id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.078 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100623.9 Arrest- Rolnummer: 78/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2010-06-24 Raadplegingen: 688 - laatst gezien 2026-07-02 00:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Verhaalbaarheid Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Veroordeling van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet - 21-04-2007 - 9 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4834 Arrest nr. 78/2010 van 23 juni 2010 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 18 september 2009 in zake het openbaar ministerie tegen Sven Seynaeve en Michael Sorel, in aanwezigheid van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, gedwongen tussengekomen partij, en Maryse François, burgerlijke partij, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 december 2009, heeft de Politierechtbank te Brugge twee keer de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007 [betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat], het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank enkel de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding en dus niét het G.M.W.F., terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank wel moet (minstens kan) veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding zodra ze wordt aangemerkt als ‘ in het ongelijk gestelde partij ’, en dit alles in de hypothese dat de strafrechtbank enkel deze tussenkomende partij heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 mei 2010 : - is verschenen : Mr. P. Peeters, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Aan de grondslag van het bodemgeschil ligt een aanrijding, veroorzaakt door Michael Sorel, die een bromfiets klasse B bestuurde, tegen de wagen van Maryse François, die werd bestuurd door Sven Seynaeve. De verwijzende rechter veroordeelt Sven Seynaeve wegens rijden onder invloed en wegens het besturen van een motorrijtuig zonder rijbewijs, en hij veroordeelt Michael Sorel onder andere wegens rijden onder invloed, wegens het besturen van een motorrijtuig zonder rijbewijs en wegens het besturen van een motorrijtuig zonder geldige verzekering. Sven Seynaeve en Maryse François stellen zich burgerlijke partij en dagen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (hierna : GMWF) tot gedwongen tussenkomst. Het GMWF wordt veroordeeld in de kosten, maar wordt niet veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding, aangezien het niet als beklaagde of als burgerrechtelijk aansprakelijke in de zin van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering kan worden beschouwd (Cass., 2 december 2008, P.08.0482.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081202.6, en Cass. 4 maart 2009, V.A.V. 2009, 227). Indien dezelfde burgerlijke vordering voor een burgerlijke rechter zou 3 komen, zou het GMWF wel tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding worden veroordeeld, aangezien artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek in meer algemene termen over de « in het ongelijk gestelde partij » spreekt. Omdat de verwijzende rechter van mening is dat er mogelijkerwijs sprake is van een discriminatie, stelt hij het Hof de voormelde prejudiciële vraag. Daarbij merkt hij op dat het Hof die vraag niet heeft beantwoord in zijn arresten nrs. 70/2009 van 23 april 2009 en 110/2009 van 9 juli 2009, omdat in die zaken niet het GMWF, maar een verzekeraar werd veroordeeld, omdat in die zaken bovendien de beklaagde en zijn verzekeraar in solidum werden veroordeeld, en omdat ten slotte in die zaken wel een veroordeling tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding diende te worden uitgesproken krachtens artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, die in casu niet toepasselijk is, aangezien het GMWF geen verzekeraar is, maar wordt gedaagd op grond van de wet van 21 november
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.