← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.046

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 april 2010 ECLI nr:

voerdatum: 2010-04-29 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-30 04:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof beslist dat het beroep tot vernietiging van de artikelen 46 tot 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 zal worden onderzocht dan wel van de rol geschrapt naargelang de artikelen 116 tot 125 van het Vlaamse decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010 al dan niet worden vernietigd. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Bevoegdheidsverdeling - Gewesten - Landbouwbeleid en zeevisserij PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 46 tot 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009,

gesteld door de Ministerraad. Grondwettelijk recht - Bevoegdheden van de gewesten - Vlaams Gewest - Landbouwbeleid -

  1. Bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt -
  2. Handel

landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 19-12-2008 - 46 tot 56 - 40 ELI link Pub nr 2008036457 Decreet Vlaamse Raad - 18-12-2009 - 116 tot 125 - 05 ELI link Pub nr 2009036189 Tekst van de beslissing Rolnummer 4737 Arrest nr. 46/2010 van 29 april 2010

zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 46 tot 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009,

gesteld door de Ministerraad. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 juni 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 29 juni 2009, heeft de Ministerraad beroep tot vernietiging

gesteld van de artikelen 46 tot 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 (bekendgemaakt

het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008). De Vlaamse Regering heeft een memorie

gediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord

gediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord

gediend. Bij beschikking van 9 februari 2010 heeft het Hof de zaak

gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 2 maart 2010, na de partijen,

zonderheid de Ministerraad, te hebben verzocht te antwoorden,

een uiterlijk op 24 februari 2010 ter griffie neer te leggen aanvullende memorie waarvan zij binnen dezelfde termijn kopie meedelen aan de andere partij

de zaak, op de volgende vraag : « welke is de weerslag van de nieuwe artikelen 116 tot 125 van het Vlaamse decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010, op het huidige beroep tot vernietiging ? ». De Ministerraad heeft een aanvullende memorie

gediend. Op de openbare terechtzitting van 2 maart 2010 : - zijn verschenen : . Mr. P. Eecloo loco Mr. R. Depla, advocaten bij de balie te Brugge, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Fransen, advocaat bij de balie te Hasselt, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak

voortzetting gesteld op de volgende terechtzitting. Bij beschikking van 2 maart 2010 heeft het Hof beslist de pleidooien voort te zetten op de terechtzitting van 24 maart 2010, na de Vlaamse Regering te hebben verzocht de stukken waarvan sprake op de terechtzitting van 2 maart 2010, uiterlijk op 11 maart 2010 ter griffie neer te leggen. De Vlaamse Regering heeft een aanvullende memorie met de gevraagde stukken

gediend. 3 Op de openbare terechtzitting van 24 maart 2010 : - zijn verschenen : . Mr. P. Eecloo loco Mr. R. Depla, advocaten bij de balie te Brugge, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Fransen, advocaat bij de balie te Hasselt, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak

beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II.

rechte -A- A.

  1. De Ministerraad vordert de vernietiging van de artikelen 46 tot 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
  2. De bestreden bepalingen wijzigen, enerzijds, de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt en, anderzijds, de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel

landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten. De bestreden bepalingen wijzigen normen die tot de federale bevoegdheid behoren, meer bepaald tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Volgens de Ministerraad wijzigt het bestreden decreet de voormelde wetten van 1969 en 1975 op de volgende punten : het vervangt

de beide wetten de federale minister van Landbouw en de minister van Volksgezondheid door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij; voor de controle op de naleving van de beide wetten worden zowel de federale als de Vlaamse ambtenaren bevoegd gemaakt, ieder wat hun bevoegdheid betreft; elke delegatie aan de federale minister van Landbouw of Volksgezondheid wordt, voor het

stellen van vestigingsvoorwaarden, productnormen en monsternemingen, vervangen door een delegatie aan de Vlaamse minister; de mogelijkheid tot het

stellen van administratieve geldboeten wordt door het Vlaamse Gewest overgenomen. Bovendien worden die boeten verhoogd en komen zij, wat de wet van 1969 betreft, uitsluitend terecht

het Vlaams Fonds voor Landbouw en Visserij. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet blijkt volgens de Ministerraad dat de bestreden bepalingen werden aangenomen als reactie op de wijzigingen die door de federale wetgever, bij de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen,

de voormelde wetten van 11 juli 1969 en 28 maart 1975 werden aangebracht. De Ministerraad voert zes middelen aan. A.2.1. Het eerste middel, gericht tegen de artikelen 46, 1° en 2°, 49, 51, 52 en 53 van het decreet van 19 december 2008, is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der

stellingen, al dan niet

samenhang gelezen met de artikelen 127 tot 134 van de Grondwet en met het legaliteitsbeginsel. 4 Volgens de Ministerraad acht het Vlaamse Gewest zich blijkbaar bevoegd voor de productnormen en de activiteiten die betrekking hebben op de veiligheid van de voedselketen, voor het uitreiken van erkenningen en machtigingen en de controles daarop en voor de administratieve geldboetes met betrekking tot de productie van goederen die tot de voedselketen behoren, zoals grondstoffen, landbouwproducten, dierenvoeders en zuivelproducten. Die aangelegenheden behoren evenwel tot de bevoegdheid van de federale overheid. A.2.2. De Vlaamse Regering wijst erop dat op grond van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, het landbouwbeleid en de zeevisserij

beginsel tot de bevoegdheid van de gewesten behoren. De wetten van 11 juli 1969 en 28 maart 1975 dateren van vóór de bijna

tegrale regionalisering van het landbouwbeleid. Sinds de regionalisering van 2001 bevatten beide wetten bepalingen die zowel op gewestelijke als op federale bevoegdheden betrekking hebben. De decreetgever vermocht dan ook die wetten aan te vullen, te wijzigen of te vervangen,

zoverre zulks

het kader van de gewestelijke bevoegdheid past. Volgens de Vlaamse Regering toont de Ministerraad niet aan dat de bestreden bepalingen betrekking zouden hebben op de federale bevoegdheden, vermeld

artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus

  1. De bestreden bepalingen dienen aldus te worden gelezen dat zij enkel betrekking hebben op de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest. A.3.
  2. Het tweede middel, gericht tegen de artikelen 46, 51 en 52 van het decreet van 19 december 2008, is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus
  3. Weliswaar zijn de gewesten bevoegd voor het economisch beleid, doch enkel de federale overheid is bevoegd voor de vestigingsvoorwaarden voor de toegang tot bepaalde beroepen en voor het stellen van algemene regels en bekwaamheidsvereisten

verband met de uitoefening van sommige beroepen, uitgezonderd wat het toerisme betreft. Hoewel de federale bevoegdheid

zake vestigingsvoorwaarden als een uitzondering op de gewestelijke bevoegdheid

zake economie is

geschreven, geldt die bevoegdheid ten aanzien van alle bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, zelfs wanneer het aangelegenheden buiten de economische sfeer betreft. Wanneer de decreetgever de wetten van 11 juli 1969 en 28 maart 1975

die zin wijzigt dat de bevoegdheid tot erkenning of machtiging van bepaalde personen om bepaalde activiteiten uit te oefenen, aan een Vlaamse minister wordt gedelegeerd, schendt hij volgens de Ministerraad de federale bevoegdheid

zake vestigingsvoorwaarden. A.3.2. Volgens de Vlaamse Regering toont de Ministerraad geenszins aan dat de bestreden bepalingen op de federale bevoegdheid

zake vestigingsvoorwaarden betrekking hebben. De wijzigingen die door het bestreden decreet

de wetten van 1969 en 1975 werden aangebracht, betreffen uitsluitend de gewestelijke bevoegdheden

zake landbouw en hebben niets uit te staan met de federale bevoegdheden. A.4.

  1. Het derde middel, gericht tegen artikel 46, 2°, van het decreet van 19 december 2008, is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus
  2. Enkel de federale overheid is bevoegd om productnormen vast te stellen. Productnormen bepalen de regels waaraan stoffen of producten moeten voldoen, vooraleer die op de markt kunnen worden gebracht. Het vaststellen van zulke regels strekt volgens de Ministerraad ertoe tegemoet te komen aan de vereisten

zake bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de veiligheid van de consument. Door,

het bestreden artikel 46, 2°, de Vlaamse minister bevoegd te maken om bepaalde stoffen aan zijn voorafgaande erkenning of machtiging te onderwerpen en de voorwaarden van verlenging, wijziging en

trekking van die erkenning te bepalen, wordt de federale bevoegdheid

zake productnormen geschonden. A.4.2. De Vlaamse Regering betoogt dat de bestreden decreetsbepalingen geenszins productnormen hebben vastgesteld, noch daartoe enige machtiging hebben verleend. Die bepalingen hebben daarentegen betrekking op de kwaliteit van de landbouwproducten op zich. Zulks houdt

dat met die kwaliteitsvoorschriften geen doelstellingen

zake het leefmilieu, de volksgezondheid en de veiligheid van de consument worden nagestreefd. A.5.1. Het vierde middel, gericht tegen de artikelen 46 tot 56 van het decreet van 19 december 2008, is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 3bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet

samenhang gelezen met artikel 30bis van de bijzondere wet van 6 januari

  1. De bestreden bepalingen werden niet met de federale overheid overlegd, hoewel het volgens de Ministerraad maatregelen betreft die een weerslag op het landbouwbeleid hebben. Het overleg heeft tot doel de Vlaamse overheid, alvorens een beslissing te nemen, te verplichten rekening te houden met de opvatting van de 5 federale overheid. De niet-naleving van het overlegvereiste dient tot de vernietiging van de bestreden decreetsbepalingen te leiden. A.5.
  2. Uit de vaststelling dat geen overleg heeft plaatsgevonden, kan volgens de Vlaamse Regering niet zonder meer worden besloten dat de overlegverplichting waarin het voormelde artikel 6, § 3bis, voorziet, is geschonden. Die bepaling moet aldus worden gelezen dat het overleg slechts is vereist

zoverre een maatregel van de ene overheid een weerslag heeft op de landbouwbevoegdheden waarover de andere overheid - te dezen de federale overheid - beschikt. Die zienswijze werd door de afdeling wetgeving van de Raad van State meermaals bevestigd. Te dezen geldt die overlegverplichting niet, vermits de bestreden decreetsbepalingen de geldende wetsbepalingen hebben gewijzigd, doch enkel wat de gewestelijke landbouwbevoegdheden betreft. De bestreden bepalingen hebben geen weerslag op de federale landbouwbevoegdheden, nu die bepalingen de wetsbepalingen, wat de federale landbouwbevoegdheden betreft, onverlet hebben gelaten. A.6.1. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van het evenredigheidsbeginsel, al dan niet

samenhang gelezen met artikel 6, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Het evenredigheidsbeginsel is eigen aan elke bevoegdheidsuitoefening en houdt

dat een wetgever, bij het uitoefenen van zijn eigen bevoegdheden, de uitoefening van de bevoegdheden van een andere wetgever niet onmogelijk of overdreven moeilijk mag maken. Uit de uiteenzetting van de vorige middelen blijkt volgens de Ministerraad dat de decreetgever, door de wetten van 1969 en 1975 te wijzigen, het de federale wetgever onmogelijk, minstens overdreven moeilijk, maakt om de hem toegekende bevoegdheden uit te oefenen. A.6.

  1. Vermits uit de weerlegging van de vorige middelen blijkt dat de decreetgever de federale landbouwbevoegdheden niet heeft geschonden, is volgens de Vlaamse Regering het middel, afgeleid uit de schending van het evenredigheidsbeginsel, niet gegrond. A.7.
  2. Het zesde middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de beginselen van behoorlijke regelgeving, meer bepaald van het rechtszekerheidsbeginsel, al dan niet

samenhang gelezen met het legaliteitsbeginsel. De wijzigingen die door de bestreden bepalingen

de wetten van 1969 en 1975 werden aangebracht, zullen volgens de Ministerraad tot verwarring en rechtsonzekerheid bij de burgers en de overheden leiden. Het is thans immers volstrekt onduidelijk welke overheid bevoegd is om de nodige controles uit te voeren, bepaalde normen aan te nemen en administratieve geldboeten op te leggen. A.7.2. Volgens de Vlaamse Regering is de rechtszekerheid niet

het gedrang doordat verschillende redacties bestaan van normen die deels tot de gewestelijke, deels tot de federale landbouwbevoegdheid behoren. A.8.

haar memorie van wederantwoord merkt de Vlaamse Regering op dat, mede op vraag van de verzoekende partij, de Vlaamse decreetgever met de artikelen 116 tot 125 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010, de bij de bestreden decreetsbepalingen gewijzigde bepalingen heeft vervangen. Daarin wordt telkens gepreciseerd dat de desbetreffende bepaling op de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest betrekking heeft. Die nieuwe decreetsbepalingen hebben uitwerking met

gang van 24 maart 2007. Aangezien de bepalingen die het voorwerp van het onderhavige beroep tot vernietiging uitmaken, door die nieuwe decreetsbepalingen zijn vervangen, is de Vlaamse Regering van oordeel dat het huidige beroep zonder voorwerp is geworden. A.9.1.

de beschikking tot

gereedheidbrenging heeft het Hof de partijen,

zonderheid de Ministerraad, verzocht

een aanvullende memorie te antwoorden op de vraag welke de weerslag is van de nieuwe artikelen 116 tot 125 van het Vlaamse decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010, op het huidige beroep tot vernietiging. A.9.2.

zijn aanvullende memorie deelt de Ministerraad mee dat tegen die nieuwe decreetsbepalingen een nieuw beroep tot vernietiging zal worden

gesteld, aangezien ook die nieuwe bepalingen de bevoegdheidverdelende regels schenden. De loutere toevoeging,

die nieuwe bepalingen, dat de wijzigingen betrekking hebben op « de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest », verandert weinig aan die kritiek. Voor het overige zijn de vervangende bepalingen volstrekt identiek. 6 Wanneer de nieuwe decreetsbepalingen zouden worden vernietigd, zouden de bepalingen die thans worden bestreden, opnieuw van toepassing worden, zodat de Ministerraad zijn belang bij het huidige beroep pas definitief zal verliezen, wanneer ook het beroep tegen de nieuwe bepalingen zou worden verworpen.

die omstandigheden wenst de Ministerraad geen afstand van het huidige beroep te doen. De Ministerraad volhardt dan ook

de middelen die hij

zijn verzoekschrift heeft geformuleerd. A.10.1. Op de terechtzitting van 2 maart 2010 verzocht de raadsman van de Vlaamse Regering om nieuwe stukken neer te leggen. De raadsman van de Ministerraad heeft zich daartegen verzet. Dezelfde dag heeft het Hof een beschikking genomen waarbij de Vlaamse Regering werd verzocht die stukken uiterlijk op 11 maart 2010 ter griffie neer te leggen en ze tevens aan de Ministerraad te bezorgen.

die beschikking werd tevens beslist om de pleidooien op de terechtzitting van 24 maart 2010 voort te zetten, doch enkel om de partijen toe te laten zich over die stukken nader te verklaren. A.10.2. De stukken die door de Vlaamse Regering werden neergelegd hebben betrekking op een verslag van een vergadering die op 27 augustus 2009 werd gehouden door een werkgroep, samengesteld uit afgevaardigden van de betrokken Vlaamse en federale overheden.

haar begeleidend schrijven benadrukt de Vlaamse Regering een passus uit dat verslag waarin wordt vermeld dat het ontwerp van programmadecreet beoogt, conform de vraag van de federale

stanties, uitdrukkelijk

de wetten van 11 juli 1969 en 28 maart 1975

te schrijven dat de wijzigingen die door het bestreden decreet zijn aangebracht, slechts van toepassing zijn op de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest. Volgens de Vlaamse Regering blijkt aldus dat zij enkel gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de federale overheid om via het programmadecreet de gevraagde wijzigingen

de bestreden decreetsbepalingen aan te brengen. De Vlaamse Regering besluit daaruit dat de Ministerraad niet langer over het vereiste belang beschikt bij de vernietiging van die bepalingen, minstens dat het beroep tot vernietiging zonder voorwerp is geworden. A.10.3. Op de terechtzitting van 24 maart 2010 deelt de raadsman van de Ministerraad mee dat de stukken die door de Vlaamse Regering werden neergelegd niet van dien aard zijn dat zij het belang van de Ministerraad bij het huidige beroep ontkrachten. Bovendien komen de nieuwe decreetsbepalingen niet tegemoet aan de bezwaren van de Ministerraad, die dan ook overweegt een beroep tot vernietiging van die nieuwe bepalingen

te stellen. -B- B.1.

  1. De Ministerraad vordert de vernietiging van de artikelen 46 tot 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
  2. De bestreden bepalingen wijzigen, enerzijds, de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt en, anderzijds, de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel

landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten. De Ministerraad voert zes middelen aan, afgeleid uit de schending door de bestreden bepalingen, van de bevoegdheidverdelende regels. B.1.2. De bestreden artikelen, opgenomen

hoofdstuk XIII - « Landbouw en Visserij » van het voormelde decreet van 19 december 2008, bepalen : 7 « Afdeling I. - Wijziging van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt Art. 46.

artikel 2 van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999, 21 december 1998 en 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

§ 1

wordt punt 4°, gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, vervangen door wat volgt : ‘ 4° de activiteiten van de personen die de handelingen, vermeld

punt 1°, stellen onderwerpen aan een voorafgaande machtiging of erkenning, verleend door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, of door de

stelling of de ambtenaar die daartoe gemachtigd is door die minister; ’; 2°

§ 1

, punt 7°, gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, worden de woorden ‘ de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid van Landbouw ’ vervangen door de woorden ‘ de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij ’; 3° § 3 wordt vervangen door wat volgt : ‘ §

  1. De Vlaamse Regering kan de uitoefening van de bevoegdheden die ze aanduidt delegeren aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij. ’ Art.
  2. Aan artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan het eerste lid worden de volgende woorden toegevoegd : ‘ en de statutaire en contractuele personeelsleden van het beleidsdomein Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid, voor wat betreft de gewestelijke landbouwbevoegdheden. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, kan de door hem aangewezen controlebevoegdheden beperken tot bepaalde personeelsleden of kan andere controleagenten of -

stanties aanwijzen. ’; 2°

het zesde lid worden de woorden ‘ de bevoegde Minister ’ vervangen door de woorden ‘ de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij ’. Art. 48.

artikel 6, zesde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999, en

artikel 7, eerste lid, worden de woorden ‘ de bevoegde Minister ’ vervangen door de woorden ‘ de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij ’. Art. 49.

artikel 10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 februari 1999 en gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

§ 4

, eerste lid, worden de woorden ‘ noch hoger dan het vijfvoudige van dit minimum ’ geschrapt; 8 2° de volgende zin wordt toegevoegd : ‘ Voor de wanbedrijven, vermeld

artikel 8, bedraagt die administratieve geldboete maximaal het vijfvoudige van het minimum van de geldboete, vermeld

artikel 8, en voor de overtredingen, vermeld

artikel 9, bedraagt ze maximaal het vijftigvoudige van het minimum van de geldboete, vermeld

artikel

  1. ’; 3° § 9 wordt vervangen door wat volgt : ‘ §
  2. De Vlaamse Regering kan de procedure bepalen voor het opleggen en

vorderen van de administratieve geldboeten. De administratieve geldboeten worden gestort

het Fonds voor Landbouw en Visserij, opgericht bij het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij. ’ Afdeling II. - Wijziging van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel

landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten Art. 50.

artikel 1 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel

landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

het eerste lid worden de woorden ‘ van de zeevisserij, met

begrip van de producten van de teelt van ongewervelde zeedieren ’ vervangen door de woorden ‘ van de zeevisserij en aquacultuur ’; 2° aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt : ‘ Deze wet is eveneens van toepassing op : 1° de productie van levensmiddelen en andere geproduceerde landbouwproducten al dan niet vervaardigd met deze voortbrengselen; 2° de activiteiten gericht op of ter ondersteuning van de productie van alle producten, vermeld

dit artikel; ’; 3° aan het tweede lid, wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt : ‘ 4° aquacultuur : de kweek of teelt van aquatische organismen, meer bepaald alle

water levende soorten die behoren tot een van de rijken Animalia, Plantae en Protista,

clusief alle delen, geslachtscellen, zaadcellen, eicellen of propagulen van dergelijke wezens die kans maken op overleving en reproductie, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de organismen

kwestie te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu. ’ Art. 51.

artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990 en 5 februari 1999 en 1 maart 2007, worden de woorden ‘ de Minister van Landbouw ’ en ‘ de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft ’ telkens vervangen door de woorden ‘ de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij ’. 9 Art. 52.

artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 1 maart 2007, worden de woorden ‘ de Minister van Landbouw ’ en ‘ de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft ’ telkens vervangen door de woorden ‘ de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij ’. Art. 53.

artikel 4bis van dezelfde wet,

gevoegd bij de wet van 29 december 1990, worden de woorden ‘ de Minister van Landbouw ’ vervangen door de woorden ‘ de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij ’. Art. 54. Aan artikel 5, eerste lid, eerste zin, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de volgende woorden worden toegevoegd : ‘ en de statutaire en contractuele personeelsleden van het beleidsdomein Landbouw en Zeevisserij van de Vlaamse overheid, voor wat betreft de gewestelijke landbouw- en visserijbevoegdheden. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, kan de door hem aangewezen controlebevoegdheden beperken tot bepaalde personeelsleden of kan andere controleagenten of -

stanties aanwijzen. ’; 2° tussen de woorden ‘ Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie wordt overtreding ’ en de woorden ‘ van deze wet ’ worden de woorden ‘ van de bepalingen van het Europese gemeenschappelijke landbouw- en visserijbeleid en ’

gevoegd. Art. 55.

artikel 8 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 februari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

§ 1

, eerste lid, worden tussen het woord ‘ Overtredingen ’ en de woorden ‘ van deze wet ’ de woorden ‘ van de bepalingen van het Europese gemeenschappelijke landbouw- en zeevisserijbeleid en ’

gevoegd; 2°

§ 4wordt het woord ‘ vijfvoudige ’ vervangen door het woord ‘ vijftigvoudige ’.

Art. 56.

artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 1 maart 2007 en het koninklijke besluit van 22 februari 2001, worden de woorden ‘ de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft van Landbouw ’ telkens vervangen door de woorden ‘ de Vlaamse minister bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij ’ ». B.2. Bij de artikelen 116 tot 125 van het Vlaamse decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010 (Belgisch Staatsblad, 30 december 2009), opgenomen

afdeling II « Verduidelijken bevoegdheidsbepalingen » van hoofdstuk XII « Landbouw en Visserij » van dat decreet, werden de bestreden bepalingen gewijzigd. 10 Die nieuwe artikelen bepalen : « Art. 116.

artikel 2, § 1, van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 4°, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, wordt vervangen door wat volgt : ‘ 4° voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, de activiteiten van de personen die de handelingen, vermeld

punt 1°, stellen, onderwerpen aan een voorafgaande machtiging of erkenning, verleend door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, of door de

stelling of de ambtenaar daartoe gemachtigd door die minister; ’; 2° punt 7°, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, wordt vervangen door wat volgt : ‘ 7° voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, de stoffen vermeld

artikel 1 aan de voorafgaande erkenning of machtiging van de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij onderwerpen en de voorwaarden van verlening, wijziging en

trekking van deze erkenning of machtiging bepalen. ’. Art. 117.

artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999, 21 december 1998 en het decreet van 19 december 2008, wordt paragraaf 3 opgeheven voor het Vlaamse Gewest. Art. 118.

artikel 6 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

het eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, wordt de tweede zin vervangen door wat volgt : ‘ De Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, kan, voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, de door hem aangewezen controlebevoegdheden beperken tot bepaalde personeelsleden of kan andere controleagenten of -

stanties aanwijzen. ’; 2° het zesde lid, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999 en het decreet van 19 december 2008, wordt vervangen door wat volgt : ‘ Zij kunnen zich ook alle

lichtingen, bescheiden en geïnformatiseerde dragers van gegevens doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot alle nuttige vaststellingen. Voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, kunnen zij zich hierbij laten bijstaan door deskundigen, gekozen uit een lijst opgemaakt door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij. ’. Art. 119.

artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 februari 1999 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : ‘ Voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, kan de Vlaamse Regering : 11 1° de wijze en de voorwaarden van monsterneming vaststellen; 2° de ontledingsmethoden bepalen; 3° het tarief van de ontledingen vaststellen; 4° de voorwaarden bepalen voor de

richting en de werking van de ontledingslaboratoria met het oog op hun erkenning door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij. ’. Art. 120.

artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999, het koninklijk besluit van 22 februari 2001 en het decreet van 19 december 2008, wordt paragraaf 9 vervangen door wat volgt : ‘ § 9. Voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest kan de Vlaamse Regering de procedure bepalen voor het opleggen en

vorderen van de administratieve geldboeten. De administratieve geldboeten opgelegd door het Vlaamse Gewest

uitvoering van deze wet, worden gestort

het fonds voor Landbouw en Visserij, opgericht bij het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij. ’. Art. 121.

artikel 1 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel

landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten, wordt punt 4° hernummerd als punt 3°. Art. 122.

artikel 3 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

paragraaf 1, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990 en 5 februari 1999 en het decreet van 19 december 2008, wordt punt 4° vervangen door wat volgt : ‘ 4° voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, de activiteiten van de personen die de onder 1° genoemde handelingen stellen onderwerpen aan een voorafgaande machtiging of erkenning verleend door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij of door de

stelling of de ambtenaar daartoe gemachtigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij; ’; 2°

paragraaf 2, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : ‘ Voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, kan de Vlaamse Regering : 1° de wijze en de voorwaarden van monsterneming vaststellen; 2° de ontledingsmethoden bepalen; 3° het tarief van de ontledingen vaststellen; 12 4° de voorwaarden bepalen voor de

richting en de werking van de ontledingslaboratoria met het oog op hun erkenning door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij. ’; 3° voor wat betreft het Vlaamse Gewest, wordt paragraaf 3, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, opgeheven. Art. 123.

artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999 en het decreet van 19 december 2008, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : ‘ Met behoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 3 van deze wet, kan de Vlaamse Regering, voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, de voorwaarden bepalen waaronder de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij : 1° representatieve beroepsorganisaties van producenten, kopers of verwerkers van bepaalde producten erkent; 2° regels goedkeurt die deze representatieve beroepsorganisaties vaststellen

zake de productie en het op de markt brengen van bepaalde producten. ’. Art. 124.

artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999 en het decreet van 19 december 2008, wordt de tweede zin vervangen door wat volgt : ‘ De Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, kan, voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, de door hem aangewezen controlebevoegdheden beperken tot bepaalde personeelsleden of kan andere controleagenten of -

stanties aanwijzen. ’. Art. 125.

artikel 9, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999 en het decreet van 19 december 2008, wordt vervangen door wat volgt : ‘ Wanneer de

beslaggenomen producten bederfelijk zijn, mogen zij, voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, op tussenkomst van de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, of zijn gemachtigde en voor zover zulks verenigbaar is met de eisen van de volksgezondheid, verkocht worden of tegen betaling van een vergoeding teruggegeven worden aan de eigenaar;

dit geval mag er slechts over worden beschikt overeenkomstig de richtlijnen verstrekt door de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Landbouwbeleid en de Zeevisserij, aangewezen ambtenaren. De ontvangen som wordt op de griffie van de rechtbank gedeponeerd totdat over het misdrijf uitspraak is gedaan. Dit bedrag treedt

de plaats van de

beslag genomen producten, zowel voor wat de verbeurdverklaring, als wat de eventuele teruggave aan de belanghebbende betreft. ’; 2° het vierde lid, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, wordt vervangen door wat volgt : ‘ Wanneer de eisen van de volksgezondheid de verkoop of de teruggave van de producten niet toelaten, worden deze, voor wat betreft de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest, op tussenkomst van de Vlaamse minister, bevoegd voor het 13 Landbouwbeleid en de Zeevisserij, of zijn gemachtigde, hetzij vernietigd, alles op kosten van de overtreder. ’ ». B.3.1.

haar memorie van wederantwoord stelt de Vlaamse Regering dat de Vlaamse decreetgever met de artikelen 116 tot 125 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010, de bij de bestreden decreetsbepalingen gewijzigde bepalingen heeft vervangen.

de nieuwe bepalingen zou telkens worden gepreciseerd dat de desbetreffende bepaling op de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest betrekking heeft. De nieuwe decreetsbepalingen hebben uitwerking met

gang van 24 maart 2007. Aangezien de bepalingen die het voorwerp van het onderhavige beroep tot vernietiging uitmaken, door die nieuwe decreetsbepalingen zijn vervangen, is de Vlaamse Regering van oordeel dat het huidige beroep zonder voorwerp zou zijn geworden. B.3.2.

zijn aanvullende memorie deelt de Ministerraad mee dat tegen die nieuwe decreetsbepalingen een beroep tot vernietiging zal worden

gesteld, aangezien ook die nieuwe bepalingen de bevoegdheidverdelende regels zouden schenden. De loutere toevoeging,

die nieuwe bepalingen, dat de wijzigingen betrekking hebben op « de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest », zou weinig aan die kritiek veranderen. Voor het overige zouden die vervangende bepalingen volstrekt identiek zijn. Wanneer de nieuwe decreetsbepalingen zouden worden vernietigd, zouden de bepalingen die thans worden bestreden, opnieuw van toepassing worden, zodat de Ministerraad zijn belang bij het huidige beroep pas definitief zou verliezen wanneer ook het beroep tegen de nieuwe bepalingen zou worden verworpen.

die omstandigheden wenst de Ministerraad geen afstand van het huidige beroep te doen, en volhardt hij

de middelen die hij

zijn verzoekschrift heeft geformuleerd. B.4.1. Het huidige beroep zal pas definitief zonder voorwerp worden als het decreet van 18 december 2009 niet binnen de wettelijke termijn wordt bestreden of als het beroep dat tegen dat decreet zou worden gericht, door het Hof zou worden verworpen.

dat geval zal het beroep tot vernietiging van de artikelen 46 tot 56 van het decreet van 19 december 2008 van de rol worden geschrapt.

dien het beroep tegen de wijzigende bepalingen van het decreet van 18 december 2009 wordt

gewilligd, zullen de middelen gericht tegen de artikelen 46 tot 56 van het decreet van 19 december 2008 worden onderzocht. 14 B.4.2. Voor het overige verliest het beroep tot vernietiging door de latere decreetswijzigingen zijn voorwerp niet. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de Vlaamse Regering stukken heeft neergelegd waaruit volgens haar zou blijken dat de nieuwe decreetsbepalingen op verzoek van de federale overheid zouden zijn aangenomen teneinde,

de bestreden decreetsbepalingen,

te schrijven dat die wijzigingen slechts op de landbouwbevoegdheden van het Vlaamse Gewest van toepassing zijn, des te meer nu de Ministerraad van oordeel is dat die wijzigingen niet van dien aard zouden zijn dat zij tegemoetkomen aan zijn kritiek dat ook de nieuwe decreetsbepalingen de bevoegdheidverdelende regels zouden schenden. 15 Om die redenen, het Hof beslist dat het beroep tot vernietiging van de artikelen 46 tot 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 zal worden onderzocht dan wel van de rol geschrapt naargelang de artikelen 116 tot 125 van het Vlaamse decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010 al dan niet worden vernietigd. Aldus uitgesproken

het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 april 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.