← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.043

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.043 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100429.3 Arrest- Rolnummer: 43/2010 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-07-01 19:51 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 61 van de wet van 13 juli 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering - Fonds voor arbeidsongevallen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 61 van de wet van 13 juli 2006, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Rechtsvordering tot betaling van vergoedingen - Verjaring - Bijslag wegens verergering. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 69 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Wet - 13-07-2006 - 61 - 68 ELI link Pub nr 2006022848 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4703 Arrest nr. 43/2010 van 29 april 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 61 van de wet van 13 juli 2006, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 4 mei 2009 in zake Marcel Vlaminck tegen het Fonds voor Arbeidsongevallen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 mei 2009, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 61 van de wet van 13 juli 2006, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met het algemene rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging en met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de aanvrager die een in artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 bedoelde bijslag wegens verergering aanvraagt en de aanvrager die een van de andere in de wet van 10 april 1971 bedoelde vergoedingen aanvraagt, op dezelfde wijze behandelt, terwijl, met betrekking tot het bepalen van de aanvang van de verjaringstermijn, de aanvrager van een bijslag wegens verergering zich in een veel onzekerdere situatie bevindt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Marcel Vlaminck, wonende te 1342 Limelette, avenue des Capucines 18; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 24 maart 2010 : - zijn verschenen : . Marcel Vlaminck, in eigen persoon; . Mr. P. Slegers, tevens loco Mr. L. Depré, en Mr. B. Fonteyn, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 16 februari 1970 is Marcel Vlaminck het slachtoffer van een arbeidsongeval. Na een val heeft hij een wond op de hoofdhuid die wordt gehecht. Het ongeval wordt ten laste genomen door de verzekeringsmaatschappij « AG van 1830 ». Op 26 maart 1974 bekrachtigt een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Luik het deskundigenverslag waarin werd voorgesteld om een graad van blijvende arbeidsongeschiktheid van 3 pct. in aanmerking te nemen. Een 3 rechtsvordering tot herziening wordt ingesteld en geeft aanleiding tot een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Nijvel, afdeling Waver, waarbij het deskundigenverslag wordt bekrachtigd waarin werd voorgesteld om vanaf 26 maart 1977 een graad van blijvende arbeidsongeschiktheid van 10 pct. in aanmerking te nemen. Dat vonnis wordt bevestigd bij een arrest van 12 maart 1984 van het Arbeidshof te Brussel. Marcel Vlaminck stelt vervolgens verschillende beroepen in teneinde te laten erkennen dat de oorspronkelijke beoordeling van de door hem geleden schade slecht was uitgevoerd. Marcel Vlaminck probeert, via een rechtsvordering tot herziening, de erkenning van een verergering te verkrijgen. Bij dagvaarding van 5 mei 1999 vordert Marcel Vlaminck de veroordeling van het Fonds voor Arbeidsongevallen tot het ten laste nemen van een gipskraag. Bij brief van 19 mei 1999 vordert Marcel Vlaminck in ondergeschikte orde een herziening wegens verergering. In het kader van de opeenvolgende beroepen wordt een door het Arbeidshof te Luik gewezen arrest vernietigd en verwezen naar het Arbeidshof te Brussel. Het Hof van Cassatie stelt in zijn arrest vast dat, luidens artikel 69, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen na drie jaar verjaart. Die bepaling is van toepassing op iedere vergoeding die, ongeacht de benaming of de wijze van toekenning ervan, krachtens die wet of de uitvoeringsbesluiten ervan verschuldigd is door een verzekeraar of door het Fonds voor Arbeidsongevallen. Volgens het Hof van Cassatie bepaalt artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen verleend in het kader van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 dat een bijslag wegens verergering wordt toegekend aan het slachtoffer van wie de toestand als gevolg van het arbeidsongeval blijvend verergert na het verstrijken van de in artikel 72 van de wet bedoelde termijn, voor zover de graad van arbeidsongeschiktheid, na die verergering, ten minste 10 pct. bedraagt. Die bijslag wegens verergering is een vergoeding die krachtens de wet van 10 april 1971 of de uitvoeringsbesluiten ervan verschuldigd is en waarvan de aanvraag aan de in de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 1971 bepaalde verjaringsregels is onderworpen. Volgens het Hof van Cassatie zou het Arbeidshof te Luik de voormelde bepalingen dus hebben geschonden. De zaak is verwezen naar het Arbeidshof te Brussel, te dezen de verwijzende rechter. Het Fonds voor Arbeidsongevallen blijft bij zijn standpunt dat de aanvraag van de bijslag met toepassing van artikel 69 van de wet van 10 april 1971 is verjaard. Met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn verduidelijkt het Fonds voor Arbeidsongevallen dat het om het ogenblik gaat waarop de toestand van het slachtoffer verergert en dat de verergering zich, te dezen, op 12 september 1989 en op 17 december 1993 heeft voorgedaan. De verwijzende rechter stelt vast dat uit het arrest van het Hof van Cassatie in die zaak voortvloeit dat artikel 69, eerste lid, in beginsel van toepassing is op de bijslag wegens verergering. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake arbeidsongevallen gaat de verjaringstermijn echter in op het ogenblik dat het recht op de vergoeding ontstaat. Nog steeds volgens het Hof van Cassatie ontstaat het recht op de verergeringsbijslag op het ogenblik waarop de toestand van het slachtoffer verergert. De verwijzende rechter stelt eveneens vast dat artikel 61 van de wet van 13 juli 2006 artikel 69 van de wet van 10 april 1971 heeft gewijzigd door daarin, tussen het tweede en het derde lid, een nieuw lid in te voegen dat tot gevolg heeft dat het recht op de bijslagen wegens verergering als dusdanig niet meer kan verjaren. Met betrekking tot de periode vóór de inwerkingtreding van die wet van 13 juli 2006 is de verwijzende rechter van oordeel dat de op 19 mei 1999 geformuleerde aanvraag verjaard zou moeten worden verklaard. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, noch overmacht, noch de onoverkomelijke dwaling de wettelijke onmogelijkheid met zich meebrengen om de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen ten gevolge van een arbeidsongeval in te stellen. Te dezen wordt Marcel Vlaminck evenwel met geen enkele wettelijke onmogelijkheid geconfronteerd om een bijslag wegens verergering aan te vragen. 4 De verwijzende rechter is van oordeel dat Marcel Vlaminck, door te doen gelden dat het absurd zou zijn het slachtoffer ertoe te dwingen om bijslagen wegens verergering in rechte te vorderen, op een ogenblik dat het niet weet of het ooit daarop recht zal hebben, lijkt aan te nemen dat de toepassing, op de bijslag wegens verergering, van de verjaringsregels die gelden inzake arbeidsongevallen, onevenredige gevolgen heeft en betrekking heeft op de essentie zelf van zijn recht op die bijslag. Overwegende dat Marcel Vlaminck, zodoende, de vraag stelt of het beginsel van gelijkheid tussen de aanvrager van een bijslag wegens verergering en de aanvrager van andere in de wet van 10 april 1971 bedoelde vergoedingen mogelijkerwijs is geschonden, beslist de verwijzende rechter aan het Hof de prejudiciële vraag te stellen die het te dezen voorgelegd krijgt. III. In rechte -A- Memorie van de Ministerraad A.1.

  1. De Ministerraad begint met de vaststelling dat het eerste deel van het derde lid van artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 aan dat in het geding zijnde artikel 69 is toegevoegd bij de wet van 13 juli 2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling. De prejudiciële vraag heeft evenwel betrekking op artikel 69 zoals het luidde vóór die toevoeging. De wet bepaalt in dat verband dat de bijslagen wegens arbeidsongeschiktheid vanaf het ongeval verschuldigd zijn. Het recht op de bijslag ontstaat uit het ongeval en op de dag van het ongeval. Naast de basisbijslagen voorziet het stelsel eveneens in de mogelijkheid om andere bijslagen toe te kennen, met name in geval van verergering met toepassing van het laatste lid van artikel 27bis van de wet van 10 april
  2. Het is bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen verleend in het kader van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 dat het stelsel van de bijslagen wegens verergering is ingevoerd. Artikel 13, tweede lid, van hetzelfde besluit stelt het ogenblik vast waarop het recht op de bijslag wegens verergering ontstaat. Het recht ontstaat bij de aanvraag van de bijslag wegens verergering. A.1.
  3. De Ministerraad vermeldt de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgens welke de aanvraag van een in artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 bedoelde bijslag wegens verergering is onderworpen aan de in de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 1971 bepaalde verjaringsregels en dus aan de termijn van drie jaar. In zijn arrest van 8 februari 1993 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de verjaringstermijn inging op het ogenblik dat het recht op de vergoeding is ontstaan, terwijl het recht op de bijslagen wegens verergering ontstaat op het ogenblik dat de toestand van het slachtoffer verergert. De Ministerraad verduidelijkt dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juli 2006 blijkt dat de wetgever zich heeft willen gedragen naar het voormelde arrest van het Hof van Cassatie. Daaruit vloeit voort dat het recht op de bijslag niet verjaart voor zover het recht op een vergoeding voor een arbeidsongeval niet is verjaard. De verjaring zal dus enkel op de achterstallen van meer dan drie jaar van toepassing zijn. A.1.
  4. De Ministerraad stelt vast dat sedert de wet van 13 juli 2006 voortaan erin is voorzien dat het recht op de bijslagen wegens verergering niet langer als dusdanig kan verjaren. Te dezen wordt door de Ministerraad aangevoerd dat Marcel Vlaminck geen enkel element aanvoert waarin een verergering van zijn gezondheidstoestand naar voren wordt gebracht, maar enkel een slechte oorspronkelijke beoordeling van zijn letsels. In werkelijkheid wil hij dus bewerkstelligen dat de graad van arbeidsongeschiktheid niet wegens een verergering van zijn gezondheidstoestand maar wegens een vergissing bij de eerdere beoordeling van de graad van arbeidsongeschiktheid wordt herzien. Het bodemgeschil zou dus verkeerd zijn geanalyseerd vanuit de invalshoek van de verergering van de arbeidsongeschiktheid, aangezien niet de arbeidsongeschiktheid maar enkel de beoordeling ervan zou zijn geëvolueerd. De vraag over de verjaring van de aanvraag voor een bijslag wegens verergering zou klaarblijkelijk dan ook niet rijzen voor de beslechting van het geschil en zou niet ontvankelijk zijn. 5 A.1.
  5. De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat er aanleiding zou bestaan om de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. Hij stelt immers vast dat, inzake verjaring, artikel 69 van de wet van 10 april 1971, zoals de verwijzende rechter vaststelt, de aanvrager die een in artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 bedoelde bijslag wegens verergering aanvraagt en de aanvrager die een van de andere in de wet van 10 april 1971 bedoelde vergoedingen aanvraagt, op dezelfde wijze behandelt. In de redactie ervan vóór de wet van 13 juli 2006 zou artikel 69 van de wet van 10 april 1971 niet de aanvang vaststellen van de verjaringstermijn van de diverse rechtsvorderingen tot betaling van de vergoedingen waarop het betrekking heeft. Sedert het arrest van 1993 is het Hof van Cassatie evenwel van oordeel dat het recht op de toekenning van vergoedingen ontstaat op het ogenblik waarop de toestand van het slachtoffer verergert. Volgens de Ministerraad kan die interpretatie niet overtuigen, aangezien zij niet steunt op de teksten van de bepalingen die inzake bijslagen wegens verergering van toepassing zijn. De Ministerraad verzoekt om artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 in samenhang te lezen met artikel 13, tweede lid, van hetzelfde besluit, aangezien de wet geen specifieke aanvang voor de verjaringstermijn inzake bijslagen wegens verergering vaststelt. Er zou aanleiding bestaan om de gemeenrechtelijke regels inzake verjaring toe te passen. De verjaringstermijn zou dus ingaan op het ogenblik waarop het recht op de vergoeding ontstaat. Het recht op de vergoeding ontstaat evenwel pas op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en voor zover de verergering definitief is en leidt tot een minimale graad van arbeidsongeschiktheid van 10 pct. Daaruit zou voortvloeien dat het recht op de bijslag wegens verergering niet verjaart, in tegenstelling tot het recht op de betaling van de bijslag wegens verergering dat wel verjaart. Het zou dus onjuist zijn te postuleren dat de aanvrager van een bijslag wegens verergering, met betrekking tot het bepalen van de aanvang van de verjaringstermijn, zich in een veel onzekerdere situatie bevindt. Aangezien de prejudiciële vraag, volgens de Ministerraad, op een onjuiste premisse berust die voortvloeit uit een interpretatie van de wet die niet juist is in rechte, zou zij ontkennend moeten worden beantwoord. Memorie van de appellant voor de verwijzende rechter A.
  6. In zijn memorie betwist Marcel Vlaminck dat de rechtsvordering is verjaard. Hij voert aan dat de dagvaarding die hij in januari 1976 heeft ingeleid, nog steeds niet tot een vonnis heeft geleid. Memorie van antwoord van de Ministerraad A.
  7. In zijn memorie van antwoord beweert de Ministerraad dat datgene wat Marcel Vlaminck betwist, de beoordeling is die oorspronkelijk van zijn letsels is gemaakt, en dat hij geen verergering van zijn arbeidsongeschiktheid wil aanvoeren. Hij verwijst immers enkel naar het arbeidsongeval van 16 februari 1970 en naar het hervallen op 2 januari 1975, zonder naar enige latere verergeringen te verwijzen. Hij zou dan ook geen bijslag wegens verergering kunnen aanvragen. Daaruit volgt dat de verjaringstermijn geen aanvang kan nemen. De Ministerraad verzoekt het Hof te oordelen dat de vraag geen antwoord behoeft. Memorie van antwoord van de appellant voor de verwijzende rechter A.4.
  8. Er wordt aangevoerd dat het onderzoek van de in de prejudiciële vraag bedoelde wetsbepaling moet worden gekoppeld aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen verleend in het kader van de arbeidsongevallenwet van 10 april
  9. Krachtens artikel 72 van de wet van 10 april 1971 kan de eis tot herziening van de vergoedingen op grond van een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van het slachtoffer dat te wijten is aan de gevolgen van een arbeidsongeval, pas worden ingesteld binnen de drie jaar die volgen op de datum van homologatie of bekrachtiging van de overeenkomst tussen de partijen of van de in artikel 24 van de wet van 10 april 1971 bedoelde beslissing of kennisgeving. Artikel 9 van het voormelde koninklijk besluit voorziet in een bijslag wegens verergering wanneer de toestand van het slachtoffer die voortvloeit uit het arbeidsongeval, blijvend verergert na het verstrijken van de in 6 artikel 72 bedoelde termijn. Ongeacht het geval waarin de aanvrager zich bevindt, bepaalt artikel 69 van de wet van 1971 dat de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen na drie jaar verjaart. Er wordt verduidelijkt dat de aanvraag voor bijslagen wegens verergering te dezen op 19 mei 1999 werd geformuleerd. De verergering van de gezondheidstoestand van de appellant voor de verwijzende rechter werd definitief vastgesteld in een deskundigenverslag van 17 september
  10. De datum van de laatste verergering van de gezondheidstoestand werd door de deskundige op 18 december 1993 vastgesteld. Overwegende dat hij op die datum niet op de hoogte was van de verergering van zijn gezondheidstoestand, wijst de appellant voor de verwijzende rechter erop dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om een rechtsvordering tot terugvordering van die vergoeding in te stellen binnen de drie jaar na het ontstaan van de verergering. A.4.
  11. De appellant voor de verwijzende rechter verwijst vervolgens naar de termijn die geldt voor de terugvordering van de andere in de wet van 10 april 1971 bedoelde vergoedingen. Hij haalt de artikelen 24, 65 en 72 van die wet aan. Hij vergelijkt eveneens zijn situatie met die bedoeld in artikel 20 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, alsook met artikel 120 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. De appellant voor de verwijzende rechter verduidelijkt dat de wetgever de verjaringsregels voor de bijslagen in de wet zelf heeft willen aangeven door die mogelijkheid aan de Koning te ontzeggen, aangezien het bepalen van die elementen door de Koning een rechtsonzekerheid leek in te houden eigen aan het slachtoffer van een arbeidsongeval van wie de toestand verergert. A.4.
  12. De appellant voor de verwijzende rechter besluit dat het vaststellen van het ontstaan van de rechtsvordering tot betaling van een vergoeding wegens verergering op de datum van het ontstaan van de verergering onevenredig is en het niet mogelijk maakt het nagestreefde doel te verwezenlijken. De rechtszekerheid zou voorschrijven dat de verjaringstermijn pas kan ingaan vanaf het ogenblik waarop het slachtoffer op de hoogte is van zijn verergerde toestand. -B- B.
  13. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 61 van de wet van 13 juli 2006 « houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling ». Zowel uit de motieven van het door de verwijzende rechter gewezen arrest als uit de prejudiciële vraag zelf blijkt dat enkel het eerste lid van het in het geding zijnde artikel 69 wordt beoogd. Dat bepaalde, vóór de wijziging ervan bij de wet van 13 juli 2006 : « De rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen verjaart na drie jaar. De rechtsvordering tot terugvordering van onverschuldigde vergoedingen verjaart na drie jaar ». Artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 « betreffende de bijslagen verleend in het kader van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 » bepaalt : 7 « Een bijslag wegens verergering wordt toegekend aan de getroffene wiens toestand als gevolg van het arbeidsongeval, blijvend verergert na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 72 van de wet, voor zover de graad van arbeidsongeschiktheid, na deze verergering, ten minste 10 pct. bedraagt. […] ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag B.2.
  14. De Ministerraad betwist de relevantie van de prejudiciële vraag omdat zij betrekking heeft op een bepaling die kennelijk niet zou kunnen worden toegepast op het bodemgeschil. De appellant voor de verwijzende rechter zou immers geen enkel argument doen gelden met betrekking tot de verergering van zijn gezondheidstoestand maar zou, in werkelijkheid, een slechte oorspronkelijke beoordeling van zijn letsels beogen. B.2.
  15. Zowel uit de antecedenten van de zaak als uit de motieven van het door de verwijzende rechter gewezen arrest blijkt dat de appellant een bijslag wegens verergering wilde verkrijgen op grond van de evolutie van zijn gezondheidstoestand sedert het arbeidsongeval waarvan hij op 16 februari 1970 het slachtoffer was. Het onderwerp van de betwisting wordt overigens door de partijen niet ter discussie gesteld, waarbij de geïntimeerde hoogstens de verjaring van de vordering met toepassing van het in het geding zijnde artikel 69 opwerpt. Het blijkt niet dat die bepaling niet kan worden toegepast op het geschil voor de verwijzende rechter. B.2.
  16. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
  17. Volgens de verwijzende rechter zou artikel 69 van de wet van 10 april 1971 tot gevolg hebben dat de aanvrager die een in artikel 9 van het voormelde koninklijk besluit van 10 december 1987 bedoelde bijslag wegens verergering aanvraagt en de aanvrager die één van 8 de andere in de wet van 10 april 1971 bedoelde vergoedingen aanvraagt, op dezelfde wijze worden behandeld, terwijl, met betrekking tot het bepalen van de aanvang van de verjaringstermijn, de aanvrager van een bijslag wegens verergering zich in een onzekerdere situatie zou bevinden. B.4.
  18. Bij een arrest van 12 december 2005 (Arr. Cass., 2005, nr. 662), dat is gewezen in het kader van de zaak voor de verwijzende rechter, heeft het Hof van Cassatie als volgt geoordeeld : « Overwegende dat, luidens artikel 69, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen na drie jaar verjaart; Dat die bepaling, ongeacht zijn benaming of zijn wijze van toekenning, van toepassing is op alle vergoedingen die krachtens de voormelde wet of haar uitvoeringsbesluiten verschuldigd zijn door een verzekeraar of door het Fonds voor Arbeidsongevallen; Overwegende dat artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen verleend in het kader van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, bepaalt dat een bijslag wegens verergering toegekend wordt aan de getroffene wiens toestand als gevolg van het arbeidsongeval blijvend verergert na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 72 van de wet, voor zover de graad van arbeidsongeschiktheid, na deze verergering, ten minste 10 pct. bedraagt; Dat die bijslag wegens verergering een schadevergoeding is die verschuldigd is krachtens de wet van 10 april 1971 of van haar uitvoeringsbesluiten, en waarbij de aanvraag van die bijslag onderworpen is aan de verjaringsregels bepaald in de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 1971 ». B.4.
  19. De aanvang van de verjaringstermijn is niet uitdrukkelijk vastgesteld bij een wetsbepaling. Bij een arrest van 8 februari 1993 (Arr. Cass., 1993, nr. 80) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het « recht op verergeringsbijslagen ontstaat op het ogenblik waarop de toestand van de getroffene verergert ». B.5.
  20. Artikel 69 van de wet van 10 april 1971 kan tot gevolg hebben dat het de verjaringstermijn van de aanvragen van bijslagen wegens verergering doet ingaan op een ogenblik waarop het slachtoffer van het ongeval niet weet dat het door zijn gezondheidstoestand het recht zou kunnen krijgen om ze te vorderen, en het aldus aan het slachtoffer bijslagen ontzegt waarop het nochtans aanspraak zou mogen maken. De gezondheidstoestand van het slachtoffer van een arbeidsongeval kan immers pas na verloop 9 van tijd verergeren en bijgevolg moeilijkheden veroorzaken voor het bepalen van het tijdstip waarop de verergering moet worden vastgesteld. B.5.
  21. De wetgever heeft zelf de onbillijke gevolgen erkend waartoe het in het geding zijnde artikel 69 kon leiden om de bij artikel 61 van de voormelde wet van 13 juli 2006 doorgevoerde wijziging te verantwoorden teneinde de verjaring van het recht op de bijslag wegens verergering op te heffen, voor zover het recht op een arbeidsongevallenvergoeding niet is verjaard (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1334/001, p. 29). B.5.
  22. Artikel 69 van de wet van 10 april 1971 doet zonder redelijke verantwoording op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van het slachtoffer van een arbeidsongeval. B.
  23. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 69 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van kracht was vóór de wijziging ervan bij artikel 61 van de wet van 13 juli 2006, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 april
  24. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.