id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.063 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100527.7 Arrest- Rolnummer: 63/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-05-27 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Organen en personeel - Regeringen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gesteld door de Raad van State. Grondwettelijk recht -
- Bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten - a. Regeringen - Onbeperkte delegatiemogelijkheid - b. Autonomie -
- Federale bevoegdheden - Federale uitvoerende macht - Afwezigheid van onbeperkte delegatiemogelijkheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1980 - 68 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Wet - 08-08-1980 - 69 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4784 Arrest nr. 63/2010 van 27 mei 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 196.639 van 5 oktober 2009 in zake (I. en II.) de cvba « Maatschappij voor coördinatie van produktie en transport van elektrische energie », rechtsgeding hervat door de nv « Elia », thans de nv « Elia Asset », en (III.) de nv « Elia Asset » tegen (I., II. en III.) het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 oktober 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 68 en 69 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij aan de Vlaamse regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen voor alle bevoegdheden die aan voormelde regering door de wet werden toegewezen, zonder de nodige waarborgen voor de aan die regeling onderworpen rechtsonderhorigen, terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt voor de aan haar toegewezen bevoegdheden en terwijl de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse regering onderworpen zijn in tegenstelling met de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid onderworpen zijn aldus niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Elia Asset », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 20; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Elia Asset »; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 24 maart 2010 : - zijn verschenen : . Mr. E. Jacubowitz loco Mr. T. Vandenput en Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « Elia Asset »; . Mr. S. Vernaillen, tevens loco Mr. H. Sebreghts, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; . Mr. F. Tulkens loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en M. Melchior verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de voorafgaande rechtspleging De nv « Elia Asset » is eigenares van een aantal percelen grond met hoogspanningsmasten in Kruibeke. Met twee besluiten van 19 oktober 2000 en een besluit van 6 september 2001 vordert de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, de onmiddellijke inbezitneming van die percelen, met het oog op de aanleg van een gecontroleerd overstromingsgebied. De nv « Elia Asset » heeft bij de Raad van State beroepen ingesteld tot vernietiging van die besluiten. Als eerste middel tot vernietiging voert de nv « Elia Asset » aan dat de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie niet bevoegd was om de bestreden handelingen alleen te stellen. Volgens de verzoekende partij is voor de onteigening een besluit van de gehele Vlaamse Regering vereist. De Raad van State refereert aan de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Volgens de Raad is de verdeling van de bevoegdheden binnen de Vlaamse Regering uitsluitend een zaak van die Regering. In haar memorie van wederantwoord voor de Raad van State vraagt de nv « Elia Asset » dat aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag zou worden gesteld « indien voormelde artikelen 68 en 69 derwijze geïnterpreteerd zou(den) kunnen worden dat het een onbeperkte delegatiemogelijkheid zou inhouden in hoofde van de Vlaamse Regering voor alle bevoegdheden die haar op welke wijze ook werden toegewezen ». De Raad van State oordeelt dat er aanleiding is om de door de nv « Elia Asset » geformuleerde vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De nv « Elia Asset » is van mening dat voor de betrokken onteigening een besluit van de Vlaamse Regering vereist was. Indien de wetgever of de decreetgever niet in een delegatiemogelijkheid heeft voorzien, zoals te dezen, kan de overheid aan wie bevoegdheden worden toegewezen, geenszins overgaan tot delegatie ervan. De artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen doen daaraan volgens de verzoekende partij voor de Raad van State niets af. Die bepalingen regelen uitsluitend de werkwijze van de Vlaamse Regering en bevestigen het beginsel dat de regering collegiaal optreedt, behoudens in de gevallen waarin delegaties zijn toegestaan. Enkel bij wet of decreet kan in dergelijke delegaties worden voorzien. In artikel 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is bepaald dat het de Vlaamse Regering is die bevoegd is om tot onteigeningen over te gaan. Van een delegatiemogelijkheid is in dat artikel geen sprake. A.1.
- Indien de voormelde artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zo zouden worden geïnterpreteerd dat ze voor de Vlaamse Regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden inhouden, zou dit naar het oordeel van de nv « Elia Asset » een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu de federale uitvoerende macht niet over zulk een onbeperkte mogelijkheid tot delegeren beschikt en de rechtsonderhorigen die aan de Vlaamse Regering zijn onderworpen, in 4 tegenstelling tot de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid zijn onderworpen, niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen. A.1.
- De nv « Elia Asset » betoogt dat de rechtsonderhorigen die aan de federale uitvoerende macht zijn onderworpen en de rechtsonderhorigen die aan de Vlaamse Regering zijn onderworpen, in het licht van de gestelde vraag met elkaar vergelijkbaar zijn. Het criterium van onderscheid tussen die twee categorieën is objectief, aangezien het voortvloeit uit de bevoegdheden die door de wetgeving tot hervorming van de instellingen aan de gewesten zijn toegewezen, dan wel verder door de federale overheid worden geregeld. Bij het aannemen van de in het geding zijnde bepalingen had de bijzondere wetgever een geoorloofd doel voor ogen. Maar als aan die bepalingen een uitlegging wordt gegeven die onbeperkte delegaties mogelijk maakt zonder specifieke wettelijke grondslag, zou de bijzondere wetgever een ongeoorloofd doel nastreven. In die lezing hebben de betrokken artikelen tot doel dat bevoegdheden die de wetgever uitdrukkelijk heeft voorbehouden aan een collegiaal orgaan, uitgeoefend zouden kunnen worden door een individueel lid van dat orgaan. In die optiek blijft de delegatie van bevoegdheid verwerpelijk en dient te worden vastgesteld dat het beoogde doel ongeoorloofd is. Zelfs al kan worden aangenomen dat een zekere bevoegdheidsoverdracht om praktisch-organisatorische redenen mogelijk zou zijn, dan nog kan die delegatie enkel detailmaatregelen betreffen, op voorwaarde dat een uitdrukkelijke tekst daarin voorziet. In het licht van wat de bijzondere wetgever als een versoepeling voor de werkwijze van de regering heeft bedoeld, komt het volgens de nv « Elia Asset » onevenredig voor dat elke bevoegdheid gedelegeerd zou kunnen worden aan een individueel lid van de regering. A.1.
- De nv « Elia Asset » besluit dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.2.
- De Vlaamse Regering stelt dat artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de rechtsgrond vormt voor delegaties aan individuele ministers binnen de Vlaamse Regering. Bij besluit van 17 december 1999 heeft de Vlaamse Regering de Vlaamse minister die bevoegd is voor openbare werken gelast om het betrokken overstromingsgebied te verwezenlijken en over te gaan tot de daartoe nodige onteigeningen. A.2.
- Volgens de Vlaamse Regering betreft de prejudiciële vraag twee verschilpunten : - aan de Vlaamse Regering is een onbeperkte delegatiemogelijkheid toegekend, terwijl de federale uitvoerende macht niet over een onbeperkte delegatiemogelijkheid beschikt; - de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse Regering zijn onderworpen, beschikken niet over de waarborgen die hen tegen willekeur beschermen, in tegenstelling tot de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid zijn onderworpen. Voor de Vlaamse Regering is de premisse van die vragen eigenaardig. Ze gaan ervan uit dat de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse Regering zijn onderworpen, niet zouden beschikken over dezelfde waarborgen tegen willekeur als diegenen die aan de federale overheid zijn onderworpen. De vraag lijkt ervan uit te gaan dat een Vlaming die afhankelijk is van de toepasselijke regels, geen Belg meer zou zijn. De Vlaming heeft uiteraard dezelfde waarborgen als de Belg die in Vlaanderen woont. De vraag is volgens de Vlaamse Regering overigens misleidend. Niet alle overheden hebben dezelfde bevoegdheden; ze hebben enkel die bevoegdheden die hun zijn toegewezen krachtens de Grondwet of de bijzondere wetten. A.2.
- De Vlaamse Regering betoogt dat het in de Grondwet zelf is vervat dat een Vlaming mogelijk aan andere regels zal zijn onderworpen dan een Waal. De gemeenschappen en gewesten zijn, binnen hun bevoegdheid, autonoom bevoegd om normen met kracht van wet uit te vaardigen. De autonomie betreft niet enkel het legislatieve aspect, maar ook de werking van de uitvoerende macht. Een Vlaming moet worden vergeleken met een Vlaming ten aanzien van de Vlaamse wetgeving, een Waal met een Waal ten aanzien van de Waalse wetgeving, en een Belg met een Belg ten aanzien van de federale wetgeving. 5 De Vlaamse Regering refereert aan rechtspraak van het Hof waarin het van oordeel is dat een verschil in behandeling in materies waar de gemeenschappen en gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, het resultaat is van een onderscheiden beleid overeenkomstig de door of krachtens de Grondwet verleende autonomie van de deelgebieden, wat op zich niet kan worden geacht in strijd te zijn met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Doordat de verschillende werking van de regeringen grondwettelijk is gelegitimeerd, moet een verschil worden gezocht tussen een Vlaming en een Vlaming, niet tussen een Vlaming en een Belg. Dat onderscheid is immers gelegitimeerd door de Grondwet zelf. A.2.
- Wat de mogelijkheid tot delegatie betreft, is de Vlaamse Regering van mening dat er geen discriminatie is. De delegatie die een loutere uitwerking is van de artikelen 123 van de Grondwet en van de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, kan geen schending uitmaken van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uiteraard mag een regering haar bevoegdheid niet te buiten gaan. A.2.
- Wat betreft de rechtsbescherming van de rechtsonderhorigen al naargelang ze zijn onderworpen aan de Vlaamse Regering dan wel aan de federale overheid, voert de Vlaamse Regering aan dat zowel besluiten van de federale Regering en van de Vlaamse Regering als die van een minister bestreden kunnen worden bij de Raad van State en dat elke burgerlijke rechtbank onwettige besluiten buiten toepassing kan laten op grond van artikel 159 van de Grondwet. De waarborgen tegen een besluit van een regering of van een minister zijn derhalve gelijk en er is geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
- De Vlaamse Regering besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.3.
- De Ministerraad voert aan dat vanwege de autonomie die overeenkomstig de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen aan de gewesten is toegekend, geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling kan worden aangevoerd tussen de personen die zijn onderworpen aan federale regels en diegenen die zijn onderworpen aan gewestelijke regels. De Ministerraad refereert aan diverse arresten van het Hof in die zin (arresten nrs. 111/2007 van 26 juli 2007, 127/2007 van 4 oktober 2007 en 193/2006 van 5 december 2006). Alleen al om die reden dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. A.3.
- Volgens de Ministerraad kan de werking van de Vlaamse Regering niet worden vergeleken met die van de federale Regering, aangezien de wettelijke en grondwettelijke principes die aan de werking van beide regeringen ten grondslag liggen, verschillend zijn. Overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de Grondwet is delegatie van bevoegdheden verboden, wat betekent dat de Koning zijn verordeningsbevoegdheid in beginsel niet kan overdragen aan federale ministers. Toch worden dergelijke delegaties aanvaard voor zover de Koning zelf de basismaatregelen neemt ter uitvoering van een wet en de minister enkel bijkomende en aanvullende maatregelen neemt. In artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en in artikel 22 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen is uitdrukkelijk voorzien in een ruime delegatiemogelijkheid. De verschillende werking van de regeringen vloeit voort uit de Grondwet en de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Op dit stuk kunnen de federale Regering en de Vlaamse Regering niet dienstig worden vergeleken. A.3.
- De Ministerraad is van mening dat de ruimere delegatiemogelijkheid binnen de Vlaamse Regering niet impliceert dat die delegatiemogelijkheid onbeperkt zou zijn, in tegenstelling tot wat de nv « Elia Asset » beweert. In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt uitdrukkelijk gesteld dat de collegiale besluitvorming het basisprincipe vormt. De delegatie moet uitdrukkelijk worden toegestaan. De nv « Elia Asset » betwist in het bodemgeschil veeleer de draagwijdte van de delegatie en niet het principe van de delegatie op zich. De Raad van State stelt in zijn verwijzingsarrest terecht dat de verdeling van de bevoegdheden binnen de Vlaamse Regering uitsluitend een zaak is van de regering zelf. In zoverre de vraag zou kunnen worden geïnterpreteerd als een kritiek op de draagwijdte van de te dezen verleende delegatie, dient zij in 6 ieder geval ontkennend te worden beantwoord, nu het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de wettigheid van de delegatie. A.3.
- In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat hij niet inziet in welk opzicht de delegatie aan een individueel lid van de Vlaamse Regering afbreuk zou doen aan de « waarborgen » van rechtsonderhorigen. Of een besluit wordt genomen door de voltallige regering of door een individuele minister, maakt voor de rechtsonderhorige geen verschil. In beide gevallen kan die een griefhoudend besluit aanvechten voor de Raad van State of voor de burgerlijke rechter op grond van artikel 159 van de Grondwet. Wellicht wordt de delegatie van de Vlaamse Regering aan een individuele minister verward met de delegatie van de wetgever aan de uitvoerende macht, die te dezen niet aan de orde is. A.3.
- De Ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.4.
- De nv « Elia Asset » herhaalt dat de wetgever of decreetgever in de mogelijkheid van delegatie moet voorzien. De « toegestane delegaties » waarin artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voorziet, kunnen slechts die delegaties zijn waarin uitdrukkelijk is voorzien bij wet of decreet. De nv « Elia Asset » herinnert eraan dat artikel 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uitdrukkelijk bepaalt dat het de Vlaamse Regering zelf is die bevoegd is om tot onteigening over te gaan, zonder dat die bepaling de mogelijkheid biedt om die bevoegdheid te delegeren. Volgens de nv « Elia Asset » geven de Vlaamse Regering en de Ministerraad aan de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een draagwijdte die ze niet hebben. Indien die artikelen zo zouden worden geïnterpreteerd dat ze een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden inhouden, zou dit een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.4.
- De nv « Elia Asset » voert aan dat de toenmalige afdeling administratie van de Raad van State in de arresten Bernard nr. 121.157 van 1 juli 2003 en Biston nr. 132.947 van 23 juni 2004 van oordeel was dat de decreetgever expliciet dient te bepalen of de regering de haar bij decreet toegewezen bevoegdheid kan delegeren. De regering is slechts bevoegd om delegatie te verlenen aan een minister wanneer de (Grond)wetgever uitdrukkelijk daarin voorzien heeft, waarna het aan de regering toekomt die mogelijkheid te benutten. Anders wordt een van de meest elementaire beginselen – dat van het toegewezen karakter van de bevoegdheden van de uitvoerende macht – geschonden. De stelling dat de in het geding zijnde bepalingen het de Gewestregering mogelijk zouden maken om iedere haar toegewezen bevoegdheid verder te delegeren zonder enige toelating, kan niet worden aanvaard. De nv « Elia Asset » verwijst naar een geval waarin een decreet uitdrukkelijk werd gewijzigd opdat een bevoegdheid die voorheen bij ministerieel besluit kon worden uitgeoefend, bij besluit van de regering werd geregeld. De bijzondere wetgever heeft de onteigeningsbevoegdheid aan de regering toegewezen en heeft niet in een mogelijkheid tot delegatie voorzien. Onteigeningsbesluiten kunnen om die reden niet door de betrokken minister alleen worden genomen. A.4.
- De autonomie van de deelgebieden geldt enkel voor de inhoudelijke regeling van de toegewezen aangelegenheden en kan niet verantwoorden dat de deelregering over onbeperkte delegatiemogelijkheden zou beschikken. Wat de organisatie van de uitvoerende macht en de bescherming van de rechtsonderhorigen betreft, is er volgens de nv « Elia Asset » geen noemenswaardig verschil tussen het federale en het regionale niveau. Zelfs al kan worden aangenomen dat een zekere bevoegdheidsoverdracht om praktische en organisatorische redenen mogelijk is, dan nog kan die delegatie niet verder gaan dan voor het nemen van detailmaatregelen en op voorwaarde dat een uitdrukkelijke tekst daarin voorziet. De nv « Elia Asset » wijst nog op de arresten nr. 184/2009 van 12 november 2009, nr. 57/2005 van 16 maart 2005 en nr. 135/2004 van 22 juli 2004 van het Hof en maakt daaruit op dat de door de Vlaamse Regering en de Ministerraad gegeven interpretatie de waarborgen ontzegt die in het Vlaamse Gewest aan de onteigende rechtsonderhorigen dienen te worden verstrekt in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.5.
- De Ministerraad antwoordt dat uit de tekst zelf van artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (« Onverminderd de door haar toegestane delegaties ») ondubbelzinnig volgt dat de Vlaamse Regering een welbepaalde bevoegdheid kan delegeren aan een individuele minister. De Vlaamse 7 Regering ontleent die bevoegdheid rechtstreeks aan de bijzondere wet, zonder dat een afzonderlijke decretale basis nodig is. De Ministerraad voert aan dat de rechtspraak en rechtsleer enkel vereisen dat de delegatie wordt aangenomen in een besluit dat wordt bekendgemaakt. Te dezen was er een delegatiebesluit, dat werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juli
- De Ministerraad besluit dat de zienswijze van de nv « Elia Asset » berust op een manifeste miskenning van de tekst van artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. A.5.
- De Ministerraad antwoordt nog dat de door de nv « Elia Asset » aangehaalde rechtsleer met betrekking tot de delegatie door de Koning aan een individueel minister niet ter zake dienend is voor het geval, zoals te dezen, van een delegatie van de Vlaamse Regering aan een minister. De Ministerraad herhaalt dat de werking en organisatie van de federale Regering niet dienstig kunnen worden vergeleken met die van de Vlaamse Regering. Die vaststelling klemt des te meer, nu volgens de rechtsleer de delegatiemogelijkheid van de Vlaamse Regering ruimer is dan die van de Koning aan Zijn ministers. -B- B.
- De in het geding zijnde artikelen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepalen : « Art.
- Onverminderd de bepalingen van deze wet, regelt elke Regering haar werkwijze. De Regering bepaalt het statuut van haar leden. Art.
- Onverminderd de door haar toegestane delegaties, beraadslaagt elke Regering collegiaal, volgens de in Ministerraad toegepaste procedure van de consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren ». B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de in het geding zijnde bepalingen, in de gegeven interpretatie, « aan de Vlaamse regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen […], terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt ». De rechtsonderhorigen die aan de Vlaamse Regering zijn onderworpen, zouden derhalve niet over dezelfde waarborgen tegen willekeur beschikken. B.
- Een verschil in behandeling in de modaliteiten, bepaald door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, volgens welke een gemeenschap of een gewest haar of zijn bevoegdheden uitoefent, ten opzichte van de grondwetsbepalingen, 8 volgens welke de federale overheid de hare uitoefent, is het gevolg van de autonomie die de gemeenschappen en de gewesten door of krachtens de Grondwet is toegekend. B.
- Bijgevolg zijn de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.