← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.073

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.073 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100623.4 Arrest- Rolnummer: 73/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 272 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek schendt de artikelen 10, 11, 12 en 17 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 juni

  1. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior niet verbeterde kopie UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: De prejudiciële vraag betreffende artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Charleroi. Strafrecht - Misdrijven - Huisjesmelkerij - Bijzondere verbeurdverklaring. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 433terdecies,L2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 17 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4782 Arrest nr. 73/2010 van 23 juni 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Charleroi. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 5 oktober 2009 in zake de arbeidsauditeur en de burgerlijke partijen, het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en B.F., tegen T.H. S. en E.G., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 oktober 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 433terdecies, tweede lid, [van het Strafwetboek,] in zoverre het de verbeurdverklaring van het onroerend of roerend goed, zelfs indien het toebehoort aan een derde te goeder trouw, verplicht maakt, zonder de magistraat die zitting neemt ten gronde in staat te stellen de teruggave van dat roerend of onroerend goed te gelasten : 1) de voorschriften van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? 2) het voorschrift van artikel 12 van de Grondwet ? 3) het voorschrift van artikel 17 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - de arbeidsauditeur te Charleroi; - het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, waarvan de zetel is gevestigd te 1000 Brussel, Koningsstraat 138; - B.F.; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 mei 2010 : - zijn verschenen : . Mr. F. Ureel, tevens loco Mr. A. Lebeau, advocaten bij de balie te Charleroi, voor het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding; . Mr. S. Tournay, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. George, advocaat bij de balie te Charleroi, voor B.F.; . Mr. F. Viseur, tevens loco Mr. S. Depré, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil B.F. is eigenaar van een gebouw dat hij verhuurt aan T.H. S. en E.G. Aangezien laatstgenoemden zich volgens het parket buiten het medeweten van B.F. schuldig hebben gemaakt aan huisjesmelkerij, worden zij voor de Correctionele Rechtbank te Charleroi vervolgd wegens inbreuk op verscheidene wetgevingen waaronder de artikelen 433decies tot 433terdecies van het Strafwetboek. Op het gebouw van B.F. werd, op grond van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek, beslag gelegd. In zoverre laatstgenoemde evenwel zou moeten worden beschouwd als een derde te goeder trouw, stelt de Correctionele Rechtbank te Charleroi aan het Hof de vraag naar de grondwettigheid van artikel 433terdecies, tweede lid, in de hiervoor uiteengezette bewoordingen. III. In rechte -A- A.1.
  2. Het arbeidsauditoraat stelt dat de door de verwijzende rechter aan artikel 433terdecies, tweede lid, gegeven « interpretatie correct is in een zekere interpretatie », maar doet daarbij meteen opmerken dat die bepaling, reeds bij de aanneming ervan, talrijke interpretatieproblemen oplevert. Aldus werden er twee amendementen verworpen, die ertoe strekten de verbeurdverklaring van de goederen die niet aan de dader toebehoren, te beperken tot het enkele geval waarin de verzwarende omstandigheid verbonden aan de deelname aan een criminele organisatie in aanmerking werd genomen : verscheidene parlementsleden achtten het immers « absurd dat een huurder die een huurhuis zonder goedkeuring van de eigenaar en buiten diens weten onderverhuurt met abnormaal profijt, tot gevolg zou kunnen hebben dat de eigenaar te goeder trouw zijn eigendom verbeurd verklaard ziet ». Het Parlement scheen aan te nemen dat het goed van een derde te goeder trouw niet verbeurd kon worden verklaard. Het arbeidsauditoraat merkt tevens op dat, in antwoord op een parlementaire vraag, de minister van Justitie destijds heeft opgemerkt dat de situatie van de eigenaars te goeder trouw meermaals werd aangehaald tijdens de bespreking van de wet van 10 augustus
  3. Teneinde klaarheid te scheppen in hun situatie werd een amendement op artikel 433terdecies aangenomen dat met name ertoe strekt rekening te houden met de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die de rechten van de derden te goeder trouw heeft verankerd; daaruit zou volgen dat de bedoeling van de wetgever duidelijk was : artikel 433terdecies voorziet in een verplichting van verbeurdverklaring, zelfs wanneer het goed niet het eigendom is van de dader van het misdrijf, maar het legt tevens de verplichting op rekening te houden met de rechten van de derden te goeder trouw; volgens de minister dient dat artikel niet zo te worden geïnterpreteerd dat het de verbeurdverklaring oplegt van een goed dat het eigendom is van een derde wanneer laatstgenoemde blijk heeft gegeven van zijn goede trouw en a fortiori wanneer hij is vrijgesproken door de rechtbank. A.1.
  4. Dezelfde partij voegt daaraan toe dat, teneinde de rechten van de derden te waarborgen in geval van verbeurdverklaring van het gehuurde goed, de wetgever artikel 5ter van het Wetboek van strafvordering, in verband met de informatie betreffende de rechtsdag voor de feitenrechter, heeft uitgebreid tot de goederen bedoeld in artikel 42, 1°. De wetgever heeft daarentegen geen uitbreiding overwogen van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijnen waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak : dat koninklijk besluit, dat die derden ertoe 4 in staat stelt hun aanspraak voor de bevoegde rechter te brengen binnen een termijn van negentig dagen, is enkel van toepassing op de zaken die verbeurd zijn verklaard op grond van artikel 43bis van het Strafwetboek. A.
  5. In het tweede deel van zijn memorie suggereert het arbeidsauditoraat aan het Hof om artikel 433quinquies van het Strafwetboek zo te interpreteren dat het de rechter in staat stelt aan de derde- eigenaar te goeder trouw het genot van zijn goed te laten : volgens de memorie zou die interpretatie de intentie van de wetgever in acht nemen, zoals die zou blijken uit het verslag aan de Senaat, volgens hetwelk « de eigenaar van het goed (bijvoorbeeld van het voertuig dat heeft gediend voor het vervoer van slachtoffers van mensensmokkel) op de hoogte [moet] worden gebracht van de rechtsdag voor de feitenrechter opdat hij de mogelijkheid zou hebben zijn argumenten voor te leggen om de verbeurdverklaring te voorkomen ». Aan de hand van die interpretatie zou het tevens mogelijk zijn een einde te maken aan een stroming in de rechtspraak waarbij de huisjesmelkers worden vrijgesproken teneinde de goederen van een eigenaar te goeder trouw niet verbeurd te verklaren. A.3.
  6. Het arbeidsauditoraat te Charleroi is daarentegen van mening dat artikel 433quinquies artikel 17 van de Grondwet en het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt, in het geval waarin de derde-eigenaar van het gebouw niet op de correctionele zitting verschijnt (vergetelheid te verwittigen vanwege het openbaar ministerie, verstek dat al dan niet afhankelijk is van de wil van de betrokkene, enz.) : in dat geval moet de correctionele rechter het gebouw immers verbeurdverklaren zonder dat daartegen enig beroep openstaat voor de derde - aangezien hij niet de regeling kan genieten van het voormeld koninklijk besluit van 9 augustus 1991 – en zodoende zal hij hem definitief van zijn eigendom beroven. A.3.
  7. De Ministerraad antwoordt dat de door het arbeidsauditoraat aangevoerde interpretatie hem niet correct lijkt, na een schending van artikel 17 van de Grondwet - dat geen betrekking heeft op de bijzondere verbeurdverklaring – te hebben uitgesloten. Geen enkele tekst verplicht de correctionele rechter het gebouw verbeurd te verklaren indien de eigenaar ervan niet ter terechtzitting verschijnt : het staat dus aan de magistraat, rekening houdend met de dossierstukken, te beoordelen of de verbeurdverklaring van het gebouw dat heeft gediend tot het plegen van een misdrijf, derden al dan niet nadeel berokkent en, bij ontstentenis van stukken aan de hand waarvan hij zulks kan weten, heeft de rechter geen andere mogelijkheid dan het goed niet verbeurd te verklaren : volgens artikel 2268 van het Burgerlijk Wetboek is het immers zo dat « goede trouw […] steeds [wordt] vermoed, en hij die zich op kwade trouw beroept, […] die [moet] bewijzen ». Bij ontstentenis van informatie waaruit de kwade trouw van de eigenaar van het gebouw blijkt, zou de rechter bijgevolg niet het gebouw verbeurd moeten verklaren, maar zou hij precies het gebouw niet verbeurd moeten verklaren; het is dus niet omdat de eigenaar afwezig zou zijn op de zitting dat zijn kwade trouw zou worden vermoed en dat daaruit zou voortvloeien dat de rechter verplicht zou zijn om het gebouw in beslag te nemen. Zelfs in de veronderstelling dat de argumentatie van het auditoraat wordt gevolgd, zou de door het auditoraat aangevoerde schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie niet haar oorsprong vinden in de te dezen getoetste norm, maar veeleer in de ontstentenis van beroep voor derden te goeder trouw die niet ter zitting zouden verschijnen om van hun goede trouw te doen blijken, en wier gebouw aldus ten onrechte verbeurd zou worden verklaard : het zou niet de in het geding zijnde norm, artikel 433terdecies van het Strafwetboek, maar wel degelijk de ontstentenis van toepassing van artikel 43bis, vierde lid, van het Strafwetboek op de verbeurdverklaringen op grond van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek zijn die ten grondslag ligt aan de ongrondwettigheid. De Ministerraad voegt daaraan toe dat artikel 5ter van het Wetboek van strafvordering aan de eigenaar van het gebouw de gelegenheid biedt van zijn goede trouw te doen blijken. Ten slotte betwist diezelfde partij dat de derde te goeder trouw over geen enkel beroep beschikt. Uit de rechtspraak zou immers blijken dat, in het geval waarin ten aanzien van een derde die het strafproces niet bijwoont, een van zijn gebouwen verbeurd wordt verklaard zonder dat hij zijn goede trouw heeft kunnen doen gelden voor de strafrechter, hij immers steeds verzet of hoger beroep zou kunnen aantekenen tegen het vonnis waarbij de verbeurdverklaring wordt gelast; zijn rechten zouden dus worden gevrijwaard. A.4.
  8. De Ministerraad evenals het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (hierna : het Centrum) nemen niet de door de verwijzende rechter aan artikel 433terdecies van het Strafwetboek gegeven interpretatie in aanmerking, volgens welke die bepaling het niet mogelijk zou maken de verbeurdverklaring van het roerend of onroerend goed te gelasten indien de derde-eigenaar ervan te goeder trouw is; die partijen onderstrepen immers dat die bepaling uitdrukkelijk stelt dat de verbeurdverklaring geen afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd kunnen worden verklaard. 5 A.4.
  9. De Ministerraad zet uiteen dat zijn interpretatie dezelfde is als diegene die werd verdedigd in de voormelde verklaring van de minister van Justitie bij de aanneming van de in het geding zijnde norm : artikel 433terdecies is op dusdanige wijze geformuleerd dat de goederen die toebehoren aan derden te goeder trouw niet verbeurd dienen te worden verklaard; de prejudiciële vraag dient dus ontkennend te worden beantwoord, aangezien de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie van die bepaling niet juist is. Bovendien vertoont de tekst van artikel 433terdecies van het Strafwetboek grote gelijkenissen met de artikelen 433novies en 505 van hetzelfde Wetboek, die tevens bepalen dat de rechter niet de verbeurdverklaring van de goederen van de derden te goeder trouw uitspreekt; zelfs in het geval waarin een goed per vergissing verbeurd zou worden verklaard, en overeenkomstig artikel 44 van het Strafwetboek, is de teruggave van de goederen aan de eigenaars te goeder trouw steeds mogelijk. De beoordeling door de rechter van de goede trouw van de derden is te dezen bijzonder belangrijk, aangezien het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 niet toepasbaar is op die verbeurdverklaringen. Volgens de Ministerraad zouden twee arresten uitgesproken door het Hof van Cassatie op 14 januari 2004 en op 11 januari 2005 die benadering bevestigen : voor dat Hof is de verbeurdverklaring slechts mogelijk op voorwaarde dat de rechten van de derden niet worden geschonden. A.4.
  10. Het Centrum leidt, zijnerzijds, uit de bewoordingen van artikel 433terdecies, tweede lid, in verband met de inachtneming van de rechten van de derden af dat rekening dient te worden gehouden met drie elementen van beoordeling : artikel 433terdecies onderscheidt zich van het vroegere artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 door te voorzien in een automatische en niet langer een facultatieve verbeurdverklaring van de goederen; het wijkt af van het gemeen recht door te voorzien in de automatische verbeurdverklaring van het goed, zelfs indien het niet aan de veroordeelde toebehoort, en ten slotte strekt het tegelijkertijd ertoe de rechten van de derden te garanderen. De enige mogelijkheid om die drie elementen met elkaar te verzoenen, bestaat erin te oordelen dat de beoogde derde « te goeder trouw » dient te zijn. Voor die partij moet de in het geding zijnde bepaling bijgevolg zo worden geïnterpreteerd dat ze a priori (automatisch karakter) voorziet in de verbeurdverklaring van het goed, maar tevens zo dat ze de feitenrechter in staat stelt die verbeurdverklaring niet uit te spreken indien de eigenaar - derde bij het misdrijf -, die op de hoogte wordt gebracht van de zitting overeenkomstig artikel 5ter van het Wetboek van strafvordering, erin slaagt van zijn goede trouw te doen blijken (element ter bescherming van de derde te goeder trouw). Diezelfde partij onderstreept dat het begrip goede of kwade trouw dus doorslaggevend is : kan worden geoordeeld dat de derde eigenaar te kwader trouw is, indien hij het bestaan van het misdrijf kende of diende te kennen, of kan enkel worden geoordeeld dat hij te kwader trouw is, indien hij een daad van deelname aan huisjesmelkerij heeft gesteld ? Het Centrum suggereert om die vraag te beantwoorden door het doel voor ogen te houden dat de wetgever heeft nagestreefd met de aanneming van de bijzondere bepaling van artikel 433terdecies en dat erin bestond de strijd tegen de huisjesmelkers te versterken. Indien men oordeelt dat de eigenaar enkel te kwader trouw is wanneer hij heeft deelgenomen aan huisjesmelkerij, een activiteit die wordt bestraft in artikel 433decies van het Strafwetboek, komt men in werkelijkheid terecht bij de gemeenrechtelijke regeling, die voorziet in de automatische verbeurdverklaring wanneer het goed aan de veroordeelde toebehoort, dit wil zeggen aan de dader of de mededader van het misdrijf : artikel 433terdecies zou dus geen bestaansreden meer hebben en zou geen bijkomend ontradend effect hebben in vergelijking met het gemeen recht. Daaruit volgt dat het begrip goede trouw moet worden begrepen als zijnde de toestand van de eigenaar, derde bij het misdrijf, die het bestaan van de in zijn gebouw verrichte activiteit van huisjesmelkerij niet kende (en niet diende te kennen). A.
  11. Voor het Centrum, zoals voor de Ministerraad, zou de interpretatie van artikel 433terdecies die zij voorstaan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht nemen, niettegenstaande het feit dat daarin een verschil in behandeling wordt gemaakt tussen de eigenaars te goeder trouw en de eigenaars te kwader trouw. Het onderscheid heeft immers betrekking op de goede trouw van de eigenaar, wat een objectief criterium is en dat criterium is relevant ten aanzien van de nagestreefde doelstelling : de straf van bijzondere verbeurdverklaring maakt het mogelijk eigenaars te ontraden zich schuldig te maken aan activiteiten van huisjesmelkerij of ze te dekken. Ten slotte is het onderscheid evenredig met het nagestreefde doel, in zoverre de eigenaar zijn goede trouw kan laten gelden en de feitenrechter over een beoordelingsbevoegdheid beschikt : hij kan aldus het reële karakter van de beweringen van de derden-eigenaars controleren alsmede hun niet-deelname aan de feiten die de wetgever wil bestraffen. 6 De Ministerraad merkt ook op dat dat onderscheid zou overeenstemmen met de rechtspraak van het Hof inzake bijzondere verbeurdverklaring en met name met de arresten nrs. 162/2001 en 38/2002 : in die arresten heeft het Hof immers de voorgelegde bepaling afgekeurd in zoverre, door de verbeurdverklaring op te leggen zonder dat de eigenaar kan aantonen dat hij niets te maken heeft met het misdrijf, de inbreuk op het ongestoord genot van het eigendom kennelijk onevenredig is met de nagestreefde doelstelling van algemeen belang. Uit die rechtspraak zou, a contrario genomen, blijken dat een bepaling die de eigenaar te goeder trouw in staat stelt aan te tonen dat hij niets te maken heeft met het misdrijf, niet onevenredig is met de nagestreefde doelstelling, en dus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. A.
  12. Wat de inachtneming van artikel 12 van de Grondwet betreft, zetten zowel het Centrum als de Ministerraad uiteen dat het legaliteitsbeginsel in strafzaken wel degelijk in acht is genomen, in zoverre de straf van bijzondere verbeurdverklaring wordt vastgesteld in een wettekst. Artikel 433terdecies is, zoals die partijen voorstellen het te interpreteren, voldoende duidelijk en precies en stelt eenieder in staat te weten of het door hem aangenomen gedrag al dan niet strafbaar is; ofschoon aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten, wordt die bevoegdheid afgelijnd door precieze criteria. De Ministerrad voegt daaraan toe dat de in het geding zijnde bepaling bijgevolg de rechtspraak van het Hof in acht neemt in verband met het legaliteitsbeginsel in strafzaken; bovendien werd de aan de rechter gelaten beoordelingsbevoegdheid in verband met de goede trouw van de eigenaar van het gebouw reeds door het Hof gevalideerd in de voormelde arresten nrs. 162/2001 en 38/
  13. A.
  14. Wat ten slotte de inachtneming van artikel 17 van de Grondwet betreft, onderstrepen diezelfde partijen dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die grondwetsbepaling uitsluitend de algemene verbeurdverklaring beoogt. Artikel 433terdecies van het Strafwetboek voorziet evenwel in de bijzondere verbeurdverklaring van de goederen die hebben gediend om een misdrijf van huisjesmelkerij te plegen : het is dus niet strijdig met artikel 17 van de Grondwet. A.
  15. B.F., eigenaar van het gebouw waarin zich de activiteiten van huisjesmelkerij zouden hebben afgespeeld, schetst in de eerste plaats de feiten en onderstreept met name dat zijn hoedanigheid van derde te goeder trouw niet kan worden betwist : hij werd nooit lastig gevallen in het raam van het aan de verwijzende rechter voorgelegde dossier en de huurder van het genoemde gebouw heeft, zijnerzijds, een buitenvervolgingstelling in de raadkamer genoten, zonder hoger beroep vanwege het openbaar ministerie. A.
  16. Verderop in zijn memorie is B.F., met ruime verwijzing naar het standpunt van het arbeidsauditoraat hieromtrent, van mening dat de huidige bewoordingen van artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek de feitenrechter de verplichting opleggen het roerend of onroerend goed verbeurd te verklaren, zelfs wanneer het toebehoort aan een derde te goeder trouw, zonder de magistraat in staat te stellen de teruggave van het genoemde roerend of onroerend goed te gelasten. Zodoende zou die bepaling discriminerend zijn, aangezien « zij de eigenaar te goeder trouw niet in staat stelt zonder discriminatie zijn rechten en vrijheden te genieten, aangezien de magistraat verplicht is zijn onroerend goed verbeurd te verklaren, waarbij aldus een ongelijkheid in het leven wordt geroepen tussen de eigenaar te goeder trouw en diegene die zich volledig bewust was van het gebruik van zijn roerend of onroerend goed »; bovendien zou, zelfs indien de derde wordt gehoord, dit slechts illusoir zijn, vermits de feitenrechter de verbeurdverklaring van zijn onroerend goed zal moeten uitspreken, ongeacht de argumenten die de derde zou kunnen doen gelden. Tevens zou artikel 12 van de Grondwet zijn geschonden, vermits, in de aangeklaagde interpretatie, artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek, de eigenaar te goeder trouw de uitoefening van zijn rechten ontzegt en hem bijgevolg van zijn individuele vrijheid berooft, aangezien de derde weliswaar wordt gehoord, maar zonder enig nut – vermits de feitenrechter verplicht de verbeurdverklaring van het goed moet uitspreken. Ten slotte zou ook artikel 17 van de Grondwet zijn geschonden. In de aangeklaagde interpretatie stelt artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek ten aanzien van een derde-eigenaar te goeder trouw immers een echte straf in – een hoofdstraf, vermits het gaat om de verbeurdverklaring van zijn onroerend goed -, terwijl hij niet wordt vervolgd, hij nooit lastig gevallen werd en hij geacht wordt helemaal niets te maken te hebben met het dossier. 7 -B- B.
  17. De artikelen 16 tot 21 van de wet van 10 augustus 2005 voegen in boek II, titel VIII, van het Strafwetboek een hoofdstuk IIIquater in, met als opschrift : « Misbruik van andermans bijzonder kwetsbare positie door de verkoop, verhuur of terbeschikkingstelling van goederen met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren ». B.2.
  18. Aan het Hof wordt te dezen een vraag gesteld in verband met artikel 433terdecies van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 19 van de voormelde wet. Die bepaling - waarvan enkel het tweede lid in het geding is - stelt : « In de gevallen bedoeld in de artikelen 433undecies en 433duodecies worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot de ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31, eerste lid. De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, wordt toegepast op de schuldigen aan het misdrijf bedoeld in artikel 433decies, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft niet het eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd zouden kunnen worden verklaard. Zij moet in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte bedoeld in dat artikel. Ze kan ook worden toegepast op de tegenwaarde van deze roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve rechterlijke beslissing ». B.2.
  19. De artikelen 42 en 433decies, waarnaar artikel 433terdecies, tweede lid, van hetzelfde Wetboek verwijst, bepalen : « Art.
  20. Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast : 1° Op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en op die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn; 2° Op de zaken die uit het misdrijf voortkomen; 3° Op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen ». 8 « Art. 433decies. Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro wordt gestraft hij die rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie van een persoon ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand of zijn precaire sociale toestand door, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 bedoelde ruimte, te verkopen, te verhuren of ter beschikking te stellen in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken. De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn ». B.2.
  21. Ten slotte heeft de voormelde wet van 10 augustus 2005 artikel 5ter van het Wetboek van strafvordering gewijzigd, dat voortaan bepaalt : « Elke belanghebbende derde die volgens de door de rechtspleging verschafte aanwijzingen krachtens zijn rechtmatig bezit rechten kan doen gelden op de vermogensvoordelen bedoeld in de artikelen 42, 3°, 43bis en 43quater, van het Strafwetboek of die rechten kan doen gelden op de zaken bedoeld in artikel 42, 1, of op de zaken bedoeld in artikel 505 van het Strafwetboek, wordt op de hoogte gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak ». B.
  22. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek, de artikelen 10, 11, 12 en 17 van de Grondwet schendt « in zoverre het de verbeurdverklaring van het onroerend of roerend goed, zelfs indien het toebehoort aan een derde te goeder trouw, verplicht maakt, zonder de magistraat die zitting neemt ten gronde in staat te stellen de teruggave van dat roerend of onroerend goed te gelasten ». B.4.
  23. De Ministerraad en het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (hierna : het Centrum), zijn van mening dat de interpretatie van artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek, die door de verwijzende rechter aan het Hof wordt voorgelegd, verkeerd is. B.4.
  24. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. 9 B.
  25. In het ontwerp dat in de Kamer werd ingediend, luidde artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek als volgt : « De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan worden toegepast op de schuldigen aan het misdrijf bedoeld in […] artikel 433decies, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn. Zij kan in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het onroerend goed, de kamers of enige andere ruimte bedoeld in dit artikel » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1560/001, p. 52). De memorie van toelichting preciseert : « Artikel 433terdecies neemt het huidige artikel 77bis, §§ 4 en 5, van de wet van 1980 over in verband met de ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31 van het Strafwetboek en met de bijzondere verbeurdverklaring » (ibid., p. 27). B.6.
  26. In verband met het toen in ontwerp zijnde artikel 433terdecies, tweede lid, werden verscheidene amendementen ingediend die ertoe strekten rekening te houden met de situatie van de eigenaar te goeder trouw. B.6.
  27. Zulks is het geval voor de amendementen nrs. 19 en 20 (Parl. St., Kamer, 2004- 2005, DOC 51-1560/005, pp. 1-2), die door de auteurs ervan werden verantwoord door met name te stellen : « Het lijkt ons absurd dat een huurder die een huurhuis zonder goedkeuring van de eigenaar en buiten diens weten onderverhuurt met abnormaal profijt, tot gevolg zou kunnen hebben dat de eigenaar te goeder trouw zijn eigendom verbeurd verklaard ziet » (ibid., p. 2). Ofschoon die amendementen door hun auteurs werden ingetrokken (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1559/004, p. 43) – blijkbaar gelet op de inaanmerkingneming van een ander amendement, dat hierna wordt vermeld en een gelijkwaardig gevolg heeft -, werden ze niettemin door de toenmalige minister van Justitie becommentarieerd als volgt : « Inzonderheid de amendementen nrs. 19 en 20 stellen dat het concept ‘ bijzondere verbeurdverklaring ’ niet automatisch van toepassing is. Zo moet het in amendement nr. 19 om een criminele organisatie en in amendement nr. 20 om een criminele organisatie, bendevorming of om gewoontedelicten gaan. Zulks perkt de mogelijke bevoegdheidssfeer van de verbeurdverklaring uiteraard in, en dit zowel ten opzichte van de huidige situatie (waarbij niet in soortgelijke beperkingen is 10 voorzien) als ten opzichte van de efficiëntie van de wet. De praktijk leert immers dat de verbeurdverklaring vaak het beste middel is om een einde te maken aan een delictuele toestand. Men moet er evenwel op toezien [...] in deze averechtse effecten te voorkomen, en dus het recht van derden te beschermen » (ibid., pp. 40-41). B.6.
  28. Zoals hiervoor is gezegd, werd een ander amendement met nr. 24 (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1560/005, pp. 4-5) daarentegen goedgekeurd, en zulks met eenparigheid van de leden van de Commissie voor de Justitie (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1559/004, p. 44). In dat amendement werd met name voorgesteld de eerste zin van het tweede lid van artikel 433terdecies aan te vullen met de vermelding van het feit dat de bijzondere verbeurdverklaring plaatsvindt « zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van de derden op de goederen die verbeurd zouden kunnen worden verklaard ». Dat amendement werd verantwoord in de volgende bewoordingen : « Dit amendement beoogt allereerst de terminologie eenvormig te maken op grond van artikel 433nonies van het Strafwetboek inzake mensensmokkel. Vervolgens strekt het ertoe de tekst te verduidelijken wat de verplichte aard van de bijzondere verbeurdverklaring betreft, los van het gegeven of de veroordeelde persoon al dan niet eigenaar is, en anderzijds wat de rechten betreft van de derden naar analogie van artikel 505, derde lid. Het strekt er ten slotte toe eenvormigheid te brengen in de terminologie op grond van het amendement van de regering op artikel 433decies » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1560/005, p. 5). B.7.
  29. Het door de Kamer goedgekeurde wetsontwerp werd geëvoceerd door de Senaat. Het verslag namens de Commissie voor de Justitie van de Senaat vermeldt in de volgende bewoordingen de inleidende uiteenzetting van de minister van Justitie in verband met artikel 433terdecies van het Strafwetboek : « Vervolgens zijn de rechten van derden nader omschreven in geval van bijzondere verbeurdverklaring bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek (zaken die het onderwerp van het misdrijf uitmaken of gediend hebben voor het plegen ervan), naar analogie van artikel 505 van hetzelfde Wetboek (inzake het witwassen van geld). Aldus moet de eigenaar van het goed (bijvoorbeeld van het voertuig dat heeft gediend voor het vervoer van slachtoffers van mensensmokkel) op de hoogte worden gebracht van de rechtsdag voor de feitenrechter opdat hij de mogelijkheid zou hebben zijn argumenten voor te leggen om de verbeurdverklaring te voorkomen » (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-1138/4, p. 4). 11 B.7.
  30. De minister alludeerde aldus op de wijziging van artikel 5ter van het Wetboek van strafvordering, naar aanleiding van de aanneming van een amendement (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1560/005, pp. 3-4). Volgens het verslag is dat amendement nr. 22 het « logisch gevolg van amendement nr. 24 dat betrekking heeft op de bescherming van derden, bedoeld in artikel 6 »; het « strekt ertoe de waarborg voor derden dat ze op de hoogte zullen worden gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak, bedoeld in artikel 5ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, uit te breiden tot de toepassing van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek in geval van de misdrijven van huisjesmelkerij, mensensmokkel of mensenhandel » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1559/004, p. 44). B.
  31. Ten slotte werd in verband met artikel 433terdecies van het Strafwetboek een parlementaire vraag gesteld waarin met name werd opgemerkt : « De wet van 10 augustus 2005 voorziet in de verbeurdverklaring van het pand ten aanzien van de huisjesmelker, zelfs indien het pand geen eigendom is van de veroordeelde. Tijdens de parlementaire werkzaamheden werd bepaald dat die straf automatisch zou worden toegepast bij een veroordeling voor dergelijke feiten. De wet voegt er evenwel aan toe dat de verbeurdverklaring plaatsvindt zonder dat deze de rechten van derden op de goederen die het voorwerp van de verbeurdverklaring kunnen uitmaken, schaadt. De wet vertoont dus een gebrek aan logica, of doet op zijn minst problemen rijzen wat de toepassing betreft. Het is immers tegenstrijdig dat een eigenaar zijn pand verbeurdverklaard ziet terwijl hij geenszins van de praktijken van zijn huurder op de hoogte was en hij zelf door de rechtbank werd vrijgesproken. Dergelijke situatie kan zich evengoed voordoen indien de eigenaar zijn huurder uitdrukkelijk heeft verboden het pand onder te verhuren en indien de huurder dat verbod aan zijn laars lapt. In veel gevallen dreigt de eigenaar bovendien nooit een schadevergoeding te ontvangen, wanneer de veroordeelde voortvluchtig is of onvermogend. Deze toestand betekent een inbreuk op het eigendomsrecht en zal eigenaars er niet meteen toe aanzetten hun woningen te verhuren » (Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, 24 juli 2006, QRVA 51 130, p. 25631). De minister heeft geantwoord : «
  32. […] Artikel 433decies van het Strafwetboek heeft betrekking op ‘ al wie ’ de erin omschreven feiten pleegt, zonder onderscheid te maken tussen de eigenaar, de huurder of enig ander persoon die het genot heeft van een onroerend goed. 12 Tijdens de besprekingen over de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers, werd langdurig gediscussieerd over de verbeurdverklaring van een onroerend goed en de rechten van derden. Het geval van de eigenaar te goeder trouw werd, door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, verschillende malen ter sprake gebracht. Om de situatie van deze eigenaars te verduidelijken, werd een amendement ingediend op artikel 433terdecies om hun rechten te bepalen, inzonderheid om rekening te houden met de rechtspraak van het Hof van Cassatie die de rechten van derden te goeder trouw bevestigt. De bedoeling van de wetgever was duidelijk : artikel 433terdecies voorziet in de verplichting tot verbeurdverklaring, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft geen eigendom zijn van de dader van het misdrijf, maar krachtens dit artikel is het evenwel verplicht tevens rekening te houden met de rechten van derden die te goeder trouw zijn. Dit artikel mag niet worden begrepen als het opleggen van de verbeurdverklaring van een zaak die eigendom is van een derde wanneer deze zijn goede trouw heeft aangetoond en, a fortiori wanneer deze door de rechtbank is vrijgesproken.
  33. Gelet op wat voorafgaat, lijkt een wijziging van de wetgeving mij niet nodig te zijn, maar ik zal de aandacht van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring op dit punt vestigen » (Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, 13 november 2006, QRVA 51 142, pp. 27751-27752). B.
  34. Uit wat voorafgaat volgt dat, in zoverre de prejudiciële vraag uit artikel 433terdecies, tweede lid, afleidt dat « het de verbeurdverklaring van het onroerend of roerend goed, zelfs indien het toebehoort aan een derde te goeder trouw, verplicht maakt, zonder de magistraat die zitting neemt ten gronde in staat te stellen de teruggave van dat roerend of onroerend goed te gelasten », zij zich baseert op een verkeerde lezing van die bepaling. B.
  35. De prejudiciële vraag dient bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 433terdecies, tweede lid, van het Strafwetboek schendt de artikelen 10, 11, 12 en 17 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 juni
  36. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.