← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.042

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.042 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100429.2 Arrest- Rolnummer: 42/2010 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 343 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Persoon geesteszieke PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Geesteszieken - Bescherming van de persoon - Toestemming om de instelling voor beperkte tijd te verlaten - Minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd - Afwezigheid van rechterlijk optreden. Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-1990 - 15 - 32 ELI link Pub nr 1990009905 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4693 Arrest nr. 42/2010 van 29 april 2010 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 april 2009 in zake de procureur-generaal tegen F.B. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 april 2009, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, gewijzigd bij artikel 52 van de wet van 13 juni 2006, dat van toepassing is op een persoon bedoeld in artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, die oorspronkelijk en gelijktijdig het voorwerp uitmaakt van een zaak die op die grond aanhangig is gemaakt bij de jeugdrechter, opgevat in zoverre het melding maakt van de beslissing van de geneesheer van de dienst, die als exclusief wordt beschouwd, gelezen in het licht van artikel 2, eerste lid, van de wet van 26 juni 1990, zoals gewijzigd, van de artikelen 12, 3°, en 19 van de wet van 26 juni 1990, van artikel 43, eerste en tweede lid, van de wet van 8 april 1965, zoals gewijzigd bij artikel 9 van de wet van 13 juni 2006, van de artikelen 52, vijfde lid, 52, achtste lid, 52ter, vierde lid, 52quater, eerste lid, 52quater, derde lid, zoals retroactief van kracht ingevolge het arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008 van het Grondwettelijk Hof, en 58 van de wet van 8 april 1965, zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, alsook van de artikelen 18 en 19bis van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991, zoals gewijzigd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 februari 2009, van artikel 7, eerste en tweede lid, van het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 19 juni 1991 en van artikel 1 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 25 mei 1999, in samenhang gelezen met punt F van de bijlage ervan, doordat : A : het niet voorziet in de verplichting, voor de geneesheer van de dienst, om : - 1°) hetzij de jeugdrechter bij wie voordien en gelijktijdig de zaak betreffende die patiënt aanhangig is gemaakt op grond van artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965, op de hoogte te brengen van zijn beslissing aan de patiënt toelating te verlenen om de instelling te verlaten in omstandigheden die (ook wegens contacten met derden) een risico kunnen vormen voor diens veiligheid naar gelang van de daden die hij zou kunnen plegen of het gedrag dat hij zou kunnen vertonen; - 2°) hetzij de jeugdrechter bij wie de zaak betreffende de patiënt aanhangig is gemaakt op grond van de wet van 26 juni 1990, te betrekken bij het bepalen van de voorwaarden van zijn beslissing betreffende het verlaten van de instelling; B : het niet voorziet in een rechtsmiddel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het een minderjarige geesteszieke delinquent tegenover wie een beschermingsmaatregel loopt, waarbij met name in een 3 plaatsing in een gesloten psychiatrische dienst is voorzien en die werd genomen ter uitvoering van hoofdstuk II van de wet van 26 juni 1990, verhindert om in voorkomend geval, bij een tijdelijke opschorting van die specifieke beschermingsregel, de beschermingsregel te genieten die een minderjarige niet-geesteszieke delinquent geniet die werd geplaatst in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en voor wie het verlaten van de instelling afhankelijk is van de ontstentenis van een verbod of beperking bij een met redenen omklede gerechtelijke beslissing waartegen hoger beroep kan worden ingesteld, en is onderworpen aan het algemeen reglement van de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming inzake afwezigheden, het verlaten van de instelling en verloven ? ». Memories zijn ingediend door : - F.B.; - de Orde der geneesheren, waarvan de zetel is gevestigd te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 34-35; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 2 maart 2010 : - zijn verschenen : . Mr. A. Ryckmans loco Mr. M. Bogaerts, advocaten bij de balie te Brussel, voor F.B.; . Mr. S. Sonck, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. H Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Orde der geneesheren; . Mr. S. Seys loco Mr. P. Peeters en Mr. F. Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verweerder voor de verwijzende rechter, geboren op 26 december 1990, heeft het voorwerp uitgemaakt van een aanhangigmaking in een voorlopige fase bij de jeugdrechter te Dinant op basis van artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », aanhangigmaking in het kader waarvan de plaatsing in de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming van Kasteelbrakel is bevolen op 22 januari

  1. Naar aanleiding van die beslissing heeft het 4 openbaar ministerie de opneming ter observatie van de toen minderjarige betrokkene gevorderd. In een vonnis van 8 februari 2007 heeft de eerste rechter de opneming ter observatie van de betrokken jongere in het « Centre hospitalier Jean Titeca » bevolen. In een vonnis van 10 september 2007 heeft dezelfde rechter, bij wie de zaak aanhangig is gemaakt op grond van artikel 22 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », met name uitspraak gedaan over het feit dat het verlaten, door de minderjarige, van de psychiatrische dienst aan voorwaarden wordt onderworpen. De procureur des Konings van Dinant en de algemeen directeur van het « Centre hospitalier Jean Titeca » hebben tegen dat deel van de beslissing hoger beroep ingesteld, waarbij zij de bevoegdheid van de rechter betwisten om het verlaten van de instelling waarvan sprake is in de artikelen 11 en 15 van de voormelde wet van 26 juni 1990 aan voorwaarden te koppelen. Volgens de appellanten valt die beslissing onder de bevoegdheid van de geneesheer van de dienst. Het Hof van Beroep te Luik ziet in de ontstentenis van een jurisdictioneel beroep tegen de beslissing van de geneesheer een discriminatie ten opzichte van de minderjarige die een beroep kan instellen op basis van artikel 36, 4°, van de wet van 8 april
  2. Het beslist bijgevolg bij een arrest van 22 november 2007 om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Het Hof antwoordt daarop bij een arrest nr. 162/2008 van 20 november 2008 waarin het vaststelt dat de bepalingen die voor het verwijzende rechtscollege als vergelijkingspunt dienden, waren verdwenen ingevolge het arrest nr. 49/2008, dat op 13 maart 2008 door het Hof is uitgesproken. Het Hof had bijgevolg geoordeeld dat het aan het verwijzende rechtscollege staat « om te oordelen over de gevolgen van het vernietigingsarrest voor de in de geding zijnde bepalingen en, in het bijzonder, vast te stellen welke bepalingen thans van toepassing zijn op de uitstapregeling voor de in een gesloten afdeling geplaatste minderjarigen. Het staat ten slotte ook aan dat rechtscollege te beslissen of in voorkomend geval een nieuwe prejudiciële vraag dient te worden gesteld, waarbij de bewoordingen ervan worden gewijzigd teneinde rekening te houden met de omstandigheid dat de normen ten aanzien waarvan het, in de onderhavige zaak, de vergelijking maakte, zijn vernietigd ». Het Hof van Beroep te Luik heeft geoordeeld dat er aanleiding bestond om de prejudiciële vraag opnieuw te formuleren. Het is die nieuwe vraag die te dezen aan het Hof wordt gesteld. III. In rechte -A- Memorie van de algemene directeur van het « Centre hospitalier J. Titeca » A.1.
  3. Er wordt aangevoerd dat de wetgever ervoor heeft gekozen, wanneer de plaatsing op een minderjarige geesteszieke betrekking heeft, de therapeutische logica waarop de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke steunt, voorrang te geven op de beschermende en opvoedende grondslag van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade ». Uit de artikelen 37, § 2, 11°, en 43 van de wet van 8 april 1965 zou immers duidelijk voortvloeien dat de door de jeugdrechter genomen maatregelen geen afbreuk mogen doen aan de toepassing van de wet van 26 juni
  4. De parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd zou eveneens in die richting wijzen. Er wordt aangevoerd dat de wetgever van 2006, door aan de jeugdrechter zijn volheid van rechtsmacht over minderjarige geesteszieken terug te geven, niet zou hebben willen afwijken van het beginsel dat sedert meer dan vijftien jaar geldt, namelijk dat zolang de behandeling duurt, enkel de geneesheer ertoe is gemachtigd om onder zijn verantwoordelijkheid de maatregelen te nemen die hem opportuun lijken ten aanzien van de doelstellingen van de therapie. 5 In het kader van de wet van 26 juni 1990 zou het gerechtelijk toezicht enkel betrekking hebben op de noodzaak van de dwang, die betrekking heeft op de internering of eenvoudigweg op de verplichting om zich te laten behandelen. De minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en aan geestesstoornissen lijdt, zou niet kunnen worden vergeleken met de minderjarige die feiten van dezelfde aard heeft gepleegd en die niet aan dergelijke stoornissen lijdt. Het beschikken over de vrije wil zou in ons rechtsbestel immers steeds een fundamenteel criterium van onderscheid vormen, zowel in het burgerlijk recht als in het strafrecht of nog inzake bescherming. Daaruit zou voortvloeien dat de twee in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën niet vergelijkbaar zouden zijn. A.1.
  5. De appellant voor de verwijzende rechter voert vervolgens aan dat de wetgever een criterium van onderscheid zou hebben gehanteerd dat objectief is, in zoverre het bestaan van een geestesziekte het voorwerp van een voorafgaande medische diagnose uitmaakt, en relevant is, in zoverre het bestaan van die geestesziekte de nood aan een geschikte behandeling met zich meebrengt. Zowel door het doel als door de voorwaarden ervan zou een plaatsing in een psychiatrische instelling fundamenteel verschillen van een plaatsing in een openbare instelling voor jeugdbescherming. De opneming ter observatie en het verblijf van de minderjarigen in een psychiatrische instelling beogen immers enkel de diagnose en de behandeling van de psychische stoornissen van de patiënt. Hoewel rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de minderjarige een ernstige bedreiging voor andermans leven of integriteit kan vormen, hebben de maatregelen die zullen worden genomen toch niet die bekommernis tot voorwerp. De maatregelen betreffende het al dan niet begeleid verlaten van de instelling maken deel uit van het therapeutisch proces. Het staat dus aan de geneesheer van de dienst om een programma vast te stellen betreffende het verlaten van de instelling gedurende een beperkte tijd. Er wordt in herinnering gebracht dat andere, veel meer ingrijpende maatregelen dan uitstappen, zoals de nazorg, de overbrenging en zelfs het definitieve einde van het verblijf wanneer het om volwassenen gaat, enkel door de geneesheer kunnen worden beslist. De kwestie van de therapeutische vrijheid zou dus centraal staan in het debat met betrekking tot een eventueel gerechtelijk beroep tegen de beslissing van een geneesheer, ongeacht of zij betrekking heeft op de medicatie, de psychotherapie of nog op de uitstappen van de patiënt. Het zou dus ten onrechte zijn dat het Hof van Beroep, in de bewoordingen van de prejudiciële vraag, oordeelt dat het door de behandelende geneesheer toegestane verlaten van de instelling door een minderjarige die aan geestesstoornissen lijdt, zou neerkomen op een « tijdelijke opschorting van [de bescherming] » van de wet van 26 juni
  6. De appellant voor de verwijzende rechter brengt eveneens in herinnering dat de opneming ter observatie of de behandeling, naar luid van artikel 12.3 en 19 van de wet van 26 juni 1990, eindigen wanneer de geneesheer-diensthoofd in een gemotiveerd verslag vaststelt dat de toestand van de zieke die maatregelen niet langer rechtvaardigt. De bevoegde magistraat wordt verwittigd van de beslissing van de geneesheer. Terwijl de situatie van de meerderjarige enkel door de vrederechter kan worden herzien op verzoek en voor zover dat verzoek is gebaseerd op een verklaring van een geneesheer, zal de situatie van de minderjarige door de jeugdrechter automatisch om de drie of zes maanden naar gelang van het geval worden herzien. Het opschorten van de bevoegdheden van de jeugdrechter om op te treden wat betreft de modaliteiten voor het huisvesten van de minderjarige tijdens de duur van zijn tenlasteneming door de ziekenhuisinstelling zou eveneens worden bevestigd door de wetsbepalingen met betrekking tot het einde van de opneming, zoals artikel 43, tweede lid, van de wet van 8 april
  7. Ter ondersteuning van het in de vraag bedoelde verschil in behandeling voegt de appellant voor de verwijzende rechter ten slotte daaraan toe dat de wet van 26 juni 1990 elke beperking van de vrijheid van de patiënten die niet noodzakelijk zou zijn voor de behandeling, verbiedt. A.1.
  8. Met betrekking tot de plaatsing van een minderjarige in een openbare instelling voor jeugdbescherming wordt aangevoerd dat de door de jeugdrechter bevolen maatregelen ten aanzien van een minderjarige delinquent die geen geesteszieke is, doeleinden van bewaring, behoeding of opvoeding nastreven. Het risico van herhaling of van belemmering van het optreden van het gerecht, dat een noodzakelijke voorwaarde is voor de plaatsing in een openbare instelling voor jeugdbescherming krachtens artikel 52quater van de wet van 8 april 1965 en bijgevolg voor het bepalen van de voorwaarden voor zijn uitstappen, en dat het 6 toezicht van de jeugdrechter verantwoordt, zou geen bekommernis zijn bij de plaatsing van de jonge geesteszieke in een psychiatrisch ziekenhuis. De uitstappen van een minderjarige die niet aan geestesstoornissen lijdt en die het voorwerp heeft uitgemaakt van een maatregel tot plaatsing in een gesloten afdeling van een openbare instelling voor jeugdbescherming worden geregeld bij een aantal specifieke bepalingen van de wet van 8 april 1965 en, in de Franse Gemeenschap, bij het decreet van 19 februari 2009 houdende wijziging van het decreet van 4 maart 1991 dat naar aanleiding van het arrest van 13 maart 2008 van het Hof is aangenomen. Uit dat decreet zou voortvloeien dat de eventuele beslissing van de jeugdrechter, bij de plaatsing van een minderjarige in een openbare instelling voor jeugdbescherming, op het pedagogisch project van de openbare instelling voor jeugdbescherming steunt, terwijl de uitstapmaatregel zal worden beoordeeld naar gelang van het therapeutisch project wanneer het gaat om een minderjarige die aan een geestesstoornis lijdt. De appellant verduidelijkt eveneens dat de redenen waarom de jeugdrechter de uitstappen van de in een openbare instelling voor jeugdbescherming geplaatste jongere kan verbieden, op dezelfde bekommernis berusten als de redenen waarom hij er is geplaatst. Memorie van de Ministerraad A.2.
  9. De Ministerraad wijst erop dat de uitstapregeling die van toepassing is op, enerzijds, de minderjarige delinquenten die in een gesloten jeugdpsychiatrische dienst zijn geplaatst omdat zij geestesstoornissen vertonen en, anderzijds, de minderjarige delinquenten die in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming of in een gesloten centrum zijn geplaatst, verschilt. Voor de eerstgenoemden beslist de geneesheer van de dienst over de uitstappen zonder dat hij de jeugdrechter daarvan op de hoogte moet brengen. Voor de laatstgenoemden worden de toelatingen om de instelling te verlaten in bepaalde gevallen onderworpen aan de toelating van de jeugdrechter met een recht van hoger beroep voor het openbaar ministerie. De eerste categorie van minderjarigen is onderworpen aan de toepassing van de wet van 26 juni
  10. Overeenkomstig artikel 15 van die wet sluit het verblijf van de minderjarige in een jeugdpsychiatrisch centrum niet uit dat, op grond van de beslissing van een geneesheer van de dienst en onder diens gezag en verantwoordelijkheid, de instelling voor beperkte tijd wordt verlaten. Die beslissingen betreffende het verlaten van de instelling worden enkel door de geneesheer van de dienst genomen, zonder het optreden van de jeugdrechter. De plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming is daarentegen gereglementeerd bij de wet van 8 april 1965 die achtereenvolgens bij de wetten van 13 juni 2006 en 27 december 2006 is gewijzigd, waarvan sommige bepalingen door het Hof zijn vernietigd in zijn arrest nr. 49/2008 van 13 maart
  11. De uitstappen van een minderjarige delinquent die in een gesloten afdeling van een openbare instelling voor jeugdbescherming is geplaatst, zijn onderworpen aan de toelating van de jeugdrechter. Tegen de beslissingen van de rechter kan hoger beroep worden ingesteld door het openbaar ministerie of iedere belanghebbende. De plaatsing van een minderjarige in een gesloten centrum is bepaald bij de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die plaatsing is eveneens aan strikte voorwaarden onderworpen en de voormelde wet bepaalt dat het de jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter is die de in een gesloten centrum geplaatste minderjarige kan toestaan om de instelling te verlaten voor een duur die hij of zij bepaalt. Tegen die beslissingen kan eveneens beroep worden ingesteld door het openbaar ministerie of iedere belanghebbende. A.2.
  12. Als antwoord op de prejudiciële vraag voert de Ministerraad allereerst aan dat de twee categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De gezondheidstoestand van de minderjarige staat centraal voor een minderjarige delinquent die in een jeugdpsychiatrische dienst is geplaatst, wat wordt bevestigd door de wet van 26 juni 1990 die met voorrang boven de wet van 8 april 1965 van toepassing is. Het zou redelijk zijn te oordelen dat de geneesheer meer in staat is dan de rechter om te beslissen over de eventuele uitstappen van een minderjarige die in zijn jeugdpsychiatrische dienst is geplaatst, aangezien die uitstappen in het kader passen van het therapeutisch project van de minderjarige. Volgens de Ministerraad zou de formulering van de prejudiciële vraag laten doorschemeren dat de uitstappen die door een geneesheer worden toegestaan aan een minderjarige die in een jeugdpsychiatrische dienst is geplaatst, een tijdelijke opschorting van de door de jeugdrechter bevolen specifieke beschermingsregel, 7 namelijk de plaatsing in een ziekenhuis, met zich meebrengen. Die redenering zou op een onjuiste premisse zijn gebaseerd. Een door de geneesheer toegestane uitstap onderbreekt immers niet de door de jeugdrechter besliste beschermingsmaatregel. A.2.
  13. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het verschil in behandeling verantwoord en niet onevenredig is. Beide maatregelen zouden immers op een totaal verschillende logica steunen, namelijk een therapeutische en een educatieve logica. De Ministerraad beklemtoont eveneens dat de geneesheer geen exclusiviteit heeft met betrekking tot de principiële beslissingen inzake internering en verlenging van die internering. Op grond van het verslag van een jeugdpsychiater beslist de jeugdrechter immers over het beginsel van de plaatsing in een jeugdpsychiatrische dienst met toepassing van artikel 37, § 2, 11°, van de wet van 8 april
  14. De jeugdrechter kan bovendien op elk ogenblik, in overleg met de geneesheer, de herziening van de maatregel van verder verblijf, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de zieke of van iedere belanghebbende, met toepassing van artikel 22 van de wet van 26 juni 1990, bevelen. Ten slotte dient de geneesheer, wanneer hij beslist om de maatregel van verder verblijf op te heffen, de rechter daarvan op de hoogte te brengen die, met toepassing van artikel 43 van de wet van 8 april 1965, kan beslissen over elke andere maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding van de minderjarige. De autonomie van de geneesheer ten opzichte van de rechter zou zich dus beperken tot de eigenlijke organisatie van de medische behandeling van de minderjarige geesteszieke, met inbegrip van de uitstappen, terwijl de principiële beslissing over de opneming en het handhaven van de maatregel tot opneming een beslissing zou zijn die in overleg door de geneesheer en de rechter wordt genomen. Memorie in tussenkomst van de Orde der geneesheren A.
  15. De Orde der geneesheren wijst erop dat zij doet blijken van een belang in de zaak voor het rechtscollege dat de verwijzing gelast. Zij verduidelijkt dat zij alle doctors in de genees-, heel- en verloskunde omvat die in België zijn gedomicilieerd en die zijn ingeschreven op de lijst van de Orde van de provincie waar hun woonplaats is gelegen. Zij is opgericht om het algemeen belang en de legitieme belangen van de geneesheren te beschermen. De nationale raad van de Orde zet vervolgens de regels uiteen die, volgens de code van medische plichtenleer die zij vaststelt, moeten worden nageleefd bij de uitoefening van het beroep van geneesheer. Volgens de Orde brengt de vraag de therapeutische vrijheid van de geneesheer in gevaar die, in voorkomend geval, de toelating of het akkoord van een rechtbank zal moeten verkrijgen om de therapie te kunnen starten die hij het meest geschikt acht bij de behandeling van de minderjarige geesteszieke delinquent. Zij verduidelijkt dat wanneer de in de onderhavige zaak ingediende memories en verzoekschriften haar overeenkomstig artikel 89, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 zullen zijn bezorgd, zij haar standpunt zal uiteenzetten wat betreft de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde categorieën en de ontstentenis van discriminatie. -B- B.
  16. Aan het Hof wordt een prejudiciële vraag gesteld over artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (hierna : de wet van 26 juni 1990), dat bepaalt : « Gedurende het verder verblijf wordt de zieke bewaakt en behandeld. Dit sluit niet uit dat, op grond van de beslissing van een geneesheer van de dienst en onder diens gezag en verantwoordelijkheid, de zieke voor beperkte tijd, alleen of onder begeleiding, kan uitgaan, noch dat hij, deeltijds, in de instelling verblijft overdag of 's nachts, noch dat hij met zijn instemming beroepsarbeid verricht buiten de dienst ». 8 B.
  17. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het voormelde artikel 15 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling niet voorziet in de verplichting voor de geneesheer van de dienst om hetzij de jeugdrechter op de hoogte te brengen van zijn beslissing om een uitstap toe te staan aan de minderjarige geesteszieke die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, hetzij de jeugdrechter te betrekken bij het bepalen van de voorwaarden van die beslissing, en evenmin voorziet in een rechtsmiddel tegen die beslissing, terwijl de toestemmingen voor in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming geplaatste minderjarigen om die instelling te verlaten, zijn onderworpen aan strikte voorwaarden, waaronder in sommige gevallen de toestemming van de jeugdrechter, met een recht van opschortend hoger beroep vanwege het openbaar ministerie. B.3.
  18. De beslissing van de jeugdrechtbank om een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming te plaatsen, vindt haar grondslag in artikel 37, § 2, 8°, van de wet van 8 april 1965, zoals vervangen bij artikel 7, 2°, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Die bepaling voorziet erin dat de jeugdrechtbank de betrokkenen kan toevertrouwen « aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater ». B.3.
  19. Hoewel de verwijzende rechter andere bepalingen beoogt, blijkt uit de bewoordingen van de vraag dat het tweede punt van de vergelijking waartoe hij het Hof uitnodigt, de uitstapregeling is die van toepassing is op de minderjarige die in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming is geplaatst, zoals bedoeld in artikel 52quater van de wet van 8 april
  20. Het voormelde artikel 52quater bepaalt : « Voor wat betreft de personen bedoeld in artikel 36, 4°, kan de rechter of de jeugdrechtbank, naar gelang van het geval, in de gevallen bedoeld in de artikelen 52, 52bis en 9 52ter, een maatregel van bewaring bevelen, voor een termijn van ten hoogste drie maanden, in een gesloten opvoedingsafdeling, ingericht door de bevoegde overheden. Deze beslissing kan enkel worden genomen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden : […] 2° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is; 3° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden ». Artikel 19bis van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, gewijzigd bij het decreet van 19 februari 2009, regelt het verlaten van de openbare instellingen voor jeugdbescherming met gesloten stelsel door de jongeren : « §
  21. Indien krachtens artikel 52quater, derde lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank het verlaten door een jongere van de openbare instellingen voor jeugdbescherming met gesloten stelsel niet heeft verboden, kan deze jongere de instelling verlaten mits inachtneming van de volgende voorwaarden : 1° het verlaten door een jongere van de openbare instellingen voor jeugdbescherming met gesloten stelsel om voor de rechtbank te verschijnen, om redenen van medische noodzaak of om een begrafenis in België bij te wonen in geval van overlijden van een familielid tot en met de tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating door de jeugdrechter of jeugdrechtbank. De instelling informeert de jeugdrechter of de jeugdrechtbank evenwel voorafgaandelijk per telekopie van elke uitstap in deze zin. De Regering kan deze regel uitbreiden tot andere soorten uitstappen; 2° de soorten uitstappen die beschreven staan in het pedagogisch project dat de openbare instelling voor jeugdbescherming aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank meedeelt met vermelding van de soorten omkadering per soort uitstap, kunnen worden verboden door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, bij gemotiveerde beslissing voor één of meer van de redenen genoemd in paragraaf
  22. Het verbod kan ook beperkt worden tot slechts enkele soorten activiteiten en kan verband houden met een onvoldoende omkadering; 3° voor het verlaten van de instelling in het kader van activiteiten die niet uitdrukkelijk deel uitmaken van het pedagogisch project van de openbare instelling voor jeugdbescherming, moet geval per geval een verzoek aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank worden gericht, waarin de voorgenomen soort omkadering nader wordt omschreven. De aanvraag gebeurt uiterlijk tien dagen voor de aanvang van de activiteit. De jeugdrechter of jeugdrechtbank doet 10 uitspraak binnen de acht dagen vanaf de datum van verzending van de aanvraag. Een afschrift van het verzoek wordt onverwijld door de griffie aan het openbare ministerie bezorgd. Van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wordt aan de openbare instelling voor jeugdbescherming per telekopie kennis gegeven. Een afschrift van de beslissing wordt binnen de 24 uur door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. §
  23. Ingeval de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verbiedt om de instelling te verlaten, vermeldt hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van de volgende redenen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is; 2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven zal plegen, zich aan het gerecht [zal] onttrekken, bewijsmateriaal [zal] proberen te doen verdwijnen of met derden tot een heimelijke verstandhouding [zal] komen; 3° het belang van een slachtoffer of zijn omgeving vereist dit verbod. §
  24. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan, [te] allen tijde, hetzij ambtshalve hetzij op vordering van het openbaar ministerie, het stelsel voor het verlaten door de jongere van de openbare instelling wijzigen ». Ten slotte bepaalt artikel 58 van de wet van 8 april 1965 : « De beslissingen van de jeugdrechtbank gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstukken III en IV, zijn, binnen de wettelijke termijnen, vatbaar voor hoger beroep door het openbaar ministerie en voor verzet en hoger beroep door alle andere in het geding betrokken partijen onverminderd de bepalingen van de artikelen 52, 52quater, negende lid, en 53, derde lid. De vonnissen gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, zijn niet vatbaar voor verzet. Hoger beroep wordt bij verzoekschrift ingesteld ter griffie van het hof van beroep. De griffier van de jeugdkamer roept voor die kamer de partijen op die opgeroepen waren voor de jeugdrechtbank; hij voegt bij de oproeping voor de andere partijen dan de verzoeker, een gelijkluidend afschrift van het verzoekschrift. De medewerking van pleitbezorgers bij het hof is niet vereist. De jeugdrechtbank kan de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissingen bevelen, behalve wat de kosten betreft ». B.4.
  25. De verwijzende rechter leest artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 in het licht van de artikelen 2, eerste lid, 12.3, 19 en 43 van deze wet. Artikel 2, eerste lid, van de voormelde wet bepaalt : 11 « De beschermingsmaatregelen mogen, bij gebreke van enige andere geschikte behandeling, alleen getroffen worden ten aanzien van een geesteszieke indien zijn toestand zulks vereist, hetzij omdat hij zijn gezondheid en zijn veiligheid ernstig in gevaar brengt, hetzij omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit ». Wanneer de in het voormelde artikel 2 bedoelde omstandigheden zich voordoen, kan een opneming ter observatie in een psychiatrische dienst gedurende maximum veertig dagen bij rechterlijke beslissing worden bevolen. Die opneming ter observatie kan ten einde lopen vóór het verstrijken van de termijn van veertig dagen, krachtens artikel 12 van de wet, indien dat wordt beslist door : « […]
  26. Hetzij de geneesheer-diensthoofd die in een gemotiveerd verslag vaststelt dat de toestand van de zieke deze maatregel niet langer rechtvaardigt. Hij deelt zulks mee aan de zieke en aan de directeur van de instelling. Deze laatste verwittigt de magistraat die de beslissing genomen heeft, de rechter voor wie de zaak aanhangig is, de procureur des Konings, evenals de persoon die de opneming ter observatie heeft gevraagd ». Indien de opneming ter observatie niet wordt beëindigd en indien de toestand van de zieke zijn verder verblijf in de instelling na het verstrijken van de periode van veertig dagen verantwoordt, zendt de directeur van de instelling aan de rechter een omstandig verslag van de geneesheer-diensthoofd dat de noodzaak van verder verblijf bevestigt, krachtens artikel 13 van de wet van 26 juni
  27. Het is de rechter die, met toepassing van artikel 14 van de wet, de duur van het verder verblijf vaststelt voor een periode van ten hoogste twee jaar. Artikel 19 van de voormelde wet regelt de voorwaarden van het einde van het verblijf. Het bepaalt : « §
  28. De geneesheer-diensthoofd kan, uit eigen beweging of op verzoek van enige belanghebbende, beslissen dat het verder verblijf niet langer nodig is in een gemotiveerd verslag waarin hij vaststelt dat de toestand van de zieke deze maatregel niet langer rechtvaardigt. §
  29. De beslissing bedoeld in artikel 17, 1°, brengt de opheffing van de maatregel van verder verblijf mee. De maatregel van verder verblijf wordt eveneens opgeheven indien binnen één jaar nazorg niet tot wederopneming is besloten. 12 §
  30. De geneesheer-diensthoofd deelt zijn beslissing mede aan de zieke, de procureur des Konings en aan de directeur van de instelling. Deze laatste verwittigt per aangetekende brief de magistraat die de beslissing genomen heeft, de rechter voor wie de zaak aanhangig is, evenals de persoon die de opneming ter observatie heeft gevraagd. §
  31. De beslissing waarmee aan de beschermingsmaatregel een einde wordt gemaakt, wordt onmiddellijk uitgevoerd ». B.4.
  32. Bij artikel 9 van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, heeft de wetgever een bijzondere maatregel ten aanzien van de minderjarige delinquent willen toevoegen. Aldus heeft hij artikel 43 van de wet van 8 april 1965 vervangen door de volgende bepaling : « Ten aanzien van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen past de rechter of de jeugdrechtbank de bepalingen van deze wet toe onverminderd de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. In geval van toepassing van de voornoemde wet van 26 juni 1990 op de personen die oorspronkelijk voor de jeugdrechtbank waren verwezen op grond van artikel 36, 4°, wordt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd om de maatregel op te heffen, die overeenkomstig artikel 12, 3°, of 19 van de wet van 26 juni 1990 genomen is, slechts uitgevoerd na een termijn van vijf werkdagen te rekenen van de dag waarop de jeugdrechtbank hiervan is geïnformeerd. Binnen deze termijn, en zonder deze te kunnen verlengen, spreekt de rechtbank zich uit over elke andere maatregel bedoeld in artikel 37, die zij nuttig acht ». Die bepaling werd in de parlementaire voorbereiding van de wet als volgt verantwoord : « Ten slotte voorziet artikel 43, § 2, in een aanpassing van het stelsel bedoeld in de wet van 26 juni 1990 teneinde dit compatibel te maken met de aanhangigmaking bij de jeugdrechtbank, die gericht is op bescherming. Krachtens de wet van 26 juni 1990 kan de maatregel waarin zij voorziet, worden opgeheven bij een beslissing van de geneesheer- diensthoofd van de psychiatrische instelling. Ingeval de zaak evenwel bij de jeugdrechtbank aanhangig is gemaakt met het oog op het nemen van een maatregel ten aanzien van een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, mag het optreden van de jeugdrechtbank terzake zich niet beperken tot het akte nemen van het einde van de maatregel, beslist door de geneesheer-diensthoofd. De rechtbank moet in voorkomend geval het verlaten van de jongere van de instelling kunnen regelen. Derhalve voorziet het ontwerp van wet erin dat ingeval de maatregel opgelegd overeenkomstig de wet van 26 juni 1990 beëindigd wordt door een beslissing van de geneesheer-diensthoofd, de tenuitvoerlegging van de beslissing wordt opgeschort gedurende een termijn die niet langer mag duren dan 5 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de 13 rechtbank is ingelicht over de opheffing van de maatregel. Gedurende deze termijn neemt de rechtbank alle maatregelen die zij voor de betrokken jongere nodig acht » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/001, pp. 42-43). B.
  33. Zoals in B.2 is aangegeven, blijkt uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag dat het Hof wordt verzocht de uitstapregeling van de minderjarige delinquent die in een gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming is geplaatst, te vergelijken met de regeling van de occasionele uitstappen van de minderjarige geesteszieke die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, waarin artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 voorziet. Zoals is opgemerkt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 juni 1990, vormen de in dat artikel 15 bedoelde occasionele uitstappen een soepelheid binnen het kader zelf van de behandeling, wanneer de toestand van de zieke dat toelaat (Parl. St., Senaat, 1988- 1989, nr. 733-2, p. 85). Dat geldt niet voor de in de artikelen 12.3 en 19 van de wet van 26 juni 1990 bedoelde maatregelen, die tot gevolg hebben dat de opneming van de geesteszieke wordt beëindigd. B.6.
  34. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 2006 is in herinnering gebracht dat wanneer de jeugdrechter ten aanzien van een jongere die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en die aan een geestelijke stoornis lijdt, een maatregel tot plaatsing in een gesloten afdeling van een psychiatrische instelling wenst te nemen, hij dat enkel met toepassing van de wet van 26 juni 1990 kan doen. « In dit geval heeft deze laatste wet de overhand op de wet van 8 april 1965 » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1467/001, p. 42). B.6.
  35. Zowel uit de tekst zelf van de wet van 26 juni 1990 als uit de parlementaire voorbereiding ervan, blijkt dat de wetgever aan de geestesziekte een doorslaggevend karakter heeft willen toekennen om het aannemen van maatregelen die in het kader van een therapeutische logica passen, te verantwoorden (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 733-2, p. 9). Dat wordt bevestigd bij artikel 1 van de wet wanneer het bepaalt dat de diagnose en de behandeling van psychische stoornissen geen aanleiding kunnen geven tot enige vrijheidsbeperking. De vrijheidsberovende maatregelen dienen, bijgevolg, de uitzondering te blijven en zullen als beschermingsmaatregelen worden beschouwd (ibid., pp. 9 en 12). 14 De toepassingsvoorwaarden van de maatregelen dienen eveneens op restrictieve wijze te worden geïnterpreteerd. Aldus « mogen [zij] niet enkel beperkt blijven tot een erge mentale toestand, maar […] moet die toestand [tegelijkertijd] een ernstige en rechtstreekse bedreiging betekenen hetzij voor hun eigen gezondheid en veiligheid, hetzij omdat de geesteszieke een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit » (ibid., p. 13). Er werd eveneens verduidelijkt dat, hoewel het geneesherenkorps niet alleen over de vrijheidsberoving kan beslissen, het daarentegen autonoom is inzake invrijheidstelling, waarbij de opdracht van de rechter erin bestaat de rechten van de zieke te beschermen en niet de opheffing van een maatregel te verhinderen (ibid., p. 77). B.7.
  36. Door de voorrang van de wet van 26 juni 1990 op de wet van 8 april 1965 ten aanzien van de minderjarige geesteszieke die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, te bevestigen, heeft de wetgever het therapeutische aspect van de te zijnen aanzien genomen maatregelen voorrang willen geven op het beschermende aspect van de bij de wet van 8 april 1965 voorgeschreven maatregelen. Het is in verband met die therapeutische doelstelling dat de wetgever enkel aan de geneesheer van de dienst, onder diens gezag en verantwoordelijkheid, de mogelijkheid heeft willen verlenen om aan de minderjarige toe te staan de instelling voor beperkte tijd te verlaten, wat de beslissing tot opneming als dusdanig geenszins opnieuw in het geding kan brengen, beslissing waarvoor in het optreden van de jeugdrechter is voorzien. B.7.
  37. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te beslissen welke waarborgen de occasionele uitstappen van de minderjarige geesteszieke tijdens de behandeling dienen te omgeven. In de vraag wordt evenwel het bijzondere geval beoogd van minderjarige geesteszieken die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Zoals het Hof in B.4.2 heeft opgemerkt, heeft de wetgever, hoewel voorrang wordt gegeven aan het therapeutische aspect van de wet van 26 juni 1990, in bijzondere waarborgen willen voorzien ten aanzien van die categorie van minderjarigen, wanneer het om de in de artikelen 12.3 en 19 van die wet bedoelde beslissingen gaat. 15 B.7.
  38. De wetgever heeft immers bepaald dat, wanneer de geneesheer-diensthoofd vaststelt dat de toestand van de zieke zijn opneming ter observatie niet langer rechtvaardigt (artikel 12.3) of dat zijn verder verblijf niet wordt gerechtvaardigd (artikel 19), de magistraat die de beslissing heeft genomen en de rechter voor wie de zaak aanhangig is, daarvan op de hoogte worden gebracht. Het zou coherent zijn om in een analoge maatregel te voorzien met betrekking tot de beslissing van een geneesheer van de dienst om toe te staan dat « de zieke voor beperkte tijd […] kan uitgaan », rekening houdend met het gevaarlijke karakter dat die maatregel voor de minderjarige of voor anderen zou kunnen hebben. Zoals in B.5 is opgemerkt, heeft het toestaan van « in de tijd beperkte uitstappen » evenwel niet dezelfde draagwijdte als een beslissing waarbij de opneming ter observatie of de opneming zelf worden beëindigd. Die toelating vormt een therapeutisch middel waarbij de geneesheer in het bijzonder geschikt is om het nut ervan te beoordelen. Rekening houdend met de in B.6.2 vermelde doelstellingen en met het specifieke karakter van de « in de tijd beperkte uitstappen », staat het aan de wetgever te beslissen of zij het voorwerp van controle moeten uitmaken. Het Hof zou, zonder zijn beoordeling in de plaats van die van de wetgever te stellen, niet kunnen oordelen dat de wetgever de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft geschonden door niet in een rechterlijke tussenkomst te voorzien. B.
  39. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 15 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 april
  40. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.