id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.037 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100422.5 Arrest- Rolnummer: 37/2010 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-04-22 Raadplegingen: 646 - laatst gezien 2026-07-02 16:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg schenden de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Veurne. Vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg - Uitvoering van Europese verordeningen -
- Machtiging aan de Koning -
- Strafbaarstelling van inbreuken - Wettigheidsbeginsel. Wettelijke bepalingen: Wet - 18-02-1969 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1969021803 Wet - 18-02-1969 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1969021803 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 12,L2 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4744 Arrest nr. 37/2010 van 22 april 2010 ___________ In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Veurne. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 17 juni 2009 in zake het openbaar ministerie tegen W. V.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juli 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Veurne de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg en de waterweg, het legaliteitsbeginsel in strafzaken vervat in artikel 12, tweede lid en artikel 14 van de Grondwet doordat in artikel 1 van de voormelde wet van 18 februari 1969 aan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit, zonder specificatie de mogelijkheid wordt overgedragen om alle vereiste maatregelen te treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten en welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden, en doordat geen aanduiding wordt gegeven van de internationale verdragen en internationale akten van welke het voorzien van maatregelen in aanmerking kan komen, terwijl in artikel 2 van de voormelde wet van 18 februari 1969 strafsancties bepaald worden voor de overtredingen van de besluiten die bij toepassing van artikel 1 worden genomen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - W. V.B.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 2 maart 2010 : - zijn verschenen : . Mr. F. Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie te Veurne, voor W. V.B.; . Mr. T. Dreier loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op de niet-naleving van de verplichtingen inzake de juiste werking en het juiste gebruik van de tachograaf en de toegang tot de gegevens van dat controleapparaat. Op 2 maart 2007 heeft de Politierechtbank te Brugge W. V.B. veroordeeld wegens inbreuken op de artikelen 13 en 15, lid 7, van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer. Op 23 januari 2008 werd zijn hoger beroep afgewezen, maar dat vonnis werd op 7 oktober 2008 door het Hof van Cassatie verbroken (P.08.0320.N) omdat het niet antwoordt op het verweer dat de wet van 18 februari 1969 niet voldoet aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken. De wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg machtigt de Koning « alle vereiste maatregelen » te nemen « ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten » (artikel 1) en stelt de overtreding van de op grond daarvan genomen besluiten strafbaar (artikel 2). Op verzoek van de beklaagde stelt de Correctionele Rechtbank te Veurne, waarnaar de zaak na verbreking werd verwezen, de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- W. V.B. schetst in de eerste plaats de wijze van strafbaarstelling van inbreuken op de verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer. Hij wijst inzonderheid op artikel 19, lid 1, van die verordening alsook op artikel 19, lid 1, en de inleidende overwegingen van een andere verordening, meer bepaald de verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 « tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad », waaruit blijkt dat het aan de lidstaten toekomt de wijze te bepalen waarop inbreuken op de voormelde verordeningen worden gestraft. De wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg voorziet naar het oordeel van W. V.B. niet in een duidelijke strafbaarstelling. Door een « merkwaardig doorverwijzen » in die wet, zijn de inbreuken op de verordening (EEG) nr. 3821/85 enkel strafbaar in zoverre een koninklijk besluit in die strafbaarheid voorziet. Het koninklijk besluit van 14 juli 2005 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer stelde aanvankelijk enkel de inbreuken begaan op het grondgebied van een ander land strafbaar en pas vanaf 11 april 2007 ook de inbreuken begaan op Belgisch grondgebied. A.
- W. V.B. verwijst vervolgens naar de rechtspraak van het Hof inzake het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, meer bepaald de arresten nrs. 114/98, 137/2005 en 71/
- Hij leidt daaruit af dat, telkens wanneer de wetgever de Koning een machtiging verleent, zonder dat hij de machtiging nauwkeurig heeft omschreven en zonder dat hij de essentiële elementen van de strafbaarstelling heeft vastgesteld, het wettigheidsbeginsel wordt geschonden aangezien een dergelijke wijze van handelen de strafbaarstelling onttrekt aan het parlementaire debat waar zij krachtens het wettigheidsbeginsel thuishoort. Toen de wet van 18 februari 1969 werd uitgevaardigd, wist men niet welke toekomstige internationale akten daaronder zouden vallen. De sanctionering van de latere internationale akten werd derhalve onttrokken aan elk parlementair debat. Wat inzonderheid de verordening (EEG) nr. 3821/85 betreft, is men in 1985 automatisch uitgegaan van de strafbaarstelling via de wet van 18 februari 1969, waarbij geen enkel parlementair debat is gevoerd over de vraag of de inbreuken op de verordening burgerrechtelijk, strafrechtelijk of bestuursrechtelijk dienen te worden gestraft. Artikel 1 van de voormelde wet zou bijgevolg niet de essentiële elementen van de strafbaarstelling bevatten. 4 A.
- Volledigheidshalve wijst W. V.B. nog naar een arrest van het Hof van Cassatie van 3 februari 2009 (P.08.1477.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.3), waarin dat Hof van oordeel is dat het mandaat dat de wetgever aan de Koning heeft gegeven duidelijk in artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 is omschreven en waarin het tevens het verzoek om in dat verband een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof afwijst omdat « de voorgestelde prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechtsopvatting ». W. V.B. is het niet eens met de beoordeling door het Hof van Cassatie van de in het geding zijnde machtiging. Hij acht de argumentatie erg pover : de machtiging aan de Koning is duidelijk (en dus grondwettig) nu de verplichtingen in de internationale akte voor de burger duidelijk zijn. Het Hof van Cassatie zou daarbij over het hoofd zien dat men op grond van artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 helemaal niet kan weten over welke internationale akten het gaat (zodat de machtiging allesbehalve duidelijk is). Bovendien merkt hij op dat het niet aan het Hof van Cassatie maar wel aan het Grondwettelijk Hof toekomt de draagwijdte van een aan de Koning verleende delegatie in het licht van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel te beoordelen. A.
- Volgens de Ministerraad bevat de prejudiciële vraag twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft het feit dat de maatregelen die de Koning kan nemen, niet door de wetgever worden gepreciseerd. Het tweede onderdeel betreft het feit dat de internationale verdragen en akten waarvoor de Koning maatregelen kan nemen, niet door de wetgever zijn aangeduid. Rechtspraak en rechtsleer nemen aan, zo betoogt de Ministerraad, dat er een wettelijke grondslag is wanneer de wetgever aan een ander orgaan opdraagt om de strafbare feiten en straffen te bepalen in de door de wet bepaalde aangelegenheden voor zover het maximumstraftarief door de wetgever zelf werd vastgesteld. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken zou dus niet zover gaan dat het de wetgever ertoe zou verplichten elk aspect van de vervolging en de bestraffing zelf te regelen. A.
- De wet van 18 februari 1969 delegeert aan de Koning de mogelijkheid om alle vereiste maatregelen te nemen inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens die verdragen genomen internationale akten. De maatregelen genomen ter uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 werden genomen door het koninklijk besluit van 14 juli
- Artikel 18, § 1, van dat koninklijk besluit bepaalt dat de inbreuken op de voormelde verordening worden bestraft overeenkomstig artikel 2 van de wet van 18 februari
- In de voormelde verordening worden volgens de Ministerraad duidelijk de feiten uiteengezet die strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Een verordening heeft een algemene strekking, hetgeen inhoudt dat zij op objectief omschreven situaties van toepassing is en voor algemene en in abstracto omschreven categorieën van personen tot rechtsgevolgen leidt. Een verordening is ook verbindend in al haar onderdelen, wat betekent dat zij bestemd is om een situatie aan een allesomvattende en zo nodig precieze regeling te onderwerpen. Een verordening is ten slotte rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten en behoort dus automatisch tot de normen van de interne rechtsorde van de lidstaten. A.
- Aangezien de strafbare feiten en gedragingen nauwkeurig in de voormelde verordening zijn bepaald, die rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde, en de strafmaat wordt bepaald in artikel 2 van de wet van 18 februari 1969, is er volgens de Ministerraad geen sprake van een schending van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Het feit dat, zonder nadere precisering, de mogelijkheid wordt verleend aan de Koning om alle vereiste maatregelen te nemen ter uitvoering van de verplichtingen voortvloeiend uit de internationale akten, zou niet ongrondwettig zijn gelet op de rechtstreekse werking van de verordening, die immers strikt moet worden nageleefd en niet kan worden gewijzigd. Dat de wetgever geen nadere aanduiding geeft van de internationale verdragen en akten zou evenmin het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schenden. Het gaat immers enkel om verdragen en akten die betrekking hebben op het vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg en bovendien heeft de verordening rechtstreekse werking in de lidstaten, zonder dat enige andere wettelijke akte noodzakelijk is voor de omzetting ervan. Het zou in dat verband volstaan dat het strafbare feit duidelijk in de verordening is uiteengezet. A.
- Volgens W. V.B. gaat het argument ontleend aan de directe werking niet op omdat de wijze van bestraffing, die het voorwerp van de prejudiciële vraag vormt, juist aan de lidstaten is overgelaten. In strijd met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zou de wetgever de keuze op dat vlak volledig aan de Koning overlaten. Hij verwijst in dat verband naar het gebruik van het woord « kan » in artikel 1 van de wet van 18 februari
- 5 De Ministerraad heeft wel gelijk waar hij stelt dat de internationale akten en verdragen worden afgebakend als degene die betrekking hebben op vervoer op zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, maar hij vergeet dat de wet van 18 februari 1969 daarbij een soort van toekomstige werking heeft. W. V.B. vindt het frappant te moeten vaststellen dat de voormelde wet reeds in 1969 een machtiging geeft aan de Koning voor de uitvoering van een verordening die pas in 1985 werd uitgevaardigd. A.
- Volgens de Ministerraad bepaalt de wet van 18 februari 1969, in tegenstelling tot wat W. V.B. beweert, duidelijk dat strafrechtelijke sancties zullen worden toegepast voor de overtredingen van de koninklijke besluiten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. De keuze van de aard van de sanctie werd dus wel degelijk door de wetgever gemaakt. In het koninklijk besluit van 14 juli 2005 wordt geen keuze gemaakt inzake de aard van de sanctie, maar wordt enkel naar de wettelijk bepaalde strafsancties verwezen. Voorts merkt de Ministerraad nog op dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie een verordening niet mag worden omgezet in het nationale recht omdat daardoor een misverstand kan ontstaan over het rechtskarakter van de voorschriften van de verordening. De door W. V.B. aangehaalde arresten van het Grondwettelijk Hof zouden niet relevant zijn omdat zij een verschillende situatie betreffen. Het in A.3 vermelde arrest van het Hof van Cassatie kan daarentegen op de instemming van de Ministerraad rekenen. -B- B.1.
- Artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg bepaalt : « De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden. Deze wet is niet van toepassing op de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. Deze wet geldt niet voor de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en de richtlijnen die uitgevaardigd zijn in toepassing van artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957 ». B.1.
- Artikel 2 van dezelfde wet bepaalt : « §
- De overtredingen van de besluiten die genomen werden bij toepassing van artikel 1 van deze wet worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijftig tot tienduizend euro, of slechts één van beide straffen, onverminderd de eventuele schadevergoeding. De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn toepasselijk op deze overtredingen. 6 Onverminderd artikel 56 van het Strafwetboek mag de straf, in geval van herhaling binnen twee jaren te rekenen van de veroordeling, evenwel niet minder bedragen dan het dubbel van de straf die vroeger voor dezelfde overtreding uitgesproken werd. De politierechtbanken zijn bevoegd voor de in dit artikel bedoelde overtredingen. §
- In afwijking van artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, kan de rechter in de door de Koning bepaalde gevallen, de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het vervoermiddel bevelen. In geval van tijdelijke vastlegging stelt de rechter de duur hiervan vast en wijst de plaats aan waar het vervoermiddel aan de ketting zal gelegd worden, op kosten en risico van de eigenaar. §
- De schadevergoeding die toegekend wordt aan de burgerlijke partij is bevoorrecht op het vervoermiddel waarmede de overtreding werd gepleegd. Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na dat bedoeld in artikel 20, 5°, van de wet van 16 december
- §
- De personen die op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en de kosten, zijn het ook voor de geldboete ». B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de machtiging aan de Koning in het voormelde artikel 1 en de strafbaarstelling van de overtredingen van de op grond van die machtiging genomen besluiten in het voormelde artikel 2 het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schenden, doordat de wetgever niet heeft gepreciseerd wat onder « alle vereiste maatregelen » moet worden verstaan en doordat hij evenmin nader heeft bepaald welke « internationale verdragen » en « internationale akten » worden beoogd. B.3.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». B.3.
- Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de 7 artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan op grond van regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. B.
- Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling zelf te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met dat beginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. B.
- De zaak voor de verwijzende rechter heeft betrekking op inbreuken op de artikelen 13 en 15, lid 7, van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer. Een koninklijk besluit van 14 juli 2005 bepaalt dat de inbreuken op die verordening en op dat koninklijk besluit worden bestraft overeenkomstig artikel 2 van de wet van 18 februari
- Het Hof beperkt zijn onderzoek in dit geval tot de hypothese dat de machtiging aan de Koning betrekking heeft op verplichtingen die voortvloeien uit een Europese verordening. B.
- Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (artikel 288, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Een verordening heeft slechts bindende kracht nadat zij, samen met de bijlagen in voorkomend geval, in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt. B.8.
- Artikel 13 van de verordening (EEG) nr. 3821/85 bepaalt : « De werkgever en de bestuurders zien toe op de juiste werking en het juiste gebruik van het controleapparaat en van de bestuurderskaart, indien de bestuurder moet rijden met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I B beantwoordend controleapparaat ». B.8.
- Artikel 15, lid 7, van dezelfde verordening bepaalt : 8 « a) Wanneer de bestuurder rijdt met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I beantwoordend controleapparaat, moet hij op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren het volgende kunnen tonen : i) de registratiebladen van de lopende week en die welke de bestuurder de voorafgaande vijftien dagen heeft gebruikt, ii) de bestuurderskaart, indien hij houder is van een dergelijke kaart, en iii) alle handmatig opgetekende gegevens en afdrukken van de lopende week zelf en van de voorafgaande 15 dagen, zoals vereist uit hoofde van deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/
- Echter na 1 januari 2008 bestrijken de onder i) en iii) bedoelde perioden de dag zelf en de voorafgaande 28 dagen. b) Wanneer de bestuurder rijdt met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I B beantwoordend controleapparaat, moet hij op verzoek van de met controle belaste ambtenaren het volgende kunnen tonen : i) de bestuurderskaart waarvan hij houder is, ii) alle handmatig geregistreerde gegevens en afdrukken van de week zelf en van de voorafgaande 15 dagen, zoals vereist uit hoofde van deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/2006, en iii) de registratiebladen voor dezelfde periode als die welke onder ii) is bedoeld en waarin hij heeft gereden met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I beantwoordend controleapparaat. Echter na 1 januari 2008 bestrijken de onder ii) bedoelde perioden evenwel de dag zelf en de voorafgaande 28 dagen. c) Een met de controle belaste ambtenaar met inspectiebevoegdheid kan de naleving van Verordening (EG) nr. 561/2006 controleren door onderzoek van de registratiebladen, de getoonde of afgedrukte gegevens die door het controleapparaat of de bestuurderskaart zijn geregistreerd of, bij ontbreken daarvan, door analyse van elk ander bewijsdocument aan de hand waarvan de niet-naleving van een bepaling zoals deze neergelegd in artikel 16, leden 2 en 3, kan worden gerechtvaardigd ». B.8.
- Artikel 19, lid 1, van dezelfde verordening bepaalt : « De Lid-Staten stellen, na raadpleging van de Commissie, tijdig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze verordening. Deze bepalingen hebben onder andere betrekking op de organisatie, de procedure en de controlemiddelen, alsmede op de sancties die bij overtreding kunnen worden toegepast ». 9 B.
- Het komt aan de wetgever toe de vereiste maatregelen te nemen tot uitvoering van een verordening of de Koning daartoe te machtigen. Wanneer de wetgever de niet-naleving van een bepaling strafbaar stelt, dan vereist het wettigheidsbeginsel, gewaarborgd door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, dat de machtiging aan de Koning voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. B.
- Doordat een Europese verordening rechtstreeks toepasselijk is in de Belgische rechtsorde, kan zij eveneens krachtens artikel 34 van de Grondwet de vereiste essentiële elementen bevatten. Dat is met name het geval wat de hoger vermelde artikelen 13 en 15, lid 7, van de verordening (EEG) nr. 3821/85 betreft. De voorschriften waarvan de niet-naleving door de wetgever strafbaar is gesteld, zijn derhalve op nauwkeurige wijze uiteengezet. De strafbaarstelling van inbreuken op de verordening vloeit voort uit artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 dat de overtreding van de besluiten, genomen met toepassing van de machtiging bedoeld in artikel 1 van dezelfde wet, strafbaar stelt. De minimum- en de maximumstraf zijn uitdrukkelijk bepaald in artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari
- In een dergelijke juridische context kan de wetgever, zonder aan het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel afbreuk te doen, de nadere uitvoering van verordeningen op een bepaald domein, te dezen het vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, in haar geheel aan de Koning opdragen, zonder dat hij dat voor elke verordening afzonderlijk dient te bevestigen en zonder dat hij nader dient te preciseren welke uitvoeringsmaatregelen de Koning mag nemen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg schenden de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 april
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.037 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div