id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr:
§ 2
, 1°, 2° en 3°, bedoelde E.G.-vreemdeling gelijkgesteld, mits zij zich met hem vestigen of komen vestigen : 1° zijn echtgenoot; 2° zijn bloedverwanten in de nederdalende lijn of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn; 3° zijn bloedverwanten in de opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn; 4° de echtgenoot van de personen bedoeld in het 2° en het 3°. § 4. Tenzij deze wet anders bepaalt, worden de hierna volgende personen, van welke nationaliteit ook,
§ 2
, 4° en 6°, bedoelde E.G.-vreemdeling gelijkgesteld, mits zij zich met hem vestigen of komen vestigen : 1° zijn echtgenoot; 2° zijn bloedverwanten in de nederdalende lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn; 3° zijn bloedverwanten in de opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn; 4° de echtgenoot van de personen bedoeld in het 2° en het 3°. § 5. Tenzij deze wet anders bepaalt, worden zijn echtgenoot en zijn kinderen of die van zijn echtgenoot die zij te hunnen laste hebben, van welke nationaliteit ook,
§ 2
, 5°, bedoelde E.G.-vreemdeling gelijkgesteld, mits zij zich met hem vestigen of komen vestigen. §
- Met de E.G.-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn, hun bloedverwanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen ». 7 B.1.
- Vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007 bepaalden de artikelen 42 en 43 van de wet van 15 december 1980, in verband met het verblijfsrecht van de gemeenschapsonderdanen : « Art.
- Het recht op verblijf wordt erkend aan de E.G.-vreemdeling in de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de verordeningen en de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen. Dit recht op verblijf wordt geconstateerd door een vergunning afgegeven in de gevallen en volgens de modaliteiten door de Koning bepaald overeenkomstig die verordeningen en richtlijnen. De beslissing betreffende de afgifte van de verblijfsvergunning wordt zo spoedig mogelijk genomen en uiterlijk binnen zes maanden na de aanvraag. Art.
- De binnenkomst en het verblijf mogen aan de E.G.-vreemdeling slechts geweigerd worden om redenen van openbare orde, van openbare veiligheid of van volksgezondheid en zulks binnen de hiernavermelde perken : 1° de redenen mogen niet ingeroepen worden voor economische doeleinden; 2° de maatregelen van openbare orde of van openbare veiligheid moeten uitsluitend gegrond zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen vormt op zichzelf geen motivering van deze maatregelen; 3° het verval van het document dat de binnenkomst en het verblijf op het Belgisch grondgebied heeft toegelaten, kan op zichzelf de verwijdering van het grondgebied niet wettigen; 4° alleen ziekten en gebreken vermeld in de bij deze wet gevoegde lijst kunnen een weigering van binnenkomst op het grondgebied of van afgifte van de eerste verblijfsvergunning wettigen. Na afgifte van dergelijke vergunning kan geen ziekte noch gebrek de weigering tot vernieuwing van de verblijfsvergunning of de verwijdering van het grondgebied wettigen ». Die bepalingen bevinden zich in hoofdstuk I, met als opschrift « Vreemdelingen, onderdanen van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen, hun familieleden en vreemdelingen, familieleden van een Belg », van titel II « Aanvullende en afwijkende bepalingen betreffende bepaalde categorieën van vreemdelingen » van de wet van 15 december
- B.2.
- Artikel 40, § 6, van de wet van 15 december 1980 stelde de vreemde bloedverwanten in de opgaande lijn van een Belg, die ten laste zijn van laatstgenoemde en die zich met hem vestigen of komen vestigen, gelijk met de gemeenschapsonderdanen; die bepaling maakte geen 8 enkel onderscheid naargelang de familieleden zelf gemeenschapsonderdanen of onderdanen van een derde land waren. De in het geding zijnde bepaling had tot gevolg dat de bloedverwanten in de opgaande lijn, onderdanen van niet-lidstaten van de Europese Unie, van een Belg, het verblijfsrecht van de Europese onderdanen genoten, zoals werd bepaald in de artikelen 42 en 43 van de wet van 15 december 1980, met verwijzing naar de « verordeningen en richtlijnen van de Europese Gemeenschappen », op voorwaarde dat zij « ten laste » zijn van hun Belgisch kind. B.2.
- Dat verblijfsrecht van de vreemde bloedverwanten in de opgaande lijn is dus een afgeleid recht, dat werd toegekend om reden van de hoedanigheid van een andere persoon, te dezen hun kind met Belgische nationaliteit. Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de voorwaarde van tenlasteneming van de bloedverwanten in de opgaande lijn door het kind, bedoeld in artikel 40, § 6, van de wet van 15 december 1980, vóór de wijziging ervan bij artikel 19 van de wet van 25 april 2007, indien die bepaling wordt geïnterpreteerd « in die zin […] dat het minderjarige Belgische kind wiens bloedverwanten in de opgaande lijn die niet de Belgische nationaliteit hebben, niet te zijnen laste zijn, ofwel ervan moet afzien te leven in het land waarvan het de nationaliteit heeft, ofwel ervan moet afzien te leven met zijn ouders indien die laatstgenoemden beslissen terug te keren naar hun land van herkomst ». B.
- De prejudiciële vraag heeft dus betrekking op de gevolgen, voor het minderjarige Belgische kind van vreemde ouders die niet te zijnen laste zijn, van het feit dat de voorwaarde van « tenlasteneming » door de Belg van zijn bloedverwanten in de opgaande lijn, bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, niet kan worden vervuld en dat het verblijfsrecht bijgevolg niet kan worden toegekend aan de vreemde ouders van het Belgische kind, in die enkele hoedanigheid. 9 Ten aanzien van de feitelijke situatie voor de verwijzende rechter B.
- De verzoekster voor de verwijzende rechter, met Ecuadoraanse nationaliteit, is de moeder van een kind aan wie de Belgische nationaliteit is toegekend met toepassing van artikel 10 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen. Krachtens die bepaling werd aan het kind de Belgische nationaliteit toegekend. B.
- Op het ogenblik van de uitspraak van de verwijzingsbeslissing verbleef de verzoekster voor de verwijzende rechter illegaal in het land en vroeg zij een recht van vestiging aan overeenkomstig artikel 40, § 6, van de wet van 15 december
- Bij brief van 1 maart 2010 heeft de Ministerraad het Hof ervan in kennis gebracht dat de verzoekster voortaan gemachtigd is tot een onbeperkt verblijf met toepassing van de artikelen 9, § 3, en 13 van de wet van 15 december
- Gelet op dat nieuwe element dient de zaak naar de verwijzende rechter te worden teruggezonden, teneinde hem in staat te stellen te bepalen welke weerslag die wijziging van status op het aan hem voorgelegde geschil heeft. 10 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 april
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div