id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.092 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100729.4 Arrest- Rolnummer: 92/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-08-02 Raadplegingen: 819 - laatst gezien 2026-07-02 15:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Redelijke termijn PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Kortrijk. Strafrechtspleging - Strafvordering - Overschrijding van de redelijke termijn - Gevolgen -
- Verdachte voor het onderzoeksgerecht -
- Beklaagde voor de vonnisrechter -
- Onontvankelijkheid of verval van de strafvordering. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen -
- Recht van verdediging -
- Redelijke termijn. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4795 Arrest nr. 92/2010 van 29 juli 2010 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 20 oktober 2009 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen Mario Marreel en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 november 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Kortrijk de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), doordat het niet voorziet in de mogelijkheid voor de vonnisrechter om het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken wegens de overschrijding van de redelijke termijn, terwijl een dergelijke sanctie wel kan worden uitgesproken tijdens het vooronderzoek of in het kader van de regeling der rechtspleging, en dit op basis van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering in samenhang gelezen met de vernoemde artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, zoals geïnterpreteerd door de recente rechtspraak ? »;
- « Schendt artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), doordat het de aanhangigmaking bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling van een onderzoek dat langer duurt dan een jaar slechts mogelijk maakt voor gerechtelijke onderzoeken doch niet voor opsporingsonderzoeken ? »;
- « Schendt artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering en de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), doordat het de aanhangigmaking bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling van een onderzoek dat langer duurt dan een jaar slechts mogelijk maakt voor gerechtelijke onderzoeken doch niet voor opsporingsonderzoeken, waardoor de procedurele sanctie voorzien in artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering (met name het uitspreken van de nietigheid van de handeling die door de onregelmatigheid is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging als daartoe grond bestaat) wel kan worden toegepast in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een gerechtelijk onderzoek (dit op basis van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering in samenhang gelezen met de vernoemde artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, zoals geïnterpreteerd door de recente rechtspraak) maar niet kan worden toegepast in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een opsporingsonderzoek ? ». Memories zijn ingediend door : - Mario Marreel, wonende te 9900 Eeklo, Leopoldlaan 53; - Rudi Van Nunen, wonende te 2260 Westerlo, Rodekruisstraat 9E; - de Ministerraad. 3 Memories van antwoord zijn ingediend door : - Rudi Van Nunen; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 19 mei 2010 : - zijn verschenen : . Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, voor Rudi Van Nunen; . Mr. J. Huygh loco Mr. M. Pilcer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Mario Marreel en Rudi Van Nunen zijn op grond van feiten omschreven in vier notities van het parket, samen met een aantal andere personen, in verdenking gesteld voor meerdere strafrechtelijke inbreuken, strafbaar met correctionele straffen. Rudi Van Nunen werpt op dat de dagvaardingen onvoldoende nauwkeurig en onvoldoende gedetailleerd zijn, zodat hij zich niet behoorlijk kan verdedigen. Bovendien voert hij aan dat in de dagvaarding niet wordt verduidelijkt of hij als dader dan wel als mededader wordt vervolgd. De Rechtbank verwerpt dat verweer. Mario Marreel voert aan dat de redelijke termijn is overschreden aangezien in notitie I van het parket reeds 6 jaar en 5 maanden verstreken zijn sinds de huiszoeking op 24 april 2003, in notitie II van het parket reeds 6 jaar en 2 maanden verstreken zijn sinds het verhoor op 2 juli 2003 en in notitie III van het parket reeds 6 jaar en 5 maanden verstreken zijn sinds het verhoor op 24 april
- In de eerste twee notities van het parket werd een gerechtelijk onderzoek gevoerd, in de derde notitie van het parket een opsporingsonderzoek. De Rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn in de voormelde notities manifest is overschreden. Mario Marreel vraagt dat, wegens de overschrijding van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering wordt uitgesproken. Overeenkomstig artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering kan de Rechtbank ofwel een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken ofwel een straf die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. Het vervallen verklaren van de strafvordering behoort niet tot de mogelijkheden. Naar aanleiding van die vaststelling stelt de Rechtbank de bovenvermelde prejudiciële vragen. III. In rechte 4 -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
- Allereerst voert de Ministerraad aan dat de toestand van een verdachte niet vergelijkbaar is met die van een beklaagde. De verdachte verschijnt immers voor de onderzoeksgerechten, terwijl dit voor de beklaagde niet het geval is. Hierdoor verschillen de rechten van de verdachte en van de beklaagde, alsook de modaliteiten van beslechting van het onderzoek. A.1.
- Vervolgens meent de Ministerraad dat artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering niet voorziet in het verval van de strafvordering als sanctie voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof van Cassatie bevestigde in zijn arresten van 10 december 2002 en van 28 mei 2008 dat bij toepassing van die bepaling de enige mogelijke sancties de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring of het uitspreken van een straf lager dan de wettelijke minimumstraf zijn. De Ministerraad merkt tevens op dat in artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering geen melding wordt gemaakt van de overschrijding van de redelijke termijn. In de artikelen 20 en volgende van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wordt de redelijke termijn evenmin aangehaald als reden van verval van de strafvordering. Daaruit volgt volgens de Ministerraad dat de overschrijding van de redelijke termijn geen reden van verval van de strafvordering kan zijn. A.1.
- Als volgende element voert de Ministerraad aan dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 8 april 2008 niet heeft geoordeeld dat de kamer van inbeschuldigingstelling het verval van de strafvordering zou moeten uitspreken wanneer zij vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden. Het Hof stelde enkel vast dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling kennis neemt van een zaak en de inverdenkinggestelde de overschrijding van de redelijke termijn opwerpt, zij daarover, alsook over de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de procedure, uitspraak dient te doen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering. A.1.
- In de arresten van het Hof van Cassatie van 27 oktober 2009 en van 24 november 2009 ziet de Ministerraad een bevestiging van zijn standpunt. Het Hof van Cassatie erkent de mogelijkheid voor de onderzoeksgerechten om het verval van de strafvordering uit te spreken wanneer de redelijke termijn werd overschreden, zij het slechts onder strikte voorwaarden, namelijk enkel wanneer de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van de verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is. Bovendien moet het onderzoeksgerecht preciseren tegen welke bewijsmiddelen en waarom de verdachte zich niet meer behoorlijk zou kunnen verdedigen. A.1.
- Ten slotte benadrukt de Ministerraad dat in een andersoortige passende rechtshulp kan worden voorzien. De wetgever heeft beslist dat, wanneer de bodemrechter oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden, het passende rechtsherstel kan bestaan ofwel in de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring ofwel in het uitspreken van een straf die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. De aldus geboden passende rechtshulp kan verschillend zijn van de passende rechtshulp die wegens dezelfde vaststelling wordt verleend aan een verdachte. Dat verschil zou objectief verantwoord zijn door het feit dat de persoon bedoeld bij artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering (een beklaagde) en de persoon bedoeld bij artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering (een verdachte) zich niet in een soortgelijke toestand bevinden. A.1.
- In zijn memorie van antwoord ziet de Ministerraad ook in het arrest nr. 16/2010 van 18 februari 2010 van het Grondwettelijk Hof een bevestiging van zijn standpunt. Hij wenst bovendien aan te stippen dat uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de uitlegging ervan in de rechtspraak niet kan worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht, in geval van overschrijding van de redelijke termijn, zou moeten overgaan tot het uitspreken van het verval, de niet-toelaatbaarheid of de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. 5 A.2.
- Rudi Van Nunen vindt het in het geding zijnde verschil in behandeling discriminerend. De overschrijding van de redelijke termijn kan zich voordoen zowel in de fase voor de onderzoeksgerechten als in de fase voor de feitenrechter en de schade die door de overschrijding wordt opgelopen, zal identiek zijn. Daarenboven zijn zowel de rechtsgrond als de argumenten ter verdediging identiek. Het discriminerende verschil schuilt in de rechtsgevolgen die door de onderzoeksgerechten dan wel de vonnisgerechten kunnen worden verbonden aan de schending van de redelijke termijn. A.2.
- Rudi Van Nunen wijst op het feit dat de parlementaire bespreking geen concrete invulling heeft gegeven aan de notie « gronden van verval van de strafvordering ». Hieruit blijkt dat de onderzoeksgerechten bevoegd zijn uitspraak te doen over alle gronden van verval van de strafvordering. Ook de overschrijding van de redelijke termijn maakt een grond van verval van de strafvordering uit, zoals blijkt uit het opschrift van hoofdstuk IV « Oorzaken van verval van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering » van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. A.2.
- Vervolgens voert Rudi Van Nunen aan dat het recht op behandeling binnen een redelijke termijn een grondrecht is. Noch de internationale verdragen, noch de Grondwet voorzien uitdrukkelijk in enige sanctie in geval van schending van een van de daarin vervatte grondrechten, maar hij acht het evident dat wanneer het recht op behandeling binnen een redelijke termijn wordt geschonden, de enige mogelijke sanctie bestaat in het verval van de strafvordering. De rechtspraak van het Hof van Cassatie zou volkomen in strijd zijn met die evidentie. A.2.
- Rudi Van Nunen wijst op de veroordeling van België, door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vanwege het arrest van 8 november 2005 van het Hof van Cassatie waarin de beoordeling van de redelijke termijn uit de bevoegdheid van de onderzoeksgerechten werd gehouden op grond van de overweging dat dit de gegrondheid van de strafvordering betreft. In het arrest van 8 april 2008 bevestigde het Hof van Cassatie - tegemoetkomend aan de voormelde veroordeling - dat de beoordeling van de redelijke termijn verband houdt met de regelmatigheid van de procedure en bijgevolg door de onderzoeksgerechten dient te gebeuren met toepassing van de artikelen 131 junctis 135 en 235bis van het Wetboek van strafvordering. Er zou echter geen enkele verantwoording zijn voor het feit dat de vonnisrechter, in tegenstelling tot de onderzoeksgerechten, niet beschikt over de mogelijkheid om de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering uit te spreken wegens overschrijding van de redelijke termijn. A.2.
- Vervolgens betwist Rudi Van Nunen de stelling van het Hof van Cassatie die in de arresten van 27 mei 1992 en 9 december 1997 wordt teruggevonden. Het Hof gaat ervan uit dat aangezien de internationale verdragen noch de wettelijke bepalingen voorzien in de sanctie van de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering, die sancties niet kunnen worden opgelegd. Die stelling is volledig in strijd met de evidentie dat de schending van een grondrecht steeds moet kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering. Anders oordelen zou leiden tot de vaststelling dat de schending van de fundamentele rechten nooit tot de nietigheid, de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering zou kunnen leiden nu geen enkele van die bepalingen uitdrukkelijk in een dergelijke sanctie voorziet. Een volgende redeneerfout van het Hof van Cassatie, volgens Rudi Van Nunen, ligt in het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de schending van de redelijke termijn op zichzelf beschouwd, enerzijds, en de schending van de redelijke termijn die een schending van de rechten van verdediging tot gevolg heeft, anderzijds. In dat verband moet worden vastgesteld dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verschillende autonome grondrechten beschermt. Het zou niet te verantwoorden zijn om één grondrecht (de redelijke termijn) ondergeschikt te maken aan een ander grondrecht (bijvoorbeeld het recht van verdediging). A.2.
- Ten slotte voert Rudi Van Nunen aan dat het onderscheid tussen de feitenrechter en de onderzoeksgerechten onevenredige gevolgen teweegbrengt. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de vervallenverklaring van de strafvordering uitspreekt wegens schending van de redelijke termijn zal de verdachte niet schuldig kunnen worden bevonden aan de hem ten laste gelegde feiten, niet veroordeeld kunnen worden in de kosten, niet tot teruggave kunnen worden veroordeeld, kan ten aanzien van hem geen bijzondere verbeurdverklaring worden uitgesproken en kunnen de feiten niet als basis dienen voor een staat van wettelijke of bijzondere herhaling bij een eventuele latere veroordeling, terwijl dit allemaal wel het geval is wanneer de feitenrechter een schending van de redelijke termijn vaststelt. A.2.
- In zijn memorie van antwoord herhaalt Rudi Van Nunen zijn standpunt. Naar aanleiding van het arrest nr. 16/2010 van 18 februari 2010 van het Hof voegt hij nog toe dat het in het geding zijnde verschil in behandeling naar zijn mening nog steeds bestaat. Het Hof moet immers uitspraak doen over de grondwettigheid 6 van een wettelijke bepaling en niet over de grondwettigheid van de interpretatie door het Hof van Cassatie van een wettelijke bepaling. Als er al rekening moet worden gehouden met enige interpretatie van de wettelijke bepaling, dan zou het die van de verwijzende rechter moeten zijn. A.3.
- Mario Marreel voert allereerst aan dat het arrest van het Hof van Cassatie van 8 november 2005 aanleiding geeft tot diverse problemen, in het bijzonder door het feit dat gedurende het vooronderzoek geen herstel kan worden geboden voor een overschrijding van de redelijke termijn. Dat blijkt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 september 2007, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 8 november 2005 om tot het besluit te komen dat er in België tijdens het vooronderzoek geen sprake is van een adequaat rechtsmiddel zoals bedoeld in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Naar aanleiding van die veroordeling heeft het Hof van Cassatie zijn rechtspraak gewijzigd. Bij arrest van 8 april 2008 stelde het Hof van Cassatie dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling kennis neemt van een zaak en bij die gelegenheid wordt geroepen uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, zij toepassing moet maken van de procedure van zuivering der nietigheden (artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering). De arresten van het Hof van Cassatie van 27 oktober 2009 en 24 november 2009 dateren van na het tussenvonnis waarin de verwijzende rechter de prejudiciële vragen heeft gesteld en zouden niets veranderen aan het uitgangspunt dat door die verwijzingsrechter werd gehanteerd. De verwijzingsrechter is volgens Mario Marreel terecht ervan uitgegaan dat de onderzoeksgerechten de loutere overschrijding van de redelijke termijn kunnen bestraffen met de stopzetting van de strafvervolging. De arresten van het Hof van Cassatie veranderen niets aan dat uitgangspunt, vermits die rechtspraak in strijd is met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en mitsdien door de onderzoeksgerechten terzijde zal moeten worden geschoven. De onverenigbaarheid met de voormelde verdragsbepalingen is het gevolg van het feit dat de onderzoeksgerechten geen rechtsherstel mogen verlenen voor de loutere overschrijding van de redelijke termijn. Hoogstens kunnen zij de bestraffing doorschuiven naar de vonnisrechter, die dan gebonden zou zijn door het oordeel van het onderzoeksgerecht over de beoordeling van de redelijke termijn. Daardoor is er geen sprake van een daadwerkelijk en onmiddellijk rechtsherstel zoals vereist door artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De mogelijkheid van het « uitgesteld rechtsherstel » zou dat niet kunnen verhelpen. A.3.
- In de tweede plaats werpt Mario Marreel op dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens integraal van toepassing is op het vooronderzoek. Dit werd onlangs nog uitdrukkelijk bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ten aanzien van het gerechtelijk onderzoek zoals het bestaat in Spanje. A.3.
- Ten slotte voert Mario Marreel aan dat de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet voorschrijven waarin het passend rechtsherstel voor de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet bestaan. Daaruit volgt zowel het feit dat de sanctie niet hoeft te bestaan in het stopzetten van de strafvordering, als het feit dat de sanctie wel kan bestaan in het stopzetten van de strafvordering. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat enkel na of er sprake is geweest van een daadwerkelijk rechtsherstel : het herstel moet een passende en voldoende compensatie uitmaken voor de overdreven lange duur van de strafprocedure. De stopzetting van de vervolging werd in het verleden reeds aanvaard als een mogelijke vorm van herstel. Mario Marreel leidt daaruit af dat de onderzoeksgerechten die de (loutere) overschrijding van de redelijke termijn vaststellen, maar daaraan geen rechtsherstel koppelen, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schenden. Gelet op de primauteit van dat Verdrag, zou de nieuwe leer van het Hof van Cassatie derhalve geen toepassing kunnen vinden. Ten aanzien van de tweede en derde prejudiciële vraag A.4.
- De Ministerraad betwist in de eerste plaats het nut van de prejudiciële vraag voor het beslechten van het bodemgeschil. Vervolgens voert hij aan dat het verschil in behandeling tussen de personen die het voorwerp 7 uitmaken van een opsporingsonderzoek, enerzijds, en de personen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek, anderzijds, objectief en redelijk verantwoord is. Tegen de eerste categorie van personen bestaan (nog) geen ernstige aanwijzingen van schuld en zij kunnen niet het voorwerp uitmaken van dwangmaatregelen en handelingen die een schending uitmaken van individuele rechten en vrijheden, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen. Doordat de onderzoeksrechter, met toepassing van artikel 61bis van het Wetboek van strafvordering, overgaat tot de inverdenkingstelling van de persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, gaat die persoon over van de eerste naar de tweede categorie van personen. Die laatste categorie van personen krijgt de rechten bedoeld bij artikel 136 van het Wetboek van strafvordering. De Ministerraad concludeert dat de voornoemde personen niet vergelijkbaar zijn. In het kader van het gerechtelijk onderzoek kan de termijn van één jaar als een controletermijn van de stand van het gerechtelijk onderzoek en de daden van de onderzoeksrechter worden beschouwd. Tijdens het opsporingsonderzoek is het daarentegen de procureur des Konings die overeenkomstig artikel 28bis van het Wetboek van strafvordering waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze werden verzameld. In het kader van het opsporingsonderzoek is er geen controletermijn van één jaar, maar dat zou dus een gerechtvaardigd verschil in behandeling zijn. Het doel van het opstarten van een opsporingsonderzoek is verschillend van dat van het opstarten van een gerechtelijk onderzoek, zo zet de Ministerraad verder uiteen. Het opsporingsonderzoek is erop gericht alle nuttige gegevens te verzamelen, zowel pro- als reactief, die het parket moeten toelaten te oordelen over de opportuniteit van de strafvordering. Het gerechtelijk onderzoek betreft niet meer het opsporen van misdrijven, maar veronderstelt principieel dat de misdrijven reeds aan het licht zijn gekomen. In een gerechtelijk onderzoek moet de verdachte dus steeds de realistische vrees hebben dat zijn zaak daadwerkelijk voor een vonnisgerecht zal komen en dat hij in voorkomend geval van zijn vrijheid zal worden beroofd. In een opsporingsonderzoek zou dat niet het geval zijn. A.4.
- Ten slotte benadrukt de Ministerraad dat voor de stelling volgens welke, wanneer tijdens een opsporingsonderzoek de redelijke termijn is overschreden, er een onmiddellijke toegang moet zijn tot een rechter die op basis van de termijnoverschrijding als passend rechtsgevolg de stopzetting van de vervolging moet kunnen uitspreken, geen bevestiging kan worden gevonden in de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch in de recente rechtspraak over die bepalingen. Het is voor de Ministerraad onduidelijk waarom bij eventuele termijnoverschrijding in het opsporingsonderzoek, in voorkomend geval door de vonnisrechter geen passend rechtsherstel zou kunnen worden gegeven op grond van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. In het stadium van het opsporingsonderzoek zou het de procureur des Konings zijn die daadwerkelijke rechtshulp kan bieden, conform de vereisten die daarvoor door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn gesteld. A.5.
- Rudi Van Nunen beroept zich ten eerste op het feit dat de overschrijding van de redelijke termijn zich zowel kan voordoen in de fase van het opsporingsonderzoek als in de fase van het gerechtelijk onderzoek. In beide gevallen is zowel het grondrecht als de argumentatie om te besluiten tot een schending van de redelijke termijn identiek. Het discriminerende verschil schuilt in het feit dat de rechtsonderhorige die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek toegang heeft tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter die de redelijke termijn kan beoordelen en in voorkomend geval een sanctie kan uitspreken, terwijl de rechtsonderhorige die het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek geen toegang heeft tot een rechter. Rudi Van Nunen voert aan dat, gelet op de veroordeling van België door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de overschrijding van de redelijke termijn reeds kan zijn gesitueerd in de onderzoeksfase van de rechtspleging. Er zou geen enkel objectief en redelijk criterium bestaan voor het onderscheid tussen de rechtsonderhorigen in het kader van het gerechtelijk onderzoek dan wel het opsporingsonderzoek. Voor beide categorieën van rechtsonderhorigen zijn de druk van de ingestelde strafvervolging, de onzekerheid omtrent de afloop en de duur van het onderzoek identiek. Hij besluit dat er geen objectieve verantwoording bestaat voor het feit dat (i) de rechtsonderhorige die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek recht heeft op controle van de redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter tijdens de onderzoeksfase en dat (ii) die rechter een overschrijding van de redelijke termijn kan bestraffen met de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering, terwijl de rechtsonderhorige die het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek niet over die dubbele mogelijkheid beschikt. A.5.
- Ten tweede voert Rudi Van Nunen nogmaals aan dat de rechtsonderhorige die het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek tijdens de onderzoeksfase de schending van de redelijke termijn niet kan 8 laten vaststellen door een onafhankelijke en onpartijdige rechter en derhalve geen onmiddellijk rechtsherstel krijgt. Hij dient daarenboven te wachten tot hij voor de feitenrechter komt alvorens hij voor het eerst de schending van de redelijke termijn (die zich kan situeren in de fase van het onderzoek) beoordeeld kan zien. Hierbij dient te worden benadrukt dat die rechtsonderhorige de schending van de redelijke termijn niet bestraft zal zien door de feitenrechter met de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering. De periode tussen het overschrijden van de redelijke termijn tijdens het opsporingsonderzoek en de verschijning voor de feitenrechter kan zich nog over jaren uitstrekken en kan door de rechtsonderhorige niet worden ingekort. A.
- Mario Marreel merkt op dat artikel 136 van het Wetboek van strafvordering slechts van toepassing is op het gerechtelijk onderzoek en niet op het opsporingsonderzoek. Terwijl het op zich niet onverantwoord is dat er sprake is van bepaalde verschillen in behandeling naargelang een verdachte wordt geconfronteerd met een opsporingsonderzoek dan wel met een gerechtelijk onderzoek, moeten de verschillen in behandeling wel redelijk verantwoord zijn. Dat is niet zo, volgens Mario Marreel, wanneer in het ene geval de verdachte die geconfronteerd wordt met een schending van een fundamenteel recht daartegen niets kan beginnen, terwijl in het andere geval de verdachte of inverdenkinggestelde die geconfronteerd wordt met een schending van datzelfde fundamentele recht de zaak aanhangig kan maken bij een nationale instantie zoals bedoeld in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ook het opsporingsonderzoek moet overeenkomstig de inhoud van dat Verdrag worden gevoerd. Dit heeft tot gevolg dat het niet verantwoord is dat de verdachte die tijdens het opsporingsonderzoek met de overschrijding van de redelijke termijn wordt geconfronteerd, zich niet overeenkomstig artikel 136 van het Wetboek van strafvordering tot de kamer van inbeschuldigingstelling kan wenden. -B- De in het geding zijnde bepalingen B.1.
- Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken ». B.1.
- Artikel 136 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « De kamer van inbeschuldigingstelling houdt ambtshalve toezicht op het verloop van de onderzoeken, kan verslag vragen over de stand van zaken en kan kennis nemen van de dossiers. Zij kan een van haar leden machtigen en uitspraak doen overeenkomstig de artikelen 235 en 235bis. 9 Als het gerechtelijk onderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij. De kamer van inbeschuldigingstelling treedt op overeenkomstig het vorige lid en artikel 136bis. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing ». B.1.
- Artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « §
- Bij de regeling van de rechtspleging onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen. §
- De kamer van inbeschuldigingstelling handelt op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennis neemt van de zaak. §
- Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging onderzoekt en er een nietigheid, een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering kan bestaan, beveelt ze de debatten te heropenen. §
- De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, in openbare terechtzitting indien ze op verzoek van een partij daartoe besluit, de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde. §
- De onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering of die de openbare orde aanbelangen. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn, behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 131, § 2, of overeenkomstig § 6 van dit artikel. §
- Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, na het verstrijken van de termijn voor cassatieberoep ». 10 Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.2.
- De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het niet voorziet in de mogelijkheid voor de vonnisrechter, wanneer hij vaststelt dat de redelijke termijn werd overschreden, om het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, terwijl een dergelijke sanctie wel kan worden uitgesproken tijdens het vooronderzoek of in het kader van de regeling der rechtspleging, met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering. B.2.
- De door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking betreft een interpretatie van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering zoals die kon voortvloeien uit een arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2008 (Arr. Cass., 2008, nr. 209). In dat arrest oordeelde het Hof : «
- Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve of op verzoek van een der partijen de regelmatigheid van de procedure bij de regeling van de rechtspleging en in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak.
- Hieruit volgt dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering kennisneemt van de zaak en bij die gelegenheid door de inverdenkinggestelde geroepen wordt uitspraak te doen over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, zij toepassing moet maken van artikel 235bis, § 1, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering. Zij dient dan overeenkomstig dit artikel over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, een debat op tegenspraak te houden en uitspraak te doen. De kamer van inbeschuldigingstelling is immers een nationale instantie tot dewelke de inverdenkinggestelde zich kan richten als bedoeld in artikel 13 EVRM ». Dat arrest betekende een ommekeer ten opzichte van de vroegere rechtspraak, die stelde dat enkel de vonnisrechter uitspraak doet over de overschrijding van de redelijke termijn (Cass., 8 november 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 578), nadat die rechtspraak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens expliciet was veroordeeld (EHRM, 25 september 2007, De Clerck t. België, §§ 84-85). 11 B.2.
- Aangezien artikel 235bis als enige mogelijke sancties de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering (artikel 235bis, § 5) en de nietigheid « van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging » (artikel 235bis, § 6) vermeldt, vermocht de verwijzende rechter redelijkerwijze ervan uit te gaan dat het onderzoeksgerecht dat de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, de onontvankelijkheid of het verval van de strafvordering kon uitspreken. Daarom stelde hij het Hof een vraag betreffende artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, dat de vonnisrechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, niet een dergelijke mogelijkheid geeft. B.2.
- In drie recente arresten verduidelijkte het Hof van Cassatie evenwel zijn rechtspraak : « Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij schending van het verdrag een passende rechtshulp te verlenen, vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder het recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, onaantastbaar oordeelt welke het passende rechtsherstel is. Het kan daartoe oordelen dat dit rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de verwijzingsrechter dit gegeven in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak » (Cass., 27 oktober 2009, P.09.0901.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3). « Het onderzoeksgerecht dat beslist over de regeling van de rechtspleging, kan nochtans ook over de overschrijding van de redelijke termijn oordelen. Alleen wanneer het oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is, kan het hem van rechtsvervolging ontslaan. Aldus wordt de verdachte overeenkomstig artikel 13 EVRM daadwerkelijke rechtshulp geboden om door het vonnisgerecht en eventueel, onder de hierboven vermelde beperking, door het onderzoeksgerecht een miskenning van zijn recht op een proces binnen redelijke termijn te doen vaststellen. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft evenwel niet de bevoegdheid om louter omwille van de overschrijding van de redelijke termijn het verval van de strafvordering uit te spreken waarbij dan nog de burgerlijke rechtsvordering zonder meer wordt ter zijde geschoven » (Cass., 24 november 2009, P.09.0930.N). « Wanneer het onderzoeksgerecht oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar heeft 12 aangetast, zodat geen eerlijk strafproces en beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is en hij van rechtsvervolging wordt ontslagen, moet het preciseren tegen welke bewijsmiddelen en waarom de verdachte zich niet meer behoorlijk zou kunnen verdedigen. Deze motivering moet het Hof toelaten te toetsen of de kamer van inbeschuldigingstelling wettig heeft kunnen oordelen, zoals zij dat heeft gedaan » (Cass., 24 november 2009, P.09.1080.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9). B.
- De strekking van de in B.2.4 vermelde arresten heeft als gevolg dat het door de verwijzende rechter opgeworpen verschil in behandeling niet meer bestaat, aangezien in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die niet als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », de onderzoeksgerechten noch de vonnisgerechten vermogen het verval of de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken. Ook in de hypothese van een overschrijding van de redelijke termijn die wel als gevolg heeft dat « de bewijsvoering en het recht van verdediging van de verdachte ernstig en onherstelbaar zijn aangetast », bestaat er geen verschil in behandeling tussen de verdachte voor het onderzoeksgerecht en de beklaagde voor de vonnisrechter. De vonnisrechter dient immers, indien de bewijsvoering onmogelijk is geworden, de beklaagde vrij te spreken en, indien het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar is aangetast, dient hij de onontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen. B.4.
- Een van de beklaagden voor de verwijzende rechter voert aan dat het Hof zich moet uitspreken over de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie van de verwijzende rechter en niet in de interpretatie van het Hof van Cassatie. B.4.
- Hoewel het Hof, in de regel, de ter toetsing voorgelegde norm onderzoekt in de interpretatie van de verwijzende rechter, belet niets het Hof rekening te houden met een latere interpretatie van het Hof van Cassatie waarbij het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt opgeheven. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag 13 B.
- De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 136 van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de aanhangigmaking bij de kamer van inbeschuldigingstelling van een gerechtelijk onderzoek dat langer duurt dan een jaar mogelijk maakt, doch zulks niet mogelijk maakt voor een opsporingsonderzoek (tweede prejudiciële vraag), waardoor de sanctie waarin artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering voorziet wel kan worden toegepast in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een gerechtelijk onderzoek, maar niet in geval van de overschrijding van de redelijke termijn in een opsporingsonderzoek (derde prejudiciële vraag). B.
- In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe na te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.
- De zaak voor de verwijzende rechter bevindt zich reeds in de vonnisfase, en bijgevolg is de vraag naar het bestaan van een rechtsmiddel dat toelaat, tijdens de onderzoeksfase, de overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen niet relevant voor de oplossing van het geschil. B.
- De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. - De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.092 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div