id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.068 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100610.2 Arrest- Rolnummer: 68/2010 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-12 Raadplegingen: 278 - laatst gezien 2026-06-30 04:51 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof beslist dat het beroep tot vernietiging dat is gericht tegen artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 « inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek », van de rol zal worden geschrapt indien geen enkel beroep tot vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 « houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid » binnen de wettelijke termijn wordt ingesteld of indien een dergelijk beroep, wanneer het wordt ingesteld, door het Hof zou worden verworpen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Mens en lichaam - Substanties van menselijke oorsprong PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek, ingesteld door de vzw « Jurileven » en anderen. Gezondheidsrecht - Gebruik van menselijk lichaamsmateriaal - Delegatie aan de Koning - Wijziging van de wetgeving. # Rechten en vrijheden - Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven -
- Rechten van het kind. Wettelijke bepalingen: Wet - 23-12-2009 - 26,3° - 03 ELI link Pub nr 2009024498 Wet - 19-12-2008 - 3,§4,L2 - 44 ELI link Pub nr 2008018385 Tekst van de beslissing Rolnummer 4733 Arrest nr. 68/2010 van 10 juni 2010 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek, ingesteld door de vzw « Jurileven » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 juni 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 juni 2009, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2008), door de vzw « Jurileven », met zetel te 1040 Brussel, Louis Hapstraat 198, de vzw « Pro Vita », met zetel te 1081 Brussel, Eugène Simonisplein 15, en de vzw « Jongeren voor het Leven », met zetel te 1050 Brussel, Adolphe Buyllaan 30/
- De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 24 maart 2010 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 21 april 2010 na de partijen te hebben uitgenodigd ter terechtzitting hun standpunt te doen gelden over de invloed die de aanneming van de artikelen 26, 3°, 36 en 38 van de wet van 23 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid (Belgisch Staatsblad, 29 december 2009) kan hebben op het onderhavige beroep tot vernietiging. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2010 : - zijn verschenen : . Mr. A. Bailleux, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. P. Michou loco Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.
- Volgens artikel 3 van de statuten van de vzw « Jurileven » bestaat het maatschappelijk doel van de vereniging in de bevordering van de eerbied voor het menselijk leven en de integriteit van de persoon, rechtssubject vanaf de conceptie en in alle stadia van zijn bestaan. In de punten 4 tot 9 van het handvest van de vzw wordt aangegeven dat zij over de volgende actiemiddelen beschikt : het volgen van de politieke en parlementaire initiatieven ter zake, het bewust maken van het publiek en van de overheid via de meest passende middelen en het instellen, voor zichzelf of ter ondersteuning van een andere vereniging die zich inzet voor het leven, van iedere rechtsvordering of andere vordering die opportuun zou blijken voor de eerbied voor het leven. Wat de vzw’s « Pro Vita » en « Jongeren voor het Leven » betreft, wordt hun bij artikel 3, § 1, van hun respectieve statuten als maatschappelijk doel de bevordering van de eerbied voor het menselijk leven en de integriteit van de persoon in alle stadia van zijn ontwikkeling, van de conceptie tot de natuurlijke dood, toegekend. In artikel 3, § 3, wordt daaraan toegevoegd dat die verenigingen zich in geen geval eraan zullen kunnen onttrekken om zich op politiek, juridisch en educatief gebied in te zetten teneinde een gunstig kader voor de in hun maatschappelijk doel vervatte waarden veilig te stellen, te ontwikkelen en, in voorkomend geval, te herstellen. A.1.
- Volgens de verzoekende partijen zou artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008, in zoverre het de Koning ertoe machtigt om het geheel of een deel van die wet uit te breiden tot de donaties, de wegnemingen, de handelingen en het gebruik met betrekking tot gameten, gonaden of fragmenten van gonaden, embryo’s of foetussen, een aantasting zijn van de eerbied voor de integriteit van de persoon die wordt beschouwd als een rechtssubject vanaf de conceptie en in alle stadia van zijn bestaan. Het belang van de verzoekende vzw’s zou herhaalde malen door het Hof zijn erkend. Evenmin zou kunnen worden betwist dat de vzw’s, via een groot aantal concrete activiteiten, hun maatschappelijk doel daadwerkelijk nastreven. Daarenboven zouden het instellen van het onderhavige beroep en het voortdurend bijwerken van de informatie die op de website van die vzw’s beschikbaar is, getuigen van hun vitaliteit en hun vastberadenheid om hun strijd voor de bescherming van het leven voort te zetten. De bescherming van het leven, in het bijzonder dat van het kind dat nog moet worden geboren, zou een collectief belang zijn dat het individuele belang van de leden van de verzoekende vzw’s overstijgt. A.2.
- In zijn memorie is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende verenigingen niet over het vereiste belang beschikken. De bestreden wetten en het onderwerp van het ingestelde beroep in de zaken waarvoor het Hof het belang van de vzw’s om in rechte te treden heeft erkend, zouden niet kunnen worden vergeleken met de te dezen bestreden wet en met het onderwerp van het onderhavige beroep, zodat de motieven van de door de verzoekende partijen aangehaalde arresten niet als dusdanig zouden kunnen worden overgenomen. A.2.
- Volgens de Ministerraad zou het onjuist zijn te beweren dat het de Koning is die de mogelijkheid heeft om een aantal bepalingen van de wet uit te breiden tot gameten, gonaden of fragmenten van gonaden, embryo’s of foetussen. Er wordt aangevoerd dat indien de bestreden bepaling niet zou bestaan of indien zij zou worden vernietigd, de gehele wet in elk geval in haar geheel op de voornoemde cellen van toepassing zou zijn. Artikel 3, § 1, van de wet bepaalt immers op ruime wijze dat de wet van toepassing is op het lichaamsmateriaal dat in artikel 2, 1°, is omschreven als elk biologisch lichaamsmateriaal, met inbegrip van menselijke weefsels en cellen, gameten, embryo’s, foetussen, evenals de substanties die eruit worden onttrokken, welke ook hun graad van bewerking is. De verzoekende partijen vorderen evenwel niet de vernietiging van artikel 3, § 1, van de wet. De Ministerraad wijst eveneens erop dat het onderwerp van de wet van 19 december 2008 en het doel dat erdoor wordt nagestreefd niet kunnen worden vergeleken met het doel dat wordt nagestreefd door de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking en door de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie. De bestreden wet is bestemd voor geneeskundige toepassingen op de mens of voor wetenschappelijk onderzoek, namelijk domeinen waarvan blijkt dat zij tot doel hebben het menselijk bestaan te beschermen of te verbeteren. 4 A.3.
- In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat niets in artikel 3, § 4, tweede lid, of in de andere bepalingen van de wet het mogelijk maakt te beweren dat een aantal bepalingen ervan noodzakelijkerwijs van toepassing zouden moeten zijn op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen. Noch de wet, noch de parlementaire voorbereiding kunnen bovendien in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de Koning verplichten om een meer beschermende regeling ten aanzien van die cellen in te voeren. Volgens de verzoekende partijen zouden zij, ook al zou de bestreden bepaling in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat zij aanleiding geeft tot een noodzakelijkerwijs meer beschermende afwijkende regeling, toch een zeker belang erbij hebben om het Hof die interpretatie te horen bevestigen. De verzoekende partijen wijzen erop dat op 28 september 2009 op grond van de bestreden bepaling een koninklijk besluit is aangenomen tot vaststelling van de lijst van de artikelen van de wet van 19 december 2008 die van toepassing zijn op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen. Bij dat besluit wordt artikel 4 van de wet evenwel niet op die cellen van toepassing gemaakt. Daaruit zou voortvloeien dat de wegnemingen van gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen, in tegenstelling tot de handelingen die op de andere bestanddelen van het menselijk lichaamsmateriaal worden verricht, niet zouden zijn onderworpen aan de verplichting dat zij onder de verantwoordelijkheid van een geneesheer « in een erkend ziekenhuis (…) of in een ziekenhuis erkend door het ministerie van Landsverdediging » moeten geschieden. Bij hetzelfde besluit zou het verbod van wegneming en bewaring met het oog op een autoloog of allogeen uitgesteld gebruik voor een bepaalde en geïdentificeerde ontvanger, zoals dat in artikel 8, § 1, 4°, van de wet is geformuleerd, evenmin van toepassing worden gemaakt op de kinderen die nog moeten worden geboren. Daaruit zou voortvloeien dat de in de bestreden bepalingen vervatte delegatie aanleiding zou hebben gegeven tot het invoeren van een minder beschermende regeling. A.3.
- De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, het louter opheffen van de aan de Koning verleende machtiging om een bijzondere regeling ten aanzien van de in het verzoekschrift bedoelde cellen in te voeren, geenszins de noodzaak van een dergelijke afwijkende regeling zou aantasten, zoals zij blijkt uit de geest van de wet. De vernietiging van de bestreden bepaling zou tot gevolg hebben dat de wetgever zelf de toepasbaarheid van de wet op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen zou kunnen onderzoeken en aldus de afwijkende regeling zou kunnen uitwerken die erop van toepassing zou zijn. A.3.
- Met betrekking tot het tweede argument dat door de Ministerraad is opgeworpen, antwoorden de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling het behandelen van kwesties die nochtans te maken hebben met de kern zelf van de lichamelijke integriteit van het kind dat nog moet worden geboren, wil terugbrengen tot loutere technische problemen en detailkwesties. De bepaling zou daarenboven de deur openzetten voor mogelijk ernstige aantastingen van de integriteit van het kind dat nog moet worden geboren en van het recht op eerbiediging van het gezinsleven van dat kind. A.
- In zijn memorie van wederantwoord wijst de Ministerraad erop dat het onjuist is te denken dat het de Koning is die de mogelijkheid heeft om een aantal bepalingen van de wet uit te breiden tot de in het verzoekschrift bedoelde cellen. Hij herhaalt dat indien de bestreden bepaling zou worden vernietigd, de wet in haar geheel van toepassing zou zijn op het lichaamsmateriaal zonder beperking. Het verkregen effect zou dus het tegenovergestelde zijn van het beoogde effect. De Ministerraad vermeldt voor het overige dezelfde argumentatie als die welke hij in zijn memorie heeft uiteengezet. Ten gronde A.
- Na de inhoud van de bestreden bepaling en de wetgevende context waarin zij is aangenomen in herinnering te hebben gebracht, zetten de verzoekende partijen drie middelen uiteen ter ondersteuning van hun verzoekschrift. A.6.
- Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 105 van de Grondwet. In het eerste onderdeel van het middel wijzen de verzoekende partijen erop dat de in de bestreden bepaling vervatte delegatie aan de Koning artikel 22, tweede lid, van de Grondwet schendt. 5 Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 2008 zou blijken dat de Raad van State zelf de wetgever heeft gewaarschuwd voor de mogelijke ongrondwettigheid van de aldus verleende delegaties. Er zou niet kunnen worden aangevoerd dat de delegatie grondwettig is, aangezien de bewegingsvrijheid van de uitvoerende macht wordt beknot door de bepalingen van de wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo’s in vitro, enerzijds, en door de bepalingen van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtollige embryo’s en de gameten, anderzijds. Die twee wetten zouden immers niet hetzelfde voorwerp hebben als de wet van 19 december 2008, aangezien zij niet de manipulatie van embryo’s en foetussen in vivo, met andere woorden die zich in het vrouwelijk lichaam bevinden, regelen. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de bestreden bepaling, in plaats van de vrijheid van de uitvoerende macht doeltreffend te beperken, haar integendeel ertoe machtigt om een regeling « à la carte » in te voeren zonder haar te verplichten daarin alle waarborgen en waarschuwingen op te nemen die bij de wet van 19 december 2008 zijn vastgesteld. A.6.
- In een tweede onderdeel van het middel wijzen de verzoekende partijen erop dat, indien zou worden geoordeeld dat de bij de bestreden bepaling ingevoerde juridische regeling geen essentieel element vormt van het recht op het privé- en gezinsleven van de verwekkers van embryo's en foetussen, op zijn minst zou moeten worden aanvaard dat het vaststellen van die regeling voortvloeit uit een essentiële beleidskeuze die niet kan worden onttrokken aan het democratische debat. De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat de richtlijnen 2004/23/EG, 2006/17/EG en 2006/86/EG de lidstaten geenszins zouden verplichten om de juridische regeling die erbij wordt ingevoerd, uit te breiden tot de embryo’s en foetussen. Uit de aanhef van de richtlijn 2004/23/EG zou duidelijk blijken dat de Europese wetgever aan de lidstaten de keuze laat om de bij de richtlijn ingevoerde juridische regeling al dan niet tot de embryo’s en foetussen uit te breiden. De Belgische wetgever kan dus geen voorwendsel afleiden uit de noodzakelijke omzetting van de richtlijnen om het wettigheidsbeginsel en het fundamentele recht op het privé- en gezinsleven te schenden. A.7.
- Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, herinnert de Ministerraad in de eerste plaats aan de draagwijdte die moet worden gegeven aan artikel 22 van de Grondwet, waarbij hij zich baseert op de parlementaire voorbereiding van de grondwetsbepaling en op de rechtspraak van het Hof. Hij wijst erop dat de verzoekende partijen ten onrechte aanvoeren dat artikel 22, tweede lid, van de Grondwet de wetgever zou verbieden om het aan de Koning over te laten om bepaalde modaliteiten van de bescherming van het in de wet verankerde fundamentele recht op het privé- en gezinsleven te regelen. Het Hof zou zelf herhaalde malen de grondwettigheid van de bevoegdheidstoewijzingen aan de Koning, door de wetgever, hebben bevestigd, ook in de aangelegenheden waarvoor een wettigheidsvoorbehoud wordt aanvaard. Als voorbeelden haalt hij de arresten nr. 169/2002 van 27 november 2002, nr. 189/2005 van 14 december 2005 en nr. 43/2006 van 15 maart 2006 aan. Met betrekking tot de verwijzing door de verzoekende partijen naar het advies van de Raad van State dat voorafging aan de wet van 19 december 2008, wijst de Ministerraad erop dat de opmerkingen van de Raad van State werden gevolgd en dat de wettekst werd gewijzigd door bepalingen te schrappen die voor problemen zorgden. De Ministerraad voert eveneens aan dat de bestreden bepaling niet tot gevolg heeft dat de Koning de mogelijkheid krijgt om het lichaamsmateriaal dat Hij aanwijst, aan het geheel of een deel van het toepassingsgebied van de wet te onttrekken, maar wel om de wet van toepassing te maken op een bepaalde soort van lichaamsmateriaal dat een hogere bescherming vereist. Met verwijzing in de wet naar het onderzoek met betrekking tot het materiaal dat een specifieke bescherming geniet, zou in de rechtsleer een onderscheid worden gemaakt tussen het onderzoek met betrekking tot de embryo’s in vitro en de gameten en het onderzoek met betrekking tot de foetussen, gonaden of delen van gonaden. Met betrekking tot het eerste soort van materiaal zou het onderzoek, in afwachting dat de Koning de lijst vaststelt van de artikelen die op dat soort van materiaal van toepassing zijn, aan de bepalingen van de wet van 11 mei 2003 onderworpen blijven. Met betrekking tot het tweede soort van materiaal werd in de rechtsleer erop gewezen dat het onderzoek op dat soort van lichaamsmateriaal, bij ontstentenis van door de Koning aangenomen bepalingen, niet is toegestaan met toepassing van de wet van 19 december
- De legitimiteit van het onderzoek zou evenwel voortvloeien uit de bepalingen van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten. 6 Indien de Koning niet optreedt om de regels te verduidelijken die van toepassing zijn op het onderzoek op foetussen, zou dergelijk onderzoek geen rechtsgrond hebben vanuit het Belgisch recht. Het zou dus onjuist zijn te beweren dat indien de Koning de bepalingen in kwestie niet uitvoert, de van kracht zijnde wetsbepalingen de enige bescherming zouden vormen en dat de manipulaties van embryo’s en foetussen in vivo zonder enige rechtsgrond of beperking zouden zijn toegestaan. A.7.
- Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, met betrekking tot de richtlijn 2004/23/EG, zou de wetgever zijn uitgegaan van het beginsel dat het embryo en de foetus menselijke cellen zijn en bijgevolg niet van het toepassingsgebied van de richtlijn zijn uitgesloten, zodat hij de voorkeur eraan zou hebben gegeven een wettelijk kader te creëren dat de embryo’s en foetussen omvat teneinde geen rechtsonzekerheid ter zake teweeg te brengen. De Ministerraad verduidelijkt eveneens dat de uitvoeringsrichtlijn 2006/17/EG voor bepaalde aspecten van het gebruik van gameten, gonaden, embryo’s en foetussen in een specifieke reglementering heeft voorzien, met name een nauwkeurige definitie van geslachtscellen. Met betrekking tot de toepassing van artikel 105 van de Grondwet wordt aangevoerd dat de Koning, te dezen, geen essentiële beleidskeuze dient te maken maar enkel een beleidskeuze dient uit te voeren die reeds door de wetgever is gemaakt. De wetgever zou die bevoegdheid bovendien met bepaalde waarborgen hebben omgeven. Aldus is de Koning verplicht om een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit aan te nemen. De bevoegdheid om te bepalen welke artikelen van de wet van toepassing zijn, zal het in die wet vervatte beginsel voor het gebruik van gonaden, gameten, embryo’s en foetussen niet in gevaar kunnen brengen. Indien, in ondergeschikte orde, zou blijken dat de bestreden bepaling een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven vormt, zouden de verzoekende partijen niet aantonen dat die inmenging niet noodzakelijk is om het door de wetgever nagestreefde doel te verwezenlijken. A.8.
- In hun memorie van antwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de in de bestreden bepaling vervatte delegatie noch op precieze modaliteiten, noch op detailkwesties, noch op een bevoegdheid om per geval af te wijken, betrekking heeft. Zij zou de bevoegdheid om het niveau van bescherming te bepalen ten aanzien van de kinderen die nog moeten worden geboren grotendeels aan de uitvoerende macht overlaten. Wat het advies van de Raad van State betreft, daarin worden problematische delegaties ter sprake gebracht maar wordt blijkbaar geen enkel voorbeeld daarvan aangehaald. Daaruit zou voortvloeien dat de Raad van State andere delegaties dan die welke hij als voorbeeld met name aanwijst, twijfelachtig heeft bevonden. De verzoekende partijen wijzen eveneens erop dat de Ministerraad het verzoekschrift dat zij hebben ingediend, verkeerd interpreteert, aangezien het berust op het feit dat de algemene verbodsregeling die vandaag de overhand heeft, wordt tenietgedaan door een bepaling die de Koning ertoe machtigt om een juridische regeling in te voeren die de integriteit aantast van het kind dat nog moet worden geboren. A.8.
- Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, merken de verzoekende partijen op dat de Ministerraad niet betwist dat de uitbreiding van de wet van 19 december 2008 tot gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen niet werd vereist door de bedoelde richtlijnen, in tegenstelling tot wat in de parlementaire voorbereiding werd voorgesteld. Dat zou bovendien aantonen dat de toepassing van die wet op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen nauwelijks is besproken binnen de parlementaire vergaderingen, zodat moeilijk zou kunnen worden aanvaard dat de bestreden bepaling alleen maar een beleidskeuze zou uitvoeren van de wetgever, die zich ertoe heeft beperkt de zorg om die keuze te maken aan de uitvoerende macht toe te vertrouwen. Wat de waarborgen betreft waarmee de door de Koning uitgewerkte reglementering zou zijn omgeven, wordt erop gewezen dat de Ministerraad niet is gemachtigd om zich in de plaats te stellen van de beraadslagende vergaderingen en dat de tekst van de wet geen enkel transversaal beginsel bevat dat noodzakelijkerwijs van toepassing is op de manipulaties van gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen erop dat de loutere vaststelling van een delegatie aan de uitvoerende macht die in strijd is met de artikelen 22 en 105 van de Grondwet, zou volstaan om de schending van die normen teweeg te brengen, zonder dat het noodzakelijk is enige afweging van de in het geding zijnde belangen te maken. A.9.
- In zijn memorie van wederantwoord wijst de Ministerraad erop dat uit de arresten van het Hof die hij in zijn memorie heeft aangehaald, zou blijken dat het vaststellen van de voorwaarden voor de uitoefening van 7 de bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde rechten, dat aan de wet wordt voorbehouden, soepel kan worden beoordeeld. Met betrekking tot het advies van de Raad van State, had de Raad van State, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, de rechtsgrond van het voorontwerp van wet kunnen onderzoeken, namelijk de overeenstemming ervan met de hogere normen zoals hij dat trouwens in zijn advies in herinnering brengt. De Ministerraad ziet voor het overige niet in in welk opzicht de bestreden bepaling de integriteit zou aantasten van het kind dat nog moet worden geboren. A.9.
- Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, met betrekking tot de richtlijn 2004/23/EG, wijst de Ministerraad erop dat nooit sprake ervan zou zijn geweest om het toepassingsgebied van de wet van 19 december 2008 al dan niet uit te breiden, maar wel om die richtlijn om te zetten in het Belgisch wetgevend stelsel. Hij beklemtoont eveneens dat het doel van de wet erin bestond een juridische omkadering te bieden die was aangepast aan de manipulaties van dat soort van menselijk lichaamsmateriaal teneinde te vermijden dat het het voorwerp van mercantiele ontsporingen zou uitmaken. Met betrekking tot de waarborgen die het aannemen van het koninklijk besluit van 28 september 2009 omgeven, beklemtoont de Ministerraad dat de beraadslaging in de Ministerraad slechts de stap is na het publieke debat dat reeds in de beraadslagende vergaderingen heeft plaatsgevonden en dus niet in aanmerking komt om dat debat te vervangen. Indien het koninklijk besluit de bij de wet ingevoerde waarborgen niet in acht zou nemen, zou enkel de Raad van State bevoegd zijn om de eventuele nietigverklaring ervan te bevelen. Het zou eveneens ten onrechte zijn dat de verzoekende partijen beweren dat er geen enkel transversaal beginsel bestaat dat in de wet is vervat. Aldus is het beginsel van de vrije en weloverwogen toestemming van de donor vervat in de artikelen 10, 11 en 20, § 1, van de wet, en zijn die bepalingen van toepassing gemaakt op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen bij het koninklijk besluit van 28 september
- A.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 22, van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling onverminderd de wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo’s in vitro en de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten van toepassing is, waardoor een discriminatie wordt teweeggebracht tussen de verwekkers van embryo's en foetussen in vitro en de verwekkers van embryo's en foetussen in vivo. Er wordt aangeklaagd dat de bestreden bepaling een essentieel aspect van het privé- en gezinsleven van de verwekkers van embryo’s en foetussen in vivo toevertrouwt aan de uitvoerende macht, zonder de Koning te verplichten om de manipulatie van embryo’s in vivo afhankelijk te maken van het voorafgaandelijk verkrijgen van de toestemming van hun verwekkers. A.
- In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat het middel op een onjuiste interpretatie van de wetteksten berust. Het toepassingsgebied van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting zou immers niet alleen tot de embryo’s in vitro zijn beperkt. De Ministerraad voegt daaraan toe dat in de wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen de bescherming die zij biedt inzake manipulatie van embryo’s in vitro en die inzake manipulatie van embryo’s en foetussen in vivo. Zij zou bijgevolg niet discriminerend kunnen worden bevonden. Indien evenwel zou worden geoordeeld dat er een discriminatie bestaat, zou die discriminatie toe te schrijven zijn aan de Koning en niet aan de wetgever. Indien daarentegen zou worden geoordeeld dat enkel de toepassing van de wet van 6 juli 2007 aanleiding gaf tot een discriminatie, dan zouden vragen moeten rijzen over het belang van het middel, aangezien de discriminatie niet uit de bestreden bepaling zou voortvloeien. De verzoekende partijen zouden daarenboven niet aantonen dat eventuele handelingen met en wegnemingen van embryo’s en foetussen in vitro die onverminderd de bescherming van de wet van 6 juli 2007, van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, en zelfs van de gemeenrechtelijke strafwetgeving of van de wetgeving met betrekking tot de geneeskunde, zouden worden verricht, een onredelijke aantasting van het privé- en gezinsleven zouden vormen. Ten slotte wijst de Ministerraad erop dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de categorieën die zij in het middel beogen, vergelijkbaar zijn. 8 A.
- In hun memorie van antwoord doen de verzoekende partijen opmerken dat de Ministerraad de niet-toepasbaarheid, op embryo’s in vivo, van de wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo’s in vitro niet betwist. Dat zou tot gevolg hebben dat, hoewel een op grond van de bestreden bepaling aangenomen koninklijk besluit niet ertoe kan leiden dat het onderzoek op embryo’s in vitro na de eerste veertien dagen van hun ontwikkeling wordt toegestaan, niets daarentegen zou verhinderen dat hetzelfde besluit het gebruik van embryo’s in vivo toestaat met het oog op wetenschappelijk onderzoek in een verder stadium van hun ontwikkeling. De verzoekende partijen beklemtonen eveneens dat de discriminatie die zij aanklagen, wel degelijk haar oorsprong vindt in de wet van 19 december 2008, in zoverre zij de wettelijke waarborgen handhaaft die van toepassing zijn op de manipulaties van embryo’s in vitro, maar de manipulatie van embryo’s in vivo toestaat onder voorwaarden die door de Koning moeten worden bepaald. De verzoekende partijen doen eveneens gelden dat het tweede middel dat zij uiteenzetten, steunt op de ongunstige behandeling van het recht op het gezinsleven van de verwekkers van embryo’s in vivo en niet op het onredelijke karakter, ten aanzien van het privé- en gezinsleven, van de manipulaties van embryo’s en foetussen in vitro. Het wegnemen en het gebruik van kinderen die nog moeten worden geboren, zouden ontegenzeglijk een inmenging van de overheid in de privé- en gezinssfeer vormen. De aard en de inhoud van de reglementering van die inmenging kunnen evenwel niet verschillen naar gelang van het beginsel in vitro of in vivo van embryo’s of foetussen. De verzoekende partijen beklemtonen ten slotte dat de verwekkers van embryo’s in vivo en in vitro vergelijkbare categorieën vormen en dat het niet aan de verzoekende partijen staat een negatief bewijs te leveren dat erin zou bestaan de ontstentenis van een redelijke verhouding of van een objectief en relevant criterium van onderscheid in de bestreden wetgeving aan te tonen, maar dat het aan de Ministerraad staat te bewijzen dat het verschil in behandeling objectief en redelijk kan worden verantwoord. A.
- In zijn memorie van wederantwoord wijst de Ministerraad erop dat de verzoekende partijen niet het toepassingsgebied van de wet van 19 december 2008 maar wel dat van de wet van 11 mei 2003 lijken te betwisten, wat het standpunt van de Ministerraad zou versterken dat een verschil in behandeling, indien het bestaat, niet aan de wet van 19 december 2008 is toe te schrijven. De Ministerraad wijst eveneens erop dat het aan de partij staat die verklaart dat een behandeling verschillend en discriminerend is, om het bewijs van die discriminatie te leveren, hetgeen de verzoekende verenigingen niet zouden doen. A.
- De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen wijzen erop dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het recht van elk kind op leven en op eerbiediging van zijn lichamelijke integriteit niet kan worden ontzegd aan het kind dat nog moet worden geboren. De bestreden bepaling zou de in het middel bedoelde bepalingen schenden, in zoverre zij de uitvoerende macht toestaat het recht op leven en de lichamelijke integriteit van het kind dat nog moet worden geboren, aan te tasten door de manipulatie van embryo’s en foetussen in vivo niet afhankelijk te maken van het voorafgaandelijk verkrijgen van de toestemming van de personen die de belangen behartigen van die kinderen die nog moeten worden geboren, namelijk hun ouders. A.
- In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat het tweede middel is gebaseerd op de onjuiste of op zijn minst niet-aangetoonde premisse dat de bestreden bepaling wegnemingen en handelingen zou toestaan die een niet-redelijk evenredige belemmering voor het recht van het kind op eerbiediging van zijn integriteit zouden vormen. De Ministerraad verwijst met name naar de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, naar artikel 348 van het Strafwetboek, dat de opzettelijke vruchtafdrijving bij een vrouw die daarin niet heeft toegestemd, strafbaar stelt, en naar artikel 350 van het Strafwetboek, dat verduidelijkt dat de strafwet niet wordt overtreden wanneer de zwangerschapsafbreking plaatsvindt vóór het einde van de twaalfde week na de bevruchting. In die context zou de stelling volgens welke de bestreden bepaling de wegnemingen van en handelingen met embryo’s en foetussen in vivo zou toestaan zonder de toestemming van de ouders van die kinderen die nog moeten worden geboren, uit de lucht gegrepen lijken. 9 A.
- In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen aan dat het geen twijfel lijdt dat de bestreden bepaling, door de uitvoerende macht ertoe te machtigen om de juridische regeling te bepalen die van toepassing is op de manipulaties van gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen, aan de Koning geen andere keuze laat dan de lichamelijke integriteit van het kind dat nog moet worden geboren, aan te tasten. Het zou eveneens evident lijken dat de bestreden bepaling, door het aan de uitvoerende macht over te laten om de regeling te bepalen die van toepassing is op de handelingen die worden verricht op het kind dat nog moet worden geboren, manipulaties mogelijk maakt die tot dusver niet bij de wet waren toegestaan, zodat de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van het recht op leven en op de lichamelijke integriteit van het kind dat nog moet worden geboren met zich meebrengt. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat uit artikel 22bis van de Grondwet en artikel 2.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet alleen een standstill-verplichting voortvloeit, maar dat die bepalingen eveneens dwingende en tijdloze bevelen tot de overheid richten waarvan de naleving niet ten aanzien van een vroegere situatie moet worden beoordeeld. Ten slotte zou de Ministerraad zich vergissen door te beweren dat het huidige wetgevend apparaat de integriteit van het kind dat nog moet worden geboren, voldoende waarborgt. De draagwijdte van de artikelen 348 tot 350 van het Strafwetboek zou zich immers beperken tot de vrijwillige zwangerschapsafbreking, waarbij die bepalingen dus niet van toepassing zijn op alle toepassingsgevallen die door de wet van 19 december 2008 worden gedekt. A.
- De Ministerraad repliceert dat het feit dat beschermende regels worden ingevoerd in een domein dat nog niet is gereglementeerd, niet kan worden beschouwd als een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van het betrokken recht. Uit de argumenten van de verzoekende partijen zou blijken dat zij zich, in werkelijkheid, verzetten tegen het beginsel van de wegneming en het gebruik van embryo’s en foetussen in het kader van geneeskundige toepassingen of met het oog op wetenschappelijk onderzoek. Indien dat het geval was, had het beroep gericht moeten zijn tegen de wet in haar geheel, alsook tegen de andere wetten die dat soort van manipulaties regelen, met name de wetten van 11 mei 2003 en van 6 juli
- Ten slotte beklemtoont de Ministerraad dat de Koning alle artikelen betreffende de toestemming van de donor wel degelijk van toepassing heeft verklaard op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen en, zodoende, het belang van dat beginsel bij dat soort van handelingen heeft erkend. A.
- Bij beschikking van 24 maart 2010 heeft het Hof de partijen verzocht om ter terechtzitting hun standpunt te doen gelden over de weerslag die het aannemen van de artikelen 26, 3°, 36 en 38 van de wet van 23 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid (Belgisch Staatsblad, 29 december 2009) op het onderhavige beroep tot vernietiging kan hebben. A.
- Op de terechtzitting hebben de verzoekende partijen aangevoerd dat het beroep ontvankelijk en gegrond moest worden verklaard, waarbij zij, ter ondersteuning van hun stelling, het arrest nr. 103/2000 van 11 oktober 2000 van het Hof aanhaalden. Zij zijn immers van mening dat het Hof ondanks de vervanging van de bestreden bepaling bij het voormelde artikel 26, 3°, bevoegd zou blijven, aangezien het aannemen van de nieuwe bepaling de tegen de bestreden bepaling gerichte grieven niet zou kunnen wegnemen. De verzoekende partijen hebben vervolgens de middelen ter ondersteuning van hun verzoekschrift kort in herinnering gebracht. A.
- De Ministerraad heeft, zijnerzijds, doen gelden dat het beroep zonder voorwerp moest worden verklaard, rekening houdend met de doorgevoerde wijziging van de wetgeving. 10 -B- B.1.
- Bij het Hof wordt door de vzw « Jurileven », de vzw « Pro Vita » en de vzw « Jongeren voor het Leven » een beroep ingesteld dat strekt tot de vernietiging van artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 « inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek ». B.1.
- Het bestreden artikel 3, § 4, tweede lid, bepaalde op het ogenblik dat het beroep werd ingesteld : « Onverminderd de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, stelt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van de artikelen van onderhavige wet vast die van toepassing zijn op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's of foetussen hiervan het voorwerp zijn ». B.2.
- In zijn memorie betwist de Ministerraad het belang van de verzoekende verenigingen om in rechte te treden. Hij is immers van mening dat de wetten die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van beroepen die door dezelfde verenigingen bij het Hof zijn ingesteld en die door het Hof ontvankelijk zijn verklaard, een ander onderwerp hebben en niet vergelijkbaar zouden zijn met de bestreden wet, zodat de motieven van de door de verzoekende verenigingen aangehaalde arresten te dezen niet zouden kunnen worden overgenomen. B.2.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.2.
- Volgens artikel 3 van haar statuten heeft de vzw « Jurileven » tot doel de eerbied voor het menselijk leven en de integriteit van de persoon, rechtssubject vanaf de conceptie en in alle stadia van zijn bestaan, te bevorderen. Wat de vzw’s « Pro Vita » en « Jongeren voor het 11 Leven » betreft, wordt hun bij artikel 3 van hun respectieve statuten als maatschappelijk doel de bevordering van de eerbied voor het menselijk leven en de integriteit van de persoon in alle stadia van zijn ontwikkeling, van de conceptie tot de natuurlijke dood, toegekend. B.2.
- Het maatschappelijk doel van de verzoekende verenigingen is onderscheiden van het algemeen belang. Volgens artikel 3, § 1, van de wet van 19 december 2008 is zij van toepassing op de donatie, de wegneming, het verkrijgen, testen, bewerken, preserveren, bewaren, distribueren en gebruiken van menselijk lichaamsmateriaal, bestemd voor de toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek. Die handelingen worden onderworpen aan een geheel van voorwaarden die in de wet zijn opgesomd. De bestreden bepaling machtigt de Koning ertoe om de bepalingen van de wet vast te stellen die van toepassing zullen zijn op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's en foetussen daarvan het voorwerp zijn. Een dergelijke bepaling staat niet los van het maatschappelijk doel van de verzoekende verenigingen zodat zij over het vereiste belang beschikken om de vernietiging ervan te vorderen. B.
- Het eerste middel van het verzoekschrift is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 22, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 105, van de Grondwet. In een eerste onderdeel van het eerste middel wordt aangevoerd dat de juridische regeling die van toepassing is op de donatie van, de wegneming van, de handelingen met en het gebruik van gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen, een essentieel element vormt van het recht op het privé- en gezinsleven van de toekomstige ouders, waarvan de bescherming bij de wet moet worden verzekerd en niet aan de uitvoerende macht kan worden gedelegeerd. In een tweede onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 22, in samenhang gelezen met artikel 105, van de Grondwet, verbiedt om het 12 vaststellen van de juridische regeling die van toepassing is op de donatie, de wegneming, de manipulaties en het gebruik van embryo’s en foetussen, aan het democratische debat te onttrekken. Het tweede middel van het verzoekschrift is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 22, van de Grondwet. De bestreden bepaling zou een onverantwoord verschil in behandeling invoeren tussen het recht op het privé- en gezinsleven van de verwekkers van embryo’s in vitro en het recht op het privé- en gezinsleven van de verwekkers van embryo’s en foetussen in vivo, in zoverre de laatstgenoemden, in tegenstelling tot de eerstgenoemden, geen enkele wettelijke bescherming zouden genieten, aangezien de reglementering aan de goede wil van de uitvoerende macht wordt overgelaten. Er wordt evenwel aangeklaagd dat de bestreden bepaling de Koning niet verplicht om de manipulatie van embryo's en foetussen in vivo afhankelijk te maken van het voorafgaandelijk verkrijgen van de toestemming van hun verwekkers. Ten slotte is het derde middel van het verzoekschrift afgeleid uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er wordt aangeklaagd dat de bestreden bepaling de uitvoerende macht niet de verplichting oplegt om de manipulatie van embryo’s en foetussen in vivo afhankelijk te maken van het voorafgaandelijk verkrijgen van de toestemming van de personen die de belangen behartigen van die kinderen die nog moeten worden geboren, namelijk hun ouders. B.
- Aan de in de bestreden bepaling vervatte delegatie aan de Koning is uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 28 september 2009 « tot vaststelling van de lijst van de artikelen van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek, die van toepassing zijn op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's en foetaal menselijk lichaamsmateriaal » (Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2009). 13 Volgens artikel 3 van het koninklijk besluit diende het besluit in werking te treden op de datum van de inwerkingtreding van de wet van 19 december 2008, namelijk « op een door de Koning te bepalen datum, en ten laatste op 14 juli 2009 », luidens artikel 46 van die wet. Die datum werd uiteindelijk uitgesteld tot 14 juli 2010 bij artikel 2 van de wet van 16 juni 2009 « tot uitstel van de datum van inwerkingtreding van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek » (Belgisch Staatsblad van 2 juli 2009). B.5.
- Artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 « houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid » (Belgisch Staatsblad van 29 december 2009) vervangt het bestreden artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 als volgt : « Onverminderd de bepalingen van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, zijn de bepalingen van deze wet, met uitzondering van de artikelen 7, § 4, 8, § 1, eerste lid, 4°, en § 2, en 10, § 4, van toepassing op de donatie, de wegneming, de handelingen en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo's of foetussen hiervan het voorwerp zijn. De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 4, § 1, en voor artikel 13, eerste en derde lid, in geval van wegneming van mannelijke gameten. De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 4, § 2, in het geval van partnerdonatie van mannelijke gameten die onmiddellijk ter plaatse worden toegepast op de vrouwelijke partner met het oog op de voortplanting. De bepaling van het tweede lid van deze paragraaf geldt niet voor artikel 20, § 2, in de gevallen het een gebruik van embryo's of foetaal menselijk lichaamsmateriaal betreft of gameten of gonaden met het oog op het tot stand brengen van embryo's ». De vervanging van die bepaling is in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Artikel 3, § 4, tweede lid, van [de] wet [van 19 december 2008] voorziet onder meer dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van de artikelen van onderhavige wet vaststelt die van toepassing zijn op de donatie, de wegneming, de handelingen, en het gebruik wanneer gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetussen hiervan het voorwerp zijn. Deze wettelijke bepaling is uitgevoerd bij het koninklijk besluit van 28 september 2009 tot vaststelling van de lijst van de artikelen van de wet van 19 december 2008 inzake het 14 verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing van de mens of het wetenschappelijk onderzoek die van toepassing zijn op gameten, gonaden, fragmenten van gonaden, embryo’s en foetaal menselijk lichaamsmateriaal. Gelet op het feit dat de werkwijze waarbij de Koning een lijst van toepasselijke artikelen van een wet kan vaststellen, betwist wordt (Grondwettelijk Hof, rolnummer 4733), lijkt het met het oog op een maximale rechtszekerheid aangewezen om een wettelijke regeling in te stellen die bedoeld koninklijk besluit vervangt, doch dezelfde rechtsgevolgen heeft. Het ontwerp strekt er dan ook toe, uitsluitend de artikelen van dezelfde wet te preciseren die in casu niet van toepassing zijn, met name de artikelen 7, § 4, 8, §§ 1, eerste lid, 4°, en 2, en 10, § 4 » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2306/001, p. 14). B.5.
- Bijgevolg heft artikel 36 van de wet van 23 december 2009 het voormelde koninklijk besluit van 28 september 2009 op. Artikel 38 van dezelfde wet bepaalt dat de artikelen 26, 3°, en 36 uitwerking hebben met ingang van 1 december
- B.
- Rekening houdend met het feit dat de bestreden bepaling op 14 juli 2010 in werking diende te treden maar bij artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009, met ingang van 1 december 2009, is vervangen, hebben de verzoekende partijen thans geen belang bij de vernietiging van een bepaling die geen rechtsgevolgen heeft gehad. De verzoekende partijen zouden enkel nog belang hebben bij hun beroep in geval van vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december
- Daaruit volgt dat zij het belang bij hun beroep pas definitief zullen verliezen, indien het voormelde artikel 26, 3°, niet binnen de wettelijke termijn wordt bestreden of indien het beroep dat tegen die bepaling zou worden gericht, door het Hof zou worden verworpen. 15 Om die redenen, het Hof beslist dat het beroep tot vernietiging dat is gericht tegen artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 19 december 2008 « inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek », van de rol zal worden geschrapt indien geen enkel beroep tot vernietiging van artikel 26, 3°, van de wet van 23 december 2009 « houdende diverse bepalingen inzake volksgezondheid » binnen de wettelijke termijn wordt ingesteld of indien een dergelijk beroep, wanneer het wordt ingesteld, door het Hof zou worden verworpen. Aldus uitgesproken in het Frans, Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div