id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.064 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100527.8 Arrest- Rolnummer: 64/2010 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-05-27 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-06-30 04:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 48, vijfde lid, van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Wettelijk samenwonenden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Fiscaal recht - Successierechten - Voorkeurtarief - Samenwonenden -
- Voorwaarden - Samenwonen en voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater -
- Erfgenaam van een gehandicapte persoon die in een gespecialiseerde instelling dient te worden verzorgd. Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 31-03-1936 - 48,L5 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4787 Arrest nr. 64/2010 van 27 mei 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 13 oktober 2009 in zake Helma De Creus tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 oktober 2009, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 48 W. Succ. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet waar dit artikel als voorwaarde stelt dat men minstens één jaar daadwerkelijk moet hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding moet hebben gevoerd onmiddellijk voorafgaand aan een overmachtsituatie, in de situatie van een gehandicapte persoon die - zoals in casu - vanaf zijn/haar geboorte zodanig hulpbehoevend is dat hij/zij noodzakelijkerwijze dient verzorgd te worden in een daartoe gespecialiseerde verzorgingsinstelling, in vergelijking met (zwaar) gehandicapte personen waarvan de handicap toelaat dat zij wél thuis kunnen verzorgd worden ? ». Memories zijn ingediend door : - Helma De Creus, wonende te 2018 Antwerpen, Mozartstraat 26/4; - de Vlaamse Regering. Helma De Creus heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2010 : - is verschenen : Mr. H. Symoens, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De betwisting voor de verwijzende rechter heeft betrekking op de vraag of de successierechten ten laste van appellante dienen te worden berekend volgens het tarief dat tussen samenwonenden geldt (stelling van appellante), dan wel volgens het tarief dat tussen broers en zusters geldt (stelling van de Belgische Staat). Op het ogenblik van het overlijden van de zuster van appellante, op 17 december 2004, was er geen samenwoning tussen appellante en haar zuster. Volgens de verwijzende rechter volgt uit artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, dat voor de toepassing van het tarief tussen samenwonenden, appellante en haar zuster ten minste één jaar ononderbroken dienden samen te wonen en een gemeenschappelijke huishouding dienden te voeren. Op overmacht kan men zich slechts onder bepaalde voorwaarden beroepen. Niettegenstaande appellante en haar zuster sedert 11 maart 1998 op hetzelfde adres 3 waren ingeschreven, houdt zulks slechts een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding zodat de Belgische Staat daarvan het tegenbewijs mag leveren. Uit de voorgelegde gegevens blijkt dat de zuster van appellante sedert 20 november 1972 tot op de dag van haar overlijden ononderbroken in een psychiatrische instelling heeft verbleven, zodat de Belgische Staat het vermoeden dat appellante en haar zuster sedert 11 maart 1998 ononderbroken samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden ongetwijfeld heeft weerlegd. Volgens de verwijzende rechter rijst evenwel de vraag of het voormelde artikel 48, meer bepaald de voorwaarde dat men minstens één jaar daadwerkelijk moet hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding moet hebben gevoerd onmiddellijk voorafgaand aan een overmachtsituatie, in het geval van een gehandicapte persoon die, zoals te dezen, vanaf zijn geboorte zodanig hulpbehoevend is dat hij noodzakelijkerwijze in een gespecialiseerde instelling dient te worden verzorgd, discriminerend is in vergelijking met gehandicapte personen van wie de handicap toelaat dat zij thuis kunnen worden verzorgd. Vervolgens stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de appellante voor de verwijzende rechter A.
- De appellante voor de verwijzende rechter betoogt dat de vereiste die door artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, wordt gesteld, uitgaat van de hypothese dat een persoon in de mogelijkheid verkeerde een gemeenschappelijke huishouding te vormen en zulks onmiddellijk voorafgaand aan een situatie van overmacht waarna thuisverzorging niet langer mogelijk is. Gelet op de zware handicap van de erflaatster was thuisverzorging niet mogelijk. Het centrum van de belangen van de betrokkene lag evenwel bij de appellante, bij wie de erflaatster was ingeschreven. Overmacht is de enige reden waarom de erflaatster niet thuis verbleef en in een instelling diende te worden verzorgd. Die overmacht bestond vanaf de geboorte van de erflaatster tot aan haar overlijden. De in het geding zijnde bepaling discrimineert de mindervalide die ten gevolge van zijn handicap nooit in staat is geweest om samen te wonen en een gemeenschappelijke huishouding te voeren, in vergelijking met de mindervalide die daartoe wel in staat is. De mindervalide persoon die dermate zwaar is gehandicapt dat vanaf zijn geboorte professionele hulp noodzakelijk is, wordt aldus zonder redelijke verantwoording ongelijk behandeld in vergelijking met de zwaar gehandicapte persoon voor wie professionele hulp vanaf zijn geboorte niet noodzakelijk is en die thuis kan worden verzorgd. Zulks komt erop neer dat een zwaar gehandicapte erflater, niettegenstaande zijn inschrijving bij de erfgerechtigde en de permanente zorg van die erfgerechtigde voor de erflater, feitelijk verblijvend in een instelling, nooit een gemeenschappelijke huishouding kan voeren. De zienswijze dat de decreetgever beoogde om enkel de personen die blijk geven van een wil tot samenwonen en tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding een verlaagd tarief inzake successierechten te laten genieten, komt erop neer te stellen dat de erflaatster, door haar levenslang verblijf in verzorgingsinstellingen, geen deel van een gezin kan uitmaken. Zulk een zienswijze is niet alleen strijdig met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, maar bovendien met het recht op bescherming van het gezinsleven, gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet, door artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Standpunt van de Vlaamse Regering A.2.
- De Vlaamse Regering betoogt in hoofdorde dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. De toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist een vergelijking van relevante categorieën van personen. Uit de vraag blijkt niet dat de categorie van personen waarmee de zuster van de appellante in het bodemgeschil wordt vergeleken, voldoet aan de voorwaarden van « samenwonenden » in de zin van artikel 48 4 van het Wetboek der successierechten. Het feit of de erflater al dan niet een (zware) handicap heeft en de gevolgen daarvan op het vlak van de verzorging zijn geen criterium voor de toepassing van die bepaling. A.2.
- In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schendt. Die bepaling strekt ertoe personen die minstens één jaar een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd successierechtelijk niet als vreemden voor elkaar te beschouwen. Sinds de inwerkingtreding van het decreet van 1 december 2000 werd het tarief waaraan de samenwonenden zijn onderworpen, met dat van de echtgenoten gelijkgeschakeld. Om hetzelfde tarief als tussen echtgenoten te kunnen genieten moet er een ononderbroken samenwoning van minstens één jaar zijn vóór de datum van het overlijden. Wanneer de periode van samenwonen buiten de wil van de betrokkenen werd onderbroken of beëindigd - bijvoorbeeld vanwege een langdurige opname in een verzorgingsinstelling - kon in de oorspronkelijke versie van artikel 48 het gunstigere tarief van samenwonenden niet worden toegepast. Die situatie werd door de decreetgever als onbillijk beschouwd, zodat artikel 48 bij het decreet van 30 juni 2000 werd aangepast in de zin dat de voorwaarden van samenwonen en gemeenschappelijke huishouding ook worden geacht te zijn vervuld indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, « aansluitend op de […] periode van drie jaar tot op de dag van het overlijden », ingevolge overmacht onmogelijk waren geworden. De periode van drie jaar werd bij het decreet van 1 december 2000 tot één jaar teruggebracht. De personen die nooit of minder dan één jaar hebben samengewoond, worden successierechtelijk verschillend behandeld in vergelijking met de personen die minstens één jaar hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. De feitelijke situatie van die beide categorieën van personen verschilt aanzienlijk, zodat de in het geding zijnde maatregel op een objectief criterium van onderscheid berust. Bovendien is die maatregel redelijkerwijze te verantwoorden in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel om enkel de personen die samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren het successierechtentarief te laten genieten dat tussen gehuwden geldt. Noch artikel 48, noch enige andere bepaling voorziet in een bijzondere regeling wat de situatie van een gehandicapte persoon betreft die vanaf zijn geboorte zodanig hulpbehoevend is dat hij noodzakelijkerwijze in een instelling dient te worden verzorgd, zodat elke samenwoning volledig is uitgesloten. Van de decreetgever kan redelijkerwijze niet worden verwacht dat hij het tarief dat voor samenwonenden geldt zou toepassen op personen die nooit hebben samengewoond en nooit een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Wanneer er al van een onverantwoord successierechtelijk verschil in behandeling van de erfgenamen van voormelde gehandicapte personen sprake zou zijn, vloeit dat verschil niet voort uit het in het geding zijnde artikel 48, maar hoogstens uit het gegeven dat de decreetgever niet in een bijzondere regeling voor dergelijke nalatenschappen heeft voorzien. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals het in het Vlaamse Gewest van toepassing was in het bodemgeschil, meer bepaald op de voorwaarde dat men minstens één jaar daadwerkelijk moet hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding moet hebben gevoerd onmiddellijk voorafgaand aan een overmachtsituatie, in zoverre een gehandicapte persoon die vanaf zijn geboorte zodanig hulpbehoevend is dat hij noodzakelijkerwijze in een gespecialiseerde instelling dient te worden verzorgd, verschillend wordt behandeld in vergelijking met een gehandicapte persoon van wie de handicap toelaat dat hij thuis kan worden verzorgd. 5 B.1.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de appellante voor de verwijzende rechter de zuster en erfgename is van een erflaatster die, gelet op de aard van haar handicap, vanaf haar geboorte tot haar overlijden, in een daartoe gespecialiseerde instelling diende te worden verzorgd. Als erfgename van die erflaatster kan de appellante, in tegenstelling tot erfgenamen van gehandicapte personen die wel thuis kunnen worden verzorgd, niet in aanmerking komen voor het successierechtelijke tarief dat tussen samenwonenden geldt, dat voordeliger is dan dat tussen niet-samenwonende zusters. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. B.
- Artikel 48, vijfde lid, van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, bepaalde : « Voor de toepassing van dit artikel [48] wordt onder samenwonenden verstaan : 1° de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, met de erflater wettelijk samenwoont; of 2° de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden wordt [lees : worden] geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding ». Ten aanzien van de wetsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling B.3.
- Het Vlaamse decreet van 15 juli 1997 « houdende regeling van de successietarieven tussen samenwonenden » heeft in artikel 48 van het Wetboek der successierechten een bijzonder tarief voor samenwonenden ingevoegd. 6 In zijn arrest nr. 82/99 van 15 juli 1999 heeft het Hof, uitspraak doende over de beroepen tot vernietiging die tegen dat decreet waren ingesteld, geoordeeld : « B.9.
- Het tarief tussen samenwonenden is van toepassing op de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens drie jaar ononderbroken met de erflater samenwoonden, te bewijzen met een uittreksel uit het bevolkingsregister, en met hem een gemeenschappelijke huishouding voerden. Het decreet verduidelijkt dat het voeren van een gemeenschappelijke huishouding onder meer dient te blijken uit de voortgezette wil van de partijen daartoe en uit de bijdrage van de partijen in de kosten van die huishouding. Zonder zich uit te spreken in concreto, zoals de verzoekende partijen zouden willen, over de categorieën die begrepen zouden zijn in de categorie van de samenwonenden, stelt het Hof vast dat de in het decreet aangegeven criteria niet onredelijk zijn doordat zij wijzen op een reële band van affiniteit om op het stuk van het tarief van de successierechten de samenwonenden te onderscheiden van de andere belastingplichtigen. De decreetgever vermocht redelijkerwijze eenzelfde regeling aan te nemen ten aanzien van alle vormen van samenleven met gemeenschappelijke kenmerken op basis van de voormelde objectieve en controleerbare criteria, met respect voor de persoonlijke levenssfeer van de belastingplichtigen. B.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, op zichzelf beschouwd of gelezen in samenhang met andere grondwetsartikelen en sommige verdragsbepalingen. […] ». B.3.
- Bij het Vlaamse decreet van 30 juni 2000 « houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000 » werd in artikel 48 een onderscheid tussen wettelijk en feitelijk samenwonenden ingevoerd en werden de voorwaarden van ten minste drie jaar ononderbroken samenwoning met de erflater en er een gemeenschappelijke huishouding mee te voeren, ook geacht te zijn vervuld indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, « aansluitend op de bedoelde periode van drie jaar tot op de dag van het overlijden », ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent : « De ontworpen wijziging strekte er oorspronkelijk alleen toe om een onbillijkheid weg te werken in de bestaande regeling met betrekking tot het verlaagd tarief voor samenwonenden. De persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap gedurende minstens 3 jaar ononderbroken met de erflater samenwonen kunnen genieten van een verlaagd tarief. Deze strikte voorwaarde laat niet toe dat personen die gedurende 3 jaar samengewoond hebben met de erflater, die de laatste periode van zijn leven noodgedwongen de samenwoning heeft moeten opgeven, omdat hij in een verzorgingsvoorziening heeft moeten verblijven (en waarbij zijn domicilie werd gewijzigd), van het verlaagd tarief kunnen genieten. 7 Om aan deze onbillijke situatie tegemoet te komen werd voorgesteld deze bepaling in die zin te wijzigen dat personen die eerst drie jaar samengewoond hebben met de erflater, waarna deze op grond van overmacht de samenwoning heeft moeten onderbreken, toch kunnen genieten van het verlaagd tarief. Om fictieve constructies te vermijden blijft evenwel vereist dat de personen, die aanspraak willen maken op het verlaagd tarief gedurende 3 jaar ononderbroken hebben samengewoond met de erflater vooraleer de situatie van overmacht zich voordoet. Het voorstel van wijziging laat dus niet toe dat een persoon, die gedurende een korte periode heeft samengewoond met de erflater, waarna deze gedurende een lange periode in een verzorgingsvoorziening heeft verbleven, een periode van 3 jaar samenwoonst zou kunnen construeren. Een ‘ vrijwillig ’ verblijf in een rustoord (zonder zorgbehoevend of afhankelijk te zijn) beantwoordt niet aan de voorwaarde van overmacht en kan dus niet ingeroepen worden om van het verlaagd tarief te kunnen genieten. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren een gemeenschappelijke huishouding. Dit vermoeden kan onder meer weerlegd worden indien aangetoond kan worden dat de voortgezette wil om een gemeenschappelijke huishouding te voeren ontbrak en dat de partijen die de ononderbroken samenwoonst inroepen niet kunnen aantonen dat zij in een aanvaardbare mate hebben bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1999-2000, nr. 277/1, p. 4; zie ook : ibid., nr. 277/4, p. 3). B.3.
- Bij het Vlaamse decreet van 1 december 2000 « houdende gelijkschakeling van de successierechten tussen samenwonenden en getrouwden » werd voorzien in eenzelfde successierechtelijk tarief tussen samenwonenden als tussen echtgenoten en werden, in artikel 48, vijfde lid, 2°, de woorden « drie jaar » telkens vervangen door de woorden « één jaar ». Ten gronde B.
- Uit het voormelde artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest, volgt dat de erfgenaam van een gehandicapte persoon die nooit met de erfgenaam heeft samengewoond en er geen gemeenschappelijke huishouding mee heeft gevoerd, van het tarief van de successierechten tussen samenwonenden wordt uitgesloten, terwijl de erfgenaam van een gehandicapte persoon die minstens één jaar ononderbroken met de erfgenaam heeft samengewoond en er een gemeenschappelijke 8 huishouding mee heeft gevoerd wel dat tarief kan genieten, zelfs indien die samenwoning « aansluitend op de [ononderbroken] periode van één jaar tot op de dag van het overlijden » ten gevolge van overmacht onmogelijk is geworden. B.
- Het bepalen van het belastingtarief en het vaststellen van de modalisering ervan komt de bevoegde fiscale wetgever toe. Wanneer hij daartoe criteria van onderscheid hanteert, moeten die objectief en redelijk kunnen worden verantwoord. De tarieven en de modaliteiten ervan moeten op gelijke wijze worden toegepast ten aanzien van eenieder die zich ten opzichte van de maatregel en het nagestreefde doel in een gelijkwaardige positie bevindt, zij het dat de fiscale wetgever een verscheidenheid aan toestanden kan dienen op te vangen in categorieën die, noodzakelijkerwijze, slechts bij benadering met de werkelijkheid overeenstemmen. B.
- Het tarief tussen samenwonenden is van toepassing op personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens één jaar ononderbroken met de erflater samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Die voorwaarden worden geacht ook te zijn vervuld indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. De in het decreet aangegeven criteria zijn niet onredelijk doordat zij wijzen op een reële band van affiniteit om op het vlak van het tarief van de successierechten de samenwonenden te onderscheiden van de andere belastingplichtigen. De decreetgever vermocht redelijkerwijze eenzelfde regeling aan te nemen ten aanzien van alle vormen van samenleven met gemeenschappelijke kenmerken op basis van de voormelde objectieve en controleerbare criteria, met respect voor de persoonlijke levenssfeer van de belastingplichtigen. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde maatregel niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 48, vijfde lid, van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div