← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.077

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.077 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100623.8 Arrest- Rolnummer: 77/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-08-23 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-30 04:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 63, § 4, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeerwet - 16 maart 1968 - Bloedproef - art. 63-64 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 63, § 4, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, gesteld door de Politierechtbank te Leuven. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Verkeersmisdrijven - Rijden onder invloed - Bloedproef - Kosten ten laste van de onderzochte persoon - Geen beoordelingsvrijheid van de rechter. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 16-03-1968 - 63,§4 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4812 Arrest nr. 77/2010 van 23 juni 2010 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 63, § 4, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, gesteld door de Politierechtbank te Leuven. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 30 oktober 2009 in zake het openbaar ministerie tegen Kristiaan Maenen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 november 2009, heeft de Politierechtbank te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 63, § 4, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer van 16 maart 1968 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nu de rechter in toepassing van deze bepaling verplicht is van steeds - dus ook in die gevallen waarin een ademanalyse om medische redenen niet mogelijk is - de kosten van het nemen van de (bloed)proef en van de bloedanalyse ten laste te leggen van de onderzochte persoon (onder meer) indien de overtreding bepaald in artikel 34, § 2, 1°, bewezen is, terwijl er aan de vaststelling van het alcoholgehalte aan de hand van een ademanalyse geen kosten verbonden zijn en er bijgevolg door de onderzochte persoon in dat geval ook geen kosten dienen gedragen te worden ? ». Memories zijn ingediend door : - Kristiaan Maenen, wonende te 3380 Glabbeek, Veldstraat 3; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 mei 2010 : - is verschenen : Mr. J. Huygh loco Mr. M. Pilcer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de verwijzende rechter wordt de beklaagde vervolgd wegens het begaan van een zware overtreding van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer. Hij wordt tevens vervolgd wegens het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap. De beklaagde werd aan een bloedproef onderworpen omdat hij, blijkens de vaststellingen van de verbalisanten, niet over genoeg adem beschikte, zodat het alcoholgehalte niet met behulp van een ademanalysetoestel kon worden vastgesteld. Vervolgens werd een arts gevorderd voor het afnemen van een bloedstaal, waaruit een alcoholgehalte van 1,59 gram per liter bloed bleek. 3 Volgens de beklaagde worden de personen bij wie het alcoholgehalte aan de hand van een bloedproef wordt vastgesteld gediscrimineerd in vergelijking met de personen bij wie het alcoholgehalte middels het gebruik van een ademanalysetoestel wordt vastgesteld, vermits aan het nemen van het bloedstaal en de bloedanalyse kosten zijn verbonden die ten laste van de betrokkene worden gelegd, terwijl aan het gebruik van een ademanalysetoestel geen kosten voor de betrokkene zijn verbonden. De beklaagde verzoekt de verwijzende rechter dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen. Alvorens uitspraak te doen over de kosten verbonden aan het nemen van het bloedstaal en van de bloedanalyse, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De beklaagde voor de verwijzende rechter wijst erop dat de persoon die wegens een te hoge alcoholconcentratie wordt veroordeeld de kosten van de bloedproef zelf dient te dragen, terwijl zulks niet het geval is wanneer de veroordeling op een ademanalysetest volgt. De kosten voor het afnemen van het bloedstaal bedragen te dezen 48,38 euro en die voor de analyse van het bloedstaal 94,05 euro. Het is kennelijk onredelijk dat een persoon, wanneer hij om medische redenen over onvoldoende adem beschikt om aan een ademanalysetest te worden onderworpen en een bloedproef noodzakelijk is, de kosten daarvoor moet dragen, terwijl de persoon die wel een ademanalysetest kan ondergaan, daarvoor geen kosten moet dragen. A.
  2. De Ministerraad herinnert eerst eraan dat overeenkomstig artikel 63, § 1, van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer, een bloedafname door een arts moet worden opgelegd wanneer het afnemen van een ademtest of een ademanalyse niet mogelijk is. Met het oog op het verhogen van de verkeersveiligheid is het volkomen verantwoord dat de wetgever in de mogelijkheid voorziet om vast te stellen of een persoon onder invloed van alcohol een voertuig bestuurt, wanneer het onmogelijk is die persoon aan een ademtest of een ademanalyse te onderwerpen, bijvoorbeeld bij een zwaargewonde of, zoals te dezen, bij een persoon die over onvoldoende adem beschikt. De ademtest of de ademanalyse is de regel, de bloedafname de uitzondering. Bovendien kan de bloedafname slechts worden opgelegd aan, enerzijds, de vermoedelijke dader van een verkeersongeval of aan elke persoon die tot het veroorzaken ervan zou kunnen hebben bijgedragen, zelfs indien hij het slachtoffer ervan is en, anderzijds, aan ieder die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing. De Ministerraad is van oordeel dat de personen die een ademanalyse ondergaan waarbij een inbreuk op artikel 34, § 2, 1°, wordt vastgesteld, en de personen die een bloedafname ondergaan waarbij een inbreuk op diezelfde bepaling wordt vastgesteld, geen vergelijkbare categorieën zijn. Immers, een ademtest of een ademanalyse wordt ter plaatse door de politiediensten uitgevoerd en de resultaten ervan zijn onmiddellijk op de plaats van de controle beschikbaar. Bijgevolg brengen de ademtest en de ademanalyse op zich geen kosten mee, zulks in tegenstelling tot een bloedafname die het optreden van een arts en van een erkend laboratorium vergt. Bovendien berust het verschil in behandeling op een objectief criterium : de eerste categorie van personen kan, in tegenstelling tot de tweede categorie, aan een ademtest of een ademanalyse worden onderworpen. Ten slotte is de in het geding zijnde maatregel niet onevenredig met het nagestreefde doel dat erin bestaat de verkeersveiligheid te verhogen en de controle op dronkenschap aan het stuur te verbeteren. In dat verband wijst de Ministerraad erop dat slechts onder bepaalde voorwaarden een bloedafname kan worden opgelegd en dat de kosten daarvan slechts ten laste van de betrokkene worden gelegd, indien de overtreding, bepaald in artikel 34, § 2, 1°, of artikel 37bis, § 1, 1°, is bewezen. Indien uit de bloedanalyse blijkt dat de persoon niet met een te hoge alcoholconcentratie in het bloed bestuurde, zijn de kosten van de bloedproef dus niet te zijnen laste. 4 -B- B.
  3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 63, § 4, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, (hierna : Wegverkeerswet) dat bepaalt : « De kosten van het nemen van de proef en van de bloedanalyse komen ten laste van de onderzochte persoon : - indien de overtreding bepaald in artikel 34, § 2, 1°, bewezen is, of - indien de overtreding bepaald in artikel 37bis, § 1, 1°, bewezen is ». B.
  4. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de rechter verplichten steeds - ook in de gevallen waarin een ademanalyse om medische redenen niet mogelijk is - de kosten van het nemen van een bloedstaal en van de bloedanalyse ten laste van de onderzochte persoon te leggen, indien de overtreding bepaald in artikel 34, § 2, 1°, van de Wegverkeerswet bewezen is, terwijl aan de vaststelling van het alcoholgehalte aan de hand van een ademanalyse geen kosten voor de betrokkene zijn verbonden. Luidens voormeld artikel 34, § 2, 1°, is strafbaar : « hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft ». B.3.
  5. Artikel 63 van de Wegverkeerswet werd vervangen bij de wet van 18 juli
  6. Een van de doelstellingen van die wet bestond erin rijden onder invloed tegen te gaan, dat in de memorie van toelichting wordt beschouwd als een van de belangrijkste ongevalsoorzaken (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1062/1, pp. 5 en 6). Daartoe werd niet alleen het strafbare alcoholpercentage verlaagd en werden niet enkel de controles op dat percentage versterkt, maar werden eveneens de straffen verzwaard in geval van overtreding. B.3.
  7. Wat de bloedproef betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 18 juli 1990 vermeld : 5 « Aangezien het bloedmonster slechts mag genomen worden door een geneesheer, levert de huidige procedure in de praktijk heel wat moeilijkheden op; zij betekent onder meer een enorm tijdverlies en omslachtigheid voor de politie en de rijkswacht. Daarom wordt voorgesteld om de bloedproef te vervangen door een ademanalyse door middel van elektronische apparatuur. […] De bloedproef zal in bijkomende orde worden behouden voor de gevallen waarin er niet kan worden overgegaan tot een ademanalyse, bv. wegens de toestand van de gewonden. Politie of rijkswacht zullen geen keuze kunnen maken tussen de ademanalyse en de bloedproef. Zij moeten tot de analyse van de uitgeademde lucht overgaan en kunnen enkel de bloedproef opleggen in de gevallen die uitdrukkelijk worden vermeld. Wat de bloedproef zelf betreft, wordt de huidige procedure behouden » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1062/1, pp. 7 en 8; zie ook : ibid., nr. 1062/17, pp. 16 en 17). B.3.
  8. Wat de kosten van de bloedproef betreft, wordt in dezelfde parlementaire voorbereiding gesteld : « Volgens de huidige wetgeving - waarin geen sprake is van de ademanalyse-methode - komen de kosten van het nemen van het bloedmonster en van de bloedanalyse (wat de eerste analyse vormt) slechts ten laste van de onderzochte persoon indien de overtreding bewezen is; de kosten van een tweede analyse (dus een tegenexpertise) komen daarentegen steeds ten laste van de betrokkene. Dat argument wordt door heel wat leden betwist. Er wordt opgemerkt dat het onbillijk zou zijn dat de betrokken persoon zelf de kosten van het nemen van het bloedmonster en van de bloedanalyse moet betalen in geval de bloedanalyse de resultaten van de ademproef zou teniet doen. Indien de kosten van het nemen van een bloedmonster en van de bloedanalyse stelselmatig ten laste van de betrokkene komen, kan zulks overigens ontradend werken, waardoor de uitoefening van de rechten van de verdediging in het gedrang komt. Thans bestaat die ontrading echter niet omdat de overheid beslist of er monsters worden genomen en een tweede analyse op basis van het genomen monster automatisch mogelijk is. De Minister sluit zich bij de argumenten van de Commissie aan. Door een aanpassing van het alcoholgehalte dat in aanmerking komt […], handhaaft […] het ontwerp derhalve de bepaling die thans regelt wie de kosten van het nemen van het bloedmonster en van de bloedanalyse moet betalen (amendement nr. 80 van de Regering – Stuk nr. 1062/5) » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1062/7, p. 127). B.4.
  9. Overeenkomstig de eerste paragraaf van artikel 63 van de Wegverkeerswet moeten de in artikel 59, § 1, van dezelfde wet bedoelde overheidspersonen, de personen, bedoeld in 1° en 2° van dezelfde paragraaf, een bloedproef laten ondergaan door een daartoe 6 opgevorderde arts, in de gevallen die in dat artikel 63, § 1, limitatief zijn opgesomd, onder meer in het geval waarin noch de ademtest, noch de ademanalyse konden worden uitgevoerd en de betrokkene zich blijkbaar bevindt in een toestand van dronkenschap of in een soortgelijke staat ten gevolge van het gebruik van drugs of van geneesmiddelen. De wetgever vermag, met het oog op de verkeersveiligheid, in zulk een regeling te voorzien, des te meer nu het opleggen van een bloedproef aan strikte voorwaarden is onderworpen en als een uitzondering op de algemene regel van de ademtest of de ademanalyse is bedoeld. B.4.
  10. Het nemen van het bloedstaal en de bloedanalyse brengen, anders dan bij een ademtest of een ademanalyse, specifieke kosten mee ten gevolge van het optreden van een arts en van een erkend laboratorium. Die kosten komen evenwel enkel ten laste van de onderzochte persoon, indien de overtredingen bepaald in artikel 34, § 2, 1°, of in artikel 37bis, § 1, 1°, van de Wegverkeerswet zijn bewezen. Indien die overtredingen niet zijn bewezen, kunnen die kosten niet ten laste van de onderzochte persoon worden gelegd. Bovendien verantwoorden het aantal verkeersongevallen en de gevolgen daarvan dat diegenen die de verkeersveiligheid in het gedrang brengen, het voorwerp uitmaken van daartoe geëigende procedures en dat zij zelf bepaalde kosten dienen te dragen die rechtstreeks in verband staan met bewezen overtredingen, veeleer dan dat die kosten ten laste van de gemeenschap worden gelegd. Ten slotte zijn de kosten voor het nemen van een bloedstaal en voor een bloedanalyse niet dermate aanzienlijk dat de in het geding zijnde maatregel onevenredige gevolgen zou hebben. B.4.
  11. Uit wat voorafgaat volgt dat de keuze van de wetgever om de beoordelingsvrijheid van de rechter ten aanzien van een bepaalde categorie van personen uit te sluiten, wat de kosten voor het nemen van een bloedstaal en voor een bloedanalyse betreft, in redelijkheid niet onverantwoord is. B.
  12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 63, § 4, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 juni
  13. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.