreeks en op ongunstige wijze zouden raken. Zij preciseert dat van haar 89 pct. van de bij artikel 65 van die wet ingevoerde repartitiebijdrage werd gevorderd en dat die heffing meer dan een derde vertegenwoordigt van de winst die zij in 2008 in België heeft gemaakt via haar activiteiten van productie en verkoop van energie, en ongeveer een vierde van haar totale nettowinst. Zij voegt eraan toe dat het risico de bij artikel 66 van dezelfde wet ingevoerde administratieve geldboete te worden opgelegd, haar ertoe gedwongen heeft die bijdrage te betalen vóór 30 januari
- De verzoekster voert eveneens aan dat die bijdrage haar productiekosten verhoogt, vermits de wet van 22 december 2008 haar verbiedt om die last, op welke wijze ook, te verhalen op andere ondernemingen of op de eindafnemer. De verzoekster onderstreept vervolgens dat de Staat de bedoeling heeft die bijdrageverplichting recurrent te maken, wat blijkt uit het feit dat een bedrag van 500 miljoen euro in de rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 2009 werd ingeschreven. Zij merkt ten slotte op dat niet wordt gewaarborgd dat de opbrengst van die bijdrage zal worden aangewend voor de in de memorie van toelichting van de wet van 22 december 2008 beoogde uitgaven, dat die wet de verzoekster niet de mogelijkheid biedt die bijdrage te vermijden - of het bedrag ervan te verminderen - door haar gedrag te wijzigen, en dat het bedrag van die bijdrage niet kan worden verminderd in de mate waarin de doelstellingen van de wet nadien zouden worden verwezenlijkt. 4 Wat betreft het eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet Over het « eerste onderdeel » A.2.
- Electrabel zet uiteen dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling creëren dat niet objectief noch redelijk kan worden verantwoord tussen, enerzijds, de kernexploitanten vermeld in artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 « betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales » en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van dezelfde wet en, anderzijds, de producenten van niet-nucleaire elektriciteit en de andere actoren van de Belgische elektriciteitsmarkt (invoerders, distributeurs, leveranciers, transporteurs van elektriciteit en andere tussenpersonen van de Belgische elektriciteitsmarkt). De verzoekster doet opmerken dat alleen de eerstgenoemden de bij artikel 14, § 8, van de wet van 11 april 2003 ingevoerde repartitiebijdrage, verschuldigd zijn. Zij onderstreept dat zij niet alleen kernexploitant is, maar eveneens elektriciteit produceert op basis van conventionele of hernieuwbare energiebronnen, en energie levert. Zij benadrukt het feit dat de repartitiebijdrage haar enkel in haar hoedanigheid van kernexploitant raakt en dat het onderzoek van de grondwettigheid van de in het geding zijnde bijdrage enkel die hoedanigheid in aanmerking kan nemen. A.2.2.
- Zij is van mening dat de twee categorieën van bijdrageplichtigen, rekening houdend met de nagestreefde doelstellingen en met de context waarin de bestreden bepalingen zijn aangenomen, vergelijkbaar zijn met de voormelde andere personen. Zij voert in dat verband aan dat die bijdrage slechts betrekking heeft op een deel van een energiesector, in tegenstelling tot de « eenmalige bijdrage ten laste van de petroleumsector » die werd ingevoerd bij de wet van 10 juni 2002, en de « eenmalige bijdrage ten laste van de gassector », die werd ingevoerd bij de wet van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (I) », die betrekking hebben op de petroleum- of gassector in zijn geheel. A.2.2.
- De verzoekster merkt op dat alle in de parlementaire documenten vermelde doelstellingen betrekking hebben op de energiesector in zijn geheel, met uitzondering van de overwegingen betreffende de uitgaven en investeringen die verbonden zijn aan kernenergie. Zij is echter van mening dat de beoogde doelstelling, doordat die uitgaven en investeringen niet werden berekend, niet volstaat om de in het geding zijnde bijdrage te verantwoorden. Zij voert aan dat de vergelijkbaarheid van de verschillend behandelde categorieën van personen moet worden beoordeeld in het licht van de verschillende doelstellingen van de in het geding zijnde bijdrage. A.2.2.3.
- In dat opzicht merkt de verzoekende partij eerst op dat de eerste doelstelling van de wetgever, namelijk het versterken van de bevoorradingszekerheid van elektrische energie, berust op de vaststelling dat de productiecapaciteit van niet-nucleaire elektriciteit ontoereikend is. De verzoekster wijst erop dat de wet van 31 januari 2003 « houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie » de maatschappijen die de repartitiebijdrage verschuldigd zijn, verbiedt om nog verder te investeren in de productie van nucleaire elektriciteit, en is van mening dat de vaststelling die ten grondslag ligt aan de nagestreefde doelstelling de wetgever veeleer ertoe zou moeten aanzetten de producenten van conventionele elektriciteit te belasten. Zij leidt daaruit af dat laatstgenoemde zich in een situatie bevinden die minstens vergelijkbaar is met die van de bijdrageplichtigen. Electrabel geeft bovendien aan dat een studie met betrekking tot « de ontoereikende productiecapaciteit van elektriciteit in België » die op 27 september 2007 door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) werd goedgekeurd, bevestigt dat de federale Regering nooit heeft gewild dat de verzoekster in bijkomende productiecapaciteit investeert, maar veeleer dat andere actoren in de Belgische elektriciteitsmarkt investeren. Zij is van oordeel dat het onvermogen van de Regering om nieuwe investeerders aan te trekken, de nieuwe bijdrage die haar wordt opgelegd niet kan verantwoorden. Electrabel voegt eraan toe dat het toepassingsgebied van de richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 « betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van richtlijn 93/76/EEG van de Raad », dat beperkt is tot de « energiedistributeurs », « de distributienetbeheerders » en de « detailhandelaars in energie » zou verantwoorden dat die andere actoren 5 van de elektriciteitsmarkt eveneens de repartitiebijdrage verschuldigd zijn. De verzoekster wijst ten slotte erop dat een verhoging van de invoercapaciteit van elektriciteit eveneens de bevoorradingszekerheid zou kunnen versterken, en dat de transportondernemingen in dat opzicht een grote verantwoordelijkheid hebben. A.2.2.3.
- Electrabel merkt op dat het tweede doel van de repartitiebijdrage de strijd is tegen de stijgende prijs van gas en elektriciteit. De verzoekster oordeelt dat de producenten van niet-nucleaire elektriciteit, alsook de leveranciers, distributeurs en transporteurs van elektriciteit zich, in het licht van die doelstelling, in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de maatschappijen die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn en die niet als enigen verantwoordelijk zijn voor de prijsstijging. Zij verwijst in dat verband naar een studie over de componenten van de elektriciteits- en aardgasprijzen, die op 13 mei 2008 door de CREG werd goedgekeurd, en die aantoont dat de stijging van de prijzen eveneens voortvloeit uit het distributietarief van de elektriciteit, uit de openbare dienstverplichtingen en de openbare heffingen. Zij onderstreept ook dat de prijs van nucleaire elektriciteit wordt beïnvloed door de evolutie van de prijzen op de energiemarkt in zijn geheel. De verzoekster is voorts van mening dat het niet gerechtvaardigd is om de producenten van niet-nucleaire elektriciteit, die eveneens profiteren van de hoge elektriciteitsprijs, vrij te stellen van een bijdrage voor het sociaal energiebeleid of voor de investeringen in hernieuwbare energie. A.2.2.3.
- Wat betreft de verbetering van de mededinging op de Europese interne markt, voert Electrabel aan dat de situatie van de producenten van niet-nucleaire elektriciteit en van de andere actoren van de elektriciteitsmarkt opnieuw vergelijkbaar is met die van de maatschappijen die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn. De verzoekster preciseert dat het herstel van het vertrouwen van de Europese energieproducenten in de Belgische markt, de ontwikkeling van het transportnetwerk voor elektriciteit of het stimuleren van de productie van elektriciteit uit winden op de Noordzee, alle actoren van de markt aanbelangen. Zij voegt eraan toe dat de maatschappijen die de repartitiebijdrage verschuldigd zijn, niet in staat zijn om een hoge elektriciteitsprijs vast te stellen waarmee de andere elektriciteitsproducenten niet zouden kunnen concurreren, vermits die prijs afhangt van vraag en aanbod. A.2.2.3.
- Electrabel is van mening dat de financiering van het Belgische energiebeleid de hele energiesector aanbelangt, zodat alle elektriciteitsproducenten zich uit dat oogpunt in een vergelijkbare situatie bevinden. A.2.2.3.
- De verzoekster merkt ten slotte op dat de repartitiebijdrage eveneens tot doel heeft uitgaven en investeringen die met kernenergie verband houden, te dekken. Zij vraagt zich niettemin af welke rechtstreekse of indirecte, gewone of uitzonderlijke uitgaven of investeringen uit de exploitatie van kernenergie voortvloeien, en nog niet door de maatschappijen die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn worden gedragen. A.2.2.
- De verzoekster formuleert vervolgens enkele subsidiaire overwegingen om te bevestigen dat de voormelde categorieën van personen zich wel degelijk in een vergelijkbare situatie bevinden. Zij is van mening dat, alvorens te beweren dat de productiekost van nucleaire elektriciteit laag is, rekening moet worden gehouden met de specifieke kosten die aan die productie verbonden zijn en die voortvloeien uit de controle, het beheer van de afvalstoffen en de verplichting om voorzieningen aan te leggen voor de ontmanteling van de centrales. Zij voert aan dat deze centrales niet de enige elektriciteitsproductiecentrales zijn die vóór de liberalisering van de elektriciteitsmarkt in werking zijn gesteld en zijn afgeschreven, en dat de afschrijving van de kerncentrales voor de consument tariefverlagingen heeft mogelijk gemaakt. Zij wijst eveneens erop dat de repartitiebijdrage niet ertoe strekt eventuele andere « onverwachte winsten » (« windfall profits ») te belasten. De verzoekster voert aan dat de omstandigheid dat de maatschappijen die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn niet deelnemen aan het systeem van handel in CO2 emissiequota evenmin toelaat te besluiten dat zij zich in een situatie zouden bevinden die niet vergelijkbaar is met die van de andere elektriciteitsproducenten. Zij merkt op, enerzijds, dat die bijdrage niet tot doel heeft eventuele « onverwachte winsten » te belasten die de kernexploitanten uit de toepassing van dat systeem van handel zouden halen en, anderzijds, dat die laatsten daadwerkelijk geen enkel profijt halen uit dat systeem, vermits zij geen gratis emissierechten verkrijgen, omdat bijna geen koolstofdioxide wordt uitgestoten door de kerninstallaties. De verzoekster zet ten slotte uiteen dat de stabiliteit van de productie van nucleaire elektriciteit evenmin toelaat te besluiten dat vergelijking met de andere elektriciteitsproducenten niet mogelijk is. Zij preciseert dat kerncentrales niet de enige centrales zijn die enkel voor onderhoud en herstellingen worden stilgelegd en die een 6 « basisproductie » waarborgen, en dat er andere productie-eenheden bestaan waarvan de vaste kost hoog is en de variabele kost laag, zoals die welke elektriciteit produceren op basis van steenkool of biomassa. A.2.3.
- Electrabel is van mening dat het voormelde verschil in behandeling niet objectief en redelijk verantwoord is. De verzoekster stelt dat de vijf verantwoordingen die de federale Regering ter ondersteuning van dat verschil in behandeling aanvoert, vaag en algemeen zijn en dat zij, hoegenaamd niet uitgaan van precieze of controleerbare gegevens, en wel integendeel niet verenigbaar zijn met objectieve gegevens. Zij beweert eveneens dat niet wordt gewaarborgd dat de opbrengst van die bijdrage zal worden gebruikt voor de verwezenlijking van de vermelde doelstellingen. A.2.3.2.
- Wat betreft het gebrek aan relevantie van de door de Regering aangevoerde verantwoordingen, merkt Electrabel op dat de doelstellingen van de bijdrage die worden vermeld in artikel 14, § 8, tweede lid, van de wet van 11 april 2003 - ingevoegd bij artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008 - talrijk zijn en zeer ruim en vaag worden gedefinieerd. De verzoekster wijst in dat verband erop dat de « eenmalige bijdrage ten laste van de petroleumsector » en de « eenmalige bijdrage ten laste van de gassector » een specifiek doel hadden dat makkelijk kon worden gecontroleerd. Zij onderstreept eveneens dat de meeste doelstellingen bedoeld in artikel 14, § 8, tweede lid, van de wet van 11 april 2003, betrekking hebben op de energiesector in zijn geheel, en merkt op dat de maatschappijen die de in het geding zijnde repartitiebijdrage verschuldigd zijn, niet als enigen verantwoordelijk kunnen worden geacht voor de eventuele disfuncties van alle energiemarkten. Electrabel betwist achtereenvolgens de relevantie van de vijf verantwoordingen die door de Regering worden aangevoerd. A.2.3.2.
- De verzoekende partij is in de eerste plaats van mening dat de ontoereikende Belgische productiecapaciteit van elektriciteit en de onvoldoende bevoorradingszekerheid in België betrekking hebben op de hele Belgische energiemarkt, en niet alleen op de markt van de nucleaire elektriciteit. Zij wijst in dat verband erop dat men haar niet zou kunnen verwijten dat zij niet in nieuwe elektriciteitsproductie-eenheden of in nieuwe projecten heeft geïnvesteerd, vermits de akkoorden die in 2005 (Pax Electrica I) en in 2006 (Pax Electrica II) met de Regering werden gesloten Electrabel ertoe zouden verbinden op significante wijze haar aandeel in de Belgische elektriciteitsproductiemarkt te verminderen. Zij preciseert dat dit marktaandeel, dat 90 pct. bedroeg, weldra ongeveer 60 pct. zal zijn. Zij merkt ook op dat het volgens de conclusies van een studie die op 27 september 2007 door de CREG werd goedgekeurd, verkieslijk is dat andere actoren dan de verzoekster in de productiecapaciteit van elektriciteit investeren. De verzoekster voert eveneens aan dat men haar niet kan verwijten dat zij haar elektriciteitsproductie-eenheden heeft laten verloederen. Op basis van een aantal recente aanzienlijke uitgaven voor haar kerncentrales beweert zij dat zij is blijven investeren in haar productie-installaties om de betrouwbaarheid, de veiligheid en de doeltreffendheid ervan te garanderen. Bovendien wijst zij erop dat het Internationaal Atoomagentschap na - op verzoek van de Belgische Regering, in mei 2007 een controle te hebben uitgevoerd te Tihange, heeft onderstreept dat Electrabel prioriteit verleent aan de veiligheid en de zeer goede staat van haar installaties. Zij verduidelijkt dat een soortgelijke controle zal worden uitgevoerd in Doel, in maart
- Zij onderstreept vervolgens dat haar productie-eenheden onmogelijk konden verloederen om reden van de strikte reglementaire controle vanwege de gewestelijke overheden die bevoegd zijn voor het uitreiken van milieuvergunningen, vanwege het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC), vanwege de stichting Bel V die door dat Agentschap werd opgericht, of bij de tienjaarlijkse « periodieke herevaluatie van de veiligheid » waarin is voorzien in de koninklijke besluiten die de exploitatie van centrales toestaan. Electrabel vraagt zich bovendien af hoe de heffing van de in het geding zijnde repartitiebijdrage een renovatie van de Belgische installaties voor elektriciteitsproductie of investeringen in nieuwe projecten zal bevorderen. De verzoekster merkt op dat zij het geld dat zij aan de betaling van die bijdrage heeft besteed, had kunnen gebruiken om te investeren in de talrijke oude thermische eenheden die zij exploiteert, teneinde op korte termijn de elektriciteitsproductiecapaciteit te verhogen, overeenkomstig een van de suggesties van de studie van de CREG van 27 september
- De verzoekster leidt ook uit een andere aanbeveling van die studie af dat een duidelijke - en langverwachte - beslissing van de Regering over het vervolg van het bij de wet van 31 januari 2003 doorgevoerde proces van desactivering van de kerncentrales, meer dan de invoering van de in het geding zijnde 7 repartitiebijdrage, de concrete verwezenlijking zou hebben bevorderd van projecten die een verhoging beogen van de thans ontoereikend geachte elektriciteitsproductiecapaciteit. De verzoekster is bovendien van mening dat ontoereikende investeringen in de elektriciteitsproductie een volkomen normaal en klassiek fenomeen is op een vrijgemaakte en cyclische markt die wordt gekenmerkt door fasen van expansie en recessies (« booms and busts »). Zij oordeelt dat elke verwijzing naar het « nationaal programma ter uitrusting van de middelen voor de productie en het grote vervoer van elektrische energie » - dat op 17 november 1995 werd voorgesteld door het Beheerscomité van de elektriciteitsondernemingen en dat, ter uitvoering van artikel 173 van de wet van 8 augustus 1980 « betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 », de investeringen beschreef die gedurende het decennium 1995-2005 moesten worden gedaan om de elektriciteitsbevoorrading van het land te verzekeren - niet relevant is. Zij merkt op dat dit programma werd aangenomen in een reglementaire context die werd gekenmerkt door gecentraliseerde beslissingen van één regulator - het Controlecomité voor de Elektriciteit en het Gas -, terwijl binnen een vrijgemaakte markt de beslissingen om te investeren hoofdzakelijk gebaseerd zijn op het niveau van de marktprijzen. Zij voegt eraan toe dat artikel 35 van de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » de wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de goedkeuring van de nationale uitrustingsprogramma’s heeft opgeheven, zodat het voormelde « nationaal programma » sedert de inwerkingtreding van die wet elke bindende kracht heeft verloren. De verzoekster begrijpt niet hoe zij haar marktaandeel zou kunnen inkrimpen en tegelijkertijd nieuwe elektriciteitsproductie-eenheden oprichten, de bestaande eenheden moderniseren en de oude « technische eenheden » in stand houden. Zij wijst erop dat haar installaties voor warmtekrachtkoppeling en energieterugwinning een grote capaciteit hebben en dat zij, volgens een studie van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (MiNa-Raad) van 19 mei 2009, de grootste producent van hernieuwbare energie is van het Vlaamse Gewest. Uit een studie van de CREG van 26 januari 2009 « over de falende prijsvorming in de vrijgemaakte Belgische elektriciteitsmarkt en de elementen die aan de oorsprong ervan liggen » leidt de verzoekster af dat het gebrek aan investeringen in de elektriciteitsproductiecapaciteit in België door een geheel van factoren kan worden verklaard : de vrees voor onvoldoende rendement van die investeringen wegens een te lage marktprijs op lange termijn, de ontoereikende capaciteit op het vlak van grensoverschrijdend transport, de gevolgen van het milieubeleid en de onzekerheden over de geleidelijke uitstap uit de kernexploitatie. De verzoekster is bovendien van mening dat een verbetering van de mededinging en een verhoging van de productiecapaciteit doelstellingen zijn die reeds worden nagestreefd met de heffing die werd ingevoerd bij de wet van 8 december 2006 « tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet-benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent », met toepassing waarvan ongeveer vijftig miljoen euro per jaar van de verzoekster wordt gevorderd. Zij oordeelt dat zij gelet op het bestaan van die heffing een ernstige verantwoording kan eisen van de in het geding zijnde bijdrage die voor haar een bijkomende last vormt. De verzoekster voegt eraan toe dat zij wettelijk niet verplicht is om in elektriciteitsproductie te investeren en dat de overheden reeds beschikken over instrumenten om het risico van ontoereikende productiecapaciteit te verminderen en om de mededinging en de investeringen te bevorderen. Zij verwijst in dat verband naar de procedure van offerteaanvraag die werd ingevoerd bij artikel 5 van de wet van 29 april 1999 waarbij artikel 7 van de richtlijn nr. 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG », wordt omgezet. In uiterst ondergeschikte orde merkt de verzoekster op dat de verdeelsleutel van de in het geding zijnde bijdrage, waarin artikel 14, § 8, vierde lid, van de wet van 11 april 2003 voorziet, niet redelijk verantwoord is, indien het doel van de maatregel erin bestaat de investeringen in de elektriciteitsproductiecapaciteit te stimuleren, vermits die verdeelsleutel tot gevolg heeft dat het aandeel van de bijdrageplichtige stijgt in verhouding tot diens aandeel in de totale productie van nucleaire elektriciteit. A.2.3.2.
- De verzoekende partij is vervolgens van oordeel dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet zou kunnen worden verantwoord door uitgaven of investeringen die rechtstreeks of indirect voortvloeien uit de uitbating van de kerncentrales, zoals die voor het onderzoek in verband met de stralingsbescherming, de veiligheid en de sociale aspecten van kernenergie. 8 Zij herinnert eraan dat zij zwaar blijft investeren in de veiligheid van de kerncentrales. Zij merkt eveneens op dat de in het geding zijnde repartitiebijdrage bestemd is om andere doelstellingen te financieren en dat de wetgever het bedrag van die bijdrage geenszins verantwoordt met verwijzing naar de kosten van de verwezenlijking van die doelstellingen. Electrabel zet bovendien uiteen dat de kernexploitanten reeds de gewone of uitzonderlijke uitgaven en investeringen die voortvloeien uit de exploitatie van kernenergie, dragen. De verzoekster doet opmerken dat zij, krachtens de wet van 15 april 1994 « betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het federaal Agentschap voor Nucleaire Controle » in grote mate moet bijdragen tot de financiering van de opdrachten van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, die onder meer zijn omschreven in de artikelen 15 en 31, § 4, van die wet. Zij wijst eveneens erop dat de prestaties inzake controle en expertise die door de stichting Bel V worden uitgevoerd eveneens aan haar worden gefactureerd. Zij voegt eraan toe dat zij wegens een recente wijziging van de wet van 15 april 1994 bij de programmawet van 22 december 2008 voortaan een jaarlijkse heffing moet betalen voor de ontmanteling van de kernreactoren. Zij vermeldt voorts dat ze een aanzienlijke bijdrage in het fonds voor de risico’s van nucleaire ongevallen heeft gestort. Electrabel geeft eveneens aan dat de kernexploitanten aan de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) kosten betalen van tenlasteneming van het exploitatieafval van de nucleaire installaties, en dat zij daarnaast, onder toezicht van de overheden, bijdragen aan het aanleggen van voorzieningen voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen, met toepassing van de wet van 11 april
- De verzoekster preciseert dat zij voor het overige, als « grote geconventioneerde producent », bijdraagt in de kosten van verwerking en verwijdering van « radioactieve weesbronnen », alsook in een « insolvabiliteitsfonds », een « middellangetermijnfonds » en een « fonds voor lokale ontwikkeling ». De verzoekster wijst bovendien erop dat zij kernonderzoek financiert, dat wordt uitgevoerd door het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) of door die stichting van openbaar nut die samen met de NIRAS optreedt. A.2.3.2.
- De verzoekster is vervolgens van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet zou kunnen worden gerechtvaardigd door de strijd tegen de felle stijging van de prijzen van gas en elektriciteit, noch door de financiering van een « sociaal energiebeleid ». Zij merkt op dat in de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 2008 niet wordt toegelicht in welk opzicht de in het geding zijnde repartitiebijdrage een prijsdaling zal mogelijk maken. Zij wijst in dat verband erop dat die belasting niet tot een dergelijke prijsreductie zal leiden, vermits de belastbare grondslag van die bijdrage uitsluitend afhangt van de hoeveelheid nucleaire elektriciteit die in het verleden werd geproduceerd. Zij merkt bovendien op dat, volgens de studie « over de componenten van de elektriciteits- en aardgasprijzen » die op 13 mei 2008 door de CREG werd goedgekeurd en, die tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1998 werd vermeld en werd geactualiseerd door een studie die op 19 mei 2009 door de CREG werd goedgekeurd, de stijging van de prijzen niet alleen kan worden verklaard door de tarieven van de elektriciteitsleverancier, maar ook door een stijging van de distributietarieven, door de openbare heffingen en door bijdragen die worden geïnd om het gebruik van hernieuwbare energie of van warmtekrachtkoppeling te bevorderen. Zij voegt eraan toe dat de stijging van de prijzen eveneens te wijten is aan de sterke stijgingen van de prijs van de primaire energie, aan de verhoging van de transporttarieven en aan de uitvoering van de milieubeleidslijnen, zoals het systeem van handel in CO2 emissiequota. De verzoekster wijst niettemin erop dat de prijs van de elektriciteit in België tot het gemiddelde behoort van de prijzen in de andere Europese lidstaten en dat, voor de periode 1999-2007, de situatie van de Belgische consument gunstiger lijkt dan die van de consument in de buurlanden. Zij voert aan dat dankzij haar investeringen in de productie van nucleaire elektriciteit de prijs van elektriciteit « beheersbaar » is gebleven, ondanks de stijging van de kostprijs van de fossiele brandstoffen en van de kosten van de uitvoering van het systeem van handel in CO2 emissiequota. Zij voorspelt een veel sterkere prijsstijging indien de kerncentrales vanaf 2015 buiten bedrijf worden gesteld. Electrabel preciseert ook dat zij een commerciële onderneming is, zodat haar niet kan worden verweten dat ze haar winstmarges heeft vergroot, in het bijzonder binnen een vrijgemaakte Europese markt. Electrabel doet opmerken dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 2008 geen enkele specifieke sociale maatregel vermeldt en dat die wet, ondanks amendementen die in die zin werden ingediend, in geen enkel nieuw begrotingsfonds voorziet, noch de opbrengst van de repartitiebijdrage voor een of meerdere bestaande begrotingsfondsen bestemt. 9 De verzoekster merkt ten slotte op dat de evolutie van de energieprijzen afhankelijk is van de vraag en het aanbod op de hele energiemarkt, en niet alleen op de markt van nucleaire elektriciteit. Zij zet eveneens uiteen dat de productie van nucleaire elektriciteit niet rechtstreeks de prijs op de markt van de groothandel in elektriciteit kan beïnvloeden, prijs die overigens afhangt van de prijzen die worden gehanteerd op de Duitse, de Franse en de Nederlandse markt. Volgens Electrabel zou het strijdig zijn met de opvatting van een vrijgemaakte markt en onverenigbaar met de mededingingsregels dat de producenten van nucleaire elektriciteit een prijs zouden hanteren die lager is dan die van de markt. A.2.3.2.
- De verzoekster betwist eveneens de pertinentie van het argument van de Regering dat is afgeleid uit de noodzaak om, in het belang van de consumenten en de industrie, de mededinging op de Europese interne markt te versterken, omdat dat argument betrekking heeft op de hele Belgische energiemarkt. Op basis van de cijfers die door de CREG werden gepubliceerd en een recente studie van de Nationale Bank van België onderstreept Electrabel bovendien dat de winsten uit de afschrijving van de kerncentrales, tussen 1999 en 2004 aan de eindconsument werden teruggegeven via tariefverlagingen, dat de prijs van de elektriciteit die wordt verkocht aan de woningsector, overeenkomstig de Pax Electrica, zeer stabiel is gebleven tussen 2003 en september 2007, en dat de daaropvolgende sterke prijsstijging voortvloeit uit de stijging van de aardolieprijs, uit de evolutie van de prijzen van de CO2-emissierechten, en uit de handelwijze van de « traders », die rekening houden met de aangekondigde ontoereikende elektriciteitsproductiecapaciteit in Europa. De verzoekster wijst bovendien erop dat, toen de wet van 22 december 2008 werd aangenomen, de Belgische kerncentrales nog niet volledig waren afgeschreven. Zij beweert eveneens dat de onderhandelingen tussen de Regering en de actoren op de markt van de nucleaire elektriciteit - die werden gevoerd vóór de indiening van het wetsontwerp dat ten grondslag ligt aan de wet van 22 december 2008 - niet hebben geleid tot een akkoord over het principe van een financiële bijdrage van de sector, noch a fortiori tot een akkoord over het bedrag van een bijdrage, zodat de sector niet verplicht was om vrijwillig een bijdrage van 250 miljoen euro te betalen. De verzoekster voegt eraan toe dat de repartitiebijdrage, doordat zij investeringen ontmoedigt, de mededinging op de markt van de nucleaire elektriciteit dreigt te verzwakken en, meer algemeen, het vertrouwen van de Europese energieproducenten dreigt aan te tasten, en hun investeringen dreigt af te remmen. Zij ziet niet hoe de federale overheid de opbrengst van die bijdrage zou kunnen aanwenden om de mededinging te versterken. Electrabel beweert dat hoge prijzen de toegang van concurrenten tot de markt - die zelf tot een prijsdaling leidt - bevorderen en de « voornaamste drijfkracht » vormen voor investeringen, want te lage prijzen dekken de gemiddelde kosten op lange termijn niet. Zij verwijst in dat opzicht naar de voormelde studie van de CREG van 26 januari
- A.2.3.2.
- De verzoekster is ten slotte van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet kan worden verantwoord door de wil om de doelstellingen van de Staat inzake energiebeleid te verwezenlijken, omdat die doelstellingen de hele Belgische energiemarkt aanbelangen en niet alleen de producenten van nucleaire elektriciteit. Zij preciseert dat het tegenstrijdig zou zijn om de verbintenis van de Staat tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen op die laatsten te laten wegen, omdat bij de productie van nucleaire elektriciteit geen broeikasgassen worden uitgestoten. A.2.3.
- De verzoekster stelt dat, doordat niet wordt gewaarborgd dat de repartitiebijdrage daadwerkelijk wordt besteed aan de door de Regering aangekondigde uitgaven, die bijdrage een arbitrair karakter krijgt. Zij beweert in dat verband dat de Regering tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 2008 geen enkele concrete maatregel aankondigde. Zij verklaart dat de bijdrage die het voorwerp was van de mislukte onderhandelingen met de Regering, werd opgevat als ontvangsten voor de rijksmiddelenbegroting van
- Daaruit, en uit de zeer korte betalingstermijn waarin werd voorzien in artikel 14, § 8, zesde lid, van de wet van 11 april 2003, leidt zij af dat de opbrengst van die bijdrage enkel tot doel heeft de begroting van 2008 in evenwicht te brengen. Zij is van 10 mening dat die intentie ook blijkt uit de manier waarop de minister het dringende karakter motiveerde van het verzoek tot advies dat op 9 oktober 2008 aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd gericht naar aanleiding van een voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 11 april 2003, dat bepalingen bevatte die soortgelijk zijn met die welke het voorwerp vormen van onderhavig beroep tot vernietiging. De verzoekster wijst voorts erop dat de wetgever te dezen geen nieuw begrotingsfonds heeft opgericht in de zin van artikel 45 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, noch heeft beslist om de opbrengst van die repartitiebijdrage te besteden aan een reeds bestaand begrotingsfonds, zodat niet wordt afgeweken van het beginsel van de niet-besteding van de ontvangsten dat in artikel 3 van dezelfde wetten is geformuleerd, en het dus niet zeker is dat die opbrengst zal worden gebruikt voor de financiering van de maatregelen vermeld in artikel 14, § 8, tweede lid, van de wet van 11 april
- Electrabel is van mening dat dit de in het geding zijnde bijdrage onderscheidt van de « eenmalige bijdrage ten laste van de petroleumsector » en de « eenmalige bijdrage ten laste van de gassector ». Electrabel voegt eraan toe dat men een bijdrageplichtige niet kan weigeren om de werkelijke besteding van de ontvangsten van de bijdrage te controleren, op gevaar af elk toezicht op de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie onmogelijk te maken. A.3.
- Volgens de Ministerraad is het door Electrabel bekritiseerde verschil in behandeling niet discriminerend. Hij wijst in de eerste plaats erop dat de bij de wet van 22 december 2008 ingevoerde repartitiebijdrage ten laste wordt gelegd van een identificeerbare en welbepaalde categorie van belastingplichtigen. Hij merkt ook op dat de kernexploitanten en de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van de wet van 11 april 2003 die bijdrage niet moeten betalen, in zoverre zij elektriciteit produceren uit steenkool, gas, « kwaliteitswarmtekrachtkoppeling » of hernieuwbare energiebronnen. Hij voegt eraan toe dat de andere elektriciteitsproducenten, dit wil zeggen diegene die niet het procedé van splijting van kernbrandstoffen aanwenden, evenmin bijdrageplichtig zijn. Hij merkt op dat de kernprovisievennootschap (Synatom) eind 2008 drie belastingplichtigen heeft aangeduid : Electrabel, S.P.E. en EDF Belgium. A.3.2.
- De Ministerraad is van oordeel dat de producenten van nucleaire elektriciteit, gelet op de doelstellingen van de bestreden bepalingen, zich niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de andere producenten en actoren van de elektriciteitsmarkt. A.3.2.
- De Ministerraad geeft eerst toelichting bij de eigen kenmerken van de producenten van nucleaire elektriciteit. Hij legt in de eerste plaats de nadruk op de productiekosten van nucleaire elektriciteit, die hij extreem laag acht en competitiever dan de productiekost van niet-nucleaire elektriciteit. Op basis van een rapport dat in april 2009 werd goedgekeurd door de « Commission sur l’organisation du marché de l’électricité » (opgericht door de bevoegde ministers van de Regering van de Franse Republiek), een in 2005 geactualiseerde studie van het Internationaal Atoomagentschap, een rapport over de splijtstofcyclus dat in 1999 werd voorgesteld aan de « Assemblée nationale » en de Senaat van de Franse Republiek, en de gegevens die door de CREG zijn verzameld, is hij van mening dat Electrabel gedurende het jaar 2007-2008 een winst van ongeveer een miljard tweehonderd miljoen euro heeft gerealiseerd. De Ministerraad is van oordeel dat de lage productiekost van nucleaire elektriciteit onder andere kan worden verklaard door de volgende drie elementen : de lage en stabiele kostprijs van uranium (in vergelijking met de kostprijs van gas en steenkool), de grotere stabiliteit van de elektriciteitsproductie in kerncentrales (in vergelijking met de elektriciteit die wordt geproduceerd uit steenkool, gas, warmtekrachtkoppeling of biomassa), de grotere productiecapaciteit van die centrales, de ontstentenis van gevolgen voor de productiekost van nucleaire elektriciteit van de specifieke kosten van de kernexploitatie, zoals de « nucleaire controle », het beheer van de radioactieve afvalstoffen en het aanleggen van voorzieningen voor de ontmanteling van de kerncentrales. De Ministerraad voert aan dat die specifieke kosten door de eindafnemer van de verzoekende partij worden gedragen. Hij vermeldt in dat verband de bestemming van de opbrengst van de « federale bijdrage » die werd ingevoerd bij artikel 21bis van de wet van 29 april 1999 en die door die eindafnemer wordt betaald, alsook de parlementaire bespreking die voorafging aan de goedkeuring van de wet van 8 december
- De Ministerraad maakt in de tweede plaats gewag van het feit dat de kerncentrales versneld werden afgeschreven (over een periode van twintig jaar), wat werd toegestaan in een context van gereguleerde prijzen. Hij onderstreept dat die versnelde afschrijving door de Belgische consument werd gedragen, via de 11 elektriciteitsprijs die hem werd aangerekend. Hij beweert dat die afschrijving bijdraagt tot de huidige lage productiekost van nucleaire elektriciteit, wat de voordelige marktpositie van de kernexploitanten aanzienlijk versterkt. Hij wijst in dat verband erop dat de kernexploitanten, doordat zij sinds de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt geen rekening hielden met die afschrijving bij het vaststellen van de verkoopprijs van elektriciteit, aanzienlijke « onverwachte winsten » hebben geïnd die voortvloeiden uit de vrijmaking van de markt en niet uit nieuwe investeringen, en die sedert het begin van het decennium nog zijn gestegen wegens de hoge prijs die zij konden vragen voor de verkoop van hun elektriciteit. De Ministerraad verwijst in dat verband naar de gedane vaststellingen en de kritiek die werd geuit betreffende de voordelige situatie van de eerste verzoekster en van de andere producenten van nucleaire elektriciteit, in de studie van de CREG van 6 maart 2006 « over de geplande concentratie tussen Gaz de France en Suez », en in een studie van dezelfde instelling van 26 januari 2009 - die zou suggereren om een belasting op die winsten in te voeren teneinde het marktevenwicht te herstellen en rekening te houden met het aanzienlijke concurrentievoordeel dat die afschrijving mogelijk maakt op de elektriciteitsmarkt. Nog op basis van die laatste studie preciseert de Ministerraad dat, bij de verdwijning van het Controlecomité voor de Elektriciteit en het Gas, de winsten uit de versnelde afschrijving niet meer in aanmerking werden genomen bij de vaststelling van de verkoopprijs van elektriciteit, terwijl dat had moeten gebeuren tot aan de buitenbedrijfstelling van de kerncentrales. Hij antwoordt eveneens dat de verzoekster geen gegevens overlegt op grond waarvan laatstgenoemde installaties kunnen worden vergeleken met andere centrales voor elektriciteitsproductie die vóór de vrijmaking van de markt in bedrijf werden gesteld en afgeschreven en die het volgens haar eveneens mogelijk maken om tegen een lage prijs elektriciteit te produceren. Hij doet ten slotte opmerken, enerzijds, dat de steenkoolcentrales die ook versneld werden afgeschreven, veel ouder zijn dan de kerncentrales en slechts een zeer gering aandeel hebben in de huidige Belgische elektriciteitsproductie en, anderzijds, dat de steenkoolcentrales niet met de kerncentrales kunnen worden vergeleken wegens de beperkingen die de eerstgenoemde door de regelgeving betreffende de CO2 emissiequota worden opgelegd. In de derde plaats stelt de Ministerraad dat door de invoering van het systeem van de CO2 emissiequota de producenten van nucleaire elektriciteit andere « onverwachte winsten » konden maken, die te maken hebben met het feit dat de kost van die quota een stijging heeft veroorzaakt van de marktprijs van elektriciteit, terwijl die producenten die kost niet moeten dragen. De Ministerraad verwijst in dat verband naar drie studies die op 9 maart 2006, 15 mei 2008 en 28 mei 2009 door de CREG werden goedgekeurd, alsook naar een advies van die instelling van 19 juli
- In de vierde plaats beweert de Ministerraad dat de kernexploitanten de enige elektriciteitsproducenten zijn die niet participeren in de strijd tegen de klimaatopwarming, vermits zij niet verplicht zijn CO2 emissiequota aan te schaffen, en die bovendien winst halen uit die specifieke situatie. A.3.2.
- De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat de andere actoren van de elektriciteitsmarkt die door de verzoekende partij worden beoogd, in tegenstelling tot de producenten van nucleaire elektriciteit, geen eigen rol hebben in de productie van elektriciteit, noch in het verlenen van een bevoorradingsgarantie. Wat de invoerders van elektriciteit betreft, wijst de Ministerraad erop dat hun bewegingsruimte wordt beperkt door de capaciteit van de bestaande koppellijnen tussen elektriciteitsnetwerken en door de prijs van de elektriciteit, in tegenstelling tot de producenten van nucleaire elektriciteit die, hunnerzijds, over een aanzienlijke geïnstalleerde productiecapaciteit beschikken. Wat de transporteurs en distributeurs van elektriciteit betreft, merkt hij op dat de voormelde richtlijn van 26 juni 2003 hun activiteiten van elektriciteitsproductie en -levering verbiedt, zodat zij niet verplicht kunnen worden ingeschakeld om het onevenwicht tussen het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, dat werd aangekondigd in de studie van de CREG van 27 september 2007, te vermijden. Hij voegt eraan toe dat die actoren van de elektriciteitsmarkt onderworpen zijn aan een heel ander reguleringsstelsel, dat onder meer een tariefregulering door de CREG omvat. Wat de « tussenpersonen » en de leveranciers van elektriciteit betreft, beweert de Ministerraad dat zij slechts sporadisch participeren in de Belgische elektriciteitsproductie en dat hun concurrentievermogen op korte termijn in de praktijk afhangt van de producenten van nucleaire elektriciteit en van de prijs daarvan. Hij voegt eraan toe dat de leveranciers over een vergunning moeten beschikken. De Ministerraad antwoordt bovendien dat het niet relevant is de in het geding zijnde repartitiebijdrage te vergelijken met de « eenmalige bijdrage ten laste van de petroleumsector » of met de « eenmalige bijdrage ten laste van de gassector », om reden van het bijzondere karakter van de doelstellingen en de motiveringen die ten 12 grondslag liggen aan de bij de wet van 22 december 2008 ingevoerde bijdrage. Hij doet opmerken dat de « eenmalige bijdrage ten laste van de petroleumsector » enkel betrekking had op de invoerders en de aardolieraffinadeurs en dat het Hof, bij zijn arrest nr. 46/2004, de verantwoording van de wetgever om enkel de petroleumsector te viseren, redelijk achtte. Wat de « eenmalige bijdrage ten laste van de gassector » betreft, onderstreept de Ministerraad dat zij enkel betrekking had op bepaalde ondernemingen van de gassector en dat het Hof, bij zijn arrest nr. 54/2008, de verantwoording van de wetgever om enkel die sector te viseren, redelijk heeft geacht. A.3.3.
- De Ministerraad is vervolgens van mening dat het verschil in behandeling in de bestreden bepalingen wordt gemaakt tussen de producenten van nucleaire elektriciteit en de andere producenten en actoren van de elektriciteitsmarkt, redelijk verantwoord is in het licht van de met de bestreden bepalingen nagestreefde doelstellingen. A.3.3.
- De Ministerraad vermeldt in de eerste plaats, met verwijzing naar de studie van de CREG van 27 september 2007, het risico dat het tekort aan productiecapaciteit op de Belgische elektriciteitsmarkt op korte termijn inhoudt, alsook de nefaste gevolgen van een dergelijke situatie voor de mededinging en voor de aantrekkingskracht van de markt voor nieuwe investeerders. Hij betoogt dat de producenten van nucleaire elektriciteit niet voldoende hebben geïnvesteerd in de Belgische installaties voor elektriciteitsproductie. Hij preciseert in dat verband dat de verzoekster zich niet heeft gehouden aan het « nationaal programma ter uitrusting van de middelen voor de productie en het grote vervoer van elektrische energie », dat op 17 november 1995 werd voorgesteld door het Beheerscomité van de elektriciteitsondernemingen, dat de verzoekster en de Samenwerkende vennootschap voor productie van elektriciteit (S.P.E.) vertegenwoordigt. Hij doet opmerken dat dit programma de investeringen beschreef die gedurende het decennium 1995-2005 moesten worden gerealiseerd om de elektriciteitsbevoorrading van het land te verzekeren, en in dat verband alle nuttige informatie bevatte over de hoeveelheid, de procedés en het lokaliseren van nieuwe productie-eenheden. De Ministerraad is van mening dat de omstandigheid dat dit programma werd goedgekeurd in een andere reglementaire context dan de huidige, geen afbreuk doet aan het feit dat de verzoekster niets heeft gedaan om de schaarste die de komende jaren nog zal toenemen, te verhinderen. Hij wijst erop dat, zowel in het « Voorstel van indicatief programma van de productiemiddelen voor elektriciteit 2002-2011 » als in het « Voorstel van indicatief programma van de productiemiddelen voor elektriciteit 2005-2014 » - die respectievelijk op 19 december 2002 en op 20 januari 2005 door de CREG werden goedgekeurd - nadruk werd gelegd op de nood aan bijkomende productie-eenheden. De Ministerraad voert aan dat men met de bestreden bepalingen het hoofd wil bieden aan de kritieke situatie van schaarste die is ontstaan door het gebrek aan investeringen van de nucleaire elektriciteitsproducenten die, enerzijds, een stijging heeft veroorzaakt van de elektriciteitsprijzen die voor hen aanzienlijke winsten heeft opgeleverd en, anderzijds, geleidelijk aan de invoer van elektriciteit noodzakelijk heeft gemaakt teneinde te voldoen aan de vraag van de eindafnemers, zoals wordt aangegeven in een studie over de perspectieven van elektriciteitsbevoorrading gedurende de periode 2008-2017, die werd gerealiseerd door het Bestuur Energie en het federaal Planbureau. Hij voegt eraan toe dat de verzoekende partij, die niet de nodige investeringen heeft gedaan om haar kerncentrales te vervangen, niet kan ontkennen dat zij mee verantwoordelijk is voor het huidige risico van een ontoereikende elektriciteitsproductiecapaciteit. Hij preciseert niettemin dat de repartitiebijdrage zeker geen straf is, maar een pragmatische maatregel die werd genomen om de bevoorradingszekerheid van België te waarborgen. De Ministerraad is van mening dat de investeringen ter verhoging van de productiecapaciteit moet worden gedaan door de nucleaire elektriciteitsproducenten. Hij merkt op dat het argument van de verzoekster dat is afgeleid uit de grenzen van het toepassingsgebied van de richtlijn 2006/32/EG van 5 april 2006, niet pertinent is. Hij herinnert eraan dat die richtlijn slechts één van de vele instrumenten is van het globale beleid inzake de strijd tegen de klimaatverandering en verwijst in dat verband naar, enerzijds, de streefcijfers van het « Actieplan van de Europese Raad (2007-2009) » - dat door de Europese Raad werd goedgekeurd tijdens zijn vergadering van 8 en 9 maart 2007 - met betrekking tot de reductie van broeikasgasemissies, de verhoging van het aandeel van energieproductie uit hernieuwbare bronnen en de vermindering van het energieverbruik en, anderzijds, de drie richtlijnen die op 23 april 2009 werden aangenomen om die doelstellingen te bereiken : de richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG », de richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 « tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden » en de richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de 13 Raad van 23 april 2009 « betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad ». De Ministerraad leidt ook uit het voormelde Franse rapport van de « Commission sur l’organisation du marché de l’électricité » af dat de kernexploitanten het doel van energie-efficiëntie mee moeten helpen verwezenlijken, dat immers, zoals werd herhaald in een mededeling van de Europese Commissie van 13 november 2008 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, over een « EU-actieplan inzake energiezekerheid en -solidariteit », de bevoorradingszekerheid positief beïnvloedt. De Ministerraad antwoordt de verzoekende partij ook dat de bevoorradingszekerheid niet kan worden gewaarborgd door een verhoging van de invoercapaciteit of door een responsabilisering van de transporteurs, vermits de capaciteit van de koppellijnen met de buurlanden beperkt is, wat aanzienlijke risico’s inhoudt van « contractuele of fysieke opstopping » die leidt tot veiligheidsproblemen voor het Belgische elektriciteitsnetwerk. Hij wijst in dat verband nog erop dat invoer van elektriciteit ernstige nadelen kan hebben, zoals de afhankelijkheid van de productie van de buurlanden (wat het probleem van de bevoorrading louter verplaatst) en de moeilijkheden inzake spanningsregeling bij grootschalige invoer, alsook het feit dat noodzakelijkerwijs rekening moet worden gehouden met het « reservepercentage tussen de transportnetwerkbeheerders ». De Ministerraad betwist bovendien de relevantie van het argument dat de verzoekster afleidt uit de productiecapaciteit van haar installaties voor warmtekrachtkoppeling en uit de « energieterugwinning » die zij heeft gerealiseerd, door te wijzen op de productiecapaciteit van haar kerncentrales en haar lage participatie in de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen, ten opzichte van haar zeer grote marktaandeel in de totale elektriciteitsproductie van België. De Ministerraad beklemtoont dat de nucleaire elektriciteitsproducenten, gelet op de grote winst die zij hebben behaald dankzij de versnelde afschrijving van de kerncentrales, het best geplaatst zijn om de vereiste investeringen in de bevoorradingszekerheid te doen. Hij is van mening dat zowel die zekerheid als het Belgische beleid inzake klimaatverandering vereisen dat de verzoekster met name participeert in de modernisering van haar bestaande productie-eenheden, overeenkomstig de aanbevelingen van de voormelde studie van de CREG van 27 september 2007, en van de resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2007 « over conventionele energiebronnen en energietechnologie », en rekening houdend met de wet van 31 januari
- De Ministerraad preciseert dat de wetgever heeft moeten vaststellen dat de kernexploitanten die investeringen ter verhoging van de elektriciteitsproductiecapaciteit niet hebben gedaan. Hij maakt in dat verband een onderscheid tussen die laatste investeringen en de investeringen en controles die de verzoekster enkel doet met het oog op het garanderen van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van de kerncentrales, overeenkomstig onder andere de voormelde wet van 15 april 1994 en het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen ». De Ministerraad is van oordeel dat de bestreden bepalingen een « globale en budgettaire » maatregel zijn die niet uitsluit dat in de toekomst « bijkomende en structurerende mechanismen » worden aangenomen. Hij meent dat het thans niet oordeelkundig is een procedure van offerteaanvraag te starten op grond van artikel 5 van de wet van 29 april 1999, omdat die procedure, door de traagheid, de logheid en de kosten ervan, niet aangepast is aan de context van nationale en internationale crisis waarin de in het geding zijnde bijdrage werd goedgekeurd. De Ministerraad wijst bovendien erop dat die procedure slechts aan een van de vijf doelstellingen van die bijdrage zou kunnen beantwoorden en voor de consument een stijging van de elektriciteitsprijs zou veroorzaken die niet kan worden verzoend met het doel van bestrijding van de prijsstijging. De Ministerraad geeft aan dat de invoering van de in het geding zijnde bijdrage eveneens het rechtstreekse gevolg is van de houding van de verzoekster tegenover de maatregelen van de wet van 8 december 2006, die daardoor niet het verwachte resultaat heeft gehad met betrekking tot een verhoging van de elektriciteitsproductie. Hij doet opmerken dat de verzoekster, ondanks de verwerping van het vernietigingsberoep dat zij tegen die wet instelde (arrest nr. 72/2008 van 24 april 2008), weigert het merendeel van de heffingen te betalen die zij krachtens die wet verschuldigd is, in afwachting van vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg. De Ministerraad is van mening dat de verzoekster zich niet kan verschuilen achter de theorie van de « booms and busts », gelet op de uitzonderlijke situatie van de kernexploitanten. Naast het feit dat zij niet aantoont dat zij te maken zou hebben gehad met een recessie, zou haar invloed op de markt haar in staat hebben gesteld investeringsbeslissingen te nemen die een gewone marktspeler niet zou hebben kunnen nemen in periode van recessie. 14 A.3.3.
- De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat de tweede doelstelling van de in het geding zijnde bijdrage - namelijk het dekken van de uitgaven en investeringen die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit het gebruik van kernenergie, zoals het onderzoek naar stralingsbescherming, de gevolgen van die straling, de noodplannen en de sociale aspecten van die energievorm - verantwoordt dat die bijdrage enkel aan de nucleaire elektriciteitsproducenten wordt opgelegd. Hij preciseert dat die bijdrage niet tot doel heeft het onderhoud, de ontmanteling of de veiligheid van de kerncentrales te financieren, zodat de uitgaven of investeringen die daartoe door de nucleaire elektriciteitsproducenten worden gedragen, niet volstaan om aan te tonen dat het bekritiseerde verschil in behandeling discriminerend is. De Ministerraad wijst eveneens erop dat de wet van 22 juli 1985 « betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie » de aansprakelijkheid van de kernexploitanten sterk beperkt in geval van een incident, zodat de staat ertoe zou kunnen worden gebracht de schade die niet door die aansprakelijkheid wordt gedekt, te vergoeden. A.3.3.
- In de derde plaats blijft de Ministerraad stilstaan bij de derde doelstelling van de in het geding zijnde bijdrage, namelijk de strijd tegen de stijging van de elektriciteitsprijs, die hij als een doelstelling van algemeen belang beschouwt. Hij wijst in dat verband eerst erop dat, enerzijds, de prijsstijging de kansarme bevolkingsgroepen harder raakt en, anderzijds, dat die forse stijging alle Belgische consumenten treft, en meer in het bijzonder de Waalse en Brusselse consumenten sinds
- Hij maakt melding van een studie van de CREG van 13 mei 2008, citeert een uittreksel uit het jaarverslag 2008 van die instelling, en statistieken die werden gepubliceerd door de federale overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, wat betreft de twee semesters voorafgaand aan de aanneming van de wet van 22 december 2008, alsook een uittreksel uit het beheersverslag van de verzoekende partij betreffende het boekjaar 2005, waarin zij erkent dat zij reeds voordeel haalt uit de stijging van de elektriciteitsprijs. Uit Europese statistieken leidt hij nog af dat in 2008 de prijs van de in België geleverde elektriciteit tot de hoogste van de Europese Unie behoorde, in het bijzonder voor bepaalde types van « residentiële klanten ». De Ministerraad antwoordt de verzoekende partij ook dat haar interpretatie van de studie van de Nationale Bank niet pertinent is, omdat die studie betrekking heeft op een periode gedurende welke de prijzen voor elektriciteitslevering gereguleerd waren. Hij voegt eraan toe dat de winst die de verzoekster heeft behaald dankzij de stijging van de elektriciteitsprijs niet verenigbaar is met de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt, die tot doel had de consumenten te laten profiteren van de prijsdaling waartoe de voordelige situatie van de verzoekende partij had kunnen leiden. De Ministerraad stelt dat de nucleaire elektriciteitsproducenten, in tegenstelling tot de andere elektriciteitsproducenten die rekening moeten houden met de prijs van de aardolie, in staat waren hun elektriciteit te verkopen tegen een lagere prijs dan de marktprijs, dankzij de geringe en stabiele prijs van uranium en de vaste kosten van de nucleaire elektriciteitsproductie, en dankzij de « onverwachte winsten » die konden worden behaald door de versnelde afschrijving van de centrales en de gunstige gevolgen van het systeem van de CO2-emissierechten. De Ministerraad leidt uit twee rapporten van de Europese Commissie, die werden opgesteld in 2006 en in juli 2008, af dat de kernexploitanten de elektriciteitsprijs kunnen beïnvloeden en niet verplicht waren de hoge marktprijs toe te passen. Hij is dus van mening dat het verantwoord is de last van een maatregel ter bestrijding van de prijsstijging alleen aan die producenten op te leggen. Hij merkt op dat de verzoekende partij niet de andere elektriciteitsproducenten aanwijst die volgens haar de elektriciteitsprijs hadden kunnen laten dalen, en niet de middelen aangeeft waarmee zij in die zin hadden kunnen handelen. De Ministerraad oordeelt dat de verhoging van de tarieven van de leveranciers, de transporteurs en de distributeurs die mee ten grondslag ligt aan de stijging van de elektriciteitsprijs, niet van die aard is dat zij de grondwettigheid ter discussie stelt van het betwiste verschil in behandeling, dat gegrond is op het specifieke karakter van de situatie van de nucleaire elektriciteitsproducenten. Hij verduidelijkt dat de meeste elektriciteitsleveranciers, -transporteurs en -distributeurs rechtstreeks of indirect rekening moeten houden met gereguleerde tarieven, en over geen enkele bewegingsruimte beschikken om hun prijzen te verlagen. De Ministerraad is van mening dat de repartitiebijdrage de federale overheid financiële middelen bezorgt die haar in staat stellen maatregelen te nemen om de prijsstijging af te remmen of te compenseren voor personen die ze ondergaan (sociale tarieven, het stimuleren van energiebesparing, belastingverlagingen, enz.), maatregelen die in het voordeel zijn van de andere spelers op de elektriciteitsmarkt. Hij voegt eraan toe dat de wetgever niet verplicht is het bedrag van de begrotingsmiddelen vast te stellen dat aan elk van de nagestreefde doelstellingen zal worden toegekend. 15 A.3.3.
- In de vierde plaats voert de Ministerraad aan dat een versterking van de mededinging de belangen van de consument dient, en dus een doelstelling van algemeen belang is. Hij onderstreept dat de repartitiebijdrage de federale overheid daartoe de middelen geeft om haar energiebeleid te ontwikkelen en de elektriciteitsmarkt meer de diversifiëren, teneinde de mededinging op die markt te versterken, wat de werkgelegenheid en de prijzen positief zal beïnvloeden. Hij beweert dat die bijdrage ertoe strekt het vertrouwen van de Europese energieproducenten in de Belgische markt te herstellen en investeringen te stimuleren. De Ministerraad stelt dat het gerechtvaardigd is die bijdrage enkel van de nucleaire elektriciteitsproducenten te vorderen omdat zij, wegens hun reeds vermelde geringe kosten en « onverwachte winsten », verantwoordelijk zijn voor de aantasting van de mededinging op de elektriciteitsmarkt, die hun een buitensporig concurrentievoordeel oplevert ten opzichte van de andere elektriciteitsproducenten. De bijdrage zou toelaten de positie van die laatste te versterken. Wat betreft de elektriciteitsinvoerders, -transporteurs, -distributeurs en -leveranciers, merkt de Ministerraad op dat zij niet dezelfde voordelen genieten als de kernexploitanten en niet in dezelfde sector actief zijn. Hij is van mening dat de redenering van de verzoekster ertoe leidt elke voor de farmaceutische sector specifieke maatregel die niet wordt uitgebreid tot de andere actoren van de chemiesector, te verbieden. Hij herinnert ten slotte eraan dat de nucleaire elektriciteitsproducenten zich in een specifieke situatie bevinden wegens hun positie op de elektriciteitsmarkt, de risico’s van hun activiteit voor de maatschappij en hun draagkracht. Wat dat laatste aspect betreft, wijst de Ministerraad erop dat de verzoekende partij slechts in zeer geringe mate heeft bijgedragen in de vennootschapsbelasting voor haar boekjaar
- A.3.3.
- Ten slotte stelt de Ministerraad dat het energiebeleid van het land - dat een doelstelling van algemeen belang zou zijn - het bekritiseerde verschil in behandeling rechtvaardigt. Hij merkt op dat in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen in het bijzonder het algemene beleid inzake reductie van broeikasgasemissie wordt beoogd, dat betrekking heeft op alle actoren van de elektriciteitsmarkt. Hij preciseert dat verschillende maatregelen kunnen worden genomen ten aanzien van verschillende actoren, teneinde rekening te houden met de specificiteit van elk van hen. Hij is van mening dat de repartitiebijdrage een specifieke last doet wegen op de nucleaire elektriciteitsproducenten teneinde rekening te houden met het feit dat laatstgenoemde niet in dezelfde mate als de andere elektriciteitsproducenten bijdragen tot het systeem van de CO2-emissierechten en, meer in het algemeen, tot de strijd tegen de klimaatverandering. De Ministerraad leidt ook af uit de arresten nr. 86/2005 van 4 mei 2005, nr. 150/2006 van 11 oktober 2006 en nr. 114/2007 van 19 september 2007 dat het is toegestaan een categorie van marktspelers die zich in een voordeligere positie bevinden te belasten, en uit het arrest nr. 73/2001 van 30 mei 2001 dat marktspelers die reeds bijdragen tot de doelstellingen van de wetgever van een financiële inspanning mogen worden vrijgesteld. A.3.
- Wat de bestemming van de in het geding zijnde bijdrage betreft, antwoordt de Ministerraad eerst dat een belasting uiteraard tot doel heeft de begrotingsontvangsten te spijzen en dat zij mogelijkerwijs aan slechts een categorie van belastingplichtige wordt opgelegd, voor zover de beginselen van gelijkheid en wettigheid in acht worden genomen, zodat het Hof niet vermag de waarborgen betreffende het innen en het aanwenden van die ontvangsten te beoordelen. Hij preciseert dat het de belastingplichtige niet toekomt de bestemming van een bijdrage of belasting te controleren en dat de wet die bestemming niet moet waarborgen. Hij voegt eraan toe dat de omstandigheid dat de Regering het parlement de doelstellingen van een belasting aangeeft, de eerstgenoemde niet verhindert de ontvangsten van die belasting aan te wenden « in het kader van de uitvoering van haar begroting en met inachtneming van de begrotingsnormen ». Hij merkt op dat de meeste wetten die een belasting invoeren de bestemming ervan niet preciseren. De Ministerraad onderstreept vervolgens dat niet kan worden geëist dat een bijdrage die niet het karakter van een vergoeding heeft, een welbepaalde bestemming krijgt en dat de in het geding zijnde bijdrage geen boete is waarbij het gebrek aan bepaalde investeringen wordt bestraft. De Ministerraad zet eveneens de redenen uiteen waarom de wetgever niet verplicht was een begrotingsfonds op te richten in de zin van artikel 45 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Hij wijst in de eerste plaats erop dat een betalingsopdracht ten laste van zulk een fonds niet boven het beschikbare krediet kan worden verstrekt. Hij merkt in de tweede plaats op dat de vaststelling, door de Koning, van de nadere regels voor tussenkomst in de domeinen die door het nieuwe artikel 14, § 8, tweede lid, 16 van de wet van 11 april 2003 worden beoogd, slechts facultatief is en dat het enige gevolg van een eventuele vaststelling van onbestaanbaarheid van die delegatie aan de Koning met de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten, het verbod zou zijn, voor laatstgenoemde, om die nadere regels te bepalen. De Ministerraad geeft in de derde plaats aan dat het informeren van de parlementsleden over de uitgaven waaraan de Regering het hoofd moet bieden niet de oprichting van een begrotingsfonds vereist. Hij wijst ten slotte erop dat de heffing en de betaling van de belasting geen moeilijkheden hebben opgeleverd. Over het « tweede onderdeel » A.4.
- Electrabel voert aan dat de repartitiebijdrage onevenredig is. A.4.
- De verzoekster voert in de eerste plaats aan dat het bedrag ervan arbitrair is, omdat het geen redelijk verband vertoont met de nagestreefde doelstellingen, wat onverenigbaar zou zijn met de lering van de arresten nr. 46/2004 en nr. 54/
- Zij merkt op dat in de parlementaire voorbereiding geen enkele verduidelijking wordt gegeven over de winsten van de bijdrageplichtigen, de noden van de Staat en de mogelijke risico’s waarmee het bedrag van de bijdrage evenredig zou zijn, en is van mening dat de berekeningsgrondslag van dat bedrag niet wordt meegedeeld. De verzoekster preciseert dat die kritiek moet worden onderscheiden van de kritiek die wordt geuit in het tweede onderdeel van het derde middel. Electrabel onderstreept eveneens, met verwijzing naar het arrest nr. 72/2008 van 24 april 2008, dat de bijdrage niet tot doel, noch tot gevolg heeft het gedrag van de bijdrageplichtigen te sturen, omdat die laatsten niet de mogelijkheid hebben het verschuldigde bedrag te verminderen door bijkomende investeringen te doen in de elektriciteitsproductie, door de prijzen te verminderen of de mededinging op de markt te versterken. De verzoekster merkt op dat de invoering van de in het geding zijnde bijdrage daarentegen de verwezenlijking van de door haar nagestreefde doelstellingen in het gedrang brengt doordat zij de lasten die op de elektriciteitsproducenten wegen, verzwaart. Zij wijst eveneens erop dat het bedrag van die bijdrage, in plaats van af te nemen naarmate die doelstellingen worden verwezenlijkt, nog zou stijgen en zelfs zou worden verdubbeld voor het begrotingsjaar
- De verzoekster besluit eruit dat de bijdrage inefficiënt is. De verzoekster oordeelt eveneens dat het onevenredige karakter van de in het geding zijnde bijdrage voortvloeit uit het feit dat zij klaarblijkelijk geen ander doel heeft dan het begrotingstekort van het jaar 2008 op te vullen, zodat de opbrengst ervan nooit zal worden gebruikt ter financiering van de uitgaven die op gekunstelde wijze in de wet van 22 december 2008 zijn vermeld. A.4.
- De verzoekster voert vervolgens aan dat het onevenredige karakter van de bijdrage ook voortkomt uit de gevolgen ervan voor haar persoonlijke situatie. Zij preciseert dat die bijdrage haar winstmarge ernstig en rechtstreeks kan aantasten en dat die bijdrage klaarblijkelijk neerkomt op een verbeurdverklaring. Zij wijst erop dat het bedrag van het gedeelte van de in het geding zijnde bijdrage dat zij heeft moeten dragen (ongeveer 222 miljoen euro) het dubbele is van de « eenmalige bijdrage ten laste van de gassector » die werd ingevoerd bij de wet van 27 december 2006, en meer dan het drievoud van het gedeelte van die bijdrage dat zij heeft gedragen, en dat het meer dan een derde bedraagt van de nettowinst die zij in 2007 heeft gerealiseerd voor het geheel van haar Belgische activiteiten (productie, transport, omzetting en distributie van alle soorten energie). Zij is in dat verband van mening dat het pertinenter is om rekening te houden met de winst dan met het omzetcijfer van een belastingplichtige, om de draagkracht en dus het evenredige karakter van een fiscale maatregel te beoordelen. Electrabel beweert dat het onevenredige karakter van haar gedeelte van het bedrag van de in het geding zijnde bijdrage eveneens voortvloeit uit de omstandigheid dat zowel de verzoekende partij als Suez de dure verbintenissen zijn nagekomen die werden aangegaan bij de ondertekening van de Pax Electrica I en de Pax Electrica II, terwijl de invoering van de in het geding zijnde bijdrage haaks staat op de verbintenis van de regering om tot het einde van het jaar 2009 een « stabiel en duurzaam wettelijk kader » te handhaven. Er zou afbreuk zijn gedaan aan de legitieme verwachtingen van de verzoekster. De verzoekster leidt bovendien af uit het feit dat zij de enige onderneming uit de Belgische energiesector is die zulk een hoge bijdrage moet storten, dat de wetgever haar het grootste deel van de financiering van het energiebeleid wenst te laten dragen. 17 De verzoekster onderstreept ten slotte dat het geheel van de regels die op de in het geding zijnde bijdrage van toepassing zijn, weinig evenwichtig is. Zij doet opmerken dat zowel de « eenmalige bijdrage ten laste van de gassector » als de « eenmalige bijdrage ten laste van de petroleumsector » niet recurrent waren, terwijl de rijksmiddelenbegroting van het jaar 2009 aangeeft dat de in het geding zijnde bijdrage, die in eerste instantie als uitzonderlijk werd voorgesteld, ook in 2009 zal worden geheven en vooral de verzoekster zal treffen. Zij herinnert eraan dat zij die bijdrage niet kan afwentelen op de prijs die door haar klanten wordt betaald, en betreurt dat er geen rechtsmiddelen voorhanden zijn tegen door de Commissie voor nucleaire voorzieningen genomen beslissing waarbij een geldboete wordt opgelegd aan de bijdrageplichtige die zijn deel van de in het geding zijnde bijdrage niet zou betalen, boete die twee procent van zijn omzetcijfer kan bedragen. A.5.
- Volgens de Ministerraad is er geen aanzienlijk verschil tussen het tweede onderdeel van het middel en het derde middel. Hij onderstreept dat een fiscale maatregel, wegens het gebrek aan evenredigheid met het nagestreefde doel, enkel onbestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom dat wordt gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wanneer hij klaarblijkelijk onredelijk is. Hij citeert in dat verband een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Imbert de Trémiolles t. Frankrijk, 4 januari 2008) waaruit blijkt dat de Staat op dat gebied over een ruime beoordelingsmarge beschikt. Hij verwijst eveneens naar de arresten nr. 66/2004 van 28 april 2004, nr. 107/2005 van 22 juni 2005 en nr. 72/2008 van 24 april
- A.5.
- Wat het verband van evenredigheid betreft tussen de repartitiebijdrage en de doelstellingen van de wetgever, merkt de Ministerraad eerst op uit het middel niet blijkt dat die bijdrage die doelstellingen niet kan bereiken. Hij voegt eraan toe dat het bepalen van de te bereiken doelstellingen en van de middelen daartoe - zoals het bedrag van een bijdrage ten laste van bepaalde categorieën van personen - een zuiver politieke keuze is die het Hof niet vermag af te keuren; dat het, tenzij een specifiek fonds wordt opgericht, de Staat - en niet de belastingplichtige - toekomt te beslissen over de bestemming van de belastingontvangsten; en dat de in het geding zijnde bijdrage, zoals de meeste belastingen, niet tot doel heeft de bijdrageplichtige aan te zetten tot een bepaalde handelwijze, maar enkel dient om het energiebeleid van de Staat te financieren. Hij preciseert niettemin, wat dat laatste punt betreft, dat, indien de bijdrageplichtigen investeren in de elektriciteitsproductiecapaciteit, voorzieningen aanleggen voor de ontmanteling van de kerncentrales of de stijging van de petroleumprijs niet afwentelen op de kostprijs van nucleaire elektriciteit, de noodzaak van die bijdrage zal verminderen. Hij vermeldt eveneens het arrest nr. 109/2004 waaruit zou blijken dat het algemeen belang kan vereisen dat een noodzakelijk geachte fiscale maatregel onverwijld uitwerking heeft, waarbij de belastingplichtigen worden verhinderd om de gevolgen van die maatregel te verminderen door erop te anticiperen. A.5.
- Wat het verband van evenredigheid betreft tussen de repartitiebijdrage en de situatie van de bijdrageplichtigen, merkt de Ministerraad eerst op dat de evenredigheid van een fiscale maatregel wordt beoordeeld ten opzichte van de situatie van alle betrokken personen, en niet ten opzichte van de enige persoon die deze maatregel betwist. De Ministerraad leidt af uit het arrest nr. 88/2004 van 19 mei 2004, uit het arrest nr. 114/2007 van 19 september 2007 en uit het arrest nr. 72/2008 van 24 april 2008, alsook uit het arrest van de Raad van State nr. 189.702 van 21 januari 2009 dat de evenredigheid van een fiscale maatregel afhangt van de draagkracht van de belastingplichtige, die op haar beurt afhangt van het omzetcijfer van de aan die maatregel verbonden activiteiten, en niet van de winst die voor het geheel van de activiteiten van de belastingplichtige werd geregistreerd. Hij wijst vervolgens erop dat de in het geding zijnde bijdrage iets minder dan twee procent bedraagt van het omzetcijfer van Electrabel in 2007, zijnde twee keer minder dan de heffing die van haar kon worden gevorderd ter uitvoering van de wet van 8 december
- Hij merkt bovendien op dat de verzoekende partij in 2007 een belasting van ongeveer 69 miljoen euro heeft betaald voor een winst van meer dan een miljard euro, wat haar toeliet « de facto te ontsnappen aan het gewone tarief van de vennootschapsbelasting », dat op ongeveer 34 pct. is geraamd. Op het argument dat de verzoekster afleidt uit het verbod om de bijdrage af te wentelen op de verkoopprijs van elektriciteit, antwoordt de Ministerraad dat het niet denkbaar is dat een belastingplichtige ernaar streeft de belasting door iemand anders te laten betalen en dat dit verbod ertoe strekt het nuttige effect van de maatregel die onder andere tot doel heeft een stijging van de elektriciteitsprijs te verhinderen, te waarborgen. Op het argument 18 dat de verzoekster afleidt uit het risico van geldboete dat zij loopt bij niet-betaling van de in het geding zijnde bijdrage, antwoordt de Ministerraad dat die geldboete slechts de sanctie is die voortvloeit uit het niet-nakomen van een verplichting tot betaling, en dat het feit dat de bijdrageplichtigen die bijdrage aanstonds hebben betaald, het nuttige effect van die geldboete aantoont. Hij herinnert in dat verband eraan dat tegen elke beslissing van de Commissie voor nucleaire voorzieningen waarbij zulk een geldboete wordt opgelegd, de gewone rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De Ministerraad antwoordt ook dat het recurrente karakter van een belasting over het algemeen geen element is dat in aanmerking moet worden genomen om de evenredigheid ervan te beoordelen, aangezien een belasting in principe en van nature recurrent is en alleen het bedrag ervan van jaar tot jaar verschilt. Hij is van mening dat de in het geding zijnde bijdrage enkel geldt voor het jaar 2008 en dat de mogelijkheid, voor de wetgever, om te beslissen een bijdrage te innen voor de daaropvolgende jaren niet volstaat om aan te tonen dat het principe van die heffing onevenredig zou zijn ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen. Hij voegt eraan toe dat het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel aangeeft dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen het bedrag van die bijdrage en de draagkracht van de bijdrageplichtigen ervan. De Ministerraad is ten slotte van oordeel dat het middel, doordat het is gegrond op zogenaamde akkoorden die de uitdrukking zijn van de Pax Electrica I en de Pax Electrica II of op de schending van het « beginsel van de legitieme verwachting », onontvankelijk is. Met verwijzing naar het arrest nr. 151/2007 van 12 december 2007 is hij van mening dat men in de formulering van het middel die akkoorden en dat principe had moeten beogen. Hij betwist vervolgens de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van de schending, door een wet, van een contractuele verbintenis of van een rechtsbeginsel, en vermeldt, wat dat laatste punt betreft, het arrest nr. 100/
- Hij leidt eveneens uit het arrest nr. 121/2008 van 1 september 2008 af dat een beleidsverklaring geen belastingvrijstelling kan verantwoorden die niet in de wet is ingeschreven. De Ministerraad preciseert ten slotte dat de Regering niet zonder aantasting van de scheiding der machten de wetgever had kunnen binden door een belofte van fiscale vrijstelling voor een belastingplichtige of een economische sector; dat de Regering in elk geval niet een dergelijke verbintenis heeft aangegaan voor de activiteiten van de verzoekster of van haar « moedermaatschappij »; en dat, wat er ook van zij, een fiscale vrijstelling niet definitief is, zoals wordt aangegeven in het arrest nr. 109/
- A.5.
- De Ministerraad voert daarnaast aan dat de repartitiebijdrage een omslagbelasting is die het in artikel 171 van de Grondwet uitgedrukte beginsel van de annualiteit van de belasting in acht neemt, alsook het beginsel van niet-retroactiviteit, het « beginsel van vergelijkbaarheid », het « beginsel van pertinentie van het door de wetgever doorgevoerde onderscheid in het licht van het nagestreefde doel », het in artikel 170 van de Grondwet uitgedrukte beginsel van de wettigheid van de belasting, het verbod om een vergelijk te treffen over een belasting, en het « beginsel van draagkracht ». Wat dat laatste beginsel betreft, onderstreept de Ministerraad dat alleen de dominante plaats van de verzoekster in de activiteitensector waarop de bijdrage betrekking heeft, het feit verklaart dat zij het grootste deel ervan moet dragen. De Ministerraad leidt ten slotte af uit de rechtspraak van de Raad van State, uit die van het Hof van Cassatie en uit het arrest nr. 54/2008 dat de omstandigheid dat de bijdrage slechts aan een beperkt aantal bijdrageplichtigen wordt opgelegd, die bijdrage daarom niet onbestaanbaar maakt met het beginsel van de gelijkheid voor de belasting. Wat betreft het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van artikel 170, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en uit de schending van het beginsel van niet-retroactiviteit en van het beginsel van rechtszekerheid, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet A.
- Electrabel preciseert dat dit middel hoofdzakelijk is gericht tegen het criterium van verdeling van het bedrag van de bijdrage tussen de bijdrageplichtigen. Over het « eerste onderdeel » A.
- Electrabel klaagt een schending aan van het beginsel van de wettigheid van de belasting. Zij is van mening dat de bestreden bepalingen onbestaanbaar zijn met artikel 170 van de Grondwet en met het beginsel van rechtszekerheid, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het criterium van verdeling van de in het geding zijnde bijdrage, dat toelaat de individuele bijdrage van iedere 19 bijdrageplichtige te bepalen, niet beantwoordt aan de vereisten van nauwkeurigheid en duidelijkheid die voortvloeien uit het beginsel van de wettigheid van de belasting. Met vermelding van het arrest nr. 54/2008 wijst de verzoekende partij erop dat het bepalen van het door de belastingplichtige verschuldigde bedrag een van de essentiële elementen van een belasting vormt die de wetgever zelf moet vaststellen, zonder dat hij die taak aan een privépersoon kan delegeren. Zij is echter van mening dat het gebrek aan nauwkeurigheid van de bewoordingen die worden gebruikt door artikel 14, § 8, vierde lid, van de wet van 11 april 2003, ingevoegd bij artikel 65 van de wet van 22 december 2008, aan Synatom de zorg overlaat om het bedrag van de individuele bijdrage van elke bijdrageplichtige vast te stellen. Zij preciseert dat het begrip « aandeel in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen » dubbelzinnig is. Zij wijst erop dat Synatom, voor de berekening van de individuele bijdrage van de maatschappijen die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn, dat begrip heeft gedefinieerd met verwijzing naar het « geïnstalleerd vermogen » (MW), terwijl men mocht verwijzen naar de « effectieve productie » (MWh). Zij merkt op dat in de memorie van toelichting van het ontwerp van wet dat de bestreden wet is geworden, wordt verwezen naar de elektriciteitsproductie, terwijl de verklaringen van de bevoegde ministers in de Commissie naar het « geïnstalleerde vermogen » verwijzen. Electrabel voegt eraan toe dat de in de voormelde bepaling vervatte verwijzing naar artikel 9, eerste lid, tweede zin, van de wet van 11 april 2003, ingevoegd bij artikel 152 van de wet van 25 april 2007 « houdende diverse bepalingen », van geen enkel nut is voor het vaststellen van de verdeelsleutel. Zij merkt op dat die bepaling hetzelfde begrip gebruikt om kosten te verdelen die niet de aard hebben van een belasting en waarvan de waarde niet kan worden vergeleken met die van de in het geding zijnde repartitiebijdrage. Zij wijst erop dat artikel 24, § 1, eerste zin, van de wet van 11 april 2003 dat begrip eveneens gebruikt voor de berekening van de bijdrage van de andere vennootschappen dan de kernexploitanten tot het aanleggen van de voorzieningen voor de ontmanteling van de kerninstallaties, en leidt daaruit af dat men niet kan beweren dat, volgens artikel 11, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, de voorzieningen voor de ontmanteling worden berekend op grond van het « geïnstalleerde vermogen ». Zij doet eveneens opmerken dat, indien men de « effectieve productie » als uitgangspunt zou nemen, dat geenszins de in het geding zijnde bijdrage de hoedanigheid van indirecte belasting zou verlenen, om reden van het permanente en duurzame karakter van de elektriciteitsproductie. Electrabel beweert dat zij er belang bij heeft het gebrek aan duidelijkheid en nauwkeurigheid van de bewoordingen van de voormelde bepaling aan te klagen, ondanks het feit dat zij niet vooraf beroep heeft ingesteld tot vernietiging van artikel 152 van de wet van 25 april 2007, noch de interpretatie van de door Synatom bestreden bepaling heeft aangevochten wanneer die van de bijdrageplichtigen de betaling van de repartitiebijdrage heeft geëist. Zij herinnert eraan dat het belang bij het middel niet moet worden onderzocht omdat het belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen, is aangetoond. A.8.
- In hoofdorde antwoordt de Ministerraad dat het eerste onderdeel van het tweede middel onontvankelijk is, omdat het in werkelijkheid betrekking heeft op artikel 9, eerste lid, tweede zin, van de wet van 11 april 2003, ingevoegd bij artikel 152 van de wet van 25 april 2007, dat dezelfde bewoordingen gebruikt als het nieuwe artikel 14 van de wet van 11 april 2003 en waartegen de verzoekende partij geen beroep tot vernietiging heeft ingesteld. A.8.
- In ondergeschikte orde antwoordt de Ministerraad dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is omdat het begrip « aandeel in de industriële productie » beantwoordt aan de vereiste van nauwkeurigheid die voortvloeit uit het beginsel van de wettigheid van de belasting, en moet worden begrepen als een verwijzing naar de « geïnstalleerde productiecapaciteit ». Hij beweert dat er geen twijfel over bestaat dat de wetgever verwijst naar de « productiecapaciteit » of naar het « geïnstalleerde vermogen », en niet naar de « effectieve productie ». Met verwijzing naar artikel 11, § 3, van de wet van 11 april 2003, waarin geenszins de exploitatiegraad van de kerncentrales waarvoor de voorzieningen inzake ontmanteling zijn aangelegd wordt vermeld, is hij van mening dat de verwijzing naar het « geïnstalleerde vermogen » voortvloeit uit de geest van de wet, zoals die onder andere blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp en uit de omstandigheid dat de wetgever een directe belasting heeft willen invoeren. De Ministerraad wijst daarnaast erop dat het « geïnstalleerd vermogen » een volkomen duidelijk gegeven is dat niet in hoge mate van jaar tot jaar verschilt en de bijdrageplichtigen verhindert te ontsnappen aan de betaling van de repartitiebijdrage en aan hun verplichtingen inzake het aanleggen van voorzieningen voor de ontmanteling, door hun nucleaire elektriciteitsproductie te verminderen of stop te zetten. 20 Vanuit de vaststelling dat het arrest nr. 72/2008 het begrip « potentiële productiecapaciteit » heeft omschreven als « een courant technisch gegeven inzake elektriciteitsproductie », beweert hij dat het begrip « geïnstalleerde productiecapaciteit » nog preciezer is. Volgens de Ministerraad blijkt die precisering eveneens uit de vorderingen tot betaling van de individuele bijdragen die Synatom op 31 december 2008 aan de bijdrageplichtigen heeft gericht en waaruit blijkt dat die vennootschap die bijdragen heeft berekend op basis van de gegevens die haar bekend waren, namelijk de geïnstalleerde productiecapaciteit van elk van de bijdrageplichtigen. De Ministerraad geeft aan dat de verzoekende partij het van haar gevorderde aandeel niet heeft betwist. De Ministerraad leidt eruit af dat de bestreden bepaling aan Synatom niet de bevoegdheid delegeert om een essentieel element van de belasting te bepalen, vermits die vennootschap enkel de bijdrage voorschiet overeenkomstig de instructies die de uitvoerende macht haar heeft gegeven met betrekking tot de interpretatie van de wet. Hij voegt eraan toe dat artikel 14, § 8, eerste, derde en vierde lid, van de wet van 11 april 2003 duidelijk de vier essentiële elementen van de belasting vermeldt die te dezen pertinent zijn, namelijk de identificatie van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastbare grondslag en het belastingtarief. A.8.
- « Ten overvloede » antwoordt de Ministerraad dat, ook al kan het begrip « aandeel in de industriële productie » op twee wijzen worden geïnterpreteerd, daaruit toch niet zou kunnen worden afgeleid dat het beginsel van de wettigheid van de belasting is geschonden doordat de wet niet de belastbare grondslag, die een van de essentiële elementen van de belasting vormt, vaststelt. Hij wijst erop dat de meeste fiscale wetten begrippen gebruiken die verschillend kunnen worden geïnterpreteerd, waarbij die uiteenlopende interpretaties het onderwerp vormen van steeds terugkerende of eindeloze debatten voor de nationale rechtsinstanties of voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Ministerraad merkt vervolgens, op basis van cijfers en tabellen, op dat, indien de individuele bijdragen van de drie betrokken bijdrageplichtigen waren berekend rekening houdend met het gemiddelde van de « effectieve productie » van elektriciteit gedurende de jaren 2007 en 2008, de bijdrage van de drie bijdrageplichtigen nagenoeg identiek zou zijn met die welke Synatom op het einde van het jaar 2008 berekende, waarbij de verschillen voor elk van hen kleiner zouden zijn dan een vierde van een procent. De Ministerraad leidt eruit af dat de keuze van de wetgever niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd. Over het « tweede onderdeel » A.9.
- Het « tweede onderdeel » van het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het « beginsel van niet-retroactiviteit van de fiscale wet » en met het « beginsel van rechtszekerheid ». Electrabel is van mening dat de terugwerkende kracht van de invoering van de repartitiebijdrage een discriminerend verschil in behandeling creëert tussen haar en alle andere burgers die het verbod van retroactiviteit van de fiscale wet « hebben genoten ». De verzoekende partij wijst erop dat de bepalingen van de wet van 22 december 2008 die betrekking hebben op de in het geding zijnde bijdrage, retroactief zijn, omdat zij van toepassing zijn op feiten, handelingen en situaties die definitief voltrokken waren op het ogenblik dat zij in werking traden, op 29 december 2008, de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Zij leidt uit de formulering van artikel 14, § 8, vierde lid, van de wet van 11 april 2003, ingevoegd bij artikel 65 van de wet van 22 december 2008, enerzijds, af dat de activiteit van nucleaire elektriciteitsproductie gedurende het jaar 2007 - zijnde een sinds 31 december 2007 definitief vaststaande situatie - het belastbare feit de belastbare grondslag van de in het geding zijnde bijdrage vormt en, anderzijds, dat, zoals de parlementaire voorbereiding van die wet bevestigt, de omvang van die productie gedurende dat jaar belastbare grondslag vormt. A.9.
- Volgens Electrabel wordt die retroactiviteit door geen enkel bijzondere omstandigheid verantwoord. De verzoekster is van mening dat de techniek van de omslagbelasting de wetgever niet ertoe machtigt een retroactieve bepaling aan te nemen. 21 Zij onderstreept dat de retroactiviteit van een wet niet mag worden verward met de onmiddellijke toepassing ervan, en leidt uit het arrest nr. 37/97 van 8 juli 1997 en uit het arrest nr. 109/2004 af dat een belasting die betrekking heeft op een duurzame situatie die samenvalt met een jaar, gedurende dat jaar kan worden ingevoerd zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden. Zij ziet dus niet waarom de wetgever niet de elektriciteitsproductie van het jaar 2008 als uitgangspunt heeft genomen. Zij betoogt dat men de eventuele vrees voor een gedragswijziging gedurende de laatste week van de maand december 2008 had kunnen wegnemen door de gemiddelde elektriciteitsproductie van het jaar 2008 in aanmerking te nemen. De verzoekende partij beweert eveneens dat de noodzaak om de individuele bijdragen onmiddellijk na de afkondiging van de wet te berekenen, evenmin de retroactiviteit verantwoordt. Zij wijst in dat verband eerst erop dat die individuele bijdragen voor 31 januari 2009 moesten worden betaald, zodat het mogelijk was geweest ieders aandeel in de productie van het jaar 2008 te berekenen. Zij doet vervolgens opmerken dat de wetgever, bij de invoering van een onmiddellijk te betalen belasting, de grondwettelijke regels niet mag schenden. Electrabel oordeelt dat de omstandigheid dat het criterium van verdeling van de in het geding zijnde bijdrage reeds voor andere doeleinden werd gebruikt door andere bepalingen van de wet van 11 april 2003, evenmin een verantwoording vormt voor de aangeklaagde retroactiviteit. Zij merkt in dat verband op dat artikel 152 van de wet van 25 april 2007, dat artikel 9 van de wet van 11 april 2003 heeft gewijzigd, geen terugwerkende kracht had. Volgens de verzoekster was de bijdrage die werd onderzocht in het arrest nr. 46/2004 van 24 maart 2004, niet retroactief, vermits zij werd geheven op verrichtingen die plaatsvonden na de inwerkingtreding ervan. Zij preciseert dat enkel de berekeningswijze van die bijdrage gegevens uit het verleden in aanmerking nam, wat kon worden verklaard door de precieze en eenmalige doelstelling van die bijdrage. De verzoekster stelt bovendien dat de in het geding zijnde bijdrage niet voorzienbaar was. Zij merkt op dat in 2007 geen enkele officiële publicatie de goedkeuring ervan heeft aangekondigd en dat in elk geval uit het arrest nr. 109/2004 van 23 juni 2004 en uit het arrest nr. 72/2006 van 10 mei 2006 blijkt dat zelfs een in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt bericht niet zou hebben volstaan om de retroactiviteit te verantwoorden. Zij voert aan dat het eerste initiatief van de wetgever betreffende die bijdrage bovendien van 24 november 2008 dateert, datum van indiening van het ontwerp van programmawet bij de Kamer van volksvertegenwoordigers. Electrabel wijst ten slotte erop dat de repartitiebijdrage, zoals uiteengezet in het eerste middel, niet op pertinente wijze kan worden verantwoord en niet gepaard gaat met waarborgen omtrent de besteding van de ontvangsten aan de uitgaven die zijn vermeld in de wet van 22 december
- A.9.
- De verzoekende partij is van mening dat, zelfs indien artikel 14, § 8, vierde lid, van de wet van 11 april 2003 niet als retroactief zou worden beschouwd, het « beginsel van rechtszekerheid » zou zijn geschonden. Zij verduidelijkt dat, vermits alle elementen van de repartitiebijdrage betrekking hebben op het jaar 2007, de bijdrageplichtigen redelijkerwijs niet de gevolgen van de verrichtingen konden voorzien op het ogenblik van de uitvoering ervan. Zij doet opmerken dat, volgens de parlementaire voorbereiding van die wettelijke bepaling, de verwijzing naar het kalenderjaar 2007 tot doel heeft te beantwoorden aan een vereiste van voorzienbaarheid. A.10.
- De Ministerraad antwoordt dat de verzoekster geen rekening houdt met het specifieke karakter van de repartitiebijdrage. Hij preciseert dat de aanneming van een omslagbelasting veronderstelt dat een criterium wordt vastgesteld voor de verdeling van het totale bedrag onder belastingplichtigen, criterium dat stabiel moet zijn, vooral wanneer de belastingplichtigen weinig talrijk zijn. Hij voert aan dat omwille van die stabiliteit het criterium moet berusten op gegevens die door de wetgever gekend zijn op het ogenblik van aanneming van de belasting, teneinde te vermijden dat bepaalde belastingplichtigen, door een gedragswijziging, de fiscale last van de andere belastingplichtigen zouden wijzigen, waardoor zij het beginsel van gelijkheid en het beginsel van rechtszekerheid zouden schenden. De Ministerraad beweert dat het criterium van verdeling beschreven in artikel 14, § 8, vierde lid, van de wet van 11 april 2003 - dat berust op gegevens die definitief gekend zijn bij de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bijdrage - objectief is. Hij wijst erop dat dit criterium identiek is met het criterium dat werd ingevoerd bij de wet van 25 april 2007 en waarvan de grondwettigheid nooit werd betwist. Hij voegt eraan toe dat de verwijzing naar bekende gegevens onontbeerlijk was wegens de noodzaak om de individuele bijdragen onmiddellijk na de afkondiging van de wet van 22 december 2008 te berekenen. 22 Uit het specifieke karakter van omslagbelasting leidt de Ministerraad af dat een stabiel verdelingscriterium, dat noodzakelijkerwijs wordt bepaald met behulp van gegevens uit een periode die voorafgaat aan de bekendmaking van de wet, geen terugwerkende kracht heeft. Hij onderstreept dat een gedragswijziging van een belastingplichtige die voortvloeit uit een wijziging van de regelgeving inzake de inkomstenbelasting, niet het bedrag wijzigt van de belasting die door de andere belastingplichtigen moet worden betaald, zodat de retroactiviteit minder gemakkelijk te verantwoorden is. De Ministerraad voegt, met verwijzing naar het arrest 46/2004, eraan toe dat de omstandigheid dat een belastbare grondslag wordt bepaald met verwijzing naar gegevens van een voorgaand jaar, niet volstaat om een fiscale wet als retroactief te beschouwen. A.10.
- Volgens de Ministerraad zouden, zelfs indien het voormelde criterium als retroactief zou worden beschouwd, de aard zelf van een omslagbelasting, de noodzaak van een stabiel en niet-veranderbaar verdelingscriterium en de doelstellingen van algemeen belang die in de specifieke sector van de nucleaire elektriciteitsproductie worden nagestreefd, de retroactiviteit kunnen rechtvaardigen. Hij wijst eveneens erop dat het Hof, in het arrest nr. 109/2004, heeft erkend dat het algemeen belang kan vereisen dat een fiscale maatregel die op duizenden belastingplichtigen betrekking heeft, onverwijld wordt toegepast om de belastingplichtigen te verhinderen de gevolgen van die maatregel te verminderen door erop te anticiperen. In ondergeschikte orde verantwoordt de Ministerraad de eventuele retroactiviteit door het feit dat de betrokken bijdrageplichtigen, gelet op hun bijzondere positie binnen de sector van de nucleaire elektriciteit en op de onderhandelingen die reeds lang met de federale overheid werden gevoerd, sinds het begin van het jaar 2008 de goedkeuring van de in het geding zijnde bijdrage konden voorzien. De Ministerraad is daarnaast van mening dat de verwijzing naar de elektriciteitsproductie van 2007 kan worden verklaard door de budgettaire noodzaak en door de wil om een snelle betaling van de bijdrage te verkrijgen, zonder te moeten wachten op de publicatie van gegevens van het jaar dat lopende was op het ogenblik dat de wet werd afgekondigd. Hij wijst erop dat er geen enkele aanwijzing is dat een verwijzing naar de productie van 2008 het resultaat van de berekening van de individuele bijdragen op significante wijze zou hebben gewijzigd. A.10.
- Wat de aangevoerde schending van het « beginsel van rechtszekerheid » betreft, antwoordt de Ministerraad, met vermelding van het arrest nr. 100/2003 van 17 juli 2003 en het arrest nr. 2/2008 van 17 januari 2008, dat het Hof niet bevoegd is om de bestaanbaarheid van een wettelijke bepaling met dat beginsel rechtstreeks te toetsen. Hij herinnert eveneens eraan dat de verzoekster in staat was om de invoering van de in het geding zijnde bijdrage te voorzien. Hij preciseert dat het feit dat enkele actoren uit de specifieke sector van de kernenergie niets hadden ondernomen, noodzakelijkerwijs moest leiden tot een optreden van de federale overheid. Hij onderstreept dat de studies van de CREG die de basis hebben gevormd voor die beslissing, eind 2007 en in de eerste helft van 2008 werden uitgevoerd, en dat in 2008 de elektriciteitsprijs is blijven stijgen, terwijl men zich aan een prijsdaling had verwacht. De Ministerraad is van mening dat de betrokken bijdrageplichtigen er de voorkeur aan hebben gegeven die bijdrage te betalen, veeleer dan te besluiten tot investeringen in de elektriciteitsproductiecapaciteit of in energie-efficiëntie, zodat zij zich redelijkerwijs konden verwachten aan de invoering van de in het geding zijnde bijdrage, vermits zij door de federale overheid waren verwittigd dat zulk een bijdrage zou worden gecreëerd, indien de onderhandelingen over de te nemen maatregelen zouden mislukken. 23 Wat betreft het derde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens Over het « eerste onderdeel » A.
- Electrabel betoogt dat de bestreden bepalingen een reglementering van het gebruik van eigendom zijn in de zin van artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die niet in overeenstemming is met het algemeen belang. De verzoekster is van mening dat de wetgever geen onbegrensde beoordelingsmarge heeft wanneer hij de doelstellingen van een fiscale maatregel bepaalt en het bedrag vaststelt van de belasting die moet worden geheven van de belastingplichtigen die hij identificeert. Zij wijst erop dat het Hof kan nagaan of die keuzen en de redenen ervan niet voortvloeien uit een kennelijke vergissing en of zij niet kennelijk onredelijk zijn. Uit de argumentatie van haar beroep in haar geheel, en in het bijzonder uit de argumentatie met betrekking tot het « eerste onderdeel » van het eerste middel, leidt zij af dat de criteria van onderscheid die door de bestreden bepalingen worden uitgedrukt, niet overeenstemmen met de werkelijkheid en niet objectief, noch pertinent zijn. Zij voert aan dat het verschil in behandeling tussen de bijdrageplichtigen en de andere Belgische elektriciteitsproducenten niet objectief kan worden verantwoord door enkel het energiebeleid van het land. De verzoekende partij preciseert dat de in de bestreden bepalingen uitgedrukte doelstellingen van algemeen belang om de repartitiebijdrage te verantwoorden, kennelijk onredelijk zijn. Met verwijzing naar de uiteenzetting van het eerste middel is zij van oordeel dat die doelstellingen te dezen niet gegrond en niet pertinent zijn, en dat geen enkele van die doelstellingen het verschil in behandeling rechtvaardigt tussen de maatschappijen die de repartitiebijdrage verschuldigd zijn en de andere elektriciteitsproducenten en marktspelers. Electrabel herinnert in dat verband eraan dat, teneinde de positie van de nucleaire elektriciteitsproducenten op de markt van de elektriciteitsproductie te beoordelen, rekening moet worden gehouden met de specifieke kosten die verbonden zijn aan de exploitatie van kernenergie en met de nakende ontmanteling van de kerncentrales. De verzoekster onderstreept voorts dat het bedrag van de solidariteitsbijdrage ten laste van de bijdrageplichtigen arbitrair is, vermits die bijdrage niet beantwoordt aan de eigen behoeften van de nucleaire elektriciteitssector. A.12.
- De Ministerraad antwoordt dat uit het arrest nr. 52/2003 en het arrest nr. 121/2008 blijkt dat het Hof een loutere beleidskeuze, in dit geval het bepalen, door de wetgever, van te bereiken doelstellingen en van de middelen om die doelstellingen te bereiken, zoals het vaststellen van het bedrag dat ten aanzien van de geïdentificeerde belastingplichtigen wordt geheven, niet vermag te betwisten. Hij voegt eraan toe dat het energiebeleid van het land, dat minstens gedeeltelijk door de in het geding zijnde bijdrage wordt gefinancierd, een doelstelling van algemeen belang is. De Ministerraad verwijst ook naar de andere doelstellingen van algemeen belang die bij wijze van voorbeeld tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen werden aangehaald en die werden vermeld in zijn antwoord op het « eerste onderdeel » van het eerste middel. Hij beweert ten slotte dat de federale overheid een belasting kan heffen die bestemd is om haar beleid te financieren. A.12.
- De Ministerraad leidt bovendien uit de arresten nrs. 73/2001, 195/2004, 86/2005, 150/2006 en 114/2007 af dat het Hof de keuze van de belastingplichtigen slechts vermag af te keuren, indien uit die keuze een willekeurig en onredelijk onderscheid blijkt, dat een belasting tot doel kan hebben de staatsbegroting te financieren en dat die belasting slechts betrekking kan hebben op één specifieke sector van de economische activiteit en slechts bepaalde actoren van die sector kan raken. De Ministerraad is van mening dat het bedrag van de in het geding zijnde bijdrage niet arbitrair is rekening houdend met de omvangrijke behoeften van het energiebeleid van het land. Hij leidt af uit de arresten nrs. 46/2004, 88/2004, 86/2005, 150/2006, 114/2007 en 54/2008 dat het niet onredelijk is om enkel van de actoren van de nucleaire elektriciteitsproductie de betaling van een bijdrage te vorderen die ertoe strekt behoeften van de hele sector van elektrische energie te financieren. De Ministerraad oordeelt dat de specifieke kosten die verbonden zijn aan de exploitatie van kernenergie in werkelijkheid worden afgewenteld op de prijs van verkoop van elektriciteit aan de consument, en dat die kosten niet de voordelige positie van de kernexploitanten op de markt van de elektriciteitsproductie in het gedrang brengen, positie die een grotere deelname aan de financiering van het Belgische energiebeleid rechtvaardigt. Hij 24 herinnert eraan dat die voordelige positie volgt uit het feit dat hun productiekost losstaat van de evolutie van de aardolieprijs, en uit het feit dat zij niet zijn onderworpen aan het systeem van handel in CO2-emissierechten. De Ministerraad beweert eveneens aan dat de reeds lang aangekondigde ontmanteling van de kerncentrales niet de aanzienlijke winsten vermindert die de verzoekende partij tot aan die ontmanteling uit de nucleaire elektriciteitsproductie zal blijven halen. Hij leidt ten slotte uit het arrest nr. 73/2001 af dat de wetgever vermag bepaalde marktspelers vrij te stellen van een fiscale last, rekening houdend met het feit dat die laatsten reeds op een andere manier bijdragen tot de doelstelling die met die fiscale last wordt nagestreefd. Over het « tweede onderdeel » A.
- Electrabel voert aan dat de in het geding zijnde bijdrage, zelfs indien zou worden aangenomen dat zij doelstellingen van algemeen belang nastreeft, daarom nog niet bestaanbaar kan worden geacht met artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wegens het feit dat zij op de verzoekende partij een bijzondere en buitensporige last doen wegen die niet als evenredige maatregel kan worden aangemerkt. De verzoekende partij preciseert dat, vermits de evenredigheidstoetsing strikter is wanneer een fundamenteel recht in het geding is, het « tweede onderdeel » van het derde middel niet samenvalt met het eerste middel. De verzoekende partij beweert dat haar individuele bijdrage, waarvan het bedrag beduidend hoger is dan dat van de bijdragen die eerder werden ingevoerd voor bepaalde sectoren, haar winstmarge zwaar kan aantasten, vermits zij overeenkomt met meer dan een derde van de nettowinst die zij in 2007 voor al haar activiteiten samen behaalde, zodat zij afbreuk zal doen aan haar investeringsbeleid. Zij merkt op dat het in aanmerking nemen van haar omzetcijfer niet zou toelaten rekening te houden met het effect op haar draagkracht, en dat het Hof, bij het arrest nr. 72/2008, heeft bevestigd dat winst een pertinent criterium is om de aantasting van het eigendomsrecht door een belasting te meten. Electrabel beweert ook dat het bedrag van de repartitiebijdrage willekeurig is vastgesteld, omdat het niet is berekend op basis van objectieve gegevens, en dat die bijdrage hoofdzakelijk wordt gedragen door een enkele onderneming van de sector van de elektriciteitsproductie. Zij is van mening dat de in het geding zijnde bijdrage in die omstandigheden een maatregel is die onevenredig is ten opzichte van het impliciet nagestreefde budgettair doel en de in de bestreden bepalingen beoogde doelstellingen. De verzoekende partij onderstreept bovendien dat zij de betaling van haar bijdrage niet geheel of gedeeltelijk kan voorkomen door haar gedrag te wijzigen, tenzij zij beslist haar activiteiten in België volledig stop te zetten. Zij leidt daaruit af dat de in het geding zijnde bijdrage aldus grondig verschilt van de heffingen die zijn onderzocht in de arresten nrs. 46/2004, 114/2007 en 72/
- Electrabel herinnert eveneens eraan dat, van de drie enige ondernemingen die de last van die bijdrage dragen, zij het grootste deel ervan op zich neemt. Zij wijst erop dat geen enkele andere speler op de elektriciteitsmarkt een dermate hoge som moet betalen als diegene die van de verzoekster wordt gevorderd, zelfs indien hij zich in een situatie bevindt die, in het licht van verschillende van de nagestreefde doelstellingen, vergelijkbaar is met die van de verzoekster. Zij is van mening dat noch de aan de beoogde bijdrageplichtigen eigen doelstellingen noch een eventuele budgettaire doelstelling een dermate hoog bedrag verantwoorden. De verzoekster voert aan dat de arresten van het Hof nrs. 88/2004, 114/2007 en 72/2008, alsook het arrest van de Raad van State nr. 189.702 van 21 januari 2009 bevestigen dat de repartitiebijdrage onevenredig is. Electrabel verwijst ten slotte naar de uiteenzetting van haar eerste middel betreffende het niet-moduleerbare karakter van de repartitiebijdrage, de waarschijnlijke recurrentie ervan, de voor 2009 aangekondigde verhoging ervan, het verbod om het bedrag ervan door te berekenen in de elektriciteitsprijs en naar de sancties in geval van niet-betaling, waarbij zij onderstreept dat de evenredigheidstoetsing van een beperking van het eigendomsrecht veronderstelt dat de hele reglementering in aanmerking wordt genomen. 25 A.
- De Ministerraad antwoordt dat het « tweede onderdeel » van het derde middel samenvalt met « tweede onderdeel » van het eerste middel. Hij wijst erop dat, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid die in fiscale aangelegenheden aan de Staten is verleend bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de jurisdictionele toetsing niet strikter is door het enkele feit dat het recht op het ongestoord genot van eigendom wordt ingeroepen. Hij is van mening dat het het omzetcijfer van de belastingplichtige is, en niet diens winst, dat toelaat de aantasting van het eigendomsrecht door een belasting te bepalen. Hij leidt uit de arresten nrs. 43/97, 88/2004, 114/2007, 72/2008, alsmede uit het arrest van de Raad van State nr. 189.072 af dat de repartitiebijdrage redelijk is, vermits zij gelijkstaat met minder dan twee percent van het omzetcijfer van de verzoekster. De Ministerraad voegt eraan toe dat het Hof nooit heeft geoordeeld dat de winst op zich een meetinstrument was voor de draagkracht van een belastingplichtige. De Ministerraad herinnert bovendien eraan dat de verzoekster, die een voordelige positie op de elektriciteitsmarkt geniet, slechts in zeer geringe mate bijdraagt tot de financiering van de staatsuitgaven door belasting : de vennootschapsbelasting die zij in 2007 betaalde, bedroeg niet meer dan 6,5 percent van haar belastbare winst, en het daaropvolgende jaar heeft zij geen enkele vennootschapsbelasting betaald. De Ministerraad betwist de verwijzing van de verzoekster naar het arrest nr. 114/2007, omdat zij geen rekening houdt met de specifieke context van de destijds onderzochte maatregelen. Hij betwist eveneens de verwijzing naar het arrest nr. 72/2008 door te signaleren dat de verzoekende partij, door bijvoorbeeld in de productie van niet-nucleaire elektriciteit te investeren, in de energiebehoeften van het land zou kunnen voorzien, en bijgevolg de financiële behoeften van het energiebeleid zou kunnen verminderen. Hij leidt bovendien af uit het arrest nr. 43/97 dat de omstandigheid dat de verzoekster de enige bijdrageplichtige zou zijn, geen element is dat in aanmerking moet worden genomen om het onevenredige karakter van de belasting te beoordelen. De Ministerraad verwijst ten slotte, ter verantwoording van de repartitiebijdrage, naar de lering van een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 januari 2008 (Imbert de Trémiolles t. Frankrijk). Wat betreft de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 A.
- In zijn memorie van wederantwoord vraagt de Ministerraad, « in uiterst ondergeschikte orde », dat het Hof, in geval van vernietiging, de gevolgen van de bestreden bepalingen zou handhaven. Hij verantwoordt dat verzoek door te wijzen op de enorme budgettaire gevolgen en de onomkeerbare gevolgen voor het sociale energiebeleid en voor het klimaatbeleid die de terugwerkende kracht van de vernietiging van de bestreden bepalingen zou hebben, zeker in een periode van crisis. Ten aanzien van de zaak nr. 4730 Wat het belang betreft A.
- De naamloze vennootschap Belgische Maatschappij voor Kernbrandstoffen Synatom (hierna : Synatom) doet blijken van haar belang om de vernietiging van de artikelen 64 en 65 van de wet van 22 december 2008 te vorderen door de omstandigheid dat die bepalingen haar schade zouden berokkenen. Zij wijst in de eerste plaats erop dat de verplichting die haar wordt opgelegd om de repartitiebijdrage voor te schieten aan de federale overheid door het bedrag van 250 miljoen euro over te dragen naar de begroting van de Staat, voor haar « administratieve kosten » teweegbrengt, die vergelijkbaar zijn met die welke voortvloeien uit de inkohiering van de belasting. De verzoekende partij stelt in de tweede plaats dat zij wegens de modaliteiten van inning van die bijdrage waarin de bestreden bepalingen voorzien, een aanzienlijk financieel risico loopt. Zij wijst erop dat de bijdrageplichtigen over een termijn van dertig dagen beschikken om haar de zeer hoge bedragen te storten die zij voorafgaandelijk naar de begroting van de Staat heeft overgedragen. Zij is van mening dat zij, vermits zij geen 26 interesten kan vorderen van de bijdrageplichtigen die het verstrijken van die termijn zouden afwachten, gedwongen is de kosten te dragen van een financiering bij derden in afwachting van de storting, door die bijdrageplichtigen, van de 250 miljoen euro. In de derde plaats voert de verzoekende partij aan dat de modaliteiten van inning van de repartitiebijdrage haar het risico van insolvabiliteit van de bijdrageplichtigen doen dragen. Zij preciseert dat, indien een van hen weigert haar zijn individuele bijdrage te betalen of zich in de onmogelijkheid bevindt ze te betalen wegens bijvoorbeeld een faillissement, zij de belasting zal hebben betaald, terwijl de motieven voor de invoering van die belasting niet verantwoorden van haar een bijdrageplichtige te maken. In de vierde plaats onderstreept de verzoekster het recurrente karakter van de repartitiebijdrage. Zij doet in dat verband opmerken dat het bedrag vermeld in artikel 14, § 8, derde lid, van de wet van 11 april 2003 « voor het jaar 2008 » geldt en dat de wetgever, in plaats van die bijdrage enkel vast te leggen in de wet van 22 december 2008, de wet van 11 april 2003 heeft gewijzigd, wat aangeeft dat hij geen « eenmalige maatregel » wil aannemen. Synatom merkt eveneens op dat de bevoegde minister tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen, de invoering heeft aangekondigd van een soortgelijke bijdrage voor het jaar 2009, en dat reeds een bedrag van 500 miljoen euro werd ingeschreven in de rijksmiddelenbegroting van het jaar 2009, die bij de wet van 13 januari 2009 werd goedgekeurd. Uit het recurrente karakter van die bijdrage leidt de verzoekende partij, enerzijds, af dat zij, ook al heeft zij in 2008 slechts een beperkte schade geleden, als gevolg van de bestreden bepalingen, discriminerend wordt behandeld ten opzichte van de andere handelsvennootschappen en, anderzijds, dat zij voor de bijdrage van het jaar 2009 de gevolgen zal moeten dragen van een eventuele weigering van een bijdrageplichtige om haar zijn i