id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.093 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100729.5 Arrest- Rolnummer: 93/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-02 Raadplegingen: 264 - laatst gezien 2026-06-30 05:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Grondbeleidsplan PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - KERKFABRIEKEN - Beheer van goederen Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 1.2, eerste lid, 20°, g), en 3.2.12 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, ingesteld door de Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart. Bestuursrecht - Grond- en pandenbeleid - Vlaams Gewest - 1. Vlaamse besturen - Vlaamse kerkfabrieken - 2. Vlaamse semipublieke rechtspersonen - 3. Instellingen belast met het beheer van de erkende niet-confessionele gemeenschappen - 4. Register van onbebouwde percelen - 5. Activeringstoezicht - 6. Activeringsheffing - Vrijstelling - a. Goederen van het openbaar domein - b. Goederen die worden aangewend voor een openbare dienst - 7. Geconcerteerde acties - 8. Sociale en bescheiden woningbouw. # Rechten en vrijheden - Vrijheid van godsdienst - 1. Autonomie van de geloofsgemeenschappen - 2. Beperkingen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-03-2009 - 3.2.12 - 62 ELI link Pub nr 2009035411 Decreet Vlaamse Raad - 27-03-2009 - 1.2,L1,20°,
- g)- 62 ELI link Pub nr 2009035411 Tekst van de beslissing Rolnummer 4802 Arrest nr. 93/2010 van 29 juli 2010 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 1.2, eerste lid, 20°, g), en 3.2.12 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, ingesteld door de Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 november 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 november 2009, heeft de Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart, met zetel te 1560 Hoeilaart, Gemeenteplein 12, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 1.2, eerste lid, 20°, g), en 3.2.12 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2009). De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 juni 2010 : - zijn verschenen : . Mr. N. Nolet de Brauwere van Steeland loco Mr. F. Judo, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. E. Goossenaerts loco Mr. B. Martens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat het eerste middel betreft A.1.1. In het eerste middel voert de Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart aan dat artikel 1.2, eerste lid, 20°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid niet bestaanbaar zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.1.2. Volgens de Vlaamse Regering zou het middel onontvankelijk zijn in zoverre het de schending aanvoert van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. 3 A.1.3. De verzoekende partij antwoordt dat het Hof sinds het arrest nr. 6/97 van 19 februari 1997 de mogelijkheid erkent om via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te toetsen aan de rechten en vrijheden die voortvloeien uit internationale verdragsbepalingen die België binden. A.1.4. De Vlaamse Regering is van mening dat het voorgaande niet wegneemt dat het Hof niet rechtstreeks aan voormelde verdragsbepalingen vermag te toetsen. A.2.1.1. Wat de grond van de zaak betreft, voert de Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart aan dat artikel 1.2, eerste lid, 20°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid voormelde grondwets- en verdragsbepalingen schendt doordat de kerkfabrieken worden gelijkgesteld met Vlaamse besturen die fundamenteel verschillen van de kerkfabrieken. A.2.1.2. Die partij wijst erop dat, luidens artikel 4 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, de kerkfabriek belast is met de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken. Nog volgens die partij heeft het Hof in zijn arrest nr. 152/2005 van 5 oktober 2005 bevestigd dat kerkfabrieken een centrale rol spelen in het handhaven van fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid van de vrijheid van godsdienst. Een inmenging in de organisatievrijheid van kerkfabrieken dient, zo voert die partij aan, aan een dwingende maatschappelijke behoefte te voldoen. A.2.2.1. Volgens de Vlaamse Regering kan er geen sprake zijn van een beperking van de godsdienstvrijheid van de kerkfabrieken, vermits aan de interne organisatievrijheid van de kerkbesturen niet zou worden geraakt. De Vlaamse Regering erkent dat het decreet van 27 maart 2009 uitwerking heeft op het beheer van de materiële goederen van de kerkfabrieken, in zoverre het beoogt slapende onroerende goederen van de Vlaamse besturen te activeren en een sociaal woonbeleid te creëren, maar wijst erop dat het decreet enkel betrekking heeft op de onbebouwde onroerende goederen van de kerkfabrieken en geen betrekking heeft op goederen die de kerkfabrieken nodig hebben voor het uitoefenen van de eredienst. A.2.2.2. Indien het Hof toch van oordeel zou zijn dat de vrijheid van eredienst wordt beperkt, dan is die beperking volgens de Vlaamse Regering in ieder geval redelijk verantwoord door een dwingende maatschappelijke behoefte, namelijk in betaalbare woningen te voorzien door de markt van de onroerende goederen aan te sturen met een activeringsbeleid. De Vlaamse Regering verwijst naar een voorstel van resolutie van 16 november 2006 betreffende de beschikbaarheid van betaalbare bouwgronden (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1012/1) waarin onder meer werd overwogen dat de kerkfabrieken moeten worden gestimuleerd om hun gronden te verkopen. A.2.2.3. Nog volgens die partij zou de inmenging in de organisatievrijheid van de kerkbesturen evenredig zijn ten opzichte van het nagestreefde doel, aangezien de financiële duurzaamheid van de kerkfabrieken niet wordt aangetast. Zij wijst erop dat de verplichtingen die uit het decreet volgen geenszins tot een verarming van de kerkfabrieken zouden leiden en dat de kerkfabrieken de opbrengst van de verkoop van gronden kunnen herbeleggen. Die partij is van oordeel dat het uitsluiten van de kerkfabrieken ten aanzien van de doelstelling van het decreet (huisvesting) een onevenredige beperking zou betekenen, aangezien ze niet zou kunnen worden verantwoord door een godsdienstige noodzaak. Dat de inmenging evenredig is zou volgens haar ook blijken uit het advies van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat de beperkingen van het eigendomsrecht die uit het ontwerp van decreet voortvloeien bestaanbaar zijn met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.2.4. De Vlaamse Regering beklemtoont dat enkel private domeingoederen van de kerkfabrieken kunnen worden geraakt door de bepalingen van het decreet van 27 maart 2009, en niet gebouwen die bestemd zijn voor de eredienst, die deel uitmaken van het openbaar domein door hun bestemming en die onvervreemdbaar zijn. A.2.3.1.1. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart antwoordt dat de Vlaamse Regering verwarring creëert tussen, enerzijds, de eredienst in de strikte zin van het woord en, anderzijds, de organisatievrijheid van de eredienst, zijnde de organisatie van de religieuze gemeenschap die zich herkent in een bepaalde religie. Volgens de verzoekende partij zou een letterlijke lezing van de stelling van de Vlaamse Regering ertoe leiden dat er geen impact kan zijn op de noodwendigheden van de eredienst in de ruime zin van het woord, behalve in de onwaarschijnlijke hypothese dat er een religie zou zijn waarin onbebouwde percelen een centrale liturgische rol zouden spelen. 4 A.2.3.1.2. De Vlaamse Regering herhaalt in haar memorie van wederantwoord dat de artikelen van het decreet van 27 maart 2009 die relevant zijn voor de Vlaamse besturen, niet van toepassing zijn op goederen die rechtstreeks dienstig zijn voor de uitoefening van de taak van de betrokken rechtspersoon. A.2.3.2.1. De verzoekende partij verwijst nogmaals naar het arrest nr. 152/2005 van 5 oktober 2005. Volgens haar vloeit uit dat arrest voort dat, als het opleggen van een leeftijdsgrens voor leden van kerkbesturen wordt beschouwd als een inmenging in de organisatievrijheid van de erediensten, dit ook geldt voor een maatregel die bepaalt op welke wijze de kerkbesturen hun patrimonium dienen te beheren. A.2.3.2.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de redenering van het Hof in die zaak niet kan worden toegepast op de bestreden bepaling. Volgens haar bevestigt dat arrest wel dat, voor zover er sprake is van een inmenging in de vrijheid van godsdienst - wat te dezen niet het geval zou zijn -, er moet worden nagegaan of die al dan niet evenredig is. A.2.3.3.1. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart is van mening dat de door de Vlaamse Regering aangehaalde verantwoording voor de inmenging in de organisatievrijheid van de erediensten niet voldoet. Die partij wijst erop dat het door de Vlaamse Regering aangehaalde voorstel van resolutie nooit is aangenomen. Zij voert tevens aan dat de doelstelling om betaalbaar wonen te bevorderen misschien wel eerbaar is, maar niet voorkomt in de opsomming van doelstellingen vermeld in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij is van mening dat de bestreden maatregel een belangrijke impact dreigt te hebben op de financiële duurzaamheid van de kerkbesturen, die immers worden verplicht hun gronden te verkopen op een moment en onder voorwaarden die niet overeenstemmen met de normale marktomstandigheden. Volgens haar wordt de kerkbesturen die enkel nog de gebouwen overhouden die voor de eredienst zijn bestemd, elke autonomie ontnomen, vermits zij voor alle andere uitgaven afhankelijk worden van de goede wil van het lokale bestuur dat hun begrotingen dient goed te keuren. Volgens de verzoekende partij is het onderscheid tussen gebouwen bestemd voor de eredienst en het private patrimonium misleidend, aangezien het private patrimonium van de kerkbesturen uitsluitend bedoeld is om direct of indirect bij te dragen tot de wettelijke doelstelling van de kerkbesturen. A.2.3.3.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens als uitzondering op het verbod op beperkingen van de vrijheid van godsdienst onder meer de bescherming van de grondrechten van anderen vermeldt. Dit is, volgens haar, te dezen het geval, aangezien betaalbaar wonen een door artikel 23 van de Grondwet gewaarborgd grondrecht is. Wat de evenredigheid betreft, ontkent de Vlaamse Regering dat de kerkfabrieken elke autonomie zal worden ontnomen. Zij wijst erop dat kerkbesturen leningen kunnen aangaan voor investeringen en dat zij over andere instrumenten, zoals de onteigening, beschikken om nieuwe onroerende goederen te verwerven. Volgens haar is niet bewezen dat de betrokken gronden aan minder gunstige marktvoorwaarden zullen moeten worden verkocht, of dat dit tot tekorten bij de kerkbesturen zou leiden. Zij wijst ten slotte erop dat het besluit van de Vlaamse Regering van 13 oktober 2006 houdende het algemeen reglement op de boekhouding van de besturen van de erkende erediensten en van de centrale besturen van de erkende erediensten een onderscheid maakt tussen, enerzijds, gebouwen bestemd voor de eredienst en, anderzijds, het private patrimonium. A.3.1.1. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart is eveneens van oordeel dat een inmenging in de organisatievrijheid dient te voldoen aan de vereisten van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Die vereisten houden, volgens haar, in dat de decreetgever uitdrukkelijk dient te verantwoorden waarom personen die zich in verschillende situaties bevinden, toch gelijk moeten worden behandeld. Ten aanzien van de kerkfabrieken zou, nog steeds volgens die partij, elke verantwoording ontbreken. A.3.1.2. De verzoekende partij zet uiteen waarom kerkbesturen volgens haar verschillen van de overige in het bestreden artikel 1.2, eerste lid, 20°, van het decreet van 27 maart 2009 vermelde besturen. Zo zijn de Vlaamse ministeries, agentschappen en openbare instellingen, volgens haar, te beschouwen als emanaties van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, en zijn de gemeenten en provincies in het kader van het medebestuur nauw betrokken bij de uitvoering van het gewestelijke beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. De opname van districten, gemeentelijke en provinciale extern verzelfstandigde agentschappen, verenigingen van provincies en gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden is, volgens haar, begrijpelijk vermits het om emanaties van de gemeenten en provincies gaat. Zij wijst ten slotte erop dat de opdracht van het OCMW het ter beschikking stellen van huisvesting kan omvatten en dat de polders en wateringen ook een taak hebben die verband houdt met ruimtelijke ordening en huisvesting. Een vergelijkbare band zou evenwel, volgens de verzoekende partij, niet bestaan ten aanzien van de kerkbesturen. 5 A.3.1.3. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart voert ook aan dat de in artikel 1.2, eerste lid, 21°, van het decreet van 27 maart 2009 vermelde Vlaamse semipublieke personen, evenals alle federale rechtspersonen, niet worden opgenomen in de categorie van de Vlaamse besturen. Dit leidt, volgens de verzoekende partij, ertoe dat instellingen die fundamenteel vergelijkbaar zijn met de kerkbesturen, namelijk de instellingen belast met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele gemeenschappen, fundamenteel anders worden behandeld dan de categorie van rechtspersonen waartoe zij zou behoren. A.3.2.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het feit dat de kerkbesturen geen bevoegdheid zouden hebben inzake grond- en pandenbeleid en inzake ruimtelijke ordening, irrelevant is. Volgens haar gaat het decreet niet ervan uit dat de kerkfabrieken en de overige genoemde Vlaamse besturen enige bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening, planning of stedenbouwkundige vergunningen zouden hebben. Het gaat, volgens haar, erom dat de Vlaamse besturen allen openbare rechtspersonen zijn met een aanzienlijk patrimonium waarvan een deel onder bepaalde voorwaarden vatbaar is voor activering. A.3.2.2. De Vlaamse Regering wijst erop dat de kerkbesturen als openbare instellingen onroerende goederen in eigendom hebben waarover zij autonoom vermogen te beschikken. Volgens haar gaat het decreet van 27 maart 2009 ervan uit dat de kerkfabrieken een omvangrijk onroerend patrimonium beheren en dat er geen reden is om aan te nemen dat een deel van dat patrimonium niet het voorwerp van activering kan uitmaken. A.3.2.3. De Vlaamse Regering is van oordeel dat niet dient te worden verantwoord waarom het decreet van 27 maart 2009 de kerkbesturen op dezelfde wijze behandelt als de overige Vlaamse besturen. Volgens haar is veeleer het tegenovergestelde het geval : er zou sprake zijn van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie indien de kerkbesturen niet zouden worden gelijkgesteld met de overige Vlaamse besturen, die ook allen domeingoederen besturen en administratief toezicht kennen. A.3.2.4. Wat de vergelijking met de erkende niet-confessionele gemeenschappen betreft, wijst de Vlaamse Regering erop dat het gewest geen bevoegdheid heeft ten aanzien van die gemeenschappen, zodat het decreet op hen niet van toepassing kon zijn. A.3.3.1. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart wijst erop in haar memorie van antwoord dat de in artikel 1.2, eerste lid, 21°, van het decreet van 27 maart 2009 vermelde Vlaamse semipublieke rechtspersonen, net zoals de in bestreden bepaling vermeldde Vlaamse besturen, rechtspersonen zijn die evenzeer aan een vorm van bestuurlijk toezicht worden onderworpen. Bijgevolg rijst, volgens die partij, de vraag waarom de ene categorie van rechtspersonen aan een zwaarder stelsel wordt onderworpen dan de andere. A.3.3.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat het decreet van 27 maart 2009 in zijn toepassing helemaal geen onderscheid maakt tussen de Vlaamse besturen en de Vlaamse semipublieke rechtspersonen. Er is, volgens haar, dan ook geen sprake van een zwaarder en een lichter stelsel. A.3.4.1. De verzoekende partij wijst erop dat de Vlaamse Regering in haar memorie zelf erkent dat de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 maart 2009 geen toelichting bevat bij het bestreden artikel 1.2, eerste lid, 20°, en dit terwijl het Hof reeds herhaalde malen heeft geoordeeld dat een vermelding van motieven een conditio sine qua non is om op grondwetsconforme wijze te kunnen overgaan tot het identiek behandelen van verschillende categorieën van rechtspersonen. A.3.4.2. Volgens de Vlaamse Regering is een dergelijke verantwoording enkel vereist wanneer vast zou komen te staan dat de kerkbesturen en de overige Vlaamse besturen fundamenteel verschillende instellingen zijn, wat niet het geval is. De Vlaamse Regering wijst ook erop dat het Hof in het verleden heeft erkend dat een verschil in behandeling bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ondanks de afwezigheid van motieven in de parlementaire voorbereiding. A.3.5.1. De verzoekende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat de Vlaamse Regering erkent dat met de specificiteit van geen enkele publiekrechtelijke rechtspersoon rekening werd gehouden en dat het feit dat kerkbesturen openbare instellingen zijn die onroerende goederen hebben volstond als aanknopingspunt. Volgens die partij zijn de door de Vlaamse Regering aangehaalde overwegingen inzake het doel van de maatregel irrelevant, vermits het wettelijke doel geen voldoende grond is voor de inzet van gelijk welk middel. Zij wijst er ook op dat het door de Vlaamse Regering aangehaalde voorstel van resolutie betreffende de 6 beschikbaarheid van betaalbare bouwgronden niet werd aangenomen door het Vlaams Parlement, zodat het de wil van de decreetgever niet kan verantwoorden. A.3.5.2. De Vlaamse Regering herhaalt dat de kerkbesturen inderdaad moeten worden gelijkgesteld met de overige Vlaamse besturen ten aanzien van de goederen die door het decreet worden geviseerd. Wat het voormelde voorstel van resolutie betreft, voert de Vlaamse Regering aan dat uit de veelvuldige verwijzingen naar en citaten uit het voorstel in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 maart 2009 blijkt dat het voorstel wel degelijk een indicatie kan zijn voor de geestesgesteldheid van de decreetgever. Wat het tweede middel betreft A.4.1. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart voert in een tweede, subsidiair middel aan dat artikel 3.2.12 van het decreet van 27 maart 2009 niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat die bepaling een algemene belastingvrijstelling toekent aan de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten, maar niet aan de kerkbesturen. Volgens die partij laat het gebrek aan duidelijkheid in de parlementaire voorbereiding van het decreet niet toe uit te maken welke doelstellingen de decreetgever met de bestreden bepaling nastreefde. Indien die bepaling de compensatie is voor het feit dat overheden worden onderworpen aan de overige bepalingen van het decreet, dan is het, volgens die partij, verbazingwekkend dat instanties die niet aan het decreet zijn onderworpen, zoals de federale Staat, wel de vrijstelling zouden krijgen die de kerkbesturen niet zouden genieten. A.4.2.1. Volgens de Vlaamse Regering is het tweede middel allereerst onontvankelijk, aangezien de bestreden bepaling enkel van toepassing is voor zover de gemeentelijke heffingsreglementen er niet van afwijken. Zij voert aan dat het belang van de verzoekende partij bijgevolg louter hypothetisch zou zijn, aangezien het onzeker zou zijn of de gemeente Hoeilaart in haar heffingsreglement al dan niet zal afwijken van de bestreden bepaling. A.4.2.2. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart antwoordt dat de stelling van de Vlaamse Regering ertoe zou leiden dat niemand de bestreden bepaling rechtsgeldig zou kunnen aanvechten, zolang niet duidelijk is welke gemeenten al dan niet toepassing zullen maken van de voormelde afwijkingsmogelijkheid. Zij wijst er tevens op dat het, volgens de rechtspraak van het Hof, zou volstaan dat een partij aanvaardbaar maakt dat zij negatief kan worden geraakt door een bestreden bepaling, wat te dezen het geval is. A.4.3.1.1. Wat de grond van de zaak betreft voert de Vlaamse Regering aan dat de activeringsheffing van toepassing is op alle eigenaars van onbebouwde kavels, ook op particulieren, en niet enkel op de Vlaamse besturen en semipublieke rechtspersonen. De vrijstelling hiervan kan, volgens die partij, dan ook geen compensatie vormen voor de onderworpenheid aan de rest van het decreet. A.4.3.1.2. Volgens de Vlaamse Regering voert de bestreden bepaling geen zelfstandige belastingvrijstelling in, en bevestigt ze enkel de onbelastbaarheid van de Staat. Die partij verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat een algemeen rechtsbeginsel heeft erkend volgens hetwelk domeingoederen van de Staat die worden gebruikt voor de openbare dienst, zijn vrijgesteld van gemeentelijke belastingen. Dat rechtsbeginsel geldt, volgens die partij, niet ten aanzien van de domeingoederen van de kerkbesturen : zij genieten enkel welomschreven expliciete wettelijke uitsluitingen van de belastingplicht (bijvoorbeeld inzake onroerende voorheffing, registratierechten en btw). Bovendien geldt de vrijstelling die de kerkbesturen genieten enkel voor de goederen die worden aangewend voor de uitoefening van de eredienst, terwijl, zo merkt de Vlaamse Regering op, de activeringsheffing niet van toepassing kan zijn op die goederen. A.4.3.2.1. De Kerkfabriek Sint-Clemens te Hoeilaart antwoordt dat de decreetgever zich niet op voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie vermag te beroepen, aangezien een algemeen rechtsbeginsel hem geen vrijbrief geeft om de Grondwet te omzeilen. A.4.3.2.2. Ook de verwijzing naar de onroerende voorheffing en de registratierechten is, volgens die partij, niet relevant daar de bepalingen in kwestie een ander onderwerp hebben en daar niets de decreetgever verplicht de federale wetgeving ter zake over te nemen. A.4.3.3. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de Vlaamse Regering dat vermits het algemeen rechtsbeginsel inzake de belastingvrijstelling op domeingoederen niet van toepassing is op de kerkbesturen, de bestreden bepaling dan ook niet ten opzichte van de kerkbesturen de algemene onbelastbaarheid kon bevestigen. 7 -B- Wat de bestreden bepalingen betreft B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 1.2, eerste lid, 20°, g), en 3.2.12 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. B.1.2. Artikel 1.2, eerste lid, 20°, van het voormelde decreet bepaalt : « Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder : […] 20° Vlaamse besturen :
- a)de Vlaamse ministeries, agentschappen en openbare instellingen;
- b)de Vlaamse provincies, gemeenten en districten;
- c)de Vlaamse gemeentelijke en provinciale extern verzelfstandigde agentschappen;
- d)de Vlaamse verenigingen van provincies en gemeenten, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, en de samenwerkingsvormen, vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
- e)de Vlaamse openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen, vermeld in hoofdstuk 12 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
- f)de polders, vermeld in de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders, en de wateringen, vermeld in de wet van 5 juni 1956 betreffende de wateringen;
- g)de Vlaamse kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten ». B.1.3. Artikel 3.2.12 van hetzelfde decreet bepaalt : « Benevens de vrijstellingen, verleend bij of krachtens deze afdeling, geldt onverkort de algemene onbelastbaarheid van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten voor wat betreft goederen van het openbaar domein en van goederen van het privaat domein die voor een dienst van openbaar nut worden aangewend ». 8 Wat het belang betreft B.2.1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij bij de vernietiging van het bestreden artikel 3.2.12 van het decreet van 27 maart 2009 vermits uit artikel 3.2.6 van hetzelfde decreet zou voortvloeien dat de voormelde bestreden bepaling enkel op die partij van toepassing zou zijn in zoverre het heffingsreglement van de gemeente Hoeilaert niet ervan afwijkt. B.2.2. Wanneer een wetsbepaling een categorie van personen bevoordeelt, kunnen diegenen die van het voordeel van die bepaling verstoken blijven, in dat verschil in behandeling een belang vinden dat voldoende rechtstreeks is om die bepaling aan te vechten. Te dezen beklaagt de verzoekende partij zich erover dat zij niet dezelfde algemene onbelastbaarheid zou genieten als de rechtspersonen vermeld in de bestreden bepaling. Zij heeft bijgevolg voldoende belang om die bepaling aan te vechten. Het feit dat een gemeentelijk heffingsreglement van die bepaling kan afwijken, doet geen afbreuk aan het belang van de verzoekende partij, vermits, in afwezigheid van een dergelijke afwijking, het aangeklaagde verschil in behandeling blijft bestaan en het de verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig zou kunnen raken. B.2.3. De exceptie wordt verworpen. Wat het eerste middel betreft B.3. Het eerste middel is gericht tegen artikel 1.2, eerste lid, 20°, g), van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009. Volgens de verzoekende partij zou die bepaling niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.4.1. Volgens de Vlaamse Regering zou het middel onontvankelijk zijn in zoverre het de schending aanvoert van voormelde internationale verdragsbepalingen. 9 B.4.2. Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan verdragsbepalingen. Tot de bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden behoren evenwel de rechten en vrijheden die voortvloeien uit internationale verdragsbepalingen die België binden. Dat is het geval voor artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. In zoverre het middel de schending van die internationale verdragsbepalingen aanvoert, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het ontvankelijk. B.4.3. De exceptie wordt verworpen. I. Ten aanzien van de vrijheid van godsdienst B.5. Het Hof dient allereerst na te gaan of de bestreden bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Vermits het Hof, krachtens artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de bijzondere wet van 9 maart 2003, bevoegd is om uitspraak te doen op beroepen tot vernietiging van onder meer een decreet wegens schending van de artikelen van titel II van de Grondwet, waartoe de artikelen 19 en 21 van de Grondwet behoren, kan het Hof rechtstreeks toetsen aan voormelde grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, zonder dat het die bepalingen dient te lezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.6. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». 10 Artikel 21 van de Grondwet bepaalt : « De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking. Het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn ». Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften. 2. De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan. 2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden. 3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen. 4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen of pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren ». 11 B.7. De vrijheid van godsdienst omvat onder meer de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst tot uiting te brengen. Geloofsgemeenschappen bestaan traditioneel in de vorm van georganiseerde structuren. De deelname aan het leven van de geloofsgemeenschap is een uiting van de geloofsovertuiging die de bescherming geniet van de vrijheid van godsdienst. Mede in het perspectief van de vrijheid van vereniging, houdt de vrijheid van godsdienst in dat de geloofsgemeenschap vreedzaam kan functioneren, zonder willekeurige inmenging van de overheid. De autonomie van de geloofsgemeenschappen is immers onmisbaar voor het pluralisme in een democratische samenleving en raakt derhalve de kern zelf van de vrijheid van godsdienst. Zij vertoont niet alleen een rechtstreeks belang voor de organisatie van de geloofsgemeenschap op zich, maar ook voor het daadwerkelijke genot van de vrijheid van godsdienst voor alle actieve leden van de geloofsgemeenschap. Indien de organisatie van het leven van de geloofsgemeenschap niet door artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn beschermd, zouden alle andere aspecten van de vrijheid van godsdienst van het individu hierdoor kwetsbaar worden (EHRM, 26 oktober 2000, Hassan en Tchaouch t. Bulgarije, § 62). De in artikel 21, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van eredienst erkent diezelfde organisatorische autonomie van de godsdienstige gemeenschappen. Elke godsdienst is vrij zijn eigen organisatie in te richten. B.8. Wanneer de decreetgever een maatregel neemt die moet worden beschouwd als een inmenging in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen, dient het Hof na te gaan of die inmenging verantwoord is. Opdat de inmenging verenigbaar is met de vrijheid van godsdienst en met de vrijheid van eredienst, is vereist dat de maatregel het voorwerp uitmaakt van een voldoende toegankelijke en precieze regeling, dat hij een wettig doel nastreeft en dat hij nodig is in een democratische samenleving, wat inhoudt dat de inmenging moet beantwoorden aan « een dwingende maatschappelijke behoefte » en dat er een redelijk verband van evenredigheid moet bestaan tussen het nagestreefde wettige doel, enerzijds, en de beperking van die vrijheden, anderzijds. B.9. Luidens de bestreden bepaling worden onder de Vlaamse besturen onder meer « de Vlaamse kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten » verstaan. Bijgevolg zijn de bepalingen van het decreet van 12 27 maart 2009 die de Vlaamse besturen betreffen, eveneens van toepassing op de voormelde kerkfabrieken en instellingen. Nagegaan dient te worden of de decreetgever hierdoor een maatregel heeft genomen die een inmenging impliceert in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen en of een dergelijke maatregel beantwoordt aan de in B.8 vermelde vereisten.
- a)Opname in het register van onbebouwde percelen B.10.1. Onbebouwde percelen die een potentie tot bebouwing hebben, worden opgenomen in het register van onbebouwde percelen. De opbouw van het register dient het mogelijk te maken een overzicht te krijgen van de onbebouwde bouwgronden en kavels die eigendom zijn van Vlaamse besturen waarbij wordt vermeld of zij al dan niet beantwoorden aan de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 3.2.1, 1°, van het decreet van 27 maart 2009 (artikel 2.2.5 van het voormelde decreet). B.10.2. Het loutere feit dat de onbebouwde bouwgronden en kavels die eigendom zijn van de Vlaamse kerkfabrieken worden opgenomen in het register van onbebouwde percelen houdt geen maatregel in die een inmenging impliceert in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen.
- b)Het activeringstoezicht B.11.1. Indien het « bindend sociaal objectief », vermeld in artikel 4.1.2 van het decreet van 27 maart 2009, in een gemeente niet is verwezenlijkt binnen de daartoe voorgeschreven termijn, kan de Vlaamse Regering ten aanzien van Vlaamse besturen maatregelen van activeringstoezicht nemen (artikel 3.2.1 van het voormelde decreet). De Vlaamse Regering sommeert het Vlaams bestuur om de nodige maatregelen te nemen opdat zijn onbebouwde bouwgronden of kavels die niet beantwoorden aan een of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 3.2.1, 1°, van het voormelde decreet, kunnen worden geschrapt uit het register van onbebouwde percelen (artikel 3.2.2, § 1, van het decreet van 27 maart 2009). Bij ontstentenis van een gegronde rechtvaardiging, legt de Vlaamse Regering aan het betrokken Vlaams bestuur een activeringsplicht op, die de verplichting inhoudt om de 13 voormelde nodige maatregelen te nemen ten aanzien van de onbebouwde bouwgronden en kavels die niet door een rechtvaardigingsbesluit worden gedekt (artikel 3.2.2, § 3, van het voormelde decreet). B.11.2.1. Bij niet-naleving van de activeringsplicht kan de hogere overheid elk middel aanwenden dat in de organieke regelgeving op het betrokken bestuur is voorgeschreven als sanctie voor de niet-uitvoering van maatregelen die in rechte zijn voorgeschreven (artikel 3.2.3 van het decreet van 27 maart 2009). Dit komt neer op het uitoefenen van een vorm van dwangtoezicht (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 111). B.11.2.2. Het algemeen administratief toezicht op kerkfabrieken houdt in dat een besluit waarbij de kerkraad de wet schendt of het algemeen belang schaadt, kan worden geschorst en vernietigd (artikelen 58 en 59 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten). De provinciegouverneur kan een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten, decreten, algemene reglementen en besluiten van de Staat, de gemeenschap, het gewest of de provinciale of gemeentelijke instellingen (artikel 63 van het decreet van 7 mei 2004). B.11.2.3. Uit de combinatie van artikel 3.2.3 van het decreet van 27 maart 2009 met de in B.11.2.2 vermelde bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 vloeit voort dat bij de niet- uitvoering door een kerkfabriek van de maatregelen om onbebouwde bouwgronden of kavels die niet beantwoorden aan een of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 3.2.1, 1°, van het decreet van 27 maart 2009, te kunnen schrappen uit het register van onbebouwde percelen, een door de provinciegouverneur aangewezen commissaris die maatregelen ten uitvoering kan brengen. Dat betekent « dat de Vlaamse overheid in de plaats kan treden van de publieke actor » en dat « de Vlaamse overheid […] dan rechtstreeks de eigen bevoegdheden van dat gedecentraliseerd bestuur [uitoefent] » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 19). 14 In de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent nog verklaard : « De Vlaamse Regering kan aldus bvb. een goed verkopen, waarbij in de koopovereenkomst duidelijk wordt gestipuleerd dat de koper het goed zal bebouwen (de koopprijs wordt teruggestort aan de betrokken nalatige overheidsinstantie). Evengoed kan bvb. een opstalrecht worden verleend aan een sociale woonorganisatie met het oogmerk om het onroerend goed voor woningbouw te bestemmen (de overeenkomst waarin het opstalrecht wordt gestipuleerd, wordt strikt gezien afgesloten tussen het nalatige bestuur (waarvoor de Vlaamse Regering optreedt) en de houder van het opstalrecht.) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 19). B.11.2.4. Wanneer een door de provinciegouveurneur aangewezen commissaris zou overgaan tot de verkoop van een onbebouwde bouwgrond of kavel van een kerkfabriek, wordt afgeweken van artikel 34 van het decreet van 7 mei 2004, luidens welke bepaling de kerkraad beslist over alle handelingen van beheer en van beschikking van de goederen en de gelden die toebehoren aan de kerkfabriek of die ter beschikking zijn gesteld van de eredienst. B.11.3. In zoverre het activeringstoezicht voor de Vlaamse kerkfabrieken de verplichting inhoudt om de nodige maatregelen te nemen opdat hun onbebouwde bouwgronden of kavels die niet beantwoorden aan een of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 3.2.1, 1°, van het decreet, kunnen worden geschrapt uit het register van onbebouwde percelen, en in zoverre bij niet-naleving van die verplichting de hogere overheid elk middel kan aanwenden dat in de organieke regelgeving op het betrokken bestuur is voorgeschreven als sanctie voor de niet-uitvoering van maatregelen die in rechte zijn voorgeschreven, houdt het activeringstoezicht een maatregel in die een inmenging impliceert in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen. Bijgevolg dient te worden nagegaan of die maatregel beantwoordt aan de in B.8 vermelde vereisten. B.12.1. Het activeringstoezicht beoogt « dat bijkomende gronden vrijkomen voor de creatie van een sociaal woonaanbod » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 55). In de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent het volgende verklaard : « Het spreekt inderdaad voor zich dat de gronden die ontwikkeld worden op grond van de regeling inzake het activeringstoezicht, aangewend worden voor de verwezenlijking van sociale woningen of kavels : de aanleiding voor de uitoefening van het activeringstoezicht is immers net 15 het feit dat het bindend minimumpercentage inzake het sociaal woonaanbod binnen de gemeente niet wordt bereikt » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, pp. 55 en 111). B.12.2.1. Het activeringstoezicht betreft enkel onbebouwde bouwgronden en kavels. Het geldt niet ten aanzien van een kerkgebouw of enig ander gebouw dat wordt aangewend voor de uitoefening van een eredienst. B.12.2.2. Uit artikel 3.2.1, 1°, van het decreet van 27 maart 2009 blijkt bovendien dat het activeringstoezicht enkel betrekking heeft op onbebouwde bouwgronden of kavels van Vlaamse besturen die niet beantwoorden aan een of meer van volgende bijzondere karakteristieken : «
- a)zij zijn kennelijk rechtstreeks dienstig voor de uitoefening van de taak van de betrokken rechtspersoon;
- b)zij zijn ingericht als collectieve voorzieningen, met inbegrip van hun aanhorigheden;
- c)zij zijn het voorwerp van een recht van erfpacht, van opstal, van vruchtgebruik of van gebruik;
- d)zij worden verpacht ingevolge de Pachtwet van 4 november 1969, waarbij het bewijs van de pacht door alle middelen rechtens mag worden geleverd;
- e)zij zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het heffingsjaar geregistreerd in het Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem;
- f)zij zijn onderworpen aan een bouwverbod of aan enige andere erfdienstbaarheid tot openbaar nut die woningbouw onmogelijk maakt;
- g)de onmogelijkheid om woningen op te richten vloeit voort uit een vreemde oorzaak die het Vlaamse bestuur niet kan worden toegerekend, zoals de beperkte omvang van de bouwgronden of kavels, of hun ligging, vorm of fysieke toestand;
- h)zij zullen blijkens een ten minste reeds voorlopig vastgesteld of voorlopig aangenomen ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg een met wonen onverenigbare bestemming krijgen; ». Luidens artikel 15, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende bepaling van de nadere regels voor de opmaak, de actualisering en de financiering van het register van de onbebouwde percelen, zoals toegevoegd bij artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, gelden bij het onderzoek of onbebouwde bouwgronden en 16 kavels van Vlaamse besturen al dan niet beantwoorden aan de voormelde bijzondere karakteristieken, volgende richtlijnen : « 1° een onderzoek op stukken volstaat :
- a)indien de aanwezigheid of afwezigheid van bijzondere karakteristieken eenvoudig kan worden afgeleid uit stukken waarover de gemeente beschikt, zoals bijvoorbeeld het geval is wanneer de juridische onbebouwbaarheid van de bouwgrond of kavel voortvloeit uit een reeds voorlopig vastgesteld of voorlopig aangenomen ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg waardoor het gebied een met wonen onverenigbare bestemming krijgt;
- b)indien de aanwezigheid of afwezigheid van bijzondere karakteristieken eenvoudig kan worden afgeleid uit stukken of verklaringen die door het Vlaamse bestuur worden bezorgd of die bij het Vlaamse bestuur kunnen worden opgevraagd, zoals bijvoorbeeld het feit dat de bouwgronden of kavels al dan niet bezwaard zijn met een recht van erfpacht, van opstal, van vruchtgebruik, of al dan niet het voorwerp uitmaken van een pacht ingevolge de Pachtwet van 4 november 1969; 2° een eenvoudige vaststelling door een gemeentelijke ambtenaar volstaat indien de aanwezigheid of afwezigheid van bijzondere karakteristieken duidelijk visueel vaststelbaar is, zoals bijvoorbeeld het geval is wanneer de onbebouwbaarheid van de bouwgrond of kavel voortvloeit uit de inrichting als collectieve voorziening; 3° in andere gevallen dan deze vermeld in 1° en 2° volstaat een gemotiveerde verklaring van het Vlaamse bestuur ». B.12.2.3. De kerkfabriek is belast met « de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken » (artikel 4 van het decreet van 7 mei 2004). Voor zover onbebouwde bouwgronden of kavels rechtstreeks dienstig zijn voor de uitoefening van de eredienst, bijvoorbeeld omdat de kerkfabriek aantoont dat ze worden aangewend voor een openluchtviering, kunnen de maatregelen van het activeringstoezicht niet van toepassing zijn op die gronden of kavels. Bovendien blijkt uit het voormelde artikel 15, derde lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 dat, indien een onderzoek op stukken of een eenvoudige vaststelling niet volstaat om aan te tonen dat er sprake is van « bijzondere karakteristieken », een gemotiveerde verklaring van de kerkfabriek volstaat. B.12.3.1. Wanneer de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 3.2.2, § 1, van het decreet van 27 maart 2009, een kerkfabriek zou aanmanen om de nodige maatregelen te nemen opdat haar onbebouwde bouwgronden of kavels die niet beantwoorden aan een of meer van de voormelde bijzondere karakteristieken kunnen worden geschrapt uit het register van 17 onbebouwde percelen, kan die kerkfabriek aan de Vlaamse Regering een rechtvaardigingsbesluit overzenden. B.12.3.2. Luidens de parlementaire voorbereiding, kunnen diverse rechtvaardigingsgronden worden aangevoerd (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 19) : enerzijds, kan de kerkfabriek aanvoeren dat de onbebouwde bouwgronden of kavels die haar toebehoren « niet realiseerbaar zijn, in de zin van artikel 3.2.1, 1° » (ibid.), dit wil zeggen dat ze beantwoorden aan een of meer van de in die bepaling vermelde bijzondere karakteristieken; anderzijds, kan de kerkfabriek ten aanzien van onbebouwde gronden of kavels die niet beantwoorden aan voormelde bijzondere karakteristieken « verschoningsgronden [aandragen] die aangeven waarom vooralsnog niet tot realisatie kon worden overgegaan (bvb. financiële moeilijkheden), en op een aannemelijke en gemotiveerde manier [aangeven] hoe binnen een redelijke termijn aan de gemaakte afspraken zal worden voldaan » (ibid.). B.12.3.3. Uit wat voorafgaat blijkt dat de rechtvaardigingsgronden die een Vlaams bestuur kan aanvoeren niet beperkt zijn tot het al dan niet beantwoorden aan de bijzondere karakteristieken, bepaald in artikel 3.2.1, 1°, van het decreet van 27 maart 2009. Een kerkfabriek vermag andere gronden aan te voeren die verantwoorden dat zij niet de nodige maatregelen neemt opdat haar onbebouwde bouwgronden of kavels kunnen worden geschrapt uit het register van onbebouwde percelen. Bij de beoordeling van het gegrond karakter van een door een kerkfabriek aangevoerde rechtvaardiging, dient de Vlaamse Regering bovendien de in B.7 beschreven autonomie waarover de kerkfabrieken beschikken, in acht te nemen. B.12.4. De Vlaamse Regering kan, bij ontstentenis van een rechtvaardiging, een kerkfabriek verplichten om binnen de door haar te bepalen termijn maatregelen te nemen opdat haar onbebouwde bouwgronden of kavels die niet beantwoorden aan een of meer van de voormelde bijzondere karakteristieken kunnen worden geschrapt uit het register van onbebouwde percelen. Ofschoon die termijn « ten hoogste vijf jaar [bedraagt] vanaf de betekening van de beschikking waarbij de activeringsplicht wordt opgelegd », vloeit hieruit voort dat de kerkfabrieken over de nodige tijd zullen beschikken om die maatregelen te nemen. De door de Vlaamse Regering bepaalde termijn dient overigens redelijk te zijn teneinde een kerkfabriek toe te laten de maatregelen in kwestie te nemen op een wijze die de kerkfabriek in staat stelt het beheer van haar goederen op een zorgvuldige wijze uit te voeren 18 en het meerjarenplan dat de financiële afspraken tussen de kerkfabriek en de gemeenteraad bevat (artikel 41 van het decreet van 7 mei 2004), na te leven. B.12.5. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de toepassing van het in de artikelen 3.2.1 tot 3.2.4 van het decreet van 27 maart 2009 bepaalde activeringstoezicht beantwoordt aan de in B.8 vermelde vereisten.
- c)De activeringsheffing B.13.1.1. Artikel 3.2.5, § 1, van het decreet van 27 maart 2009 machtigt de gemeenteraden « tot het heffen van een jaarlijkse belasting, geheven op onbebouwde bouwgronden in woongebied of onbebouwde kavels ». Behoudens afwijking in de gemeentelijke heffingsreglementen (artikel 3.2.6) is die activeringsheffing verschuldigd door de persoon die op 1 januari van het heffingsjaar eigenaar is van een bouwgrond of kavel (artikel 3.2.7) die niet is vrijgesteld van die heffing. B.13.1.2. De activeringsheffing « vervangt (grotendeels) de bestaande regeling betreffende de heffing op onbebouwde percelen en gronden als vermeld in het huidige artikel 143 DRO » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 113). B.13.2.1. De activeringsheffing is niet enkel van toepassing op de kerkfabrieken, of op de Vlaamse besturen in het algemeen, maar op elke persoon die eigenaar is van een bouwgrond of een kavel en die niet is vrijgesteld van die heffing. De grondslag van die belasting houdt geen enkel verband met de opdracht en de activiteiten van de kerkfabrieken. B.13.2.2. Het loutere feit dat de Vlaamse kerkfabrieken worden onderworpen aan een belasting die hen niet specifiek viseert en die hun opdracht niet onmogelijk maakt of op buitensporige wijze bemoeilijkt, houdt geen onverantwoorde inmenging in in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen. 19
- d)Geconcerteerde acties B.14.1.1. Luidens artikel 4.1.7, eerste lid, van het decreet van 27 maart 2009 berekent elke gemeente bij elke algehele herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, voor haar grondgebied, de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels in eigendom van Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen, met uitzondering van de gronden die voldoen aan een of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 3.2.1, 1°, van het decreet en de gronden die eigendom zijn van sociale woonorganisaties, respectievelijk het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant. B.14.1.2. Artikel 4.1.7, tweede lid, van het voormelde decreet bepaalt : « Door middel van haar regiefunctie, vermeld in artikel 28 van de Vlaamse Wooncode, waakt de gemeente er over dat de diverse Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen geconcerteerde acties ondernemen opdat, binnen de tijdshorizon van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, ten minste een kwart van deze gezamenlijke oppervlakte aangewend wordt voor de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod. De gemeenteraad stelt ter zake een actieprogramma vast ». B.14.1.3. Artikel 28 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode bepaalt : « § 1. De gemeente is verantwoordelijk voor het uitwerken van haar woonbeleid op lokaal vlak waarbij aandacht uitgaat naar het stimuleren van sociale woonprojecten, het ondersteunen van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden en het uitwerken van een bewaking van de kwaliteit van het woonpatrimonium en de woonomgeving. § 2. De gemeente stimuleert de realisatie van sociale woonprojecten op haar grondgebied, ongeacht de initiatiefnemer. De gemeente gaat, volgens de procedure en in de gevallen die door de Vlaamse regering worden bepaald, na of sociale woonprojecten op haar grondgebied door een sociale huisvestingsmaatschappij kunnen worden gerealiseerd. De gemeenten dragen er zorg voor dat de woonprojecten en individuele verrichtingen van de sociale woonorganisaties, het OCMW of haarzelf in het belang van de bewoners op elkaar worden afgestemd. Daartoe zien de gemeenten erop toe dat de sociale woonorganisaties zo veel mogelijk onderling overleg plegen. Ze kunnen de sociale woonorganisaties en het OCMW voor overleg samenroepen. De sociale woonorganisaties zijn verplicht in te gaan op de vraag tot overleg vanwege de gemeente. 20 De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de kredieten die daartoe op de begroting van het Vlaamse Gewest worden ingeschreven en onder de voorwaarden die ze heeft bepaald, de gemeentelijke en intergemeentelijke werking met het oog op het realiseren van de opdrachten vermeld in §§ 1 en 2 en het verbeteren van de dienstverlening aan woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, subsidiëren. De Vlaamse Regering stelt de bijzondere regels vast voor de toekenning en de verdeling van de subsidies. § 3. De Vlaamse regering begeleidt en ondersteunt de gemeenten bij het uitwerken van hun woonbeleid en in het bijzonder bij het toezien op de coördinatie met het Vlaamse woonbeleid. De entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de ondersteuning van het lokale woonbeleid kan deelnemen aan de overlegvergaderingen, die door de gemeente met toepassing van § 2 worden samengeroepen. Ze kan ook op eigen initiatief een dergelijke overlegvergadering samenroepen ». B.14.2. Ofschoon aanvragen voor een vergunning worden geweigerd wanneer die niet verenigbaar zijn met de afspraken die op grond van artikel 4.1.7 van het decreet van 27 maart 2009 worden gemaakt, en ofschoon het miskennen van die afspraken het voorwerp van sanctie kan uitmaken middels de figuur van het activeringstoezicht (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 48), dient te worden vastgesteld dat het voormelde artikel 4.1.7 de gemeenten niet het recht verschaft om dwingende maatregelen te nemen om de diverse Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen ertoe te brengen geconcerteerde acties te ondernemen. Bijgevolg houdt die bepaling geen maatregel in die een inmenging van de gemeenten impliceert in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen.
- e)Sociale en bescheiden woningbouw B.15.1.1. Luidens artikel 4.1.8, tweede lid, van het decreet van 27 maart 2009 wordt in elk van de verkavelingsprojecten en bouwprojecten, vermeld in het eerste lid van die bepaling, een sociaal woonaanbod verwezenlijkt dat, indien de gronden eigendom zijn van Vlaamse besturen of Vlaamse semipublieke rechtspersonen, gelijk is aan ten minste twintig en ten hoogste veertig procent van het aantal te verwezenlijken woningen en/of kavels. Luidens artikel 4.2.1, tweede lid, van het voormelde decreet wordt in elk van de verkavelingsprojecten en bouwprojecten, vermeld in het eerste lid van die bepaling, een bescheiden woonaanbod verwezenlijkt dat voor wat betreft gronden die eigendom zijn van 21 Vlaamse besturen of Vlaamse semipublieke rechtspersonen, gelijk is aan veertig procent van het aantal te verwezenlijken woningen en/of kavels, verminderd met het op grond van het bij of krachtens het gemeentelijk reglement Sociaal Wonen opgelegde percentage inzake de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod. B.15.1.2. Indien de gronden eigendom zijn van natuurlijke of rechtspersonen, bedraagt die verplichting voor sociale woningbouw ten minste tien en ten hoogste twintig procent van het aantal te verwezenlijken woningen en/of kavels en voor bescheiden woningbouw twintig procent, verminderd met het op grond van het bij of krachtens het gemeentelijk reglement Sociaal Wonen opgelegde percentage inzake de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod. In de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent het volgende verklaard : « De grotere verantwoordelijkheid in hoofde van de (semi)publieke sector kan worden onderbouwd op grond van het feit dat de groep van eigenaars die meer dan tien percelen aanhouden voor 65 % bestaat uit overheden in ruime zin én op grond van het administratiefrechtelijke specialiteitsbeginsel, betrokken op het domeinrecht, hetgeen inhoudt dat (functionele) openbare diensten in beginsel slechts goederen kunnen aanhouden die ten nutte komen van hun takenpakket » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 50). B.15.1.3. De verplichting een sociaal en bescheiden woonaanbod te verwezenlijken is enkel van toepassing op de « grote nieuwe verkavelings- en bouwprojecten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 49), bepaald in de artikelen 4.1.8, eerste lid, 1° tot 4°, en 4.2.1, eerste lid, 1° tot 4°, van het decreet van 27 maart 2009. B.15.1.4. Indien een verkavelingsproject of een bouwproject een sociaal en/of bescheiden woonaanbod dient te verwezenlijken, wordt aan de verkavelingsvergunning, respectievelijk de stedenbouwkundige vergunning, van rechtswege een sociale last verbonden in de zin van artikel 4.2.20 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. Zij verplicht de verkavelaar of de bouwheer ertoe handelingen te stellen opdat een sociaal woonaanbod zou worden verwezenlijkt dat overeenstemt met het op het verkavelingsproject of het bouwproject toepasselijke percentage (artikelen 4.1.16, § 1, en 4.2.5, § 1, van het decreet van 27 maart 2009). 22 B.15.1.5. De Vlaamse Regering stelt indicatieve streefprijzen op voor de verkoop of verhuur van woningen en de verkoop van kavels die deel uitmaken van het bescheiden woonaanbod (artikel 4.2.9 van het decreet van 27 maart 2009). B.15.2. De bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 die het sociaal en bescheiden woonaanbod regelen, houden op zich voor de kerkfabrieken geen rechtstreekse verplichting in om verkavelings- of bouwprojecten te verwezenlijken. Die verplichting kan wel in voorkomend geval uit de overige bepalingen van het voormelde decreet voortvloeien, en met name uit het activeringstoezicht. Het feit dat een kerkfabriek, die middels het activeringstoezicht ertoe zou worden gebracht een verkavelings- of bouwproject te verwezenlijken, zou worden verplicht, wanneer het om een groot project gaat, een sociaal en bescheiden woonaanbod te verwezenlijken, houdt geen onverantwoorde inmenging in in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen. B.16. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat, voor zover de decreetgever een maatregel heeft genomen die een inmenging impliceert in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen, hetgeen het geval is wat het activeringstoezicht betreft, die maatregel beantwoordt aan de in B.8 vermelde vereisten. II. Ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie B.17. Het Hof dient eveneens na te gaan of de bestreden bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de Vlaamse kerkfabrieken op dezelfde wijze worden behandeld als de overige in artikel 1.2, eerste lid, 20°, van het decreet van 27 maart 2009 vermelde Vlaamse besturen. B.18.1.1. Het decreet van 27 maart 2009 beoogt « een geïntegreerd antwoord te […] bieden » op een aantal « maatschappelijke vragen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 9) waaronder de « herijking van het instrumentarium van het grond- en pandenbeleid […] in het licht van een nieuw beleid » (ibid., p. 6). Ter realisatie van het Vlaams regeerakkoord 2004-2009 dat het recht op een betaalbare woning vooropstelt als een van de hoofdprioriteiten van de zittingsperiode, is « er nood […] aan een ruimer decretaal 23 kader met stimulerende en dwingende maatregelen voor de activering van bouwgronden, renovatieprojecten, e.d. » (ibid.). B.18.1.2. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 maart 2009 blijkt dat de overheden 65 pct. uitmaken van de eigenaars die meer dan tien percelen aanhouden (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 50) en dat « de overheid in ruime zin […] over ruim 8.000 ha onbebouwde percelen in woonzones [beschikt]» (ibid., p. 18). Nog volgens de parlementaire voorbereiding hebben « (semi)publieke initiatiefnemers […] een voorbeeldfunctie in het ondersteunen van de steunbehoevende doelgroepen op de woningmarkt » en dienen « slapende bouwgronden van de (semi)publieke actoren […] bijgevolg prioritair ingezet te worden voor de verwezenlijking van die doelstelling » (ibid.). B.18.2.1. Wat de toepassing van het decreet op de kerkfabrieken betreft, werd in de parlementaire voorbereiding het volgende overwogen : « Bij de voorbereidingen van voorliggend ontwerpdecreet is de vraag gesteld in welke mate deze systematiek ook van toepassing kan zijn op de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, gelet op de beperkte vervreemdingsmogelijkheden die in hoofde van deze besturen zouden gelden. In dat kader weze beklemtoond dat bij de totstandkoming van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten uitdrukkelijk is uitgegaan van het feit dat de kerkbesturen volledig autonoom zijn om over hun patrimonium te beschikken […]; de verkoop van privaatdomeingoederen van de kerkbesturen kan sinds de decreetgeving van 2004 geschieden om gegronde redenen, zoals het aanwenden van middelen voor het uitvoeren van herstellingswerken, de verkoop van gronden die weinig opbrengen, etc. » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 48). B.18.2.2. De kerkfabriek is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid (artikel 3, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004). Ze is onderworpen aan het in hoofdstuk V van titel II van het decreet van 7 mei 2004 bepaalde administratief toezicht. B.18.2.3. Gelet op de doelstelling van de decreetgever en de vaststelling dat de kerkfabrieken openbare instellingen zijn die zijn onderworpen aan het toezicht van de Vlaamse overheden, is het niet zonder redelijke verantwoording dat zij op dezelfde wijze worden behandeld als de overige in artikel 1.2, eerste lid, 20°, van het decreet van 27 maart 2009 vermelde Vlaamse besturen. Dat, zoals de verzoekende partij aanvoert, de Vlaamse kerkfabrieken, in tegenstelling tot de overige in artikel 1.2, eerste lid, 20°, van het decreet van 24 27 maart 2009 vermelde Vlaamse besturen, geen bevoegdheden hebben inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Het uitgangspunt van de decreetgever is immers de vaststelling dat de Vlaamse besturen in belangrijke mate eigenaar zijn van bouwgronden en kavels die ongebruikt blijven. Of die besturen al dan niet eveneens bevoegdheden hebben inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw is, ten aanzien van die vaststelling en de doelstelling van de decreetgever, niet pertinent. B.19. Het Hof dient ten slotte na te gaan of de bestreden bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de Vlaamse kerkfabrieken op verschillende wijze worden behandeld als (
- a)de in artikel 1.2, eerste lid, 21°, van het decreet van 27 maart 2009 vermelde Vlaamse semipublieke rechtspersonen besturen en (
- b)de instellingen belast met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele gemeenschappen.
- a)Het verschil in behandeling ten aanzien van de Vlaamse semipublieke rechtspersonen B.20.1. Luidens artikel 1.2, eerste lid, 21°, van het decreet van 27 maart 2009 wordt voor de toepassing van dat decreet en zijn uitvoeringsbesluiten verstaan onder Vlaamse semipublieke rechtspersonen : « rechtspersonen die niet behoren tot de Vlaamse besturen, doch met één of meer Vlaamse besturen een bijzondere band vertonen, doordat zij voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden :
- a)hun werkzaamheden worden in hoofdzaak gefinancierd of gesubsidieerd door één of meer Vlaamse besturen;
- b)hun werking is rechtstreeks of onrechtstreeks onderworpen aan enig toezicht in hoofde van een Vlaams bestuur middels één van de hiernavolgende regimes : 1) een administratief toezicht; 2) een toezicht op de aanwending van de werkingsmiddelen; 3) de aanwijzing, door een Vlaams bestuur, van ten minste de helft van de leden van de directie, van de raad van bestuur, of van de raad van toezicht; ». 25 De Vlaamse Regering kan een niet-limitatieve lijst opstellen van de Vlaamse semipublieke rechtspersonen (artikel 1.2, tweede lid, van het decreet van 27 maart 2009). B.20.2. De onbebouwde bouwgronden en kavels die eigendom zijn van Vlaamse semipublieke rechtspersonen, worden, net zoals die van de Vlaamse besturen, vermeld in het register van onbebouwde percelen (artikel 2.2.5, § 1, van het decreet van 27 maart 2009). De gemeenten waken door middel van hun « regiefunctie » erover dat de diverse Vlaamse besturen en Vlaamse semipublieke rechtspersonen geconcerteerde acties ondernemen opdat, binnen de tijdshorizon van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, ten minste een kwart van de gezamenlijke oppervlakte wordt aangewend voor de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod (artikel 4.1.7, tweede lid, van het voormelde decreet). De normen die voor verkavelingprojecten of bouwprojecten het verplicht te verwezenlijken sociaal en bescheiden woonaanbod bepalen, zijn dezelfde voor gronden die eigendom zijn van Vlaamse semipublieke rechtspersonen als voor gronden die eigendom zijn van Vlaamse besturen (artikel 4.1.8, tweede lid, 1°, en artikel 4.2.1, tweede lid, 1°, van het voormelde decreet). Wat de voormelde bepalingen betreft, is het verschil in behandeling onbestaande. B.20.3.1. In tegenstelling tot de Vlaamse besturen, zijn de Vlaamse semipublieke rechtspersonen evenwel niet onderworpen aan het activeringstoezicht. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 27 maart 2009 werd omtrent de uitsluiting van de Vlaamse semipublieke rechtspersonen van het activeringstoezicht het volgende verklaard : « Semipublieke actoren zullen bij nalatigheid veelal kunnen worden aangesproken middels de overheidscontrole op de financiering of subsidiëring van die actoren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2012/1, p. 19). B.20.3.2. Uit de in B.20.1 vermelde omschrijving van de Vlaamse semipublieke rechtspersonen, blijkt dat het om rechtspersonen gaat die financieel afhankelijk zijn van of onderworpen zijn aan het toezicht van de Vlaamse besturen. De decreetgever vermocht bijgevolg redelijkerwijs aan te nemen dat die besturen aldus over voldoende instrumenten beschikken om de Vlaamse semipublieke rechtspersonen ertoe aan te zetten de nodige maatregelen te nemen opdat hun onbebouwde bouwgronden of kavels uit het register van onbebouwde percelen kunnen worden geschrapt. 26
- b)Het verschil in behandeling ten aanzien van de instellingen belast met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele gemeenschappen B.21.1. Uit artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen vloeit voort dat de gewesten, wat de ondergeschikte besturen betreft, bevoegd zijn inzake « de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten ». B.21.2. De gewesten zijn daarentegen niet bevoegd inzake de erkende niet-confessionele gemeenschappen. B.21.3. Gelet op het voorgaande is het verschil in behandeling dat voortvloeit uit het feit dat luidens de bestreden bepaling de kerkfabrieken wel en de instellingen die belast zijn met het beheer van de erkende niet-confessionele gemeenschappen niet onder de Vlaamse besturen worden verstaan, niet zonder redelijke verantwoording. B.22. Het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.23. Het tweede middel is gericht tegen artikel 3.2.12 van het decreet van 27 maart 2009. Volgens de verzoekende partij zou die bepaling niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten een algemene onbelastbaarheid genieten voor wat betreft goederen van het openbaar domein en van goederen van het privaat domein die voor een « dienst van openbaar nut » worden aangewend, terwijl de Vlaamse kerkfabrieken niet eenzelfde algemene onbelastbaarheid zouden genieten. B.24. Uit de bestreden bepaling vloeit voort dat de goederen van het openbaar domein en de goederen van het privaat domein van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten, die voor een « dienst van openbaar nut » worden aangewend, 27 zijn vrijgesteld van de activeringsheffing. Bijgevolg zijn niet alle gronden en kavels van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten vrijgesteld van die heffing. Dat is enkel het geval wanneer ze ofwel zonder onderscheid bestemd zijn tot het gebruik van allen, ofwel worden aangewend voor een openbare dienst, en ze daartoe speciaal worden ingericht. B.25. Ofschoon de Vlaamse kerkfabrieken niet de algemene onbelastbaarheid genieten die in de bestreden bepaling vermeld is, zijn de goederen van die besturen die behoren tot het openbaar domein en de goederen van die besturen die behoren tot het privaat domein maar die voor een dienst van openbaar nut worden aangewend, vrijgesteld van de activeringsheffing. Er kan immers ofwel geen sprake zijn van onbebouwde bouwgrond of van een onbebouwde kavel, ofwel dient te worden aangenomen dat die grond of die kavel niet voor bebouwing kan worden bestemd ingevolge zijn inrichting als collectieve voorzieningen (artikel 3.2.10 van het decreet van 27 maart 2009). B.26. Het tweede middel is niet gegrond. 28 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 juli 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div