← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.086

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.086 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100708.3 Arrest- Rolnummer: 86/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-12 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-07-02 11:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 130 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 36 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, ingesteld door Stefaan Bovin en anderen. Bestuursrecht - Vlaams Gewest - Ruimtelijke ordening en stedenbouw - Stedenbouwkundige vergunning - Afwijking van stedenbouwkundige voorschriften - Beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-03-2009 - 36 - 61 ELI link Pub nr 2009035409 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - 130 - 33 ELI link Pub nr 1999035652 Tekst van de beslissing Rolnummer 4803 Arrest nr. 86/2010 van 8 juli 2010 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 130 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 36 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, ingesteld door Stefaan Bovin en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 november 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 november 2009, hebben Stefaan Bovin en Reinhilde Deboutte, wonende te 3000 Leuven, Heilige Geeststraat 172, Marc De Bernardin en Solvejg Wallyn, wonende te 3000 Leuven, Heilige Geeststraat 170, en Marc Neefs en Annette Holemans, wonende te 3000 Leuven, Kartuizersstraat 12, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 130 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 36 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2009). De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 juni 2010 : - zijn verschenen : . Mr. F. Judo, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. B. Martel loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.

  1. De verzoekende partijen voeren aan dat zij allen eigenaar en/of bewoner zijn van een woning gelegen naast een beschermd monument, namelijk het Kartuizerklooster te Leuven. Zij zijn van oordeel dat zij doen blijken van het vereiste belang, aangezien de bestreden bepaling toestaat dat in een stedenbouwkundige vergunning betreffende een beschermd monument wordt afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, wat nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor het Kartuizerklooster, en dus ook voor hun leefomgeving. A.2.
  2. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang, aangezien de bestreden bepaling precies tot doel heeft de beschermde monumenten te vrijwaren. Die 3 bepaling zou dus in geen enkel opzicht nadelig kunnen zijn voor het Kartuizerklooster te Leuven en voor de leefomgeving van de verzoekende partijen. In de toelichting bij hun middel maken de verzoekende partijen, volgens de Vlaamse Regering, overigens geen gewag van een schending van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, zoals gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet. Die laatste bepaling zou door de verzoekende partijen enkel worden aangevoerd in samenhang met een aantal bepalingen van het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa, opgemaakt te Granada op 3 oktober 1985 en goedgekeurd bij wet van 8 juni
  3. De enige grief die zij volgens de Vlaamse Regering in dat verband ontwikkelen, zou betrekking hebben op het bij artikel 23, derde lid, 5°, van de Grondwet gewaarborgde recht op culturele ontplooiing, en dus niet op het bij artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet gewaarborgde recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. A.2.
  4. De verzoekende partijen antwoorden dat de Vlaamse Regering ten onrechte van oordeel is dat de bestreden bepaling enkel positieve gevolgen kan hebben voor hen. Er bestaat volgens hen minstens een potentieel gevaar voor negatieve gevolgen, zodat hun belang bij het beroep niet zou kunnen worden betwist. In zoverre er betwisting zou bestaan over de wijze waarop de bestreden bepaling kan worden toegepast, valt het onderzoek naar het belang, volgens hen, overigens samen met het onderzoek ten gronde. Wat artikel 23 van de Grondwet betreft, antwoorden zij dat hun beroep op dat artikel niet is beperkt tot het derde lid, 5°, ervan. A.2.
  5. In zoverre de verzoekende partijen vrezen dat de bestreden bepaling « potentieel » nadelige gevolgen voor hen zou kunnen hebben, is hun belang bij het beroep volgens de Vlaamse Regering niet alleen hypothetisch, maar ook onrechtstreeks, aangezien het nadeel dat zij zogezegd zouden ondergaan niet zou voorvloeien uit de bestreden bepaling zelf, maar uit administratieve rechtshandelingen die nog niet zijn genomen. De Vlaamse Regering is bovendien van oordeel dat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord het in hun verzoekschrift aangevoerde middel niet kunnen uitbreiden, zodat, wat artikel 23 van de Grondwet betreft, enkel kan worden getoetst aan het derde lid, 5°, ervan. Er anders over oordelen zou de rechten van de verdediging en het contradictoir karakter van de rechtspleging in het gedrang brengen. Volgens de Vlaamse Regering wordt nergens in het verzoekschrift uiteengezet in welk opzicht er sprake zou zijn van een schending van een ander bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgd grondrecht dan het recht op culturele ontplooiing, zoals bedoeld in het derde lid, 5°, ervan. Ten gronde A.
  6. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met de artikelen 4, lid 2, 7 en 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa, doordat de bestreden bepaling geen onderscheid maakt tussen vergunningaanvragende personen die een afwijking van stedenbouwkundige voorschriften nastreven, naargelang zij de erfgoedwaarde van een constructie beogen te behouden, dan wel aan te tasten. A.4.
  7. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat uit de arresten nrs. 71/2002 en 57/2003 van het Hof kan worden afgeleid dat de decreetgever, in het kader van de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening, monumenten anders mag behandelen dan andere gebouwen of constructies, op voorwaarde evenwel dat dat verschil in behandeling tot doel heeft het behoud van die monumenten te waarborgen. Dit zou des te meer gelden wanneer de draagwijdte van de uitzondering ruim is, wat te dezen het geval is aangezien de bestreden bepaling afwijkingen toestaat van alle stedenbouwkundige voorschriften, waardoor ook de rechtszekerheid in het gedrang zou worden gebracht. A.4.
  8. De verzoekende partijen verwijzen naar een passage uit de parlementaire voorbereiding waarin wordt gesteld dat uitdrukkelijk diende te worden bepaald, als waarborg ter voorkoming van misbruiken, dat een afwijking van stedenbouwkundige voorschriften slechts kan worden toegestaan na gunstig advies van het « Agentschap RO-Vlaanderen ». Zij betwijfelen echter of er te dezen kan worden gesproken van een « waarborg ». Ofschoon tijdens de parlementaire voorbereiding werd gesteld dat afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften enkel kunnen worden toegestaan wanneer doelstellingen worden nagestreefd die verband houden met de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen, is die vereiste niet uitdrukkelijk opgenomen in de bestreden bepaling. Bovendien is er volgens hen een probleem wat de aard van het advies betreft. Het gaat immers om een advies van het « Agentschap RO-Vlaanderen », dat niet alleen bevoegd is voor erfgoedmateries, maar ook voor aangelegenheden van ruimtelijke ordening. Het is volgens de verzoekende partijen perfect denkbaar dat het Agentschap, gezien zijn meervoudige taak, een 4 afweging moet maken van verschillende belangen, wat ertoe kan leiden dat het belang van het onroerend erfgoed dient te wijken voor een ander belang. A.
  9. De verzoekende partijen zijn ten slotte van oordeel dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan de waarborgen die voortvloeien uit het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa. Uit de artikelen 4, lid 2, 7 en 10 van dat Verdrag, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, zou volgen dat op het Vlaamse Gewest de plicht rust om te voorkomen dat het beschermingsniveau van monumenten afneemt. Zelfs wanneer geen directe werking zou worden toegekend aan die verdragsbepalingen, zou er voor de decreetgever een standstill-verplichting gelden. A.6.
  10. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel grondslag mist. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, zou de bestreden bepaling precies tot doel hebben de erfgoedwaarde van de beschermde monumenten te vrijwaren, wat ook de verantwoording zou vormen voor de mogelijkheid om af te wijken van de stedenbouwkundige voorschriften. De bestreden bepaling moet het volgens de Vlaamse Regering mogelijk maken de noodzakelijke - vergunningsplichtige - werken uit te voeren aan een beschermd monument, ook wanneer die strikt genomen in strijd zouden zijn met een stedenbouwkundig voorschrift, dat (onterecht) een hinderpaal zou vormen om de desbetreffende werken te kunnen uitvoeren. A.6.
  11. Dat de bestreden bepaling strekt tot de bescherming van het onroerend erfgoed blijkt volgens de Vlaamse Regering overduidelijk uit het feit dat de decreetgever heeft voorgeschreven dat een advies moet worden verleend vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed. Er kan volgens de Vlaamse Regering slechts worden besloten tot een afwijking van stedenbouwkundige voorschriften wanneer de overheid die bevoegd is voor de aangelegenheid onroerend erfgoed daarover een gunstig advies verleent, wat zij slechts zou kunnen doen indien de afwijking kan worden verantwoord binnen de geldende reglementering en het gevoerde beleid inzake de bescherming van het onroerend erfgoed. Het is volgens de Vlaamse Regering juist dat de bescherming van het onroerend erfgoed een geïntegreerd deel uitmaakt van het beleid inzake ruimtelijke ordening, maar daaruit kan volgens haar niet worden afgeleid dat bij het verlenen van een advies met toepassing van de bestreden bepaling de bescherming van het onroerend erfgoed ondergeschikt zou worden aan een ander belang van ruimtelijke ordening. Uit de bestreden bepaling blijkt immers duidelijk dat het advies moet worden gegeven vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed. Dat de bestreden bepaling strekt tot vrijwaring van de beschermde monumenten is volgens de Vlaamse Regering ook uitdrukkelijk bevestigd in de parlementaire voorbereiding. A.6.
  12. De Vlaamse Regering wijst er ook op dat een ongunstig advies tot gevolg heeft dat de betrokken handeling niet kan worden vergund, ook niet onder bepaalde voorwaarden. In die zin zou de bestreden bepaling verder gaan dan de bepalingen vervat in de artikelen 119 en 120 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, die betrekking hebben op de gevolgen die in het kader van de organisatie van de ruimtelijke ordening dienen te worden verbonden aan verplicht in te winnen adviezen. A.6.
  13. Volgens de Vlaamse Regering is een afwijking van een stedenbouwkundig voorschrift bovendien onderworpen aan een strengere motiveringsplicht; een afwijking zou slechts verantwoord zijn wanneer daarvoor een grondslag kan worden gevonden binnen het wettelijke en reglementaire kader en het beleid inzake onroerend erfgoed, wat uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. De motiveringsplicht brengt volgens de Vlaamse Regering met zich mee dat de rechtsonderhorige de mogelijkheid krijgt om in het kader van een jurisdictioneel beroep de motieven te laten controleren. A.6.
  14. De Vlaamse Regering is van oordeel dat uit de argumenten van de verzoekende partijen blijkt dat zij zich niet zozeer gegriefd voelen door de bestreden bepaling op zich, maar door een eventuele toepassing ervan. Wanneer een schending van een grondwetsbepaling niet is toe te schrijven aan een wetskrachtige norm, maar aan een mogelijk onwettige toepassing ervan, is het Hof volgens de Vlaamse Regering niet bevoegd om kennis te nemen van die schending. Het feit dat de administratie een ruime discretionaire bevoegdheid heeft gekregen, zou overigens op zich geen ongrondwettigheid kunnen inhouden, vermits een machtiging in een decreet moet worden geïnterpreteerd in die zin dat de machtiging enkel kan worden aangewend in overeenstemming met de Grondwet. A.
  15. De Vlaamse Regering meent dat niet alleen de bestreden bepaling zelf, maar ook andere bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening verhinderen dat een afwijking van stedenbouwkundige voorschriften op willekeurige wijze zou worden toegestaan. Uit die bepalingen zou volgen, enerzijds, dat dergelijke afwijkingen slechts kunnen worden toegestaan wanneer ze verenigbaar zijn met een « goede ruimtelijke ordening » en, anderzijds, dat rechtsonderhorigen in het kader van 5 een openbaar onderzoek bezwaren kunnen indienen die zouden kunnen steunen op het feit dat de geplande handelingen afbreuk doen aan de erfgoedwaarde van de constructie. A.
  16. Vermits afwijkingen van de stedenbouwkundige voorschriften enkel kunnen worden toegestaan ter bescherming van monumenten, is de bestreden bepaling volgens de Vlaamse Regering in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof betreffende de uitzonderingsregeling die geldt voor monumentenbescherming, zoals vervat in het arrest nr. 71/2002 van 23 april 2002 (B.13.1-B.13.2). A.
  17. De Vlaamse Regering is van oordeel dat uit het voorgaande ook volgt dat het middel feitelijke grondslag mist in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 5°, van de Grondwet en het rechtszekerheidsbeginsel. Er is immers geen sprake van enige achteruitgang op het vlak van de bescherming van het onroerend erfgoed of op het vlak van de rechtszekerheid van personen die in de buurt van een beschermd monument wonen. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verzoekende partijen in dat verband geen andere grieven ontwikkelen. A.10.
  18. Wat de in het middel aangehaalde artikelen van het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten hoe de bestreden bepaling eraan afbreuk zou doen, nu die bepaling de erfgoedwaarde van een beschermd monument precies centraal stelt. Om die reden zou het middel op dat vlak onontvankelijk zijn. A.10.
  19. In zoverre het middel op dat vlak toch ontvankelijk zou zijn, is de Vlaamse Regering van oordeel dat de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan de desbetreffende verdragsbepalingen. Wat artikel 4, lid 2, a) en b), van het Verdrag betreft (betrekking hebbende op de plicht om de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van bepaalde handelingen die een aantasting inhouden van beschermde goederen), wijst de Vlaamse Regering erop dat de in de bestreden bepaling bedoelde handelingen aan een vergunning zijn onderworpen, zodat de bevoegde overheid ervan in kennis wordt gesteld. De verplichting die uit artikel 4, lid 2, c), voortvloeit (de overheid moet van de eigenaar het uitvoeren van werken kunnen eisen of ze zelf kunnen uitvoeren) wordt volgens de Vlaamse Regering eveneens nagekomen, gelet op de voorschriften van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de bijzondere verplichtingen die rusten op de eigenaars van beschermde monumenten. Aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 4, lid 2, d), van het voormelde Verdrag (de mogelijkheid voor de overheid om een beschermd goed te onteigenen), is volgens de Vlaamse Regering eveneens voldaan vermits een beschermd monument kan worden onteigend krachtens artikel 16 van de Grondwet en krachtens artikel 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Artikel 7 van het voormelde Verdrag heeft volgens de Vlaamse Regering, als zodanig, geen betrekking op de monumentenbescherming; het verplicht alleen tot het verbeteren van het leefmilieu binnen de architectonische eenheid van gebouwen en in waardevolle gebieden. Er valt volgens de Vlaamse Regering dan ook niet in te zien hoe de bestreden bepaling aan die verplichting afbreuk zou kunnen doen. Artikel 10 van het Verdrag verplicht de lidstaten om een « geïntegreerd beleid te voeren dat is gericht op het behoud van het architectonische erfgoed ». Alleen al uit het feit dat de bestreden bepaling is opgenomen in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening blijkt volgens de Vlaamse Regering dat de decreetgever ervoor heeft geopteerd het beleid inzake monumentenbescherming te integreren in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Verder zou het ruimtelijke ordeningsbeleid en het beleid inzake onroerend erfgoed van het Vlaamse Gewest ontegensprekelijk de « opstelling van programma’s voor restauratie en onderhoud van het architectonische erfgoed », als bedoeld in artikel 10, lid 2, van het voormelde Verdrag, bevorderen. Artikel 10, lid 4, van dat Verdrag is volgens de Vlaamse Regering niet toepasselijk, nu die bepaling enkel betrekking heeft op « gebouwen waarvan het eigenlijke belang geen bescherming rechtvaardigt ». De bestreden bepaling strekt volgens de Vlaamse Regering evenmin ertoe de bevordering van « de toepassing en de ontwikkeling van de traditionele technieken en materialen […] in het belang van de toekomst van het architectonische erfgoed » te belemmeren of te verhinderen (artikel 10, lid 5). A.
  20. De Vlaamse Regering wijst ten slotte erop dat uit artikel 11 van het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa volgt dat de erfgoedwaarde van een gebouw geen « absoluut » te beschermen rechtsgoed is, waarvan het belang altijd zou moeten primeren boven andere doelstellingen van algemeen belang (waaronder de ruimtelijke ordening), zodat in het Verdrag alvast geen rechtsgrond kan worden gevonden om elke bestemmingswijziging van een constructie met erfgoedwaarde te verbieden. 6 -B- B.
  21. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 130 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals vervangen bij artikel 36 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, dat bepaalt : « In een stedenbouwkundige vergunning betreffende een bestaand hoofdzakelijk vergunde constructie die krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd is als monument, of deel uitmaakt van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd stads- of dorpsgezicht of landschap, kan worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, voor zover de betrokken handelingen gunstig worden geadviseerd vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed. Hetzelfde geldt voor handelingen in de omgeving van een niet ontsloten monument die noodzakelijk zijn voor de rechtstreekse ontsluiting van het monument ». B.2.
  22. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat zij doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging van die bepaling te vorderen omdat zij nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor de erfgoedwaarde van het beschermde monument in de buurt waarvan zij wonen en bijgevolg ook voor hun leefomgeving. B.2.
  23. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen op grond van het feit dat de bestreden bepaling precies tot doel zou hebben de erfgoedwaarde van beschermde monumenten te vrijwaren. Die bepaling zou dus in geen enkel opzicht nadelig kunnen zijn voor de leefomgeving van de verzoekende partijen. B.
  24. Wanneer een exceptie van niet-ontvankelijkheid die is afgeleid uit de ontstentenis van belang, betrekking heeft op de draagwijdte die dient te worden gegeven aan de bestreden bepaling, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met het onderzoek van de grond van de zaak. B.
  25. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en met de artikelen 4, lid 2, 7 en 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa, opgemaakt te Granada op 3 oktober 1985 en goedgekeurd bij wet van 8 juni 1992, doordat de bestreden bepaling geen onderscheid maakt tussen 7 vergunningaanvragende personen die een afwijking van stedenbouwkundige voorschriften nastreven, naargelang zij de erfgoedwaarde van een constructie beogen te behouden, dan wel aan te tasten. B.5.
  26. Volgens de bestreden bepaling kan in een stedenbouwkundige vergunning betreffende een bestaande hoofdzakelijk vergunde constructie die definitief of voorlopig is beschermd als monument, of deel uitmaakt van een definitief of voorlopig beschermd stads- of dorpsgezicht of landschap, worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, echter enkel « voor zover de betrokken handelingen gunstig worden geadviseerd vanuit het beleidsveld onroerend erfgoed ». B.5.
  27. In de parlementaire voorbereiding werd die voorwaarde toegelicht als volgt : « In het nieuw voorgestelde artikel 130 DRO [lees : decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening] wordt een generieke basis geleverd voor soepele afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften ten behoeve van handelingen betreffende (definitief of voorlopig) beschermde monumenten en goederen gelegen in (definitief of voorlopig) beschermde stads- of dorpsgezichten of landschappen. Om misbruiken van dit facilitair kader te voorkomen, wordt aldaar gesteld dat dergelijke afwijkingen slechts kunnen worden toegekend voor zover de betrokken handelingen gunstig worden geadviseerd door het Agentschap RO-Vlaanderen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 130). « Als waarborg voor het feit dat de mogelijke afwijkingen doelstellingen moeten dienen die verband houden met de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, c.q. landschappen, wordt voortaan uitdrukkelijk decretaal bepaald dat de afwijking slechts kan worden toegestaan in zoverre het project gunstig geadviseerd is door het Agentschap RO-Vlaanderen, dat (ondermeer) belast is met de toepassing van het instrumentarium betreffende monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen. Dat gunstige advies is hier een absolute vereiste. Een ongunstig advies kan niet worden ‘ weggemotiveerd ’, ook niet op grond van de nieuwe artikelen 119 en 120 DRO » (ibid., p. 142). B.5.
  28. Daaruit blijkt dat de decreetgever afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften slechts heeft willen toestaan indien zulks kan worden verantwoord vanuit doelstellingen die verband houden met de « bescherming » van monumenten, stads- en dorpsgezichten en landschappen. De bestreden bepaling kan bijgevolg geen grondslag bieden voor afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften voor handelingen die de erfgoedwaarde van een constructie zouden aantasten, wat overigens ook door de Vlaamse Regering uitdrukkelijk wordt erkend. 8 B.
  29. De bestreden bepaling heeft derhalve niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan verlenen en doet noch de bekritiseerde gelijke behandeling, noch een achteruitgang in het beschermingsniveau van het onroerend erfgoed ontstaan. Het staat, in voorkomend geval, aan de ter zake bevoegde rechter om na te gaan of een stedenbouwkundige vergunning waarin wordt afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften, al dan niet in overeenstemming met de bestreden bepaling werd uitgereikt. B.
  30. Het middel is niet gegrond. 9 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 8 juli
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.086 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.