← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.088

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.088 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100708.5 Arrest- Rolnummer: 88/2010 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-07-12 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-07-02 11:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen niet in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Laboratoria PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, gesteld door de Raad van State. Ziekenhuizen - Laboratorium voor klinische biologie - Functie van diensthoofd -

  1. Apothekers-klinisch biologen - Uitsluiting -
  2. Geneesheren-specialisten in de klinische biologie. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 07-08-1987 - 13 - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4833 Arrest nr. 88/2010 van 8 juli 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 198.457 van 3 december 2009 in zake de vzw « Belgische Vereniging van de Apothekers specialisten in de Klinische Biologie » en anderen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 december 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, dat voorschrijft dat er in ieder ziekenhuis een geneesheer-diensthoofd dient te zijn voor ieder van de verschillende diensten van het medisch departement - en dus ook in het laboratorium voor klinische biologie - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze bepaling inhoudt dat apothekers-klinisch biologen, in tegenstelling tot geneesheren-specialisten in de klinische biologie, geen diensthoofd kunnen zijn van een laboratorium voor klinische biologie ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Belgische Vereniging van de Apothekers specialisten in de Klinische Biologie », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Archimedesstraat 11, de vzw « GasthuisZusters Antwerpen », met maatschappelijke zetel te 2610 Wilrijk, Sint-Augustinuslaan 20, de vzw « Kristelijke Medico-Sociale Instellingen », met maatschappelijke zetel te 2300 Turnhout, Steenweg op Merksplas 44, Walter Cooreman, wonende te 2970 Schilde, Begonialaan 3, Steven Weekx, wonende te 2630 Aartselaar, Kleistraat 170, Annick Wauters, wonende te 9090 Melle, John Youngestraat 30, Erik Jacobs, wonende te 2500 Lier, Antwerpsesteenweg 377, Geert Mistiaen, wonende te 9111 Belsele, Gavermolenstraat 116, Robert Braekevelt, wonende te 8790 Waregem, Vijfseweg 99, en Philippe Declercq, wonende te 8870 Izegem, Molstraat 25; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 15 juni 2010 : - zijn verschenen : . Mr. F. Judo, advocaat bij de balie te Brussel, voor de vzw « Belgische Vereniging van de Apothekers specialisten in de Klinische Biologie » en anderen; . Mr. S. Baele loco Mr. R. Depla, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, dient zich uit te spreken over een beroep tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 19 augustus 2008 « tot wijziging van het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten ». Sinds de wijziging bij dat ministerieel besluit bepaalt artikel 6.4 van het ministerieel besluit van 30 april 1999 dat voor de erkenning als stagedienst de functie van geneesheer-diensthoofd in alle medische diensten van het ziekenhuis moet worden waargenomen door een erkend geneesheer-specialist. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden besluit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de artikelen 9 en 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 (hierna : Ziekenhuiswet), schendt, doordat de apothekers-klinisch biologen worden uitgesloten van de functie van diensthoofd van een laboratorium voor klinische biologie, althans wanneer de diensten van het ziekenhuis hun erkenning als stagedienst wensen te behouden. Na te hebben verwezen naar zijn arrest nr. 173.407 van 12 juli 2007 - waarmee de vroegere bepaling, die voor de laboratoria voor klinische biologie niet vereiste dat de functie van diensthoofd wordt waargenomen door een geneesheer, werd vernietigd wegens strijdigheid met artikel 13 van de Ziekenhuiswet -, stelt de Raad van State vast dat het desbetreffende verschil in behandeling tussen geneesheren-specialisten in de klinische biologie en apothekers-klinisch biologen rechtstreeks voortvloeit uit artikel 13 van de Ziekenhuiswet. De Raad achtte het vervolgens nodig de bovenvermelde vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
  3. De Ministerraad wijst erop dat de relevante bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, ondertussen reeds tweemaal zijn gewijzigd. Op 10 juli 2008 werd de wet aan een nieuwe coördinatie onderworpen, waardoor de in artikel 13 van de vroegere Ziekenhuiswet opgenomen bepaling voortaan in artikel 18 voorkomt. De artikelen 9 en 18 van de nieuw gecoördineerde wet werden vervolgens ook inhoudelijk gewijzigd bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 10 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, die in werking zijn getreden op 10 januari
  4. De Ministerraad zet daarbij uiteen dat die wijzigingen tot stand zijn gekomen omdat de Raad van State in zijn arrest nr. 173.407 van 12 juli 2007 aan de toenmalige artikelen 9 en 13 van de Ziekenhuiswet een interpretatie had gegeven die niet strookte met de bedoeling van de wetgever. In dat arrest had de Raad van State geoordeeld dat apothekers-klinisch biologen geen diensthoofd kunnen zijn van een laboratorium voor klinische biologie. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 december 2009, alsmede uit de relevante bepalingen ervan, blijkt volgens de Ministerraad duidelijk de wil van de wetgever om het mogelijk te maken dat apothekers-klinisch biologen tot diensthoofd worden benoemd van een laboratorium voor klinische biologie. A.2.
  5. De Ministerraad is van oordeel dat de wijzigingen die bij de wet van 10 december 2009 zijn doorgevoerd met zich meebrengen dat de door de Raad van State gestelde prejudiciële vraag zonder voorwerp is geworden, of minstens negatief dient te worden beantwoord. Sinds die wijzigingen bepaalt de wet immers uitdrukkelijk dat apothekers-klinisch biologen diensthoofd kunnen worden van een laboratorium voor klinische biologie. A.2.
  6. Bovendien is het volgens de Ministerraad steeds de bedoeling geweest van de wetgever om de tandartsen, de apothekers en de klinisch biologen die werkzaam zijn in een ziekenhuis hetzelfde statuut te geven als de ziekenhuisgeneesheren, alsook dezelfde mogelijkheden om deel te nemen aan de organisatie van het ziekenhuis, wat bleek uit de toenmalige versie van artikel 9 van de Ziekenhuiswet. Dat artikel bepaalde immers dat de artikelen 13 tot 17 en de bepalingen van titel IV van die wet tevens van toepassing waren op de tandartsen, apothekers en klinisch biologen, wat volgens de Ministerraad inhield dat de functie van diensthoofd 4 van een dienst voor klinische biologie kon worden waargenomen door een klinisch bioloog. De Ministerraad is, net zoals de wetgever, van oordeel dat de Raad van State in het arrest nr. 173.407 de desbetreffende bepalingen van de Ziekenhuiswet verkeerd heeft geïnterpreteerd. A.
  7. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zetten uiteen dat de in het geding zijnde bepaling, in de versie ervan zoals van toepassing in het geschil bij de verwijzende rechter en zoals geïnterpreteerd door die rechter, een verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, geneesheren-specialisten in de klinische biologie, die in aanmerking komen voor een aanstelling als diensthoofd van het laboratorium voor klinische biologie, en, anderzijds, de apothekers-klinisch biologen en de licentiaten in de scheikundige wetenschappen (die op grond van het koninklijk besluit van 23 juni 1975 « betreffende de erkenning van licentiaten in de wetenschappen, groep scheikundige wetenschappen, met het oog op het uitvoeren van bioklinische laboratoriumonderzoeken » gelijkgesteld zijn met de apothekers-klinisch biologen), die niet in aanmerking komen voor een aanstelling als diensthoofd van het laboratorium voor klinische biologie. Zij zijn van oordeel dat dit verschil in behandeling, ofschoon het steunt op een objectief criterium - namelijk het diploma -, niet redelijk is verantwoord. A.4.
  8. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter wijzen erop dat de in het geding zijnde bepaling teruggaat op artikel 2bis van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986 « tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen ». Uit het verslag aan de Koning dat aan dat koninklijk besluit voorafging, zou blijken dat het toenmalige artikel 2bis was ingegeven door een beleid dat streefde naar een verbetering van de kwaliteit van de medische dienstverlening in de ziekenhuizen. Uit dat verslag kan volgens de verzoekende partijen worden afgeleid dat met de in het geding zijnde bepaling werd beoogd de medische activiteiten beter te structureren. Een motivering voor het ter discussie staande verschil in behandeling zou er echter niet in te vinden zijn. De verzoekende partijen wijzen erop dat er zelfs met geen woord wordt gerept, noch over de verhouding tussen geneesheren en apothekers, noch over het laboratorium voor klinische biologie, waarin op grond van eerdere regelgeving ook apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen actief konden zijn. A.4.
  9. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter refereren vervolgens aan die regelgeving. Ze halen artikel 5, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen aan, volgens hetwelk de houders van het wettelijk diploma van apotheker of van licentiaat in de scheikundige wetenschappen ertoe gemachtigd zijn de analyses van klinische biologie te verrichten die de Koning bepaalt en waarvan Hij de uitvoeringsmodaliteiten vaststelt. Zij verwijzen dienaangaande naar het koninklijk besluit van 5 november 1964 « tot vaststelling van de voorwaarden voor de machtiging van de apothekers die bevoegd zijn om verstrekkingen te verrichten, die tot de klinische biologie behoren » en naar het ministerieel besluit van 3 september 1984 « tot vaststelling van de criteria voor de machtiging en de erkenning van apothekers die bevoegd zijn om verstrekkingen te verrichten die tot de klinische biologie behoren en de erkenning van stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit klinische biologie ». Alleen al het feit dat in dat laatste besluit wordt overgegaan tot het vastleggen van de zogenaamde bijzondere criteria voor de erkenning van stagemeesters en stagediensten in de klinische biologie, en tot het bepalen van de criteria inzake machtiging en erkenning van apothekers tot het verrichten van verstrekkingen die tot de klinische biologie behoren, is volgens hen een sterke indicatie dat de regelgever ervan overtuigd is dat apothekers-klinisch biologen alle noodzakelijke waarborgen bieden om zorg te kunnen dragen voor de opleiding van toekomstige specialisten in de klinische biologie. A.4.
  10. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter refereren ook aan andere regelgeving waaruit zou blijken dat de apothekers en de licentiaten in de scheikundige wetenschappen die gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten, worden gelijkgesteld met de ziekenhuisgeneesheren. Zij verwijzen in dit kader onder meer naar het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 « tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de medische raad in uitvoering van de artikelen 24, 25 en 26 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen », waarin op het vlak van de samenstelling en de werking van de medische raad geen onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen die gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten en, anderzijds, ziekenhuisgeneesheren. Zij verwijzen ook naar het koninklijk besluit van 3 december 1999 « betreffende de erkenning van de laboratoria voor klinische biologie door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort », waarin enkel sprake is van « specialisten in de klinische biologie », zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen geneesheren, apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen. Zij verwijzen ook naar het ministerieel besluit van 3 september 1984 « houdende de oprichting van een 5 contactcommissie tussen de erkenningscommissie voor geneesheren-specialisten in klinische biologie en de commissie voor machtiging van de apothekers die bevoegd zijn om verstrekkingen te verrichten die tot de klinische biologie behoren », waarmee de desbetreffende commissie de opdracht heeft gekregen adviezen te verstrekken over de modaliteiten die toelaten een parallellisme en een gelijkwaardigheid tussen de twee beroepen in te voeren. Zij verwijzen ten slotte naar het koninklijk besluit van 21 april 1983 « tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen », volgens hetwelk de stagemeester verantwoordelijk voor de opleiding in de medische scheikunde een apotheker, erkend in de klinische biologie, mag zijn, op voorwaarde dat het kader van het laboratorium een voltijds geneesheer-specialist erkend voor klinische biologie bevat. A.4.
  11. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter leiden uit het voorgaande af dat de wetgever zich bewust diende te zijn van de specificiteit van de beoefenaars van de klinische biologie in het ziekenhuis, en dat hij bijgevolg ook diende aan te geven welk doel hij precies nastreefde met het instellen van het in het geding zijnde verschil in behandeling, wat echter niet is gebeurd. Alleen al het feit dat absoluut niet duidelijk is welk doel de wetgever heeft nagestreefd, zou volstaan om te besluiten tot een schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. A.4.
  12. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter refereren vervolgens aan de wet van 10 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, waarmee het in het geding zijnde verschil in behandeling uitdrukkelijk werd weggewerkt, en waarvan de parlementaire voorbereiding te kennen geeft dat de wetgever steeds de bedoeling heeft gehad om de apothekers-klinisch biologen toe te laten diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie. Zij leiden daaruit af dat de wetgever niet alleen geen wettig doel had om de in het geding zijnde bepaling te interpreteren als een beletsel voor de aanduiding van apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen als hoofd van een laboratorium voor klinische biologie, maar zelfs hoegenaamd geen bedoeling in die richting had. Een interpretatie die de wetgever toch die bedoeling toeschrijft, zou het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden, omdat zij onmogelijk kan terugvallen op enig wettig doel dat de wetgever effectief zou hebben nagestreefd. A.4.
  13. In tegenstelling tot de Ministerraad zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de wet van 10 december 2009 niet ertoe leidt dat de gestelde prejudiciële vraag zonder voorwerp is geworden. Die wet heeft immers geen retroactieve werking. Zij menen overigens dat het standpunt van de Ministerraad incoherent is, omdat hij enerzijds stelt dat de wetgever nooit heeft willen verhinderen dat een klinisch bioloog diensthoofd van een laboratorium voor klinische biologie wordt, en anderzijds dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.
  14. Zelfs indien zou worden geoordeeld dat een wettig doel voorhanden is, zou volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter moeten worden vastgesteld dat het betwiste verschil in behandeling onmogelijk pertinent kan zijn om het nagestreefde doel te bereiken. Dat doel zou dan noodzakelijkerwijze het algemene doel moeten zijn dat de regelgever in 1986 heeft nagestreefd, namelijk het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening in de ziekenhuizen door middel van een betere structurering. Uit het voorgaande zou echter blijken dat er ruimschoots voldoende redenen zijn om aan te nemen dat apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen met een specialisatie in de klinische biologie exact dezelfde kwalitatieve waarborgen bieden bij de beoefening van de klinische biologie als hun collegae geneesheren-specialisten in de klinische biologie. Zij zijn immers allen specialisten in de klinische biologie in de zin van het voormelde koninklijk besluit van 3 december
  15. Zij dienen te beantwoorden aan dezelfde kwalitatieve standaarden en zijn onderworpen aan dezelfde regelgeving, zodat niet zou kunnen worden ingezien hoe een verschil in behandeling naar gelang van hun diploma pertinent zou zijn om het doel van de kwaliteitsverbetering te bereiken. A.
  16. In ondergeschikte orde, en enkel in zoverre het Hof zou besluiten tot het bestaan van een wettig doel en tot de pertinentie van het criterium van onderscheid, dient volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter te worden vastgesteld dat de gevolgen van het in het geding zijnde verschil in behandeling kennelijk onevenredig zijn, in zoverre in geen enkele uitzondering is voorzien op de onmogelijkheid voor apothekers of licentiaten in de scheikundige wetenschappen die specialist zijn in de klinische biologie, om diensthoofd van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis te worden. 6 -B- B.
  17. Vóór de wijzigingen doorgevoerd bij de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, en bij de wet van 10 december 2009 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, bepaalde artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 : « In ieder ziekenhuis moet de medische aktiviteit gestructureerd zijn. In ieder ziekenhuis is er : 1° een hoofdgeneesheer, die verantwoordelijk is voor de goede gang van zaken in het medisch departement; hij wordt benoemd en/of aangewezen door de beheerder; 2° een geneesheer-diensthoofd voor ieder van de verschillende diensten van het medisch departement; hij wordt benoemd en/of aangewezen door de beheerder; 3° een medische staf gevormd door alle ziekenhuisgeneesheren. De Koning bepaalt de minimumtaken welke aan de hoofdgeneesheer en de geneesheren-diensthoofd worden opgedragen; deze taken hebben betrekking op de organisatie en coördinatie van de medische aktiviteit in het ziekenhuis. De functie van hoofdgeneesheer is onverenigbaar met het voorzitterschap van de Medische Raad ». B.
  18. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat apothekers-klinisch biologen, in tegenstelling tot geneesheren-specialisten in de klinische biologie, geen diensthoofd kunnen zijn van een laboratorium voor klinische biologie van een ziekenhuis. B.3.
  19. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is geworden omdat de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, sinds de wijziging ervan bij de voormelde wet van 10 december 2009, uitdrukkelijk erin voorziet dat apothekers die overeenkomstig artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten, diensthoofd kunnen worden van een laboratorium voor klinische biologie (artikelen 9 en 18). 7 B.3.
  20. Het staat in de regel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt te bepalen welke normen van toepassing zijn op het aan hem voorgelegde geschil en na te gaan of het antwoord op de gestelde vraag dienend is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.3.
  21. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de verwijzende rechter van oordeel is dat het bij hem bestreden ministerieel besluit dient te worden getoetst aan de in het geding zijnde bepaling, in de versie ervan zoals van toepassing op het ogenblik waarop dat ministerieel besluit werd aangenomen. Het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag is bijgevolg klaarblijkelijk dienend om het aan hem voorgelegde geschil te beslechten. B.
  22. De in het geding zijnde bepaling schrijft voor dat er in ieder ziekenhuis een geneesheer-diensthoofd dient te zijn voor ieder van de verschillende diensten van het medisch departement. Vermits die bepaling niet voorziet in een uitzondering, geldt dat voorschrift ook voor het laboratorium voor klinische biologie van een ziekenhuis. B.5.
  23. De verwijzende rechter interpreteert de in het geding zijnde bepaling in die zin dat de functie van diensthoofd van een laboratorium voor klinische biologie enkel kan worden waargenomen door een geneesheer-specialist in de klinische biologie, en dus niet door een apotheker-klinisch bioloog. B.5.
  24. In die interpretatie roept die bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen geneesheren-specialisten in de klinische biologie en apothekers-klinisch biologen. Ofschoon dat verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk het diploma van de betrokken personen, dient te worden onderzocht of het ook redelijk is verantwoord. B.6.
  25. Volgens artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen zijn « de houders van het wettelijk diploma van apotheker […] ertoe gemachtigd de analyses van klinische biologie te verrichten, welke de Koning bepaalt […] en waarvan Hij […] de uitvoeringsmodaliteiten vaststelt ». Volgens het koninklijk besluit van 5 november 1964 « tot vaststelling van de voorwaarden voor de machtiging van de apothekers die bevoegd zijn om verstrekkingen te 8 verrichten, die tot de klinische biologie behoren », zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 8 augustus 1984 en bij koninklijk besluit van 22 oktober 2002, kan een houder van het wettelijk diploma van apotheker door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, worden gemachtigd om analyses van klinische biologie te verrichten, na het volgen van een opleiding tot apotheker-specialist in de klinische biologie, die aan de in dat besluit omschreven voorwaarden voldoet. B.6.
  26. Daaruit blijkt dat de regelgever ervan is uitgegaan dat de apothekers die erkend zijn als specialisten in de klinische biologie, dezelfde kwalitatieve waarborgen bieden bij het verrichten van analyses van klinische biologie als de geneesheren-specialisten in de klinische biologie. B.7.
  27. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in artikel 2bis, § 1, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 407 van 18 april 1986 « tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen ». B.7.
  28. Uit de artikelsgewijze bespreking opgenomen in het verslag aan de Koning dat aan dat koninklijk besluit voorafgaat blijkt dat de regelgever met die bepaling « basisvereisten […] [wou stellen] op het vlak van de medisch-organisatorische structuur en […] basisvoorwaarden […] [wou formuleren] inzake kwaliteitsbevordering van de medische aktiviteit in het ziekenhuis » (Belgisch Staatsblad, 6 mei 1986, p. 6480). Ofschoon de regelgever, zoals reeds is vastgesteld in B.6.2, ervan is uitgegaan dat de erkende apothekers-klinische biologen op het vlak van de klinische biologie dezelfde kwalitatieve waarborgen bieden als de geneesheren-specialisten in de klinische biologie, bevat dat verslag aan de Koning geen verantwoording voor het feit dat de apothekers-klinisch biologen, in tegenstelling tot geneesheren-specialisten in de klinische biologie, niet in aanmerking komen om de functie van diensthoofd van een laboratorium in de klinische biologie uit te oefenen. B.7.
  29. Volgens de Ministerraad heeft de wetgever nooit de bedoeling gehad om apothekers-klinisch biologen uit te sluiten van de functie van diensthoofd van een laboratorium in de klinische biologie van een ziekenhuis. Hij verwijst daarbij ook naar de 9 parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 10 december 2009, waarmee het in het geding zijnde verschil in behandeling uitdrukkelijk werd weggewerkt, onder de motivering dat het « altijd de bedoeling [is] geweest van de wetgever om de tandartsen, apothekers en klinisch biologen die werkzaam zijn in het ziekenhuis hetzelfde statuut als een ziekenhuisgeneesheer te geven alsook dezelfde mogelijkheden om deel te nemen aan de organisatie van het ziekenhuis » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-2172/001, p. 3). B.
  30. In die omstandigheden is het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. B.
  31. Indien de in het geding zijnde bepaling wordt geïnterpreteerd in die zin dat de apothekers-klinisch biologen niet in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.
  32. De in het geding zijnde bepaling kan echter ook zo worden geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie. B.11.
  33. Artikel 9 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, bepaalt immers dat « de bepalingen van de artikelen 13 tot 17 en van Titel IV die op de ziekenhuisgeneesheren van toepassing zijn, […] mede van toepassing [zijn] op de in het ziekenhuis werkzame beoefenaars van de tandheelkunde bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, evenals op de in het ziekenhuis werkzame apothekers of licentiaten in de scheikundige wetenschappen die overeenkomstig artikel 5, § 2, van het vorengenoemde besluit gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten ». B.11.
  34. Die bepaling vindt haar oorsprong in artikel 1, § 5, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, zoals ingevoegd bij artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit nr. 407 van 18 april
  35. In zijn advies over het ontwerp dat heeft geleid tot dat koninklijk besluit had de Raad van State het volgende opgemerkt : 10 « 7.
  36. Luidens paragraaf 5 die aan hetzelfde artikel 1 wordt toegevoegd, zijn de bepalingen van artikel 2bis en van titel II van die wet die op de ziekenhuisgeneesheren van toepassing zijn, mede van toepassing op de in het ziekenhuis werkzame beoefenaars van de tandheelkunde bedoeld in artikel 3, § 1 (lees : artikel 3, eerste lid) van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, evenals op de in het ziekenhuis werkzame apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen die overeenkomstig artikel 5, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 78 gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten. Daar de tekst algemeen is, geldt de gelijkstelling voor de toepassing van alle bepalingen van artikel 2bis en titel II. Mocht dat niet de bedoeling zijn, dan zouden de uitzonderingen uitdrukkelijk moeten worden vermeld. Zoals de tekst nu luidt, betekent hij ook dat voor de apotheker die weliswaar in het ziekenhuis werkzaam is maar geen analyses van klinische biologie verricht, de gelijkstelling met geneesheren niet geldt » (Belgisch Staatsblad, 6 mei 1986, p. 6497). In het verslag aan de Koning werd daarop als volgt gereageerd : « De door artikel 2 van dit besluit ingevoerde definitie van ziekenhuisgeneesheer omvat enkel de geneesheer; de in het ziekenhuis werkzame licentiaten in de tandheelkunde en de apothekers-klinisch biologen en licentiaten in scheikunde die gemachtigd zijn om analyses van klinische biologie te verrichten, stellen geneeskundige handelingen. De Senaatscommissie was van oordeel dat de regels die met betrekking tot de ziekenhuisgeneesheren werden gesteld ook voor de hierboven vermelde practici moesten gelden. De Regering heeft zich aangesloten bij dit standpunt. Naar zijn inhoud is de tekst van de nieuwe § 5 identiek aan de tekst van een amendement aangenomen in de Senaat. In antwoord op een vraag tot verduidelijking van de Raad van State (zie advies, punt 7.2.) wordt bevestigd dat voor de bedoelde beoefenaars de gelijkstelling voor de toepassing van de bepalingen van artikel 2bis en Titel II geldt voor alle bepalingen. De bedoelde beoefenaars kunnen dus bv. verkozen worden als lid van de Medische Raad » (Belgisch Staatsblad, 6 mei 1986, p. 6478). B.11.
  37. Daaruit blijkt dat aan de in artikel 9 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, vervatte regel een ruime interpretatie werd gegeven, zodat de in het geding zijnde bepaling, in het licht van dat artikel 9, kan worden geïnterpreteerd in die zin dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie. B.
  38. In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen niet in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat de apothekers-klinisch biologen wel in aanmerking komen om diensthoofd te worden van een laboratorium voor klinische biologie in een ziekenhuis, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 8 juli
  39. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.