id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.081 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100701.3 Arrest- Rolnummer: 81/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-06 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-07-02 11:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeerwet - 16 maart 1968 - Verval - art. 38-49 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Leuven. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Verkeersmisdrijven - Zware overtredingen -
- Verval van het recht tot sturen -
- Schuldige die sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B -
- Herstel van het recht tot sturen - Slagen voor het theoretisch of praktisch examen - Geen beoordelingsvrijheid van de rechter. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 16-03-1968 - 38,§5 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4796 Arrest nr. 81/2010 van 1 juli 2010 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Leuven. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 oktober 2009 in zake het openbaar ministerie tegen T.S., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 november 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 38, § 5, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu de rechter in toepassing van deze bepaling verplicht is om bij een veroordeling wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B, verplicht is het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk moet maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen, terwijl de rechter niet verplicht is om dit te doen, in geval van een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader met enkel lichtgewonden of in geval van overtredingen van de tweede graad zoals bedoeld in artikel 29, § 1, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer ? ». T.S. en de Ministerraad hebben ieder een memorie en een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 juni 2010 : - zijn verschenen : . Mr. B. Wydooghe loco Mr. C. Vandebroeck, advocaten bij de balie te Leuven, voor T.S.; . Mr. J. Huygh loco Mr. M. Pilcer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het verwijzende rechtscollege neemt kennis van het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechtbank waarbij de beklaagde wegens het negeren van een rood licht onder meer werd veroordeeld tot een verval van het recht alle motorvoertuigen te besturen gedurende een termijn van één maand en het herstel van zijn recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor een theoretisch examen. Aangezien de overtreding werd vastgesteld binnen twee jaar nadat het definitief rijbewijs van de beklaagde was uitgereikt, dient toepassing te worden gemaakt van artikel 38, § 5, van de bij het koninklijk besluit van 3 16 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer (hierna : « Wegverkeerswet »). De beklaagde wijst op de kennelijke onredelijkheid van die bepaling en verzoekt een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Op basis van rechtsleer meent de Rechtbank dat het verzoek van de beklaagde gegrond is en stelt zij de prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de beklaagde voor het verwijzende rechtscollege A.
- De beklaagde brengt de regel van artikel 38, § 5, van de Wegverkeerswet in herinnering, die de rechter verplicht om het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden, en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B. Op die verplichting bestaan twee uitzonderingen, namelijk wanneer een verkeersongeval te wijten is aan het persoonlijk toedoen van de dader waarbij enkel lichtgewonden vallen en bij overtredingen van de tweede graad, zoals bedoeld bij artikel 29, § 1, van die wet. Het is volgens de beklaagde onredelijk dat een jonge bestuurder die geen verkeersongeval veroorzaakt, maar wel bijvoorbeeld een kleine snelheidsovertreding begaat, wel de strafverzwaring zou dienen te ondergaan, terwijl dat niet het geval is voor diegene die een verkeersongeval veroorzaakt met enkel lichtgewonden, of voor diegene die geen voorrang verleent of het stopbord niet in acht neemt. Hij verwijst naar de rechtsleer die aanvoerde dat tijdens de parlementaire voorbereiding nergens is afgewogen waarom precies de voormelde uitzonderingen - en geen andere - werden aanvaard. Tevens voert hij aan dat het begrip « lichtgewonden » moeilijk af te lijnen is, zodat men zich kan afvragen of de uitzondering wel voldoende duidelijk en nauwkeurig is om in een strafbepaling te worden opgenomen. A.
- Met zijn memorie van antwoord legt de beklaagde het proces-verbaal van vaststelling van zijn overtreding over, waaruit moet blijken dat hij helemaal geen andere weggebruikers in gevaar heeft gebracht, terwijl de maatregel precies de veiligheid van andere weggebruikers beoogt te waarborgen. Men kan volgens hem evenmin stellen dat de bestuurder die een verkeersongeval met lichtgewonden veroorzaakt, de veiligheid van de weggebruikers niet in het gedrang heeft gebracht. Bovendien zijn ook de overtredingen van de tweede graad vergelijkbaar met het negeren van een rood licht, zoals in zijn geval. Het verschil in behandeling is volgens hem, door de vergelijkbaarheid van de situaties, kennelijk onredelijk omdat de gevolgen ervan niet minimaal kunnen worden genoemd. Verder voert de beklaagde aan dat hij, rekening houdend met het voorlopig rijbewijs, op het ogenblik van de feiten wel degelijk meer dan twee jaar rijervaring had. Ten slotte betwist hij ook het adequaat karakter van de maatregel : de Regering heeft aanvankelijk zelf toegegeven dat een theoretisch of praktisch examen eigenlijk niet geschikt is om de attitude en het gedrag van de bestuurders te meten. Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad gaat allereerst dieper in op de ratio legis van de in het geding zijnde bepaling, waaruit blijkt dat de wetgever ervan uitgaat dat een bestuurder die binnen de twee jaar na het verkrijgen van zijn rijbewijs een zware overtreding heeft begaan, radicaal en manifest in strijd met de regels van een respectvolle en veilige besturing heeft gehandeld en door zijn gedrag aantoont dat hij niet geschikt is om een voertuig te besturen. Het is dan ook noodzakelijk die bestuurder te doen inzien wat een veilige rijstijl inhoudt, door hem te verplichten opnieuw het theoretisch of het praktisch examen af te leggen en hiervoor te slagen om opnieuw in het verkeer te worden toegelaten. A.
- Het door de beklaagde aangehaalde verschil in behandeling berust volgens de Ministerraad op een objectieve en redelijke verantwoording en heeft zeker geen onredelijke gevolgen. 4 Terwijl de houder van een rijbewijs sinds minder dan twee jaar, in de gevallen bedoeld in het eerste lid van artikel 38, § 1, een zware inbreuk begaat die de weggebruikers ernstig en rechtstreeks in gevaar kan brengen, betreft de hypothese van het tweede en het derde lid andere gevallen, namelijk wanneer er lichtgewonden zijn zonder dat een zware inbreuk is gepleegd, en wanneer er een (minder zware) overtreding van categorie twee is begaan, die de veiligheid van personen onrechtstreeks in gevaar brengt of waarbij onrechtmatig gebruik is gemaakt van parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap. De ernst van het gedrag van de bestuurder en het gevaar dat hij vertegenwoordigt voor andere weggebruikers zijn voldoende objectieve criteria om het onderscheid te verantwoorden. De Ministerraad wijst er verder op dat zelfs in beide gevallen de rechter ook het verval van het recht tot sturen kan uitspreken, en het herstel van dat recht afhankelijk kan maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen of zelfs van een ander onderzoek, doch dat hij daartoe niet is verplicht, zoals in het geval van het eerste lid, voor wat het theoretisch en praktisch examen betreft. Een dergelijk verschil is gering. De vervallenverklaring van het recht tot sturen kan acht dagen bedragen en de verplichting om te slagen voor het theoretisch of praktisch examen heeft geen buitensporige gevolgen voor de bestuurder. De maatregel is niet onredelijk en staat in verhouding tot het nagestreefde doel, namelijk de verkeersveiligheid te verhogen en de weggebruikers te beschermen. -B- B.
- De prejudiciële vraag betreft artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, dat bepaalt : « De rechter moet het verval van het recht tot sturen uitspreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B. Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 38, § 1, 2°, in geval van een verkeersongeval met enkel lichtgewonden. Het eerste lid is niet van toepassing op de overtredingen van de tweede graad, zoals bedoeld in artikel 29, § 1 ». B.
- De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of die bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt doordat zij de rechter verplicht om bij een veroordeling wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en wanneer de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B, het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk te maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen, terwijl de rechter daartoe niet is verplicht in het geval van een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk 5 toedoen van de dader met enkel lichtgewonden of in geval van overtredingen van de tweede graad bedoeld in artikel 29, § 1, van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer. B.
- De prejudiciële vraag heeft bijgevolg betrekking op een verschil in bestraffing van verschillende categorieën van personen, waarbij de rechter tot gestrengheid gehouden is ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde bestuurders, terwijl hij over een beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de bestuurders voor wie de uitzonderingen gelden. Ten aanzien van een bepaalde categorie van veroordeelden dient de rechter immers het verval van het recht tot sturen uit te spreken (eerste lid). De maatregel voorziet in twee uitzonderingen. De eerste uitzondering betreft een veroordeling als bedoeld in artikel 38, § 1, 2°, namelijk een veroordeling wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, doch beperkt tot de hypothese dat zij wordt uitgesproken wegens verwonding, waarbij er enkel lichtgewonden zijn (tweede lid). De tweede uitzondering betreft een veroordeling wegens een overtreding van de tweede graad (derde lid). Het betreft overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer die de veiligheid van personen onrechtstreeks in gevaar brengen en de overtredingen die bestaan uit het onrechtmatig gebruiken van parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad (artikel 29, § 1, derde lid, van dezelfde gecoördineerde wetten). B.
- De maatregel wordt in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling als volgt uiteengezet : « Kennis en vaardigheid zijn betrouwbaar te testen op het rijexamen, maar attitude en gedrag zijn dat niet. Daarom wordt het eerste jaar dat men zijn rijbewijs heeft behaald beschouwd als een jaar waarbinnen de praktijk moet uitwijzen of de nieuwe, meestal ook jonge, bestuurder een veilige rijstijl heeft ontwikkeld. Is dat niet het geval, dan moet hij zijn theoretisch en/of praktisch rijexamen opnieuw afleggen. Onder meer de volgende overtredingen komen volgens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer in aanmerking voor een verval van het recht tot sturen : 6 - alcohol en dronkenschap in het verkeer; - overtredingen van de tweede, derde of vierde graad; - drugs in het verkeer; - een radarverklikker aan boord hebben; - verkeersongevallen met doden of ernstige gewonden veroorzaken; - recidive (reeds drie keer veroordeeld in het jaar voorafgaand aan de overtreding); - rijden zonder houder te zijn van een rijbewijs of rijden terwijl men medisch ongeschikt is; - vluchtmisdrijf; - de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur overschrijden; - de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 20 kilometer per uur overschrijden in een bebouwde kom, zone 30 of woonerf » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/001, p. 4). Een amendement werd aangenomen dat de vermelde termijn van één op twee jaar brengt (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/002). B.
- De maatregel van het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig wordt verantwoord door de bekommernis verkeersongevallen te verminderen en op die manier de verkeersveiligheid te bevorderen. De in het geding zijnde maatregel strekt ertoe bestuurders met een geringe ervaring in het wegverkeer aan een strenger toezicht te onderwerpen dan andere bestuurders. Door de eerstgenoemde bestuurders te verplichten, wanneer zij wegens bepaalde overtredingen zijn veroordeeld, hun theoretische kennis of praktische vaardigheden opnieuw te bewijzen, draagt de maatregel bij tot een verbetering van de veiligheid van de andere weggebruikers en van de verkeersveiligheid in het algemeen. De maatregel is bovendien beperkt tot bestuurders die bepaalde ernstige verkeersovertredingen hebben begaan. B.
- Gelet op de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel, leidt de keuze van de wetgever om de beoordelingsvrijheid van de rechter ten aanzien van een bepaalde categorie van veroordeelden uit te sluiten en niet ten aanzien van andere categorieën, niet tot een 7 verschil in behandeling dat verstoken is van een redelijke verantwoording of tot een onevenredige straf. Het gegeven dat de wetgever de rechter niet tot dezelfde gestrengheid heeft verplicht ten aanzien van andere categorieën van bestuurders, ontneemt de in het geding zijnde bepaling niet haar verantwoording. Dat geldt des te meer daar de rechter, indien hij dat verantwoord acht, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de overtreding en het verkeersongeval waartoe zij aanleiding geeft, dezelfde maatregel kan toepassen op de bestuurders op wie de uitzonderingen van toepassing zijn en uit wier gedrag blijkt dat zij geen « veilige rijstijl » hebben aangenomen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 1 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.081 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div