id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.079 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100701.1 Arrest- Rolnummer: 79/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 472 - laatst gezien 2026-07-02 11:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met wat in B.7 is gezegd, schendt artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het het de geweigerde kandidaat voor een benoeming tot werkend lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat in de hoedanigheid van docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit niet mogelijk maakt om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep in te stellen tot nietigverklaring van de aanwijzing, door de Senaat, van een dergelijk lid van die commissie. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals vervangen bij de wet van 15 mei 2007, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Raad van State - Bevoegdheid - Beroep tot nietigverklaring - Administratieve handelingen van de wetgevende vergaderingen - Aanwijzing in de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat in de hoedanigheid van docent of hoogleraar in de rechten aan een Belgische universiteit. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 12-01-1973 - 14,§1,L1,2° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 15-05-2007 - 40 ELI link Pub nr 2007000545 Tekst van de beslissing Rolnummer 4746 Arrest nr. 79/2010 van 1 juli 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 14, § 1, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals vervangen bij de wet van 15 mei 2007, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 194.561 van 22 juni 2009 in zake Frédéric Georges tegen de Belgische Senaat, in aanwezigheid van Hugues Fronville en de Nationale Kamer van Notarissen, tussenkomende partijen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 juli 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 14, § 1, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat de Raad van State niet bevoegd zou zijn om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring dat een kandidaat voor de functie van lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat in de hoedanigheid van docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit rechten van een Belgische universiteit, die geen notaris, kandidaat-notaris of geassocieerd notaris is, heeft ingesteld tegen de aanwijzing van een ander lid van die commissie om de enige reden dat hij zou zijn aangewezen door de Senaat, terwijl de notarissen de aanwijzingen mogen betwisten van de leden van die commissie die onder hun beroep vallen, omdat zij door een andere overheid zijn aangewezen ? ». Memories zijn ingediend door : - Frédéric Georges, die keuze van woonplaats heeft gedaan te 4000 Luik, place Verte 13; - de Belgische Senaat; - de Nationale Kamer van Notarissen, waarvan de zetel is gevestigd te 1000 Brussel, Bergstraat 30-34; - de Ministerraad. Frédéric Georges, de Belgische Senaat en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 mei 2010 : - zijn verschenen : . Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie te Luik, voor Frédéric Georges; . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Mr. G. Pijcke, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Belgische Senaat; . Mr. A. Fraikin loco Mr. D. Lagasse, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Nationale Kamer van Notarissen; . Mr. A. Sohet loco Mr. H. Gilliams, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 6 november 2008 stelt Frédéric Georges, docent aan de rechtsfaculteit van de « Université de Liège », zich in die hoedanigheid kandidaat voor de functie van werkend lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat. Op 18 december 2008 wijst de Senaat een andere persoon aan in de hoedanigheid van « docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit » in de zin van artikel 38, § 4, eerst lid, 4°, van de wet van 25 ventôse jaar XI « op het notarisambt ». Frédéric Georges, die opmerkt dat die persoon geen enkele van de twee in die wetsbepaling bedoelde titels heeft en dat die zich bovendien kandidaat had gesteld in de hoedanigheid van « extern lid met een voor de opdracht relevante beroepservaring » in de zin van artikel 38, § 4, eerste lid, 5°, van dezelfde wet, heeft op 16 februari 2009 bij de Raad van State een beroep ingesteld tot nietigverklaring van de aanwijzing van de persoon die voor de functie waarvoor hij zich kandidaat had gesteld, is gekozen. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is van mening dat artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd dat het die afdeling niet bevoegd maakt om kennis te nemen van een beroep dat is gericht tegen de benoeming, door de Senaat, van de leden van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat, een discriminatie in het leven roept, vermits zij daarentegen wel bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van de benoeming van de vier andere werkende leden van die commissie, die door leden van de algemene vergadering van de Nationale Kamer van Notarissen zijn aangewezen. De Raad van State beslist bijgevolg aan het Hof de hiervoor weergegeven en door de verzoeker gesuggereerde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.1.
- Hij leidt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 2 van de wet van 25 mei 1999 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek », dat aan de oorsprong ligt van de in het geding zijnde bepaling, af dat de wetgever de handelingen van de wetgevende vergaderingen « die verbonden zijn met hun politiek of wetgevend optreden », en die geen betrekking hebben op hun administratieve activiteit, aan de controle van de Raad van State heeft willen onttrekken. De Ministerraad, die het arrest nr. 93/2004 van het Hof aanhaalt, merkt op dat het Hof erkent dat de Grondwet niet vereist dat de « handelingen van politieke aard » aan het rechterlijk toezicht van de Raad van State worden onderworpen. Hij merkt op dat de handelingen van de wetgevende vergaderingen bedoeld in de arresten nrs. 54/2002 en 89/2004 administratieve handelingen zijn in verband met de aanwerving van hun personeel. 4 A.1.
- De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat de aanwijzing, door de Senaat, van leden van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat een politieke handeling is. Hij merkt op dat de wijze van aanwijzing van de leden van die commissie die geen notaris zijn, is geïnspireerd op de procedure voor de benoeming van de leden van de Hoge Raad voor de Justitie die geen magistraat zijn, bepaald in artikel 259bis-2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Hij betoogt dat de betrokkenheid van de Senaat ertoe strekt het democratische en pluralistische karakter te waarborgen van die commissie, die een aan die vergadering extern orgaan is. Hij merkt op dat, in tegenstelling tot de meeste beslissingen die worden genomen ten aanzien van het personeel van de Senaat, de benoeming van de leden van de voormelde commissie een handeling is die wordt gesteld in plenaire vergadering en niet door een orgaan van die vergadering. Hij preciseert dat de handelingen van een vergadering in verband met haar personeelsleden of de openbare aanbestedingen interne bestuurshandelingen zijn. Volgens de Ministerraad is de Raad van State te dezen niet bevoegd omdat de wetgevende vergaderingen, die werden verkozen en houder zijn van het residu van de soevereiniteit, bij de uitoefening van hun opdracht over de meest ruime onafhankelijkheid dienen te beschikken. Hij voegt daaraan toe dat, rekening houdend met het feit dat de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat integraal deel uitmaakt van de « organisatie van notariaat als beroep », de aanwijzing van de andere leden van die commissie door de Nationale Kamer van Notarissen een « louter interne organisatiemaatregel » is. Hij leidt daaruit af dat het verschil in behandeling tussen de kandidaten voor een mandaat van die commissie die geen notaris zijn en diegenen die het wel zijn, redelijk verantwoord is. A.1.
- In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat, zelfs indien de onbevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de aanwijzing, door de Senaat, van een lid van de benoemingscommissie voor het notariaat discriminerend zou worden geacht, dient te worden opgemerkt dat die discriminatie niet haar oorsprong vindt in artikel 14 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten. Hij verwijst in dat opzicht naar de motieven van het arrest nr. 31/
- A.1.
- Ten slotte leidt de Ministerraad uit het arrest nr. 136/2003 en het arrest nr. 25/2006 af dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, in zoverre zij een schending aanklaagt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij merkt op dat in de verwijzingsbeslissing geenszins wordt aangegeven hoe die internationale bepaling door de in het geding zijnde wetsbepaling wordt geschonden. In ondergeschikte orde vraagt de Ministerraad zich af hoe die internationale bepaling te dezen van toepassing zou kunnen zijn, vermits de verzoeker voor de Raad van State over geen recht van burgerlijke aard schijnt te beschikken in het raam van de aanwijzing, door de Senaat, van leden van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat. A.2.
- De Senaat is eveneens van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.2.
- Hij merkt in de eerste plaats op dat de wijze van aanwijzing, door het federaal Parlement, van de leden van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat identiek is met de procedure die betrekking heeft op de Hoge Raad voor de Justitie, beschreven in artikel 259bis-2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Hij is van mening dat de betrokkenheid van beide federale wetgevende vergaderingen bij de aanwijzing van de leden van die commissie ertoe strekt het democratische en pluralistische karakter van de samenstelling van dat orgaan te waarborgen. De Senaat onderstreept dat de aanwijzing van de leden van dat orgaan die geen notaris zijn, geen bestuurshandeling is maar een « soevereine handeling van politieke verantwoordelijkheid ». Hij maakt een onderscheid tussen de handelingen van de wetgevende vergaderingen die onder hun intern bestuur vallen - en waarmee zij niet anders handelen dan een administratieve overheid - en de handelingen die onder een politieke bevoegdheid vallen die hun is toegekend om reden van hun statuut van « orgaan dat de Natie vertegenwoordigt », handelingen die hij als « handelingen van hoog bestuur » of als « handelingen van hoog toezicht » kwalificeert. De Senaat is van mening dat de aanwijzing van leden van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat tot die laatste categorie van handelingen behoort, net zoals talrijke andere aanwijzingen en voordrachten van kandidaten voor andere benoemende overheden die aan de wetgevende vergaderingen toekomen, en die onder meer betrekking hebben op functies in collaterale organen van het 5 Parlement, in hoge rechtscolleges of in commissies en die bovendien aan zeer uiteenlopende procedureregels zijn onderworpen. Hij onderstreept dat die aanwijzingen of voordrachten, die aan de nationale vertegenwoordiging zijn toevertrouwd, onder de politieke functie van de kamers vallen, functie die zij in alle onafhankelijkheid ten opzichte van de andere machten moeten kunnen uitoefenen. De Senaat merkt op dat de Raad van State zich niet mag uitspreken over de geldigheid van de door de parlementaire instellingen gestelde handelingen « in de uitoefening van hun soevereine functie van politieke verantwoordelijkheid », teneinde zo elke inbreuk op het residu van de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van de kamers van het Parlement te voorkomen. Na te hebben opgemerkt dat de arresten nrs. 63/2002 en 27/2009 getuigen van de bekommernis van het Hof om te waken over de inachtneming van de onafhankelijkheid van de wetgevende macht en de rechterlijke macht, voert de Senaat aan dat de motivering van het arrest nr. 93/2004 kan worden toegepast op het geval dat met de onderhavige prejudiciële vraag aan het Hof wordt voorgelegd. Hij preciseert in dat verband dat in dat arrest wordt verzocht rekening te houden met het politieke karakter, niet van de functie waarop de aanwijzing slaat, maar van de aanwijzing zelf. Hij merkt op dat het politieke karakter van de aanwijzing van leden van de benoemingscommissies voor het notariaat voldoende blijkt uit, enerzijds, het feit dat die aanwijzing beurtelings de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat toekomt en, anderzijds, uit de omstandigheid dat die aanwijzing gebeurt bij tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen. De Senaat betwist of het opportuun is een onderscheid te maken tussen de aanwijzingen door de vergaderingen naar gelang van hun min of meer politieke karakter. De Senaat leidt vervolgens uit de parlementaire voorbereiding van artikel 2 van de wet van 25 mei 1999 af dat de wetgever de bevoegdheid van de Raad van State niet wenste uit te breiden tot de handelingen van de niet-administratieve overheden die een politiek karakter hebben. Hij verwijst in dat verband naar twee arresten van de Raad van State waarin die laatste zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van een beroep gericht tegen de aanwijzing van de federale ombudsmannen (RvSt, 7 januari 2005, nr. 138.950, Vande Casteele; RvSt, 19 december 2005, nr. 152.880, Vande Casteele). A.2.
- De Senaat concludeert uit wat voorafgaat dat het verschil in behandeling tussen de twee grote categorieën van leden van de benoemingscommissies voor het notariaat redelijk verantwoord is door de in de Grondwet erkende dwingende noodzaak om de politieke onafhankelijkheid van de kamers te vrijwaren die, bij de benoeming van sommige van die leden, een politieke handeling stellen en een soevereine en onafhankelijke bevoegdheid uitoefenen. A.3.
- Frédéric Georges is van mening dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.3.
- Hij leidt uit het arrest van de Raad van State nr. 78.921 van 23 februari 1999 en uit de verwijzingsbeslissing in de onderhavige zaak in de eerste plaats af dat de geweigerde kandidaat voor een functie van notaris-lid van een benoemingscommissie voor het notariaat een beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen de aanwijzing van de leden van die commissie door de algemene vergadering van de Nationale Kamer van Notarissen. Hij preciseert dat die aanwijzing geen maatregel van interne organisatie van het beroep is. Hij verklaart tevens dat de benoemingen en aanwijzingen van de leden van de diverse administratieve commissies die zijn belast met het organiseren van wervings- of bevorderingsexamens in het openbaar ambt of van de leden van de organen die zijn belast met een opdracht van algemeen belang, ook voor de Raad van State kunnen worden bestreden. Hij is bijgevolg van mening dat beide categorieën van leden van een benoemingscommissie voor het notariaat, die dezelfde opdracht uitoefenen en onderworpen zijn aan dezelfde verplichtingen van onafhankelijkheid en dezelfde regels van onverenigbaarheid, zich in vergelijkbare situaties bevinden. A.3.
- Frédéric Georges zet vervolgens uiteen dat de aanwijzing van de leden van die commissie die geen notaris zijn, niet onder de politieke of wetgevende activiteit van de Senaat valt, maar een bestuurshandeling is van een vergadering die als administratieve overheid optreedt. Hij is van mening dat, zoals de Nationale Kamer van Notarissen, de benoemingscommissies voor het notariaat een opdracht van openbare dienst uitoefenen die hun door de overheid is toevertrouwd en beslissingen nemen die bestuurshandelingen zijn. Hij leidt daaruit af dat de aanwijzing van een deel van de leden van die commissie net zo min als de handelingen bedoeld in artikel 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, een politieke handeling is die wordt gesteld door een wetgevende vergadering in haar hoedanigheid van houder van het residu van de soevereiniteit of een « handeling van hoog toezicht ». 6 Frédéric Georges is van mening dat de arresten nrs. 31/96 en 20/2000 hebben geleid tot de aanneming van de wijziging van artikel 14 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten bij de wet van 25 mei 1999, opdat de Raad van State zou kunnen toezien op de bestuurshandelingen van de wetgevende vergaderingen die geen politiek of wetgevend karakter vertonen. Hij verwijst naar het arrest nr. 93/2004 en merkt op dat de leden van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat mandatarissen zijn die een functie uitoefenen die, zelfs niet gedeeltelijk, vergelijkbaar is met die van een politiek orgaan (zoals het Rechtscollege van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest), en die niet zijn onderworpen aan regels van onverenigbaarheid die vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn op de leden van een dergelijk orgaan. Hij voegt daaraan toe dat de werking van de commissie niet is onderworpen aan de meerderheidsregels of procedureregels die vergelijkbaar zijn met die van een politiek orgaan. Hij is ook van mening dat de rol die aan de Senaat is toegekend bij de aanwijzing van leden van de genoemde commissie niet beantwoordt aan de doelstelling om de vertegenwoordiging van de verschillende politieke strekkingen binnen dat orgaan te verzekeren, vermits, enerzijds, artikel 38, § 4, van de wet van 25 ventôse jaar XI de samenstelling van de commissie bepaalt en, anderzijds, die laatstgenoemde een benoemingsorgaan is dat, zoals de Hoge Raad voor de Justitie, blijk moet geven van de grootst mogelijke neutraliteit en onpartijdigheid bij de uitoefening van zijn functies, onder meer ten overstaan van politieke beïnvloeding. Hij betoogt dat de goede werking van die commissie de aanwezigheid in haar midden verantwoordt van een hoogleraar of een docent van een rechtsfaculteit, namelijk een hoog gekwalificeerde docerende jurist die zal deelnemen aan het opstellen van de proeven waaraan de kandidaten voor een benoeming moeten deelnemen, en aan de selectie van de meest geschikten onder hen. Frédéric Georges is van mening dat de omstandigheid dat de aanwijzing van sommige leden van een benoemingscommissie voor het notariaat door de wetgevende vergaderingen het democratische en pluralistische karakter van de samenstelling ervan kan waarborgen, niet volstaat om aan die aanwijzing een politiek karakter te geven. Hij merkt op dat het niet om een « soevereine handeling van politieke verantwoordelijkheid » gaat, vermits de Senaat die tot een dergelijke aanwijzing overgaat, niet ervan is vrijgesteld de wet - onder meer de wijzigingen aangebracht in de wet van 25 ventôse jaar XI bij twee wetten van 4 mei 1999 - en de algemene beginselen van goed bestuur na te leven. Hij is van mening dat de door de Senaat aangehaalde arresten van de Raad van State niet toelaten te oordelen dat de desbetreffende aanwijzing geen administratieve handeling zou zijn, vermits de federale ombudsman een voornamelijk politieke functie zou uitoefenen en het voorwerp van een politieke benoeming uitmaakt. Frédéric Georges is ook van mening dat de bij het arrest nr. 54/2002 afgekeurde discriminatie vergelijkbaar is met die waarmee hij wordt geconfronteerd. Hij merkt enerzijds op dat hij, zoals de notarissen die zijn aangewezen om binnen de benoemingscommissie voor het notariaat een mandaat uit te oefenen met dezelfde onafhankelijkheid als hij, een reëel en legitiem belang heeft om een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te stellen en, anderzijds, dat de voormelde arresten van het Hof aangeven dat enkel de politieke of wetgevende handelingen van een wetgevende vergadering aan de toetsing van de Raad van State kunnen ontsnappen. Hij leidt ook een argument af uit het arrest nr. 89/2004 en uit het door de afdeling wetgeving uitgebrachte advies met betrekking tot het wetsvoorstel dat aan de oorsprong ligt van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 ». Frédéric Georges leidt uit wat voorafgaat af dat het aangeklaagde verschil in behandeling, dat hem het recht ontzegt om bij de Raad van State de nietigverklaring te vorderen van een - kennelijk en gewild onwettige - aanwijzing, door de Senaat, van een lid dat geen notaris is in een benoemingscommissie voor het notariaat, niet redelijk is verantwoord en niet uit een keuze van de Grondwetgever voortvloeit. A.
- De Nationale Kamer van Notarissen gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. -B- B.1.
- Artikel 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, vervangen bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van artikel 14 van de 7 wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 » en gewijzigd bij artikel 12 van de wet van 21 februari 2010 « tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming ‘ Grondwettelijk Hof ’ » bepaalt : « De afdeling [bestuursrechtspraak van de Raad van State] doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in 2° bedoelde akten en reglementen ». B.1.
- De Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat telt acht werkende leden (artikel 38, §§ 1 en 2, eerste lid, van de wet van 25 ventôse jaar XI « op het notarisambt », ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 4 mei 1999 « tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt »). Vier van hen hebben de hoedanigheid van notaris of van « geassocieerd notaris die geen titularis is » (artikel 38, § 4, eerste lid, 1° en 2°, van dezelfde wet). Zij worden « aangewezen door de leden van de algemene vergadering van de Nationale Kamer van notarissen […] [die] tot […] de Franse taalrol behoren » (artikel 38, § 5, tweede lid, van dezelfde wet). De commissie telt bovendien in haar midden een « magistraat in functie gekozen uit de zittende magistraten van de hoven en rechtbanken en de magistraten bij het openbaar ministerie » (artikel 38, § 4, eerste lid, 3°), een « docent of een hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit, die geen notaris, kandidaat-notaris of geassocieerde notaris is » (artikel 38, § 4, eerste lid, 4°) en twee « externe leden met een voor de opdracht relevante beroepservaring » (artikel 38, § 4, eerste lid, 5°). Die vier andere werkende leden van de commissie worden « afwisselend door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat aangewezen met een tweederdemeerderheid van de 8 uitgebrachte stemmen » (artikel 38, § 5, derde lid, van de wet van 25 ventôse jaar XI, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 « tot aanvulling van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, met de artikelen 38, § 5, 76, 1°, 78 tot 85 en 95 tot 112 »). B.2.
- Uit de feiten van de zaak en de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van kandidaten voor een mandaat van lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat : enerzijds, diegenen die kandidaat zijn in de hoedanigheid van notaris of geassocieerd notaris die geen titularis is en, anderzijds, diegenen die kandidaat zijn in de hoedanigheid van « docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit die geen notaris, kandidaat-notaris of geassocieerd notaris is ». B.2.
- Zowel uit de motivering van de verwijzingsbeslissing als uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat de verwijzende rechter van mening is dat de leden van de Franse taalrol van de algemene vergadering van de Nationale Kamer van Notarissen, wanneer zij voor die Franstalige benoemingscommissie de notarissen en de geassocieerde notaris die geen titularis is, aanwijzen, optreden als administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring dat door de kandidaten van de in B.2.1 eerstgenoemde categorie tegen die aanwijzingen wordt ingesteld. Door de bevoegdheid van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen de handelingen en reglementen van de wetgevende vergaderingen, te beperken tot de handelingen en reglementen die betrekking hebben op de « overheidsopdrachten en leden van hun personeel », ontneemt de in het geding zijnde bepaling de kandidaten van de in B.2.1 laatstgenoemde categorie het recht om voor de Raad van State de nietigverklaring te vorderen van een aanwijzing, door de Senaat, van een werkend lid van de desbetreffende commissie in 9 de hoedanigheid van « docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit ». B.
- Zoals het is vervangen bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007, neemt artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de regel over die in diezelfde bepaling was ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 25 mei 1999 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek », regel volgens welke de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van akten en reglementen van een wetgevende vergadering of van een van haar organen, met betrekking tot de overheidsopdrachten en de leden van haar personeel. Het voorbehoud in verband met het voorwerp van de betrokken handeling beoogt de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State niet uit te breiden tot « alle bestuurshandelingen », en die te beperken tot de administratieve handelingen die tot het « intern functioneren » van de wetgevende vergaderingen behoren, met uitsluiting van die welke hun specifieke opdracht betreffen, met andere woorden tot de handelingen van de wetgevende vergadering die optreedt « als administratieve overheid » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-361/3, pp. 4-5; Hand., Senaat, 25 februari 1999, p. 7146; Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1960/4, pp. 2 en 6; ibid., nr. 1960/8, p. 4). B.
- Tot de basisbeginselen van de democratische opbouw van de Staat behoort de regel dat de wetgevende vergaderingen bij de uitoefening van hun opdracht over de ruimste onafhankelijkheid beschikken. Dat beginsel brengt met zich mee dat een wetgevende vergadering de haar toevertrouwde aangelegenheden, zoals bijvoorbeeld benoemingen, zelf dient te kunnen regelen en haar bevoegdheden op autonome wijze dient te kunnen uitoefenen. B.
- De docent of de hoogleraar die, in die hoedanigheid, lid is van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat is geen personeelslid van die wetgevende vergadering. 10 Het gaat om een mandataris wiens functie identiek is met die van de notarissen en van de geassocieerde notaris die geen titularis is en die leden van diezelfde commissie zijn. Ten aanzien van de onverenigbaarheden is die mandataris aan dezelfde regels onderworpen als die notarissen en die geassocieerde notaris die geen titularis is (artikel 38, § 6, eerste lid, van de wet van 25 ventôse jaar XI, ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 4 mei 1999 « tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt »). Die regels strekken ertoe « de objectieve en onpartijdige samenstelling en werking [te verzekeren] » van de benoemingscommissie (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1432/1, p. 54). Het mandaat van lid van een benoemingscommissie voor het notariaat is onder meer onverenigbaar met « [elk] bij verkiezing verleend politiek mandaat » (artikel 38, § 6, eerste lid, 4°, van de wet van 25 ventôse jaar XI). De docent of de hoogleraar die, in die hoedanigheid, lid is van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat wordt bovendien aan dezelfde regels onderworpen als de daarvan lid zijnde notarissen en geassocieerde notaris die geen titularis is, wat betreft de voorwaarden voor een tweede verkiezing, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn mandaat en de voorwaarden inzake de organisatie en de werking van de commissie (artikel 38, §§ 7 tot 10, van de wet van 25 ventôse jaar XI, ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 4 mei 1999; artikel 38, § 11, van de wet van 25 ventôse jaar XI, ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij artikel 6, a), van de wet van 23 mei 2007 « tot wijziging van een aantal wetten betreffende de dotaties aan het Rekenhof, de federale ombudsmannen, de benoemingscommissies voor het notariaat en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer »). B.
- Het in B.2 beschreven verschil in behandeling is bijgevolg niet evenredig met het beginsel van de onafhankelijkheid van de wetgevende vergaderingen, want het door het instellen van een beroep tot nietigverklaring beschermde belang is even reëel en even wettig ten aanzien van een kandidaat voor een aanwijzing als werkend lid van die commissie in de hoedanigheid van « docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit » als ten aanzien van een kandidaat voor een aanwijzing als werkend lid van die commissie in de hoedanigheid van notaris of geassocieerd notaris die geen titularis is. 11 De aanwijzing, door de Senaat, van een werkend lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat in de hoedanigheid van « docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit » is een handeling die dient onderworpen te zijn aan het rechterlijk toezicht van de Raad van State. B.7.
- De procedure voor de aanwijzing van de leden van de benoemingscommissies voor het notariaat die geen notaris zijn, noch geassocieerd notaris die geen titularis is, is evenwel geïnspireerd op de procedure voor de benoeming van de leden van het wervingscollege der magistraten ingesteld bij het vroegere artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 20 van de wet van 18 juli 1991 « tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van de magistraten » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nrs. 1432/1 en 1433/1, p. 54). Zij werden « door de Senaat benoemd, met de meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen » (artikel 259bis, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het luidde vóór de vervanging ervan bij artikel 45 van de wet van 22 december 1998 « tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem »). Die « aanwijzing […] die de regeringsmeerderheid van het ogenblik overstijgt » maakte het mogelijk « een groter pluralisme te realiseren » en « een zo breed mogelijk akkoord en een zo groot mogelijke politieke waaier » (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 974-2, pp. 110-111). B.7.
- De procedure voor de aanwijzing van de leden van de benoemingscommissies voor het notariaat die geen notaris zijn, noch geassocieerd notaris die geen titularis is, is overigens vergelijkbaar met de procedure voor de benoeming van de « andere leden » van de Hoge Raad voor de Justitie bedoeld in artikel 151, § 2, tweede lid, van de Grondwet - ingevoegd bij de herziening van de Grondwet van 20 november 1998 -, procedure waarop de Ministerraad en de Senaat allusie maken voor het Hof. De « niet-magistraten » die lid zijn van de Hoge Raad voor de Justitie worden immers eveneens benoemd door de Senaat met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte 12 stemmen (artikel 151, § 2, tweede lid, van de Grondwet; artikel 259bis-2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 45 van de wet van 22 december 1998). De benoeming van die leden van de Hoge Raad voor de Justitie - die deelnemen aan de werving van de magistraten van de rechterlijke macht - gebeurt aldus door een « instelling, die wel over een noodzakelijke democratische legitimiteit beschikt en op pluralistische wijze tot stand komt » dankzij « een meerderheid die de regeringsmeerderheid overstijgt » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1677/1, p. 47; Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1675/1, p. 2). B.7.
- Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat de Raad van State, wanneer hij kennis neemt van een beroep tot nietigverklaring van een aanwijzing, door de Senaat, van een werkend lid van de commissie in kwestie in de hoedanigheid van « docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit », na in voorkomend geval te hebben nagegaan of de wetgevende vergadering de bij de Grondwet of de wet vastgestelde aanwijzingsvoorwaarden in acht heeft genomen, rekening dient te houden met de bijzondere vertrouwensband die blijkt uit de aanwijzing door een wetgevende vergadering. B.
- Rekening houdend met wat in B.7 is uiteengezet, is de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij het de geweigerde kandidaat voor een benoeming tot werkend lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat in de hoedanigheid van docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit niet mogelijk maakt om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep in te stellen tot nietigverklaring van de aanwijzing, door de Senaat, van een dergelijk lid van die commissie. Aangezien de vastgestelde lacune zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, aangezien die vaststelling wordt uitgedrukt in voldoende duidelijke en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- In zoverre de prejudiciële vraag de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, aanklaagt, dient zij bevestigend te worden beantwoord. 13 B.
- Het onderzoek van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zou niet tot een ander besluit kunnen leiden. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met wat in B.7 is gezegd, schendt artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het het de geweigerde kandidaat voor een benoeming tot werkend lid van de Franstalige benoemingscommissie voor het notariaat in de hoedanigheid van docent of hoogleraar in de rechten aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit niet mogelijk maakt om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep in te stellen tot nietigverklaring van de aanwijzing, door de Senaat, van een dergelijk lid van die commissie. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 1 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.079 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.005 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div