← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.074

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.074 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100623.5 Arrest- Rolnummer: 74/2010 Rechtsgebied: Financieel recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-07-01 15:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Publiek bankrecht - Nationale Bank van België PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 3 april 2009 tot wijziging van de financiële bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingesteld door de cvba « Deminor International » en anderen. Financieel recht - Nationale Bank van België -

  1. Verdeling van de jaarlijkse winst - a. Publieke aandeelhouder - Belgische Staat - « Seigneuriage »-inkomsten - b. Particuliere aandeelhouders - Dividenden - c. Wijziging van de wetgeving - Terugwerkende kracht - Rechtszekerheid -
  2. Emissierecht - Europees Stelsel van Centrale Banken -
  3. Wijziging van de statuten - a. Bevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders - b. Machtiging aan de Regentenraad door de wetgever - c. Stemrecht van de aandeelhouders. # Rechten en vrijheden - Eigendomsrecht - Beperkingen. # Europees gemeenschapsrecht - Vrij verkeer van kapitaal - Beperkingen Wettelijke bepalingen: Wet - 03-04-2009 - 11 ELI link Pub nr 2009003163 Tekst van de beslissing Rolnummer 4789 Arrest nr. 74/2010 van 23 juni 2010 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 3 april 2009 tot wijziging van de financiële bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingesteld door de cvba « Deminor International » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 oktober 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 oktober 2009, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 3 april 2009 tot wijziging van de financiële bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 april 2009, derde editie) door de cvba « Deminor International », met maatschappelijke zetel te 1160 Brussel, Edmond Van Nieuwenhuyselaan 6, Arne Vandenknoop, wonende te 2930 Brasschaat, De Wilgaard 3, Wim d’Hont, wonende te 9700 Oudenaarde, Kortrijkstraat 18, Antoine De Mul, wonende te 2100 Antwerpen, Turnhoutsebaan 305, Daniel Moreaux, wonende te 1200 Brussel, Mistrallaan 81, Harry Dijstelbergen, wonende te 2910 Essen, Schelpheuvelstraat 107, Dirk Thys, wonende te 2060 Antwerpen, Oranjestraat 23A, Alois Magnus, wonende te 1860 Meise, Bloemendreeflaan 2, Max Swenden, wonende te 2840 Rumst, Kruislei 8, Patrick Hanssens, wonende te 1930 Zaventem, Steenokkerzeelstraat 74, Peter Vervloet, wonende te 2220 Heist-op-den-Berg, Louis Van Kerckhovenstraat 14, John Vos, wonende te 3000 Leuven, Brusselsestraat 268, Albert Masui, wonende te 2300 Turnhout, Steenweg op Tielen 18, Sonia Ameye, wonende te 2140 Borgerhout, Morckhovenlei 35, Nathalie Horvelin, wonende te 1380 Lasne, rue de Genleau 103, Eric Depré, wonende te 8820 Torhout, Beckhofstraat 1, Danny De Jong, wonende te 2300 Turnhout, Tichelarijstraat 68, Gérald Morel de Westgaver, Gauthier Morel de Westgaver en Vincianne Morel de Westgaver, wonende te 9052 Zwijnaarde, Mijlgrachtstraat 4, Peter Noyens, wonende te 2460 Kasterlee, Poederleesteenweg 47, Adriaan Noyens, wonende te 2460 Kasterlee, Vorsel 26, Jacques Noyens, wonende te 2470 Retie, Grensstraat 11, Stefaan Martens, wonende te 9988 Sint-Laureins, Ketterijstraat 37, Paul G.M. Devos, wonende te 3000 Leuven, Minderbroedersstraat 25, Raphaël Spegelaere, wonende te 9031 Drongen, De Kemmeterlaan 20, Patrick Mistiaen, wonende te 9870 Zulte, Oude Weg 184, Roosje Boschmans, wonende te 1880 Kapelle-op-den-Bos, Fazantenlaan 34, Piet Vandenbussche, wonende te 3001 Heverlee, Frans Cnopslaan 4, Johannes Van Coillie, wonende te 1000 Brussel, Vandenbrandenstraat 42, Prosper Thuysbaert, wonende te 1150 Brussel, Orléansgaarde 12, Gilles Thuysbaert, wonende te 3000 Leuven, Oude Rondelaan 2, Koen Labens, wonende te 8810 Lichtervelde, Zwevezelestraat 6, Cécile Vandeputte, die keuze woonplaats doet te 1000 Brussel, Clovislaan 18, Ingrid Callens, wonende te 2860 Sint-Katelijne-Waver, Kalkoenstraat 19, Antoon Stockman, wonende te 8800 Roeselare, Graaf de Thienneslaan 10, Patrick Defreyne, wonende te 8560 Wevelgem, Dennestraat 12, Yve Van Eynde, wonende te 3040 Huldenberg, Leuvensebaan 121, Pierre Van Der Cruyssen, wonende te 9800 Deinze, Markt 19, Paul Kerkhof, wonende te 9870 Zulte, Drogenboomstraat 58, Herman Van Houte, wonende te 9220 Hamme, Driegoten 1a, Luc Jansens, wonende te 2390 Oostmalle, Molendreef 3, Marcel Smet, wonende te 1190 Brussel, Domeinlaan 169, Daniël De Meyer, wonende te 9800 Deinze, Ten Bosse 41, Ostan Battista, wonende te 7080 La Bouverie, rue de la Colline 136, Henri Van Dommelen, wonende te 2390 Westmalle, Brechtsesteenweg 30, Jozef Van Houdt, wonende te 2370 Arendonk, Kerkstraat 206, Reynold Van Den Weghe, wonende te 9870 Zulte, Oeselgemstraat 79, Michel Bikar, wonende te 1150 Brussel, Witte Vrouwenlaan 139, Dirk Vandorpe, wonende te 9810 Nazareth, Biezenstraat 9, Marcel Manderick, wonende te 9790 Wortegem, Waregemseweg 157, Sofie Gheeraert, wonende te 8800 Roeselare, Meensesteenweg 714, Georges De Blaere, wonende te 9810 Nazareth, Lijsterstraat 8, Hubertus Haass, wonende te 1880 Kapelle-op-den-Bos, Fazantenlaan 34, Daniel De Smedt, wonende te 2550 Olen, Doffen 68, Hector Vermeersch, wonende te 2520 Ranst, Zwaluwenlaan 2, Filip Huyzentruyt, wonende te 3360 Korbeek-Lo, Bierbeekstraat 123, Noël Bouillart, wonende te 2812 Muizen, 3 Brugstraat 24, Leopold Van Steenberge, wonende te 8510 Marke, Watervalstraat 2, Jan Vindevoghel, wonende te 8570 Anzegem, Berglaan 7, Theo Raedschelders, wonende te 3680 Maaseik, Pelserstraat 15, Harry Huybrechts-Gontie, wonende te 1800 Vilvoorde, Toekomststraat 29, Hans Van Nieuwenhove, wonende te 9620 Zottegem, Sint-Andriessteenweg 188, Geert Dedeystere, wonende te 9770 Kruishoutem, Varkenskotstraat 1, Eric Geenen, wonende te 2340 Beerse, Kapelstraat 1, Johan Dedeystere, wonende te 9800 Deinze, Tolpoortstraat 56, Filip Van Wiele, wonende te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Afsneedorp 2, Filip Corthier, wonende te 9220 Hamme, Weverstraat 29, Jacques Beghin, wonende te 9830 Sint-Martens-Latem, De Knok 6, Yanick D’Hooghe, wonende te 3080 Tervuren, Bleuckeveldlaan 47, Jacques Wybauw, wonende te 2170 Merksem, Rietschoorvelden 62, Walter Claes, wonende te 2950 Kapellen, Olmendreef 18, Henri Wuyts, wonende te 2950 Kapellen, Dorpsstraat 33, Danny Smekens, wonende te 9620 Zottegem, Wijnhuizenstraat 85, Frédéric Ropsy, wonende te 1380 Lasne, rue de Genleau 103, Nicole Willems, wonende te 1150 Brussel, Tervurenlaan 215, Marc Cloet, wonende te 8000 Brugge, Zwijnstraat 2, Jaak Van Der Gucht, wonende te 9420 Bambrugge, Dries 39, Robert Hanssens, wonende te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Kleinenbergstraat 74, en Anne-Marie Versele, wonende te 9700 Oudenaarde, Fietelstraat
  4. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 mei 2010 : - zijn verschenen : . Mr. P. de Bandt, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. P. Peeters en Mr. X. Dieux, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  5. De cvba « Deminor International » en anderen beroepen zich op hun hoedanigheid van aandeelhouders van de Nationale Bank van België. De cvba « Deminor International » preciseert dat zij optreedt ter behartiging van zowel de eigen belangen als die van haar klanten die eveneens aandeelhouders zijn van de Nationale Bank van België (NBB). Om hun rechtens vereiste belang bij het beroep te staven, voeren de verzoekende partijen aan dat hun rechten als aandeelhouders rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de wet van 3 april 2009 tot wijziging van de financiële bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (hierna : wet van 3 april 2009). A.1.
  6. De Ministerraad werpt op dat de verzoekende partijen nalaten hun hoedanigheid van aandeelhouders bij de NBB aan te tonen en dat hun beroep derhalve niet-ontvankelijk is. Volgens de Ministerraad laat de cvba « Deminor International » ook na aan te tonen dat haar leden ook effectief aandeelhouder zijn van de NBB. Het beroep van de cvba « Deminor International » zou dan ook een actio popularis zijn. A.1.
  7. Als bijlage bij hun memorie van antwoord leggen de verzoekende partijen attesten neer waaruit hun hoedanigheid van aandeelhouders van de NBB blijkt. A.1.
  8. In zijn memorie van wederantwoord doet de Ministerraad opmerken dat verschillende verzoekende partijen nog nalaten hun hoedanigheid van aandeelhouder van de NBB te bewijzen. Wat de cvba « Deminor International » betreft, voert de Ministerraad nog aan dat de beslissing van haar raad van bestuur om op te treden ter bescherming van zowel de eigen rechten als de rechten van haar klanten die aandeelhouders zijn, niet volstaat om haar belang aan te tonen. Bovendien laat die partij na haar hoedanigheid van aandeelhouder aan te tonen. Zij legt evenmin enig bewijs voor dat zij werd gemandateerd om namens de klanten het beroep in te stellen. Ten gronde Eerste middel A.
  9. Met het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van de Europese richtlijn 2007/36/EG van 11 juli 2007, met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, alsook met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet. Eerste onderdeel A.3.1.
  10. De cvba « Deminor International » en anderen betogen in een eerste onderdeel dat de bestreden wet van 3 april 2009 de voormelde bepalingen en beginselen schendt doordat zij de Belgische Staat een buitenmatig voordeel verschaft. Het verschil in behandeling tussen de Belgische Staat als publieke aandeelhouder en de andere aandeelhouders van de NBB berust niet op een objectief, pertinent en evenredig criterium. Zowel artikel 4 van de richtlijn 2007/36/EG van 11 juli 2007 als artikel 30 van het Wetboek van vennootschappen poneren het gelijkheidsbeginsel tussen aandeelhouders. De bestreden wet wijzigt de regels voor de winstverdeling en voor de aanleg van de reserves zo dat de Belgische Staat meer ontvangt vanwege zijn emissieprivilege dan vanwege zijn aandeelhouderschap. 5 De verzoekende partijen stellen dat het motief, aangevoerd in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet, dat het hier gaat om « de relatie tussen de Nationale Bank en de soevereine Staat die, in de uitoefening van haar prerogatieven, aan de Nationale Bank, als centrale bank van het land, het emissieprivilege inzake bankbiljetten heeft verleend », zonder enige grond is. Nergens worden objectieve redenen aangevoerd als verklaring voor de verhoging van de vergoeding van de Staat als tegenprestatie voor het emissieprivilege, dat niet meer bestaat. In de parlementaire voorbereiding werd gewezen op de stijging van het aantal bankbiljetten dat in omloop is, maar er is geen correlatie tussen die stijging en de nettowinst van de Bank, of minstens hebben andere parameters meegespeeld. Er werd ook gewezen op de staatswaarborg, maar het is onduidelijk hoe die waarborg een bron van bijkomende inkomsten voor de NBB zou zijn. De indruk ontstaat dat de Staat met de bestreden wet een andere doelstelling voor ogen had en dat men in feite meer greep wilde krijgen op de nettowinsten van de Bank. A.3.1.
  11. Volgens de Ministerraad is de stelling dat er een onverantwoord verschil in behandeling zou zijn tussen de Staat als aandeelhouder en de overige aandeelhouders, fundamenteel onjuist : het nieuwe stelsel betreft niet de NBB en haar aandeelhouders, maar de verhouding tussen de Belgische Staat en de NBB als centrale bank, lid van het Europees stelsel van centrale banken (hierna : ESCB). Omdat de NBB het emissierecht heeft gekregen, is de Belgische Staat gerechtigd een surplus te ontvangen. Die vergoeding werd reeds toegekend toen de Staat nog geen aandeelhouder was. De categorieën van personen waartussen de verzoekende partijen een ongerechtvaardigd verschil in behandeling aanklagen, zijn dus niet vergelijkbaar. Er is geen verschil in behandeling tussen de Belgische Staat als aandeelhouder en de andere aandeelhouders. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden derhalve niet geschonden. Hieruit volgt dat de verwijzing naar het beginsel van gelijkheid tussen aandeelhouders vervat in artikel 4 van de richtlijn 2007/36/EG niet pertinent is. De Ministerraad ontkent dat de NBB haar emissierecht zou hebben verloren door de integratie in het ESCB. De Ministerraad doet opmerken dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 10 december 2003 (nr. 160/2003, overweging B.8.7.1) heeft bevestigd dat « in tegenstelling tot wat de verzoekers beweren, de bestreden bepaling dus niet het emissierecht van de N.B.B. met terugwerkende kracht herstelt. Zij bevestigt slechts het bestaan van dat emissierecht binnen het E.S.C.B. ». A.3.1.
  12. In hun memorie van antwoord doen de cvba « Deminor International » en anderen gelden dat de stelling van de Ministerraad dat de bestreden wet geen betrekking heeft op de relaties tussen de Bank en de Staat als aandeelhouder, maar tussen de Bank en de Staat als soevereine Staat, misleidend is. De verzoekende partijen citeren uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 juli 1948, toen de Belgische Staat aandeelhouder werd van de NBB, (Parl. St., Kamer, 1947-1948, nr. 282, pp. 1-3) en maken daaruit op dat de hoedanigheid van aandeelhouder en van soevereine Staat onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In de rijksmiddelenbegroting is enkel sprake van een « jaarlijks financieel inkomen afkomstig van de Nationale Bank van België », zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt tussen dividenden en andere inkomsten. A.3.1.
  13. De Ministerraad repliceert dat vanaf de oprichting tot in 1948 de enige hoedanigheid van de Staat ten opzichte van de NBB die van soevereine Staat was, als verstrekker van het emissieprivilege, waarvoor hij gerechtigd is op het surplus van de « seigneuriage ». Sinds de toetreding tot het kapitaal van de NBB in 1948 is de Staat ook aandeelhouder en dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de twee hoedanigheden. Uit het gegeven dat in de rijksmiddelenbegroting de niet-fiscale ontvangsten van de NBB sinds 2006 om begrotingstechnische redenen worden samengevoegd in één begrotingsartikel, kan niet worden afgeleid dat er een onlosmakelijk verband zou zijn tussen de twee hoedanigheden van de Staat. Volgens de Ministerraad zijn de categorieën van personen hoe dan ook niet vergelijkbaar nu de Staat, in tegenstelling tot de aandeelhouders, aan de NBB het emissieprivilege heeft toegekend. A.3.2.
  14. Volgens de verzoekende partijen was het met de oude regels ook mogelijk een hoger dividend uit te keren, waardoor meer middelen naar de Staat zouden vloeien. Aangezien de wetgever zijn doel minder belastend en even doeltreffend had kunnen bereiken op een andere wijze, blijkt dat de nieuwe regeling niet noodzakelijk is. 6 In ieder geval is er geen redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. De bestreden wet heeft een volledige omwenteling van de regels voor verdeling en aanleg van reserves tot gevolg en leidt de facto tot een onteigening van de aandeelhouders, die enkel op een zeer beperkt deel van de activa en winsten rechten kunnen doen gelden. Er is sprake van een feitelijke nationalisering van de winsten en een « mutualisering » van de risico’s, in het voordeel van de Staat en ten laste van de gewone aandeelhouders. A.3.2.
  15. De Ministerraad spreekt tegen dat de nieuwe wet « een volledige omwenteling van de regels voor verdeling en aanleg van reserves » met zich zou meebrengen en een onteigening zou inhouden. De zogenaamde « 3 pct. »-regel volgens welke de NBB voor haar werkingskosten en voor het vergoeden van haar aandeelhouders en het aanleggen van reserves drie procent mocht inhouden van de netto financiële opbrengsten die de Staat toekwamen, had steeds tot doel te waarborgen dat de Staat de inkomsten uit het emissiemonopolie verkreeg, na aftrek van de 3 pct. in verhouding tot de kosten van de NBB. De opheffing van die « 3 pct. »-regel en de nieuwe verdeling doen geen afbreuk aan het principe zelf van de verdeling van de inkomsten van de NBB tussen, enerzijds, de Staat en, anderzijds, de aandeelhouders. De nieuwe wet past enkel de modaliteiten voor de toepassing van dat principe aan, rekening houdend met de evolutie van de inkomsten van de NBB. De Ministerraad betoogt aan de hand van grafieken dat van 1966 tot 2002 een zeer groot aandeel van de inkomsten van de NBB werden toegekend aan de Staat, waarbij de Bank slechts een klein deel van de inkomsten behield voor haar reserves en om het kapitaal te vergoeden. Sinds 2002 is het aandeel van de Staat in de inkomsten afgenomen en is dat van de Bank verhoogd. De nieuwe verdeling van de inkomsten is evenredig met het doel om te waarborgen dat het surplus van de « seigneuriage », dit is de vergoeding voor het door de Staat aan de NBB verleende emissieprivilege, terugvloeit naar de Staat als vertegenwoordiger van de gemeenschap van de burgers. Volgens de Ministerraad vertoont de bestreden wet ten opzichte van de oude wet een duidelijke eenheid van doelstelling en continuïteit wat betreft het onderscheid tussen de vergoeding voor het emissierecht en de vergoeding van de kapitaalinbreng. Van een radicale breuk is dus geen sprake. Uit de cijfers blijkt dat de nieuwe wet niet tot gevolg heeft dat het dividend van de aandeelhouders wordt verminderd ten voordele van de Staat, wel integendeel. Het mechanisme van de verdeling van de inkomsten wordt op één lijn gebracht met dat van de andere centrale banken, zoals bijvoorbeeld die van Luxemburg en Duitsland. Ook hieruit blijkt volgens de Ministerraad de legitimiteit van de nieuwe regeling, alsmede de adequaatheid en evenredigheid ervan ten opzichte van het nagestreefde doel. Het beginsel dat het surplus van de inkomsten van de NBB terugvloeit naar de Staat ter vergoeding van het emissieprivilege dat aan de centrale bank werd toegekend, geldt ook voor andere centrale banken die eveneens private aandeelhouders hebben, zoals de centrale bank van Italië, en ook voor centrale banken (bijvoorbeeld die van Zwitserland en Griekenland) die, zoals de NBB, beursgenoteerd zijn. Op de opmerking van de verzoekende partijen dat het doel ook had kunnen worden bereikt door een hoger dividend uit te keren aan alle aandeelhouders, antwoordt de Ministerraad dat de wetgever heeft willen vermijden dat een onevenredig groot deel van de « seigneuriage » aan de NBB en haar aandeelhouders zou toekomen en dat die doelstelling uiteraard niet kan worden bereikt door aan alle aandeelhouders een hoger dividend uit te keren. A.3.2.
  16. De cvba « Deminor International » en anderen antwoorden dat de doelstellingen die de Ministerraad de bestreden wet toeschrijft, neerkomen op een en dezelfde ratio, namelijk het veilig stellen van de financiële belangen van de Staat ten nadele van de aandeelhouders. Zelfs indien de wet zou beogen een correcte vergoeding van het emissierecht te waarborgen, dan nog zou er een gebrek aan redelijk verband van evenredigheid zijn tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Volgens de verzoekende partijen kunnen noch de stijging van het aantal bankbiljetten in omloop, noch de toekenning van staatswaarborg aan de NBB, een verantwoording bieden voor de fundamentele wijziging van de winstverdeling. De evolutie van de hoeveelheid bankbiljetten in omloop kan ook negatief zijn, zoals in
  17. De voorstelling van zaken door de Ministerraad is ongenuanceerd en onvolledig. Zo wordt geen rekening gehouden met de implicaties van de goudmeerwaarden en wordt gepoogd de impact van andere parameters op de inkomsten van de Staat, zoals het renterisico, te bagatelliseren. De « 3 pct. »-regel had tot gevolg dat de volatiliteit van de resultaten van de Bank in belangrijke mate door de Staat werd gedragen. Door de afschaffing van die regel worden de risico’s daarentegen naar de vergoedingsbasis van de aandeelhouders verplaatst. 7 Ook de toekenning van de staatswaarborg kan geen verantwoording bieden voor de nieuwe regeling. De kosten van die waarborg kunnen worden becijferd. Bovendien genereert het verschaffen van noodkredieten ook inkomsten. Overigens geldt de staatswaarborg enkel in noodsituaties, zodat dit niet kan worden aangevoerd om de duurzame en volledige omwenteling van de bestaande regeling te verantwoorden. De verzoekende partijen herhalen dat het wel degelijk om een volledige omwenteling van het stelsel gaat : men stapt over van een stelsel waarbij de vergoeding van het emissieprivilege (dat volgens de verzoekende partijen thans niet meer bestaat) bepaalde kosten voor de Bank vertegenwoordigt, naar een stelsel waarbij alle inkomsten – na aftrek van de kosten van de Bank – naar de Staat gaan. Er is dus geen sprake van « een duidelijke eenheid van doelstelling en continuïteit » zoals de Ministerraad beweert, maar van een volledige breuk met het verleden. Niet alleen wordt het recht op dividend van de aandeelhouders beperkt tot een bij wet bepaald maximum, maar bovendien verliezen zij hun rechten op het winstsaldo. Het voordeel dat de Staat uit het nieuwe stelsel haalt, is volledig buiten verhouding tot de weerslag ervan voor de aandeelhouders. A.3.2.
  18. De Ministerraad repliceert dat de laatste jaren de netto financiële opbrengsten ten belope van de eerste 3 pct. van het jaargemiddelde van de netto financiële activa, systematisch en substantieel de kosten van de NBB overschreden. De belangrijkste reden daarvoor is de evolutie van de bankbiljettenomloop sinds 2002, zoals die wordt ingeschreven op de passiefzijde van de balans van de NBB. De passiefpost die het bedrag van die biljetten weergeeft, is in de periode van 1999 tot 2008 gestegen van 12,95 miljard euro naar 24,88 miljard euro en is dus nagenoeg verdubbeld. De verzoekende partijen verwarren de hoeveelheid effectief in omloop gebrachte biljetten met het aandeel van de NBB in de totale emissie van eurobiljetten binnen het ESCB, dat de basis is voor de passiefpost. Dat de goudmeerwaarden buiten beschouwing zijn gelaten, is logisch aangezien die niet worden meegerekend in de bedragen die de Staat toekwamen op grond van het oude artikel 29 van de wet van 22 februari 1998 en het voorwerp zijn van artikel 30 van die wet, dat niet door de thans bestreden wet van 3 april 2009 is gewijzigd. De afschaffing van de « 3 pct. »-regel heeft de volatiliteit en het risico niet verplaatst van de Staat naar de aandeelhouders van de NBB, maar heeft dat risico juist verkleind. De NBB kan het deel dat vroeger voorafgaand aan de vaststelling van de te verdelen winst werd toegekend aan de Staat voortaan reserveren, terwijl nu de Staat pas in laatste instantie zijn saldo krijgt. De Ministerraad stelt dat de verzoekende partijen geen repliek geven op de vaststelling dat de staatswaarborg bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet van 22 februari 1998 een betekenisvolle weerslag heeft op de door de NBB te dekken risico’s. Zonder die staatswaarborg zou de Bank aanzienlijk grotere financiële buffers nodig hebben. De verzoekende partijen zeggen enkel dat die kosten kunnen worden becijferd, maar geven geen concreet cijfervoorbeeld. A.3.3.
  19. De verzoekende partijen voeren nog aan dat de eenzijdige wijziging van de verdelingsregels, die al meer dan vijftig jaar toegepast werden, indruist tegen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. A.3.3.
  20. De Ministerraad antwoordt dat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks aan het rechtszekerheidsbeginsel te toetsen en dat volgens het Hof een opeenvolging van wetgeving op zich niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat er veeleer sprake is van een continuïteit in de verdeling van de inkomsten van de NBB en dat geen afbreuk wordt gedaan aan de « gewettigde verwachtingen » van de verzoekende partijen. A.3.3.
  21. In hun memorie van antwoord stellen de cvba « Deminor International » en anderen dat het Hof weliswaar onbevoegd is om rechtstreeks toezicht uit te oefenen op de overeenstemming van wetten met algemene rechtsbeginselen, maar dat het Hof wel met die beginselen rekening houdt bij de toetsing aan bepalingen die wel rechtstreekse toetsingsnormen zijn. Nu de bestreden wet afbreuk doet aan de legitieme verwachtingen van de aandeelhouders van de NBB, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat, is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 A.3.3.
  22. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partijen nalaten aan te tonen welke vergelijkbare categorieën van personen zij onderscheiden die, met toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel, ongelijk worden behandeld. Volgens de Ministerraad is er hoe dan ook veeleer een continuïteit in de verdeling van de inkomsten van de NBB en wordt geen afbreuk gedaan aan de beweerde « gewettigde verwachtingen » van de verzoekende partijen. Tweede onderdeel A.4.
  23. In een tweede onderdeel van het eerste middel, voeren de cvba « Deminor International » en anderen aan dat afbreuk wordt gedaan aan het stemrecht van de aandeelhouders, doordat zij niet worden betrokken bij de wijziging van de statuten wat het tijdstip van de algemene vergadering van de aandeelhouders betreft. Artikel 4 van de wet van 3 april 2009 maakt het de Regentenraad van de NBB mogelijk om in artikel 61, 1°, van de statuten van de NBB de datum van de gewone algemene vergadering van « maart » in « mei » te wijzigen. In de parlementaire voorbereiding van dat artikel wordt wel uiteengezet waarom een wijziging van de datum van de algemene vergadering van de aandeelhouders van de NBB van de maand maart naar de maand mei noodzakelijk zou zijn, maar niet waarom dit moet gebeuren door middel van een eenzijdige wijziging van de statuten door de wetgever, die daartoe de Regentenraad machtigt. Dit is volgens de cvba « Deminor International » en anderen een aanfluiting van het stemrecht van de aandeelhouders, zonder enige verantwoording. Het was perfect mogelijk een dergelijke wijziging van de statuten te agenderen voor de algemene vergadering die op 30 maart 2009 werd gehouden. Aldus voert de bestreden wet een onverantwoord verschil in behandeling in tussen aandeelhouders van de NBB en aandeelhouders van elke andere beursgenoteerde vennootschap. A.4.
  24. De Ministerraad doet opmerken dat het tweede onderdeel van het eerste middel losstaat van de andere onderdelen. Het onderdeel viseert enkel artikel 4 van de wet van 3 april
  25. Volgens de Ministerraad valt niet in te zien hoe het enkele feit dat de wetgever de Regentenraad heeft gemachtigd om erin te voorzien dat de gewone algemene vergadering van de Bank voortaan kan worden gehouden in de maand mei en niet langer in de maand maart, van dien aard is dat de situatie van de verzoekende partijen « rechtstreeks en op nadelige wijze wordt beïnvloed ». De regels in verband met het stemrecht van de aandeelhouders behoren niet tot de normen waaraan het Hof vermag te toetsen. De Ministerraad voert ook aan dat de situatie van de aandeelhouders van de NBB en die van de aandeelhouders van elke andere beursgenoteerde vennootschap niet vergelijkbaar is. De NBB heeft een bijzonder statuut met specifieke organen en werkingsregels. Terwijl een gewone naamloze vennootschap als organen een raad van bestuur, een algemene vergadering, en eventueel een afgevaardigde voor het dagelijks bestuur of een directiecomité heeft, zijn de organen van de NBB de gouverneur, het Directiecomité, de Regentenraad en het College van censoren. De algemene vergadering is geen orgaan van de NBB en beschikt slechts over beperkte bevoegdheden. Het komt de Regentenraad toe de statuten te wijzigen, mits goedkeuring door de Koning. In meer ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat het specifieke statuut van de NBB, die de enige vennootschap is in België die lid is van het Eurosysteem, een objectief criterium van onderscheid vormt dat verantwoordt dat een beperkte wijziging van de statuten mogelijk wordt gemaakt om de bekendmaking van de resultaten van de NBB beter af te stemmen op die van de Europese Centrale Bank (hierna : ECB). Het is zowel in het Belgische als in het algemene belang dat de jaarrekening van de NBB niet zou worden bekendgemaakt vóór die van de ECB, zodat men hieruit geen elementen van de jaarrekening van de ECB zou kunnen afleiden die nog niet publiek zijn gemaakt. De bevoegde minister heeft dat motief in het parlement toegelicht en de ECB heeft de wijziging nuttig bevonden in haar advies over het ontwerp van de huidige wet. De Ministerraad is derhalve van mening dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk is, of minstens ongegrond. A.4.
  26. De cvba « Deminor International » en anderen antwoorden dat zij wel degelijk worden geraakt door de bestreden wet, nu die hen heeft beroofd van hun stemrecht in een aangelegenheid die normalerwijze tot hun bevoegdheid behoort. 9 In dat onderdeel van het middel wordt het verschil in behandeling aangeklaagd tussen de aandeelhouders van de NBB en de aandeelhouders van elke andere beursgenoteerde vennootschap. Dat verschil kan niet worden verantwoord, zodat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet miskend wordt. Het Hof is bevoegd om van dat middel kennis te nemen. De verzoekende partijen betwisten niet dat de NBB een bijzonder statuut heeft dat geregeld wordt door de wet van 22 februari 1998 en de statuten, maar zijn van oordeel dat dit bijzondere statuut niet kan worden aangevoerd om alle aanpassingen van de overige elementen, die in beginsel onder het gemeen recht vallen, te verantwoorden. Artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 is een uiting van de essentiële bevoegdheid die in iedere kapitaalvennootschap aan de algemene vergadering van de aandeelhouders toekomt, namelijk de bevoegdheid om de statuten te wijzigen. Wat betreft de statutenwijziging zijn de aandeelhouders van de NBB wel degelijk vergelijkbaar met aandeelhouders van elke andere beursgenoteerde vennootschap. Volgens de verzoekende partijen bevat de toelichting in de parlementaire voorbereiding wel een verklaring voor een wijziging van de datum van de algemene vergadering, maar dat verantwoordt niet waarom de algemene vergadering niet zelf over die aanpassing heeft mogen stemmen, wat had gekund op de algemene vergadering van 30 maart
  27. A.4.
  28. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partijen alvast niet betwisten dat zij geen belang hebben bij het bekritiseren van de uiterst beperkte machtiging die te dezen aan de Regentenraad wordt gegeven. Er valt niet in te zien hoe het houden van de gewone algemene vergadering in mei in plaats van in maart de verzoekende partijen « rechtstreeks en op nadelige wijze » zou beïnvloeden. De Ministerraad herhaalt dat de wijziging van de datum van de algemene vergadering verband houdt met de werking van het ESCB. Het bestreden artikel 4 vult artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 veeleer aan dan ervan af te wijken. Alle opdrachten van algemeen belang van de NBB worden opgenomen in die wet en in de statuten. Om te vermijden dat elementen van het resultaat van de ECB bekend zouden geraken via de jaarrekening van de NBB, moest de jaarvergadering van de NBB worden verplaatst naar mei. De Ministerraad repliceert ook dat de voorgestelde wijziging niet kon plaatsvinden op de algemene vergadering van 30 maart 2009, aangezien de statuten enkel in een buitengewone algemene vergadering kunnen worden gewijzigd. Derde onderdeel A.5.
  29. De cvba « Deminor International » en anderen betogen dat de bestreden wet, die eerst in april 2009 in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, krachtens artikel 5 ervan in werking treedt op 1 januari 2009 en derhalve in strijd is met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet, nu nergens uit blijkt dat het nodig was om de nieuwe regels met terugwerkende kracht in te voeren. De retroactieve werking is des te minder verantwoord nu de stijging van het aantal biljetten in omloop, die als verantwoording voor de wettelijke ingreep wordt aangevoerd, sinds verscheidene jaren bekend is. A.5.
  30. De Ministerraad voert in eerste instantie aan dat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat er geen schending is van het beginsel van niet-retroactiviteit. De wet van 3 april 2009 heeft geen invloed op de winsten van de NBB van 2008 of vroeger. De inkomsten van de NBB die zijn gegenereerd tussen 1 januari 2009, datum waarop de wet in werking is getreden, en 28 april 2009, datum waarop de wet werd afgekondigd, zullen ten vroegste na de goedkeuring van de jaarrekening door de Regentenraad in maart 2010 het voorwerp kunnen zijn van een reservering of uitkering van dividenden. De wet heeft derhalve geen terugwerkende kracht. De datum van inwerkingtreding strekt enkel ertoe te waarborgen dat de uitkering van de winsten voor 2010 zal gebeuren overeenkomstig de nieuwe wet, wat de rechtszekerheid bevordert. Zo is de wijziging van de regels in verband met de verdeling van de winsten van toepassing op het geheel van de inkomsten, met inbegrip van die welke zijn verwezenlijkt vóór de wijziging. 10 In uiterst ondergeschikte orde – gesteld dat het Hof zou oordelen dat de nieuwe wet retroactief werkt – voert de Ministerraad aan dat de terugwerkende kracht te dezen verantwoord is door de noodzaak om de regels in verband met de verdeling van de winsten aan te passen aan de evolutie van de inkomsten en te waarborgen dat het surplus van de « seigneuriage » blijft toekomen aan de Staat. Volgens de Ministerraad heeft het Hof reeds in zijn arrest nr. 128/2000 van 6 december 2000 overwogen dat dwingende doelstellingen van budgettaire aard de terugwerkende kracht van een begrotingswet kunnen verantwoorden. A.5.
  31. Wat de bevoegdheid van het Hof betreft, stellen de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord dat – zoals wat eerder is aangevoerd met betrekking tot het rechtszekerheidsbeginsel – het Hof wel degelijk rekening kan houden met het beginsel van niet-retroactiviteit dat wordt aangevoerd in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het door de Ministerraad aangevoerde feit dat de uitkering van de winsten van 2009 eerst in 2010 zal plaatsvinden, is volgens de cvba « Deminor International » en anderen niet relevant. Er is duidelijk sprake van retroactiviteit en aantasting van de rechtszekerheid, nu de nieuwe regels van toepassing zijn op alle opbrengsten van de NBB sinds 1 januari
  32. Die retroactiviteit kan niet zonder verantwoording worden aangenomen. De nieuwe regels zijn van toepassing op de winsten van een jaar waarvoor de aandeelhouders redelijkerwijze konden verwachten dat die winsten zouden worden verdeeld op grond van de bestaande regeling. Hierover is geen enkele uitleg te vinden in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet. Zodoende schendt de bestreden wet op dat punt manifest de beginselen van behoorlijke wetgeving. A.5.
  33. De Ministerraad herhaalt dat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks te toetsen aan algemene beginselen. In ieder geval tonen de verzoekende partijen niet aan welke de vergelijkbare categorieën van personen zijn die, met toepassing van het beginsel van niet-retroactiviteit, ongelijk worden behandeld. In ondergeschikte orde herhaalt de Ministerraad dat er te dezen geen sprake is van retroactiviteit en dat artikel 5 van de wet van 3 april 2009 enkel ertoe strekt te waarborgen dat de uitkering van de winsten in 2010 zal geschieden op basis van het nieuwe artikel 32 van de wet van 22 februari
  34. Dat zou ook het geval zijn geweest met de enkele toepassing van de algemene principes van overgangsrecht. Met de precisering van de inwerkingtreding beoogde de wetgever dan ook enkel de rechtszekerheid te waarborgen. Tweede middel A.6.
  35. De cvba « Deminor International » en anderen voeren ook de schending aan van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen heeft het nieuwe systeem een volledige hervorming van de regels voor winstverdeling en winstreservering van de NBB tot gevolg, wat de facto leidt tot een onteigening. De rechten van de aandeelhouders worden beperkt tot een klein deel van de activa en winsten van de Bank. De betwiste maatregelen zijn niet noodzakelijk, noch evenredig om het beoogde doel te bereiken. Er is een kennelijk onredelijke aantasting van een fundamenteel recht van de particuliere aandeelhouders van de NBB. Een inmenging in het eigendomsrecht is slechts toegestaan indien die berust op een wettelijke grondslag, is ingegeven door het algemeen belang, en beantwoordt aan de vereiste van evenredigheid tussen het algemeen belang en de fundamentele rechten van het individu. De wet van 3 april 2009 tast zowel het fundamentele recht aan van de aandeelhouders op een evenredig en gelijk deel in het maatschappelijk vermogen van de Bank, met inbegrip van de reserves, als hun recht op een evenredig en gelijk deel in de winsten. Het doel van de wetgever om de financiële belangen van de Staat veilig te stellen ten nadele van de andere aandeelhouders, beantwoordt niet aan een legitiem openbaar belang. 11 Naar het oordeel van de verzoekende partijen is in ieder geval reeds naar aanleiding van het eerste middel aangetoond dat de regeling niet evenredig is met de vooropgestelde doelstellingen. De aantasting van het eigendomsrecht van de aandeelhouders was niet nodig om te waarborgen dat meer financiële middelen naar de Staat zouden vloeien. De oude regeling liet zulks perfect toe, maar dan met eerbiediging van de rechten van alle aandeelhouders van de Bank. A.6.
  36. Volgens de Ministerraad heeft de wet niet tot voorwerp, noch tot gevolg dat afbreuk wordt gedaan aan enige eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, of in de zin van artikel 16 van de Grondwet. De enige « goederen » waarop de verzoekende partijen mogelijkerwijs een eigendomsrecht kunnen aanvoeren, zijn de aandelen van de NBB die zij beweren te bezitten. De wet van 3 april 2009 heeft echter niet de aandelen van de NBB tot voorwerp. Elke aandeelhouder blijft eigenaar van zijn aandelen en behoudt de mogelijkheid om daarover naar eigen goeddunken te beschikken. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens valt een schuldvordering slechts onder de bescherming van het voormelde Eerste Aanvullend Protocol als zij « voldoende bepaald » is. Aandeelhouders van een naamloze vennootschap zijn geen eigenaar van het vermogen van die vennootschap. Het recht om deel te nemen aan een eventuele uitkering van reserves of dividenden betreft naar de mening van de Ministerraad slechts een « maatschappelijk recht » en geen schuldvordering. Dat recht is bovendien voorwaardelijk en aleatoir. Het veronderstelt niet alleen dat er reserves of winsten zijn, maar ook dat wordt beslist om de reserves uit te keren. De Ministerraad stelt ook dat het door de verzoekende partijen aangehaalde artikel 4 van de statuten van de NBB geen eigendomsrecht over het vermogen van de Bank toekent aan de aandeelhouders, maar enkel het beginsel bevestigt dat alle aandeelhouders gelijke rechten hebben, nu er geen categorieën van aandeelhouders zijn. In ondergeschikte orde – voor zover de door de verzoekende partijen bedoelde rechten zouden worden beschouwd als « eigendom », betoogt de Ministerraad dat de bestreden wet betrekking heeft op het aandeel van de Staat in de inkomsten die voortspruiten uit de voorrechten van de NBB als centrale bank en dat die wet geenszins het stelsel van de vooraf aangelegde reserves wijzigt, en evenmin afbreuk doet aan het « maatschappelijk recht » van de aandeelhouders op een aandeel in de winsten. A.6.
  37. De cvba « Deminor International » en anderen antwoorden dat het te dezen wel degelijk gaat om rechten die vallen onder de bescherming van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en niet om schuldvorderingen. Die rechten zijn wettelijk en statutair verankerd, zoals onder meer het in artikel 31 van de wet van 22 februari 1998 bepaalde recht van de aandeelhouders op het reservefonds bij het verstrijken van het emissierecht. Dat recht wordt beperkt doordat het winstsaldo niet meer naar de reserves maar naar de Staat vloeit. Een aandeel impliceert een aantal rechten voor de houder ervan : stemrechten, financiële rechten en ook vermogensrechten. Wie van al zijn rechten wordt beroofd, behalve van het bezit van zijn aandeel, wordt wel degelijk « onteigend ». Maar zelfs wanneer het zou gaan om loutere schuldvorderingen of zogenaamde « maatschappelijke rechten », betekent dit nog niet dat de aandeelhouders niet de bescherming van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zouden kunnen genieten. Het begrip eigendom in dat artikel wordt autonoom en vrij ruim geïnterpreteerd. Ook een « legitieme verwachting » valt daaronder. En het is duidelijk dat de verwachtingen van de aandeelhouders legitiem waren, nu zij steunen op regels die jarenlang van toepassing waren. De verzoekende partijen blijven erbij dat de bestreden wet geen legitiem doel nastreeft en dat in ieder geval de regeling de evenredigheidstoets niet doorstaat. A.6.
  38. De Ministerraad repliceert dat de bestreden wet geenszins de aandelen viseert en dat dan ook niet kan worden ingezien in welk opzicht die wet het eigendomsrecht van de aandeelhouders van de NBB zou schenden. De Ministerraad herhaalt dat het « maatschappelijk recht » om deel te nemen aan de eventuele uitkering van reserves of van een dividend, slechts voorwaardelijk is en niet onder de bescherming valt van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het recht van de aandeelhouders op het 12 reservefonds bij het verstrijken van het emissierecht van de NBB is louter aleatoir en valt evenmin onder de bescherming van de voormelde verdragsbepaling. De beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 12 oktober 1982 die de verzoekende partijen aanhalen, doet geen afbreuk aan de stelling van de Ministerraad. In die beslissing wordt enkel bevestigd dat « de aandelen van ‘ NK ’ die gehouden werden door de verzoekers, ‘ goederen ’ waren ». In de huidige zaak voeren de verzoekende partijen een schending aan van toekomstige en aleatoire rechten waarop die beslissing niet van toepassing is. Derde middel A.7.
  39. De cvba « Deminor International » en anderen voeren ten slotte aan dat de regeling van de wet van 3 april 2009 een beperking inhoudt van het vrije verkeer van kapitaal dat is gewaarborgd bij artikel 56 van het EG-Verdrag, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 56 van het EG-Verdrag verbiedt beperkingen voor het kapitaalverkeer tussen de lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen. De regeling van de wet van 3 april 2009 heeft tot gevolg dat de vermogensrechten van de aandeelhouders van de NBB op een ingrijpende wijze worden gewijzigd en beknot ten opzichte van de vroegere situatie. De wetgever heeft de regels in zijn voordeel gewijzigd. De verzoekende partijen verwijzen bij analogie naar de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake « golden shares ». Het vrije verkeer van kapitaal mag slechts worden beperkt om de in artikel 58 van het EG-Verdrag vermelde redenen of om dwingende redenen van algemeen belang. De regeling moet van toepassing zijn op alle personen of ondernemingen die een activiteit uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst. De regeling moet ook geschikt zijn voor het beoogde doel en mag niet verder gaan dan nodig. De verzoekende partijen zijn van mening dat het veilig stellen van de financiële belangen van de Belgische Staat ten laste van de aandeelhouders geen legitiem openbaar belang is. Het lijkt niet mogelijk om de belemmeringen van het vrije verkeer te rechtvaardigen op grond van de openbare veiligheid of de openbare orde zoals bedoeld in artikel 58 van het EG-Verdrag. Ook de onafhankelijkheid van de Bank kan niet worden aangevoerd om een regeling te rechtvaardigen die enkel ertoe strekt meer middelen naar de Staat te doen vloeien. Zelfs indien de voormelde motieven als rechtvaardiging zouden kunnen dienen, dan nog gaat de betrokken regeling volgens de verzoekende partijen verder dan noodzakelijk. Zoals reeds hiervoor gesteld, kan het doel immers worden bereikt met minder dwingende maatregelen. A.7.
  40. De Ministerraad antwoordt dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van een middel dat enkel gebaseerd is op een beweerde schending van het gemeenschapsrecht. In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat de wet van 3 april 2009 enkel de modaliteiten van de verdeling van de inkomsten van de NBB aanpast op een wijze die ze transparanter maakt. De door de verzoekende partijen aangevoerde rechtspraak met betrekking tot de « golden shares » is volgens de Ministerraad volkomen irrelevant. Het betreft gevallen waarin de overheid zich vetorechten of goedkeuringsrechten voorbehoudt die geval per geval en op discretionaire wijze kunnen worden uitgeoefend. De wet van 3 april 2009 kent geen discretionair recht toe waardoor de aankoop van aandelen door private aandeelhouders of hun participatie zouden worden beperkt. In uiterst ondergeschikte orde – voor zover het Hof zich bevoegd zou achten om kennis te nemen van het derde middel en indien er sprake zou zijn van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal – is de Ministerraad van oordeel dat die beperking in ieder geval verantwoord is. De regeling is van toepassing op alle aandeelhouders, ongeacht hun nationaliteit, en is dus niet discriminerend. Het gaat erom aan de collectiviteit de terugkeer te waarborgen van de inkomsten die haar toekomen, wat ontegensprekelijk een doelstelling van dwingend algemeen belang is. De wet voldoet dus aan dwingende redenen van algemeen belang en de voorwaarden van evenredigheid werden geëerbiedigd, zoals hiervoor reeds werd uiteengezet. 13 A.7.
  41. In hun memorie van antwoord betogen de verzoekende partijen dat het Hof wel bevoegd is om kennis te nemen van dat middel, dat niet enkel gebaseerd is op een schending van artikel 56 van het EG-Verdrag (thans artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), maar op een schending van dat artikel in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De cvba « Deminor International » en anderen betwisten de stelling van de Ministerraad dat de bestreden wet enkel de modaliteiten van de verdeling van de inkomsten van de NBB aanpast. De wet heeft een veel ruimere strekking en draagwijdte. De vermogensrechten van de aandeelhouders worden sterk gewijzigd. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, is de rechtspraak van het Hof van Justitie in verband met de « golden shares » wel relevant. In die zaken heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de verenigbaarheid van nationale regelingen waarbij de overheid heeft ingegrepen in de werking van private vennootschappen, onder het mom van redenen van algemeen belang. Te dezen treedt de wetgever onder het mom van het algemeen belang op om de regels voor de verdeling van de winsten van de NBB te wijzigen in het voordeel van de overheid en in het nadeel van de private aandeelhouders. Het door de Ministerraad naar voor geschoven motief om « aan de collectiviteit de terugkeer te waarborgen van de inkomsten die haar toekomen », kan niet worden aangenomen als een dwingende reden van algemeen belang die de ingreep zou moeten verantwoorden. Zelfs indien dat motief als dwingende reden van algemeen belang zou worden gekwalificeerd, dan nog zou de bestreden wet niet voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid. Er waren immers minder dwingende maatregelen om het doel te bereiken. A.7.
  42. De Ministerraad herhaalt dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het middel, dat integraal steunt op een beweerde schending van artikel 56 van het EG-Verdrag. In zoverre dat artikel zou moeten worden gelezen in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tonen de verzoekende partijen niet aan welke de vergelijkbare categorieën van personen zijn die ongelijk zouden worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. -B- Wat het belang van de verzoekende partijen betreft B.1.
  43. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.1.
  44. De verzoekende partijen stellen dat zij als aandeelhouders rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de wet van 3 april 2009 tot wijziging van de financiële bepalingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (hierna : wet van 3 april 2009). De cvba « Deminor International » behartigt zowel de eigen belangen als die van haar klanten die eveneens aandeelhouders zijn van de Nationale Bank van België (hierna : NBB). 14 B.1.
  45. De Ministerraad voert aan dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan bewijs dat de verzoekende partijen aandeelhouders zijn van de NBB. De cvba « Deminor International » zou ook in gebreke blijven aan te tonen dat diegenen wier belangen zij verdedigt, aandeelhouders zijn van de NBB. B.1.
  46. Als bijlage bij de memorie van antwoord hebben de cvba « Deminor International » en diverse andere verzoekende partijen stukken meegedeeld waaruit blijkt dat zij wel degelijk aandeelhouder zijn van de NBB. Aldus doen die verzoekende partijen blijken van het rechtens vereiste belang om op te komen tegen de wet van 3 april 2009 waaraan zij verwijten hun rechten als aandeelhouder te fnuiken. De exceptie wordt verworpen, zonder dat het nodig is nader te onderzoeken of elk van de verzoekende partijen die het verzoekschrift gezamenlijk hebben ingediend, afzonderlijk doen blijken van hun hoedanigheid van aandeelhouder, en zonder dat het nodig is na te gaan of de cvba « Deminor International » zowel namens haar klanten als namens zichzelf in rechte kan treden. Ten gronde Eerste middel B.
  47. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van de richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen, met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, alsook met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet. Het middel omvat drie onderdelen, die respectievelijk zijn gericht tegen de artikelen 2 en 3 (eerste onderdeel), 4 (tweede onderdeel) en 5 (derde onderdeel) van de wet van 3 april
  48. 15 Eerste onderdeel B.3.
  49. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gericht tegen de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009, die bepalen : « Art.
  50. Artikel 29 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België wordt opgeheven. Art.
  51. Artikel 32 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
  52. De jaarlijkse winsten worden op de volgende wijze verdeeld : 1° een eerste dividend van 6 % van het kapitaal wordt toegekend aan de aandeelhouders; 2° van het excedent wordt een bedrag voorgesteld door het Directiecomité en vastgesteld door de Regentenraad, in alle onafhankelijkheid, toegekend aan het reservefonds of aan de beschikbare reserve; 3° van het tweede overschot wordt aan de aandeelhouders een tweede dividend toegekend, vastgesteld door de Regentenraad, ten belope van minimaal 50 % van de netto-opbrengst van de activa die de tegenpost vormen van het reservefonds en de beschikbare reserve; 4° het saldo wordt toegekend aan de Staat; het is vrijgesteld van vennootschapsbelasting. ’ ». B.3.
  53. Vóór de opheffing bij het bestreden artikel 2, bepaalde artikel 29 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België : « Aan de Staat worden toegekend de netto financiële opbrengsten die 3 % overschrijden van het verschil tussen het op jaarbasis berekend gemiddelde bedrag van de rentegevende activa en de vergoede passiva van de Bank. In de zin van deze bepaling wordt onder netto financiële opbrengsten verstaan : 1° het gedeelte van het aan de Bank toebedeelde monetaire inkomen bij toepassing van artikel 32.5 van de statuten van het ESCB; 2° het gedeelte van de aan de Bank toebedeelde nettowinst van de ECB krachtens artikel 33.1 van de statuten van het ESCB; 3° de opbrengst van de rentegevende activa van de Bank en van haar financiële beheerstransacties, verminderd met de financiële lasten die voortvloeien uit de rentegevende passiva en van de verrichtingen van financieel beheer die niet in verband staan met de activa- en passiva-bestanddelen welke de berekeningsbasis vormen voor de opbrengsten bedoeld onder 1° en 2° hierboven. 16 Indien het bedrag van de netto productieve activa niet het aandeel weergeeft van de Bank in de monetaire basis van het Stelsel, dat wil zeggen de som van de biljetten in omloop en van de verplichtingen voortvloeiend uit de deposito's aangehouden door de kredietinstellingen, wordt dit bedrag voor de toepassing van dit artikel tot het passende bedrag aangepast. Deze bepaling is niet toepasselijk op de fondsen en effecten verkregen ter vertegenwoordiging van het kapitaal, van de reserves en van de afschrijvingsrekeningen, waarvan het provenu vrij ter beschikking van de Bank staat. De regels voor de toepassing van de in dit artikel opgenomen bepalingen worden vastgesteld bij tussen de Staat en de Bank te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt ». Vóór de vervanging bij het bestreden artikel 3 bepaalde artikel 32 van die wet van 22 februari 1998 : « De jaarlijkse winsten worden op de volgende wijze verdeeld : 1° Aan de aandeelhouders, een eerste dividend van 6 %. 2° Van het excedent : a) 10 % aan de reserve; b) 8 % aan het personeel of aan instellingen te zijnen voordele. 3° Van het laatste overschot worden toegekend : a) Aan de Staat, één vijfde; b) Aan de aandeelhouders, een bedrag waarmede hun een tweede door de Regentenraad vastgesteld dividend kan worden toegewezen; c) Het saldo aan de reserve ». B.3.3.
  54. De bestreden bepalingen wijzigen de regels in verband met de verdeling van de winsten van de NBB en vorming van haar reserves. Die regels beogen inzonderheid de Belgische Staat de zogenaamde « seigneuriage » te waarborgen, dit is het aandeel van de Staat in de inkomsten die de NBB verwerft als centrale bank die het emissiemonopolie over de uitgifte van bankbiljetten heeft. Dat emissieprivilege wordt thans uitgeoefend binnen het Europees stelsel van centrale banken (hierna : ESCB), waarvan de NBB integrerend deel uitmaakt, waarbij het aandeel van elke nationale centrale 17 bank in de inkomsten van dat stelsel wordt bepaald in verhouding tot het bevolkingsaantal en het bruto nationaal product van elk van de betrokken Staten. B.3.3.
  55. Vóór de bestreden wetswijziging werd de toebedeling van de « seigneuriage » geregeld bij artikel 29 van de wet van 22 februari 1998 in samenhang gelezen met het vroegere artikel 32 ervan. Het in B.3.2 geciteerde artikel 29 van de wet van 22 februari 1998 bevatte de zogenaamde « 3 pct. »-regel, volgens welke de netto financiële opbrengsten die 3 pct. overschrijden van het verschil tussen het op jaarbasis berekende gemiddelde bedrag van de rentegevende activa en de vergoede passiva van de Bank, vastgesteld overeenkomstig dat artikel, aan de Staat toekwamen vóór de vaststelling van de eventuele winst. Het aandeel van 3 pct. van die opbrengsten vormde de vergoeding voor de NBB, voor de eigen kosten, de opbouw van de reserves en de vergoeding van het kapitaal. Die « 3 pct. »-regel, die zijn oorsprong vindt in de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, was reeds van toepassing vooraleer de Belgische Staat in 1948 aandeelhouder werd van de NBB. Naast de « 3 pct. »-regel vormde ook een onderdeel van het toenmalige artikel 32 van de wet van 22 februari 1998 de juridische onderbouw van de « seigneuriage »-inkomsten : na de uitkering van een eerste dividend van 6 pct. van het kapitaal voor de aandeelhouders en een eerste toewijzing van het excedent van 10 pct. aan de reserve en 8 pct. aan het personeel of aan « instellingen te zijnen voordele », was de Belgische Staat namelijk gerechtigd op een vijfde (20 pct.) van het overschot, vóór de eventuele toekenning van een tweede dividend aan de aandeelhouders en de toewijzing van het saldo aan de reserve. B.3.3.
  56. Met de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009 wordt, enerzijds, de « 3 pct. »-regel van artikel 29 van de wet van 22 februari 1998 afgeschaft en, anderzijds, de verdeling van de jaarlijkse winst gereorganiseerd, derwijze dat het aandeel van de Belgische Staat voor de « seigneuriage » aan hem als « saldo » wordt toebedeeld, na de toewijzing van de jaarlijkse winst in drie opeenvolgende fasen : - ten eerste in de vorm van een dividend aan de aandeelhouders (6 pct. van het kapitaal); 18 - ten tweede als een deel van het « excedent » ten behoeve van het reservefonds of voor de beschikbare reserve; - ten derde als een deel van het « tweede overschot », in de vorm van een tweede dividend voor de aandeelhouders. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp waarborgt die regeling « op meer eenvoudige, transparante en doeltreffende wijze dat het surplus van de inkomsten ten overstaan van de kosten van de Nationale Bank, na de vergoeding van het kapitaal, toekomt aan de soevereine Staat, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de aandeelhouders, inclusief inzake het dividend » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1793/001, p. 6). In de commentaar bij het ontworpen artikel 3, is gesteld : « Dit artikel beoogt op meer eenvoudige en meer doeltreffende wijze te verzekeren

(1)dat de Nationale Bank in alle onafhankelijkheid de nodige reserves kan aanleggen,
(2)dat het surplus van de inkomsten ten overstaan van de kosten van de Nationale Bank, na de vergoeding van het kapitaal, toekomt aan de soevereine Staat en
(3)dat een duidelijk criterium wordt bepaald voor het deel van de jaarlijkse winsten dat ten minste wordt uitgekeerd als vergoeding voor het kapitaal. Het dient te worden samen gelezen met artikel 2 dat de zogenaamde 3 %-regel opheft » (ibid., p. 10). De Europese Centrale Bank heeft in haar advies van 16 januari 2009 over het ontwerp van de thans bestreden wet gesteld dat de nieuwe verdeling de financiële onafhankelijkheid van de (Belgische) centrale bank ten goede komt en « de regels inzake de verdeling van inkomsten van de NBB verduidelijkt en […] de organen van de NBB de nodige discretie verleent bij de toewijzing van de winst » (Advies betreffende wijziging van de regels betreffende de verdeling van de inkomsten van de Nationale Bank van België en omtrent haar winstverdeling aan de Belgische staat (CON/2009/4) (www.ecb.europa.eu)). B.
  1. De verzoekende partijen zijn van mening dat de in B.2 aangehaalde bepalingen en beginselen zijn geschonden doordat de Belgische Staat een buitenmatig voordeel verkrijgt. Het verschil in behandeling tussen de Belgische Staat als publieke aandeelhouder en de andere aandeelhouders van de NBB berust volgens de verzoekende partijen niet op een objectief, pertinent en evenredig criterium. 19 B.
  2. Volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van de bestreden wet, was de hiervoor beschreven « 3 pct. »-regel niet langer aangepast aan het beoogde doel: « De 3 %-norm garandeert niet langer dat het surplus van de inkomsten terugvloeit naar de Staat. De praktijk van de laatste jaren toont immers aan dat de netto opbrengsten ten belope van de eerste 3 % van het jaargemiddelde van de netto financiële activa de kosten van de Nationale Bank structureel en duurzaam dreigen te overschrijden. […] Twee redenen kunnen worden aangehaald om te verklaren waarom de huidige financiële bepalingen niet meer toelaten om het beoogde doel te verwezenlijken. De eerste en belangrijkste reden betreft de, in 1998 onvoorziene, evolutie van de bankbiljettenomloop in euro. Sinds 2002 is de omloop van eurobankbiljetten gestegen tot een dergelijk, structureel hoog niveau dat de 3 %-regel niet langer aangepast is. De rendementsbasis is ten gevolge van deze evolutie zodanig vergroot dat de netto financiële opbrengsten ten belope van de eerste drie procent van het gemiddelde van de netto rentegevende activa de kosten van de Bank (inclusief het aanleggen van de nodige reserves en de vergoeding van het kapitaal) systematisch dreigen te overschrijden. Dit probleem wordt nog geaccentueerd door de invoering, door de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, van een staatswaarborg voor door de Nationale Bank verstrekte kredieten in het kader van haar bijdrage tot de financiële stabiliteit. Deze staatswaarborg heeft immers een impact op de door de Nationale Bank te dekken risico’s. Aldus draagt de staatswaarborg er eveneens toe bij dat het gedeelte dat de soevereine Staat, overeenkomstig de 3 %-regel, laat aan de Bank, excessief dreigt te worden. Het is, bovendien, eveneens denkbaar dat, in bepaalde omstandigheden, de opbrengsten ten belope van de eerste 3 % van de netto rentegevende activa niet voldoende zouden zijn om de nodige reserves aan te leggen, hetgeen moeilijk verzoenbaar zou zijn met de van een centrale bank vereiste financiële onafhankelijkheid » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1793/001, pp. 4-5). B.6.
  3. Ten aanzien van de door de verzoekende partijen aangeklaagde « scheeftrekking » tussen de positie van de Belgische Staat en die van de overige aandeelhouders van de NBB, dient in eerste instantie te worden gewezen op de bijzondere rol van de NBB en de bijzondere positie van de Belgische Staat ten aanzien van het vermogen en de inkomsten van de NBB. De NBB is op 5 mei 1850 weliswaar opgericht als een naamloze vennootschap waarin natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen participeerden in het kapitaal; evenwel, vanwege de haar toevertrouwde opdrachten van algemeen belang - onder meer de 20 uitgifte van bankbiljetten en de rol van Rijkskassier – wordt de werking van de NBB, inclusief de regels die het maatschappelijk kapitaal ervan beheersen, grotendeels van overheidswege bepaald. Dat is des te meer het geval nu de NBB als centrale bank naar aanleiding van de invoering van de Europese munteenheid integrerend deel uitmaakt van het ESCB. Het specifieke statuut van de NBB en in het bijzonder haar rol inzake de uitgifte van bankbiljetten nopen ertoe een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de positie van de Belgische Staat, aan wie de in B.3.3.1 omschreven « seigneuriage » toekomt, en, anderzijds, de positie van de Belgische Staat als aandeelhouder tegenover de overige aandeelhouders van de NBB waartoe de verzoekende partijen behoren. B.6.
  4. Anders dan de Ministerraad aanvoert, zijn die verschillen niet van dien aard dat zij eraan in de weg zouden staan de situatie te vergelijken van aandeelhouders van de NBB als naamloze vennootschap en aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, wat inzonderheid het recht van de aandeelhouders op deelneming in de winst en hun stemrecht betreft. B.6.
  5. De bijzondere positie van de Belgische Staat als houder van de « seigneuriage » vormt een objectief criterium dat in redelijkheid verantwoordt dat de wetgever specifieke maatregelen neemt om de inning van die vergoeding voor het emissierecht te waarborgen. Die maatregelen staan los van de verhouding tussen de Belgische Staat als aandeelhouder van de NBB (50 pct.) en de overige aandeelhouders van de NBB. Anders dan de verzoekende partijen beweren, is het emissierecht niet opgeheven, maar - zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 160/2003 van 10 december 2003 - bevestigd binnen het ESCB. B.6.
  6. Bij de uitoefening van zijn toetsing aan het beginsel van de gelijkheid en niet-discriminatie komt het het Hof niet toe een oordeel te vellen over de opportuniteit van de beleidskeuzes die de wetgever heeft gemaakt. Nu de bijzondere positie van de Belgische Staat als houder van de « seigneuriage » verantwoordt dat de wetgever de bestreden maatregelen heeft genomen die uit hun aard specifiek betrekking hebben op de NBB als houder van het emissierecht, dient het Hof enkel 21 nog te onderzoeken of die maatregelen op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de aandeelhouders van de NBB. B.
  7. Om te beoordelen of uit de maatregelen van artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009 onevenredige gevolgen voortspruiten voor de verzoekende partijen als particuliere aandeelhouders van de NBB, dient opnieuw rekening te worden gehouden met de bijzondere situatie van de NBB, waarin de rol van de aandeelhouders niet dezelfde is als in andere naamloze vennootschappen. Vanwege de taken van algemeen belang waarmee de NBB is belast, worden haar inrichting en werking vrijwel volledig van overheidswege bepaald, met name door de artikelen 127 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen de artikelen 105 en volgende van het EG-Verdrag) en het aan dat Verdrag gehechte protocol nr. 4 betreffende de statuten van het ESCB en van de Europese Centrale Bank, door de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België en door de bij koninklijk besluit bekrachtigde statuten van de NBB. De regelgeving betreffende de naamloze vennootschappen geldt te dien aanzien enkel als aanvullend recht. Het specifieke statuut van de NBB wordt weerspiegeld in haar samenstelling, met als organen een gouverneur, een Directiecomité, de Regentenraad en het College van censoren, met bevoegdheden bepaald in de wet van 22 februari
  8. De rol van algemene vergadering van aandeelhouders van de NBB verschilt fundamenteel van die van algemene vergaderingen van aandeelhouders in andere naamloze vennootschappen. De wet bepaalt dat de algemene vergadering van de NBB de regenten en de censoren verkiest (artikel 23, 3° en 4°) en dat de algemene vergadering, op voordracht van de Regentenraad, met een drievierdemeerderheid de andere statutenwijzigingen goedkeurt dan die welke door de Regentenraad zelf worden aangenomen teneinde de statuten in overeenstemming te brengen met de bepalingen van die wet en de voor België bindende internationale verplichtingen (artikel 36). De algemene vergadering van de NBB krijgt kennis van het verslag van het beheer over de verrichtingen van het afgelopen boekjaar (artikel 61, tweede lid, van de statuten van de NBB), maar het is de Regentenraad die de begroting der uitgaven alsook de jaarrekeningen goedkeurt die worden voorgelegd door het Directiecomité, 22 en het is ook de Regentenraad die de verdeling der winsten regelt, op voorstel van het Comité (artikel 20, 4, van de wet van 22 februari 1998 en artikel 30.8 van de statuten van de NBB). Volgens artikel 7 van de statuten van de NBB « [mogen] de aandeelhouders, hun erfgenamen of hun schuldeisers […] noch de zegels doen leggen op de goederen en waarden van de Bank, noch de verdeling of de veiling vragen, noch zich in haar beheer mengen ». Die statuten bepalen voorts (artikel 10) dat « de aandeelhouders […] niet verder aansprakelijk [zijn] dan ten belope van hun belang bij de Bank ». Personen die zich aandelen verschaffen van de NBB, dienen te weten dat aan die aandelen niet dezelfde rechten zijn verbonden als aan aandelen van andere naamloze vennootschappen. Naast het feit dat de rol en het stemrecht van de aandeelhouders van de NBB meer beperkt zijn dan die van aandeelhouders van andere beursgenoteerde naamloze vennootschappen, dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat ook de winstverdeling en de toewijzing aan de reserves grotendeels van overheidswege worden bepaald en, meer in het algemeen, dat de doelstelling van de NBB in de eerste plaats wordt bepaald door de haar opgedragen taken van algemeen belang en niet zozeer door het streven naar winst. Voorts volgt uit de bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009 dat de « seigneuriage »-inkomsten voor de Belgische Staat niet langer prioritair worden bepaald overeenkomstig de hiervoor vermelde « 3 pct. »-regel, maar als een « saldo », per hypothese, na de uitkering van een eerste vast en wettelijk bepaald dividend van 6 pct. van het kapitaal aan de aandeelhouders, na de toewijzing van een deel van het « excedent » ten behoeve van het reservefonds of voor de beschikbare reserve en na de uitkering van een deel van het « tweede overschot », in de vorm van een tweede dividend voor de aandeelhouders. De eventuele uitkering van dat tweede dividend wordt niet langer voorafgegaan door de toekenning, ten voordele van de Belgische Staat, van één vijfde van het laatste overschot overeenkomstig het vroegere artikel 32, 3°, a), van de wet van 22 februari
  9. Het nieuwe artikel 32 van die wet stelt zoals voorheen het percentage van het eerste dividend vast op 6 pct. van het kapitaal. Op dat punt zijn aandeelhouders van de NBB bevoordeeld ten opzichte van aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, waar de uitkering van een jaarlijks dividend niet gewaarborgd is. Voor het eventuele tweede dividend, dat wordt bepaald door de Regentenraad, heeft de wetgever overigens een benedengrens bepaald van « minimaal 23 50 % van de netto-opbrengst van de activa die de tegenpost vormen van het reservefonds en de beschikbare reserve », terwijl anderzijds geen bovengrens is vastgelegd. Er blijkt derhalve niet dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009 op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de private aandeelhouders van de NBB, rekening houdend met de specifieke situatie van zowel de NBB in vergelijking met andere naamloze vennootschappen als die van de aandeelhouders van de NBB in vergelijking met de aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen. B.
  10. Wat betreft de gemaakte vergelijking tussen de Belgische Staat als aandeelhouder en de overige aandeelhouders, moet worden opgemerkt dat de bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009 zonder onderscheid van toepassing zijn op alle aandeelhouders en dat uit de bestreden bepalingen op dit punt derhalve geen verschil in behandeling voortvloeit. Die artikelen zijn in dit opzicht dan ook niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  11. De verzoekende partijen klagen in het eerste onderdeel van het eerste middel ook de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 30 van het Wetboek van vennootschappen, waarvan het eerste lid bepaalt : « Wanneer de akte van vennootschap het aandeel van elke vennoot in de winsten of verliezen niet bepaalt, is ieders aandeel evenredig aan zijn inbreng in de vennootschap ». Artikel 30 van het Wetboek van vennootschappen behoort evenwel niet tot de bepalingen of de regels waaraan het Hof vermag te toetsen. B.
  12. De verzoekende partijen klagen nog de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 van de richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen, dat bepaalt : « De vennootschap draagt zorg voor een gelijke behandeling van alle aandeelhouders die zich in identieke omstandigheden bevinden wat de deelneming aan en de uitoefening van stemrechten in de algemene vergadering betreft ». 24 De toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vermelde bepaling van de richtlijn, leidt niet tot een andere conclusie dan die welke het resultaat is van de reeds doorgevoerde toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
  13. De verzoekende partijen voeren voorts de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, alsmede met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wet. Onder voorbehoud van wat zal worden gesteld naar aanleiding van het onderzoek van het derde onderdeel van het eerste middel, dient te dezen te worden opgemerkt dat de bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009, zoals hiervoor uiteengezet, niet op discriminerende wijze afbreuk doen aan de gewettigde verwachtingen van de gewone aandeelhouders van de NBB, die niet in redelijkheid aanspraak kunnen maken op de « seigneuriage »-inkomsten van de Belgische Staat, noch op een onveranderlijke toepassing van de vroegere regels voor de verdeling van de winst en de toebedeling aan de reserves van de NBB. B.
  14. In zoverre de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van het eerste middel nog een « de facto onteigening » aanklagen, zal die grief samen worden onderzocht met het tweede middel. B.
  15. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Tweede onderdeel B.
  16. Het tweede onderdeel van het eerste middel is gericht tegen artikel 4 van de wet van 3 april 2009, dat bepaalt : « In afwijking van artikel 36 van dezelfde wet, wordt de Regentenraad gemachtigd om in artikel 61, eerste lid, van de statuten van de Nationale Bank van België het woord ‘ maart ’ te vervangen door het woord ‘ mei ’ ». 25 Artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 bepaalt : « De Regentenraad wijzigt de statuten teneinde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet en de voor België bindende internationale verplichtingen. Andere wijzigingen in de statuten worden, op voorstel van de Regentenraad, goedgekeurd met de drievierde meerderheid van de stemmen verbonden aan het totaal van de op de algemene vergadering van de aandeelhouders aanwezige of vertegenwoordigde aandelen. Voor de statutenwijzigingen is de goedkeuring van de Koning vereist ». Artikel 61, eerste lid, van de statuten van de NBB bepaalde op het tijdstip van inwerkingtreding van de bestreden bepaling : « De gewone algemene vergadering heeft plaats te Brussel op de laatste maandag van de maand maart en indien deze dag op een feestdag valt, de eerstvolgende bankwerkdag, te 11 uur ». Bij artikel 1, 5°, van het koninklijk besluit van 12 juli 2009 tot goedkeuring van de wijziging van de statuten van de Nationale Bank van België (Belgisch Staatsblad, 23 juli 2009) is het woord « maart » vervangen door het woord « mei ». B.15.
  17. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen geen belang erbij hebben om de vernietiging van artikel 4 van de wet van 3 april 2009 te vorderen, omdat de wijziging van de datum van de algemene vergadering van de aandeelhouders hen niet rechtstreeks noch ongunstig raakt. B.15.
  18. Nu de verzoekende partijen aanklagen dat afbreuk wordt gedaan aan het stemrecht van de aandeelhouders van de NBB, doordat die niet zijn betrokken bij de wijziging van de statuten wat het tijdstip van de algemene vergadering van de aandeelhouders betreft, doen zij in hun hoedanigheid van aandeelhouders van de NBB afdoende blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling, die de Regentenraad ertoe machtigt die wijziging door te voeren. B.16.
  19. De Ministerraad voert ook aan dat het Hof niet bevoegd is om te toetsen aan regels die verband houden met het stemrecht van de aandeelhouders. 26 B.16.
  20. Het Hof, dat bevoegd is om te oordelen over de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is bevoegd om het onderdeel van het middel te onderzoeken waarin de verzoekende partijen een discriminerende beperking aanklagen van hun stemrecht als aandeelhouders van de NBB in vergelijking met aandeelhouders van andere vennootschappen. B.17.
  21. De Ministerraad voert nog aan dat de situatie van de aandeelhouders van de NBB en die van aandeelhouders van andere beursgenoteerde vennootschappen niet vergelijkbaar is, vanwege het bijzondere statuut van de NBB, dat specifieke organen en werkingsregels heeft. B.17.
  22. Het gegeven dat de NBB specifieke organen en eigen werkingsregels heeft, verhindert niet dat de situatie van de aandeelhouders van de NBB en die van aandeelhouders van andere vennootschappen kunnen worden vergeleken wat betreft de bevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders om de statuten van de naamloze vennootschap te wijzigen. B.
  23. De excepties worden verworpen. B.19.
  24. In de parlementaire voorbereiding werd het ontworpen artikel 4 als volgt toegelicht : « Overeenkomstig artikel 61, lid 1, van de statuten van de Nationale Bank vindt de gewone algemene vergadering van aandeelhouders plaats op de laatste maandag van de maand maart. Teneinde de publicatie van het jaarverslag en de jaarrekening van de Nationale Bank beter af te stemmen op de publicatie van de jaarrekening van de ECB en met name te vermijden dat het resultaat van de ECB al kan worden afgeleid uit de door de Nationale Bank gepubliceerde jaarrekening, vooraleer de ECB haar jaarrekening heeft gepubliceerd, is het aangewezen om de datum van de jaarvergadering van de Nationale Bank te verplaatsen naar een later ogenblik. Gelet op het feit dat de Raad van bestuur van de ECB tot het einde van het eerste kwartaal van het volgende jaar heeft om de jaarrekening van de ECB goed te keuren en gelet op de evolutie van steeds langere wettelijke termijnen voor het ter beschikking stellen van de nodige documenten aan de aandeelhouders voorafgaand aan de algemene vergadering, wordt voorgesteld de Regentenraad te machtigen de statuten op dit punt te wijzigen en te bepalen dat de gewone algemene vergadering van aandeelhouders van de Nationale Bank voortaan plaats heeft op de laatste maandag van de maand mei. Het leek niet aangewezen om, zoals gesuggereerd door de Raad van State, deze bepaling op te nemen in artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België aangezien het een éénmalige machtiging betreft voor de Regentenraad om, in afwijking van voornoemd artikel 36, artikel 61 van de statuten te wijzigen teneinde de datum van de jaarvergadering te verplaatsen van maart naar mei » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1793/001, pp. 11-12). 27 Bij de bespreking van het ontwerp in de Commissie voor de financiën en de begroting verklaarde de vice-eerste minister en minister van Financiën voorts dat « de datum van de gewone algemene vergadering van de NBB wordt verschoven om te vermijden dat in de jaarrekening van de NBB al gegevens over het resultaat van de ECB zouden worden bekendgemaakt alvorens de ECB zelf haar jaarrekening heeft gepubliceerd. In 2004 bijvoorbeeld was er een verlies op het niveau van de ECB waarvoor de NBB een voorziening moest aanleggen. Als de jaarrekening van de NBB toen zou gepubliceerd geweest zijn, vóór de jaarrekening van de ECB, zou de NBB verplicht geweest zijn informatie te geven over de provisievorming en dus het geleden verlies van de ECB. Het verlies van de ECB zou dan bekend zijn geraakt zonder duiding voor het publiek. Dergelijke situaties moeten absoluut worden vermeden. Daarom is het van belang dat de NBB haar jaarrekening publiceert nadat de ECB dat heeft gedaan. Dat is de enige reden voor het verplaatsen van de datum van de gewone algemene vergadering » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1793/003, p. 5). B.19.
  25. In haar advies van 16 januari 2009 over het ontwerp van de thans bestreden wet heeft de Europese Centrale Bank op dit punt gesteld : « De ECB begrijpt dat deze wijziging rekening houdt met de verlenging van de wettelijke termijnen voor het beschikbaarstellen van de nodige documenten aan de aandeelhouders voorafgaande aan de algemene vergadering en, binnen deze context, wenst te vermijden dat de resultaten van de ECB zouden kunnen worden afgeleid uit de jaarrekening van de NBB voordat de ECB haar eigen jaarrekening heeft gepubliceerd. Dienaangaande zou de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp duidelijker worden, indien wordt vermeld dat de jaarrekening van de ECB wordt gepubliceerd op de website van de ECB voor de publicatie van het jaarverslag van de ECB in april » (Advies betreffende wijziging van de regels betreffende de verdeling van de inkomsten van de Nationale Bank van België en omtrent haar winstverdeling aan de Belgische staat (CON/2009/4) (www.ecb.europa.eu)). B.19.
  26. De verzoekende partijen zijn van mening dat aldus wel wordt uiteengezet waarom een wijziging van de datum van de algemene vergadering van de aandeelhouders van de NBB van de maand maart naar de maand mei noodzakelijk zou zijn, maar niet waarom dit moet gebeuren door middel van een eenzijdige wijziging van de statuten door de wetgever, die daartoe de Regentenraad machtigt. B.19.
  27. Naar aanleiding van het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel is reeds gewezen op de bijzondere situatie van de NBB als centrale bank en van de aandeelhouders van die bank als naamloze vennootschap, waarin de algemene vergadering niet dezelfde rol speelt als in andere naamloze vennootschappen. 28 Rekening houdend met die bijzondere situatie, en met het gegeven dat het volgens artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 de Regentenraad toekomt om de statuten te wijzigen « teneinde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet en de voor België bindende internationale verplichtingen », is het niet onredelijk dat de wetgever heeft geoordeeld dat het, om het vermelde motief, aangewezen was de Regentenraad te machtigen om de statuten te wijzigen wat betreft het tijdstip waarop de gewone algemene vergadering wordt gehouden. De bestreden bepalingen staan overigens niet eraan in de weg dat een buitengewone algemene vergadering wordt gehouden wanneer de Regentenraad dat nuttig acht of wanneer de bijeenroeping aangevraagd wordt hetzij door het College van censoren, hetzij door aandeelhouders die het tiende van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen (artikel 62 van de statuten van de NBB). De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat hun stemrecht te dezen op onevenredige wijze wordt aangetast. B.19.
  28. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Derde onderdeel B.20.
  29. Het derde onderdeel van het eerste middel is gericht tegen artikel 5 van de wet van 3 april 2009, dat bepaalt : « De artikelen 2 en 3 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2009 ». B.20.
  30. In de commentaar bij het ontworpen artikel 5 is gesteld : « Aldus wordt het wettelijk regime voor het boekjaar 2008 niet gewijzigd » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1793/001, p. 12). B.20.
  31. De verzoekende partijen voeren aan dat de in B.2 aangehaalde bepalingen en beginselen zijn geschonden doordat uit niets blijkt dat het nodig was de nieuwe regels met terugwerkende kracht in te voeren en dat de retroactieve werking des te minder is verantwoord nu de stijging van het aantal biljetten in omloop, die als verantwoording voor de wettelijke ingreep wordt aangevoerd, al verscheidene jaren bekend is. 29 B.20.
  32. Zelfs indien het middel zo wordt begrepen dat de verzoekende partijen op discriminerende wijze de waarborg wordt ontnomen dat het recht voor eenieder voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, dan nog wordt niet aangetoond hoe de bestreden wet hen in hun rechten als aandeelhouders van de NBB zou schaden in vergelijking met aandeelhouders van andere vennootschappen wat betreft de voorzienbaarheid van de nieuwe regels voor de verdeling van de winst en de toewijzing aan de reserves van de NBB, die in 2010 te hanteren zijn na de opmaak en goedkeuring van de begroting der uitgaven en van de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar
  33. Er kan worden aangenomen dat het voor de rechtszekerheid aangewezen was te preciseren dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 april 2009, die deze nieuwe regels bevatten, uitwerking zouden hebben met ingang van 1 januari 2009 en niet vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de bestreden wet, derwijze dat er geen twijfel bestaat over het feit dat de nieuwe regels gelden voor de winst van het gehele boekjaar. B.20.
  34. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. B.
  35. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel B.
  36. De verzoekende partijen voeren ook de schending aan van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het nieuwe stelsel leidt tot een volledige hervorming van de regels voor winstverdeling en winstreservering van de NBB en, de facto, tot een onteigening, zonder dat dit noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. Volgens de verzoekende partijen is dit een kennelijk onredelijke aantasting van een fundamenteel recht van de particuliere aandeelhouders van de NBB. B.
  37. In de veronderstelling dat de verzoekende partijen, anders dan andere aandeelhouders van naamloze vennootschappen, worden geraakt in hun vermogensrechten als aandeelhouders van de NBB en, zodoende, in hun recht op ongestoord genot van eigendom zoals gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag 30 voor de rechten van de mens, dient te worden opgemerkt dat de wetgever te dezen een oogmerk van algemeen belang nastreeft dat erin bestaat de « seigneuriage »-inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissieprivilege van de NBB binnen het ESCB te waarborgen en dat – zoals reeds vastgesteld naar aanleiding van het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel – de genomen maatregelen niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de aandeelhouders van de NBB, en met name niet aan hun eigendomsrecht. De verdeling van de winsten en de toewijzing aan de reserves van de NBB vanaf het boekjaar 2009 overeenkomstig de bestreden wet van 3 april 2009, brengen geen onteigening of een onverantwoorde inmenging mee in het recht op ongestoord genot van eigendom van de verzoekende partijen als particuliere aandeelhouders van de NBB, zoals gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen met artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  38. Het tweede middel is niet gegrond. Derde middel B.
  39. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de regeling van de wet van 3 april 2009 een beperking inhoudt van het vrije verkeer van kapitaal dat is gewaarborgd bij artikel 56 van het EG-Verdrag, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het vrije verkeer van kapitaal mag slechts worden beperkt om de in artikel 58 van het EG-Verdrag vermelde redenen of om dwingende redenen van algemeen belang. Het veilig stellen van de financiële belangen van de Belgische Staat ten laste van de aandeelhouders is geen legitiem openbaar belang. Ook de onafhankelijkheid van de Bank kan niet worden aangevoerd om een regeling te rechtvaardigen die enkel ertoe strekt meer middelen naar de Staat te doen vloeien. Zelfs indien de voormelde motieven als rechtvaardiging zouden kunnen dienen, dan nog gaat de betrokken regeling volgens de verzoekende partijen verder dan noodzakelijk. Het doel zou immers kunnen worden bereikt met minder dwingende maatregelen. 31 B.
  40. De Ministerraad voert aan dat het Hof niet bevoegd is om een middel dat uitsluitend is afgeleid uit een beweerde schending van het recht van de Europese Unie te onderzoeken. B.27.
  41. Wanneer een verzoekende partij, in het kader van een beroep tot vernietiging, de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met een verdragsrechtelijke bepaling waarin een fundamentele vrijheid wordt gewaarborgd, bestaat het middel erin dat zij van oordeel is dat een verschil in behandeling wordt ingesteld doordat haar de uitoefening van die fundamentele vrijheid wordt ontzegd door de bepalingen die zij met het beroep bestrijdt, terwijl die fundamentele vrijheid voor elke andere burger zou zijn gewaarborgd. Aldus nodigt die verzoekende partij het Hof niet uit om de bestreden bepalingen rechtstreeks te toetsen aan de verdragsrechtelijke bepaling, te dezen artikel 56 van het EG-Verdrag, thans artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : VWEU). B.27.
  42. De exceptie wordt verworpen. B.28.
  43. Artikel 26, lid 2, van het VWEU bepaalt : « De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen ». Artikel 63 van het VWEU bepaalt : «
  44. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk [‘ Kapitaal en betalingsverkeer ’] zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.
  45. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het betalingsverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden ». B.28.
  46. Directe investeringen in de vorm van deelneming in een onderneming door aandeelhouderschap en de verwerving van effecten op de kapitaalmarkt zijn vormen van « kapitaalverkeer » in de zin van artikel 63 van het VWEU. De directe investering wordt gekenmerkt door de mogelijkheid om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de controle over een vennootschap (HvJ, 13 mei 2003, C-98/01, Commissie t. Verenigd 32 Koninkrijk, punt 40; HvJ, 13 mei 2003, C-463/00, Commissie t. Spanje, punt 53; HvJ, 4 juni 2002, C-503-99, Commissie t. België, punt 38; HvJ, 4 juni 2002, C-367/98, Commissie t. Portugal, punt 38). Nationale maatregelen die het verwerven van aandelen kunnen blokkeren of beperken, of investeerders van andere lidstaten ervan weerhouden in ondernemingen te investeren, moeten worden aangemerkt als « beperkingen » in de zin van artikel 63, lid 1, van het VWEU (HvJ, 28 september 2006, C-282/04 en C-283/04, Commissie t. Nederland, punt 20). B.28.
  47. Artikel 63 van het VWEU verbiedt op algemene wijze de beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten. Dat verbod gaat verder dan het wegwerken van een op de nationaliteit gebaseerde ongelijkheid van behandeling van de marktdeelnemers op de financiële markten. De betrokken regeling kan, ook al creëert zij geen ongelijkheid van behandeling, het verwerven van aandelen van de betrokken ondernemingen blokkeren en investeerders uit andere lidstaten ervan weerhouden in die ondernemingen te investeren. Daardoor kan het vrije verkeer van kapitaal illusoir worden gemaakt (HvJ, 4 juni 2002, C-367/98, Commissie t. Portugal, punten 44-45; HvJ, 4 juni 2002, C-483/99, Commissie t. Frankrijk, punt 41). B.28.
  48. Het aldus gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal is evenwel niet absoluut. Het kan worden beperkt door de in artikel 65 van het VWEU vastgestelde motieven of om een dwingende reden van algemeen belang die van toepassing is op alle personen of ondernemingen en voor zover de beperking geschikt is om het beoogde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan daartoe nodig is (HvJ, 13 mei 2003, C-463/00, Commissie t. Spanje, punt 68; HvJ, 4 juni 2002, C-503-99, Commissie t. België, punt 45). B.
  49. Voor zover er te dezen al sprake zou kunnen zijn van enige belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer door de bestreden bepalingen, dient te worden herhaald dat de wetgever te dezen een wettig oogmerk van algemeen belang nastreeft dat erin bestaat de « seigneuriage »-inkomsten van de Belgische Staat in verhouding tot het emissieprivilege van de NBB binnen het ESCB te waarborgen, en dat – zoals reeds is vastgesteld naar aanleiding van het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel – de genomen maatregelen niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de verzoekende partijen als private aandeelhouders van de NBB, die niet worden verhinderd om tegen de beursgenoteerde waarde aandelen van de NBB te verwerven of te verkopen. 33 Overigens, zoals de Europese Centrale Bank in haar advies van 16 januari 2009 over het ontwerp van de thans bestreden wet heeft gesteld, komt de nieuwe regeling inzake de verdeling van de winsten en de toewijzing aan de reserves van de NBB haar financiële onafhankelijkheid ten goede (Advies betreffende wijziging van de regels betreffende de verdeling van de inkomsten van de Nationale Bank van België en omtrent haar winstverdeling aan de Belgische staat (CON/2009/4) (www.ecb.europa.eu)). De financiële onafhankelijkheid van de centrale banken van de lidstaten die deel uitmaken van het ESCB is een fundamenteel beginsel van dat stelsel, zoals vereist door artikel 130 van het VWEU en artikel 7 van de statuten van het ESCB en van de Europese Centrale Bank. Steeds in de hypothese dat het vrije verkeer van kapitaal te dezen al in het geding zou zijn, zouden de bestreden bepalingen derhalve mede zijn verantwoord doordat zij bijdragen tot de financiële onafhankelijkheid van de NBB als centrale bank binnen het ESCB. B.
  50. Het derde middel is niet gegrond. 34 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 juni
  51. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.