id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.095 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100729.7 Arrest- Rolnummer: 95/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-08-02 Raadplegingen: 408 - laatst gezien 2026-06-30 05:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - schorst, in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 23 oktober 2009 « houdende interpretatie van de artikelen 44, 44bis en 62, § 1, 7°, 9° en 10°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 », in zoverre zij van toepassing zijn op de Franstalige scholen en de afdelingen ervan in de zes randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken :
(3)dat een eventuele totale of gedeeltelijke intrekking van de erkenning niet alleen niet het rechtstreekse gevolg van het bestreden decreet is, maar bovendien slechts plaatsheeft op een bepaalde datum, namelijk op het einde van een lopend schooljaar, hetgeen concreet gezien dat negatieve gevolg zou kunnen uitstellen tot het einde van het schooljaar 2011-2012. Ten slotte is de intrekking van de erkenning als gevolg van de doorlichtingsprocedure, die het enige mogelijke nadeel is dat uit het bestreden decreet zou kunnen voortvloeien, niet moeilijk te herstellen, vermits, in geval van vernietiging van het bestreden decreet, artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 het mogelijk maakt op te treden tegen de beslissing van de Regering. De intrekking van de erkenning van de inrichting houdt overigens niet de sluiting van de inrichting in, die bijgevolg alleen een financieel nadeel zal lijden, nadeel dat volgens de vaste rechtspraak van het Hof nooit moeilijk te herstellen is. Ten aanzien van het ernstige karakter van het middel Standpunt van de verzoekende partijen A.11. De verzoekers zijn van mening dat het bestreden decreet, door de leerplannen van de Franse Gemeenschap en de Franstalige inspectie in de Franstalige scholen in de randgemeenten eenzijdig op te heffen en door die scholen ertoe te verplichten de door het Vlaams Parlement vastgestelde eindtermen en ontwikkelingsdoelen uit te voeren, een door de Vlaamse Regering goedgekeurd leerplan te gebruiken en een beleidscontract te sluiten met een Vlaams centrum voor leerlingenbegeleiding, afbreuk doet aan de « bestaande garanties » waarin ten behoeve van de Franstaligen van de randgemeenten is voorzien. Dat decreet schendt immers de bijzondere wet van 21 juli 1971 « betreffende de bevoegdheid en de werking van de Cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap », die met name waarborgt dat de pedagogische inspectie in die scholen in het Frans wordt uitgevoerd door inspecteurs van de Franse Gemeenschap op basis van de door de Franse Gemeenschap vastgestelde leerplannen en eindtermen. A.12.1. De verzoekende partijen preciseren in de eerste plaats de draagwijdte van het begrip « bestaande garanties » beschermd bij de artikelen 16bis en 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Hoewel die garantie niet zijn gedefinieerd of opgesomd door de bijzondere wetgever, uit vrees sommige daarvan te vergeten, wordt in de parlementaire voorbereiding aangegeven dat het gaat om alle bepalingen die een specifieke regeling inrichten ten behoeve van de particulieren in de gemeenten beoogd in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; die garanties, die dus alle regels beogen 19 die tot doel hebben het statuut en de taal van de Franstaligen in de randgemeenten te beschermen, dienen dus ruim te worden geïnterpreteerd, ook op het gebied van onderwijs. A.12.2. Op de datum van inwerkingtreding van de artikelen 16bis en 16ter vormde de bijzondere wet van 21 juli 1971 echter wel degelijk een « geldende » garantie, die de Vlaamse Gemeenschap dus in acht moet nemen zolang de vermeende ongrondwettigheid ervan niet met gezag van gewijsde is aangetoond. Door de « bestaande garanties » ten behoeve van de Franstaligen van de randgemeenten te beschermen, vormt artikel 16bis immers een standstill-clausule die de overheid ertoe verplicht in beginsel een gelijkwaardig niveau van bescherming van de grondrechten te handhaven. A.12.3. Het staat aan het Grondwettelijk Hof die « bestaande garanties » te definiëren in de zin van artikel 16bis, rekening houdend met de uitdrukkelijke wil van de wetgever om een jurisdictionele waarborg van « elke situatie in feite of in rechte » die bestond op 1 januari 2002 te bevestigen en aan dat begrip een ruime interpretatie toe te kennen. Ook al heeft de Vlaamse decreetgever in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet herhaaldelijk verklaard het Franstalige onderwijs in de randgemeenten niet in het gedrang te willen brengen, die verklaringen of beloftes zouden alleen kunnen worden aangevoerd indien de verzoekers ter staving van hun beroep een risico van moeilijk te herstellen ernstig nadeel moesten aantonen, wat te dezen niet het geval is, vermits het voor het Hof volstaat vast te stellen dat het bestreden decreet in strijd is met de taalregeling die als grondwettelijk compromis aan de Franstaligen is toegekend, om dat decreet te moeten schorsen. A.12.4. De verzoekende partijen weerleggen overigens de stelling van het Vlaams Parlement volgens welke alleen de gewesten verplicht zouden zijn de « bestaande garanties » in acht te nemen die zijn beschermd bij artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aangezien die bepaling uitsluitend is aangenomen in de context van de regionalisering van de plaatselijke bevoegdheden. De verzoekende partijen stellen immers vast dat de tekst van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 spreekt van « decreten », zonder onderscheid te maken tussen de gewestdecreten en de gemeenschapsdecreten; overigens wordt in de parlementaire voorbereiding van artikel 16bis nergens uitdrukkelijk gepreciseerd dat de door die bepaling opgelegde standstill alleen van toepassing was op de gewesten en niet op de gemeenschappen; ten slotte, indien de bijzondere wetgever had gewild dat de standstill niet van toepassing was op de gemeenschappen, dan zou hij dat uitdrukkelijk hebben aangegeven in de tekst van artikel 16bis, hetgeen niet het geval is. Die interpretatie volgens welke artikel 16bis zowel de gewesten als de gemeenschappen beoogt, wordt overigens gedeeld door zowel de Franstalige als de Nederlandstalige rechtsleer, en is eveneens bevestigd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 35/2003, waarin het heeft geoordeeld dat de artikelen 16bis en 16ter tot doel hadden de naleving te waarborgen, door de gemeenschappen en de gewesten, van de wetgeving betreffende het gebruik van de talen in bestuurszaken (B.9.1). A.13.1. De verzoekende partijen herinneren vervolgens aan de draagwijdte van artikel 5 van de voormelde bijzondere wet van 21 juli 1971. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de federale Regering met die bepaling het behoud wenste te bevestigen van de culturele waarborgen die zijn verworven ten behoeve van de Franstaligen van de rand, waarbij die waarborgen slechts kunnen worden gewijzigd nadat beide cultuurraden daarmee gezamenlijk hebben ingestemd. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft overigens gesteld dat de grondwettigheid van die bepaling kon worden aanvaard, bepaling die gewild en aangenomen is in het kader van een « grondwettelijk compromis » dat tot stand gekomen is tijdens de staatshervorming van 1970. A.13.2. Zowel de afdeling wetgeving van de Raad van State als het Vlaams Parlement zelf hebben erkend dat de « uitvoeringsmaatregelen » bedoeld in artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 betrekking hebben op de besprekingen die in 1970 hebben plaatsgehad tussen de toenmalige nationale ministers, en meer bepaald op een protocol van 1 juni 1970 dat erin voorzag dat voor de Franstalige scholen gevestigd in de Nederlandstalige gemeenten, al wat betrekking heeft op het onderwijs, de pedagogie en de opvoeding van de kinderen onder de Franstalige inspecteurs valt. 20 Artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 vormt dus de wettelijke grondslag van het onderwijsstelsel dat thans van kracht is in de Franstalige scholen in de randgemeenten en dat, enerzijds, de pedagogische inspectie in het Frans en, anderzijds, de lesmethoden en –inhoud op basis van de bevoegdheden van de Franstalige Gemeenschap toestaat. A.13.3. Die bepaling en het onderwijsstelsel dat zij toestaat en dat alleen kan worden gewijzigd mits beide gemeenschapsparlementen daarmee instemmen, vormen een uitdrukkelijk stelsel van taalfaciliteiten ten behoeve van de Franstaligen van de rand, dat bijgevolg als dusdanig moet worden beschermd indien de gemeenschappen geen akkoord bereiken. Een eenzijdige aantasting, door de Vlaamse Gemeenschap, van die bestaande garantie is dus in strijd met het standstill-beginsel verankerd in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.14.1. De verzoekende partijen weerleggen ten slotte het argument afgeleid uit de vermeende ongrondwettigheid van artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971. Het Vlaams Parlement is immers van mening dat artikel 127, § 2, van de Grondwet, zoals het van kracht is sinds de grondwetsherziening van 1988, en de beginselen van territorialiteit en van exclusiviteit van de bevoegdheden inhouden dat een gemeenschap, inzake onderwijs, niet wetgevend mag optreden op het grondgebied van een andere. A.14.2. De verzoekende partijen stellen in de eerste plaats vast dat, noch in het kader van de aanneming van de artikelen 16bis en 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, noch in dat van de aanneming van het bestreden decreet, de afdeling wetgeving van de Raad van State een bezwaar van ongrondwettigheid heeft opgeworpen ten aanzien van artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971. Overigens, hoewel de Grondwetgever van 1988 aan de gemeenschappen de principiële bevoegdheden inzake onderwijs heeft toegekend, hetgeen een restrictieve interpretatie van de bevoegdheden van de federale overheid en het verbod van een eenzijdig optreden van een gemeenschap op het eentalige grondgebied van een andere met zich meebrengt, zijn die exclusieve bevoegdheden nooit in die zin geïnterpreteerd dat zij tussen de gemeenschappen een samenwerking of zelfs een medebeslissing inzake onderwijs verhinderen, a fortiori in gemeenten met een bijzonder taalstatuut, waarbij het bijzonder taalstatuut van die gemeenten volgens het Grondwettelijk Hof een objectief criterium van onderscheid vormt. Het behoud van de leerplannen van de Franse Gemeenschap en de pedagogische inspectie in het Frans in die scholen is dus niet in strijd met de verdeling van de bevoegdheden uitgevoerd bij artikel 127, § 2, van de Grondwet, maar is uitdrukkelijk gewild door de Grondwetgever wegens het specifieke taalstelsel van de randgemeenten. Hoewel het Vlaams Parlement betreurt dat het hierover geen akkoord met de Franse Gemeenschap kan bereiken, vormt dit geenszins een schending van artikel 127 van de Grondwet, maar is dat slechts een praktisch gevolg van een dergelijke unieke en specifieke samenwerking die voortvloeit uit het « grondwettelijk compromis » van 1970. A.14.3. Ofschoon artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 de homogeniteit van de bevoegdheden op het grondgebied van de Vlaamse Gemeenschap kan afzwakken, doet het evenwel geen afbreuk aan haar principiële bevoegdheid ter zake, vermits het slechts een eenvoudige aanpassing van die bevoegdheid ten aanzien van de scholen van de rand vormt, hetgeen wordt bevestigd door de commentaren in de rechtsleer na 1988. Dat standpunt wordt bovendien bevestigd door de Vlaamse Gemeenschap zelf, vermits zij bij het Grondwettelijk Hof tweemaal een beroep tot vernietiging heeft ingesteld tegen decreten van de Franse Gemeenschap, waarbij zij ter ondersteuning van haar middelen precies artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 heeft aangevoerd, zodat die officiële argumentatie de Vlaamse Gemeenschap belet om de grondwettigheid van die bepaling met een minimum aan ernst te betwisten. A.14.4. Aangezien de Franstalige inspectie een element vormt van een algeheel grondwettelijk compromis van 1970, dat voorzag in een hervorming van de Grondwet en tegelijk in de totstandkoming van bijzondere wetten, waaronder de bijzondere wet van 21 juli 1971, zou aan dat compromis alleen een einde kunnen worden gemaakt wanneer de Grondwetgever van 1988 dat uitdrukkelijk zou willen. Het is immers niet denkbaar dat de Grondwetgever in 1970-1980 in de grondwetteksten en bijzondere wetten de elementen van dat compromis van 1970 heeft opgenomen om enkele jaren later daarvan afstand te nemen zonder die wil duidelijk te formuleren. 21 In tegenstelling tot wat in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt beweerd, maakt geen enkele passage van de parlementaire voorbereiding van de grondwetsherziening van 1988 betreffende artikel 127 van de Grondwet het echter mogelijk geloof te hechten aan de stelling volgens welke de Grondwetgever van 1988 uitdrukkelijk afstand zou hebben genomen van het grondwettelijk compromis van 1970. Het blijkt integendeel dat de Grondwetgever van 1988 de Franstalige inspectie en de leerplannen in de Franstalige scholen van de rand wilde behouden; in de context van de splitsing van het ministerie van Nationale Opvoeding is in de parlementaire voorbereiding van de Grondwetsherziening aldus uitdrukkelijk gepreciseerd dat alle problemen waarmee de Franstalige inwoners van de Brusselse rand worden geconfronteerd, zullen worden overgedragen naar de Vlaamse Gemeenschap, maar ook naar de Franse Gemeenschap, waarmee aldus is bevestigd dat de inspectie en de leerplannen van de rand, na de grondwetsherziening van 1988, niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap vallen. Die wil van de Grondwetgever van 1988 om de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap voor de pedagogische inspectie van de Franstalige scholen van de rand te behouden, vindt eveneens bevestiging in de rechtsleer en in de adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.15. De verzoekers besluiten hieruit dat het middel ernstig is in zoverre daarmee een schending wordt aangevoerd van de « bestaande garanties » in de zin van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, doordat het bestreden decreet op eenzijdige wijze een einde maakt aan het vooraf bestaande stelsel zoals het sinds, en op basis van, de bijzondere wet van 21 juli 1971 van kracht was. Standpunt van het Parlement van de Franse Gemeenschap A.16. Het Parlement van de Franse Gemeenschap herinnert eraan dat het recht om onderwijs te volgen in de minderheidstaal in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut ingevoerd « om hun minderheden te beschermen », afwijkt van de regel van de eentaligheid inzake onderwijs; dat recht is ondergeschikt aan de voorwaarde van verblijf in de betrokken gemeenten, is toegekend aan de ouders van kinderen die behoren tot de taalminderheid en is beperkt tot het openbaar kleuter- en lager onderwijs, hetgeen coherent is in het perspectief van de vrijwaring van de minderheidscultuur door het aanleren van de moedertaal door jonge kinderen. Het door de randgemeenten ingerichte onderwijs is overigens niet het enige Franstalige onderwijs in het Nederlandse taalgebied, dat dertien scholen of afdelingen van scholen telt waar thans Franstalig onderwijs wordt verstrekt. A.17.1. Volgens het Parlement van de Franse Gemeenschap vormt artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 geen toepassing van de standstill-regel als relatieve verplichting die een bepaalde gewettigde en evenredige achteruitgang inzake de rechten van individuen toestaat : de parlementaire voorbereiding van die bepaling toont aan dat zij elke aantasting van de rechten die zijn gewaarborgd op de datum van inwerkingtreding ervan, namelijk 1 januari 2002, verhindert, waardoor alle « garanties » die in de gemeenten met een bijzonder statuut bestaan, met inbegrip dus van die betreffende de pedagogische inspectie in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut, bevriest. Overigens, in tegenstelling tot de « praktische uitvoeringsmaatregelen » beschermd bij artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971, strekt de bescherming vervat in artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zich uit tot na 31 december 1970, vermits zij alle tot in 2002 verworven rechten dekt en bijgevolg ook de inhoud van de akkoordprotocollen van 1973 en van het ministerieel besluit van 22 augustus 1977, die de Franstalige pedagogische voogdij over de Franstalige scholen van de rand bevestigen. A.17.2. Het begrip « garanties » dient dus ruim te worden geïnterpreteerd, waarbij alle in die gemeenten erkende rechten worden beoogd, en dus niet alleen diegene die in de gecoördineerde wetten zijn vervat. Artikel 16bis biedt aldus een bescherming tegen elke reglementering van een materie die losstaat van het gebruik van de talen, maar waarvan de werking wel degelijk afbreuk zou kunnen doen aan de garanties van de taalminderheden in de gemeenten met een bijzonder statuut. A.17.3. Voor het overige onderschrijft het Parlement van de Franse Gemeenschap de argumentatie van de verzoekende partijen volgens welke, bij de uitoefening van hun bevoegdheden, zowel de gewesten als de gemeenschappen geen afbreuk mogen doen aan die waarborgen. 22 En in de veronderstelling dat artikel 16bis alleen de gewestdecreten beoogde, quod non, dan nog laat de rechtspraak van het Hof in verband met het beginsel van de economische en monetaire unie, ook toegepast op de gemeenschappen, uitschijnen dat de politieke context van de aanneming van een dergelijke bepaling niet belet daaraan een meer pragmatische interpretatie te geven, die wordt bevestigd door de tekst zelf van dat artikel 16bis. A.18.1. In 1970 is het onderwijs gecommunautariseerd en is het territoriale toepassingsgebied van de decreten inzake onderwijs vastgesteld en sindsdien onveranderd gebleven. Niettemin vormde die overdracht van bevoegdheden één van de elementen van een algeheel compromis, waarvoor zeer concrete uitvoeringsvoorwaarden zijn vastgelegd in een akkoordprotocol van 1 juni 1970, voorwaarden die zijn bevestigd door de nederlandstalige minister van Nationale Opvoeding in de besprekingen over het toekomstige artikel 59bis van de Grondwet : al wat de pedagogie van de Franstalige scholen in de Nederlandstalige gemeenten betreft, valt onder de bevoegdheid van de Franstalige inspecteurs en van de Franstalige minister van Nationale Opvoeding. Het behoud van die garanties als « praktische uitvoeringsvoorwaarden » inzake onderwijs is vastgesteld in artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971, dat voorziet in de handhaving van die garanties inzake onderwijs, onder voorbehoud van een akkoord tussen de twee cultuurraden, waarbij de afdeling wetgeving van de Raad van State de grondwettigheid van die bepaling, gewild door de wetgever als een compromisoplossing, tot twee keer toe heeft bevestigd. Volgens het Parlement van de Franse Gemeenschap kan op basis van de uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeenschappen inzake onderwijs in 1988 niet worden beschouwd dat de Grondwetgever het algehele compromis van 1970-1971 zou hebben opgeheven, terwijl de bijzondere wetgever de bewoordingen ervan had bevestigd door middel van artikel 93 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat de regeling behield waarin de artikelen 4 en 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 voorzagen. A.18.2. Het Parlement van de Franse Gemeenschap is van mening dat, door een praktische uitvoeringsvoorwaarde beschermd bij artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 te wijzigen, het voorstel dat het bestreden decreet is geworden, vóór de aanneming ervan had moeten worden voorgelegd aan de verenigde commissies voor samenwerking, zodat het bestreden decreet om die enige reden artikel 5, tweede lid, van de wet van 21 juli 1971 schendt. Overigens, door de voormelde uitvoeringsmaatregelen eenzijdig te wijzigen, is het bestreden decreet aangenomen met schending van artikel 5, eerste lid, tweede zin, van die wet van 1971, aangezien, in tegenstelling tot wat het opschrift ervan aangeeft, het bestreden decreet geen authentieke interpretatie van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 februari 1997 vormt, maar een wijziging de iure en de facto van de voormelde uitvoeringsmaatregelen, namelijk bevoegdheidverdelende regels op het vlak van de pedagogische inspectie. Standpunt van de Vlaamse Regering A.19.1. Daar een middel pas ernstig is wanneer het prima facie gegrond blijkt, vraagt de Vlaamse Regering zich in de eerste plaats af of middelen waarvan de uiteenzetting ettelijke bladzijden in beslag moet nemen, aan die voorwaarde kunnen voldoen. A.19.2. Volgens de Vlaamse Regering zijn de door de verzoekende partijen aangevoerde garanties « praktische uitvoeringsmaatregelen » beschermd bij de bijzondere wet van 21 juli 1971, vervat in het protocol van 1 juni 1970, dat zich evenwel ertoe beperkt te voorzien in een pedagogische inspectie door inspecteurs van de Franse taalrol. Hieruit vloeit voort dat het bestreden decreet alleen kan worden betwist – en het debat voor het Hof dus alleen kan worden gevoerd – in zoverre daarin wordt verwezen naar artikel 62, § 1, 7°, van het decreet van 25 februari 1997, daar de andere bestreden bepalingen geen betrekking hebben op de onderwijsinspectie die bij de bijzondere wet van 21 juli 1971 zou zijn beschermd. A.19.3.1. Volgens de Vlaamse Regering « bestaan » de aangevoerde garanties niet, in die zin dat zij geen deel uitmaken van het positief recht. 23 Hoewel zij niet betwist dat in 1970 een protocol is gesloten, kent de Vlaamse Regering de precieze inhoud ervan aldus niet, zodat een dergelijk protocol niet kan worden beschouwd als bindend voor derden, bij ontstentenis van de bekendmaking vereist in artikel 190 van de Grondwet, waarbij het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State die bekendmaking erkennen als een noodzakelijke voorwaarde voor het bindende karakter van de officiële teksten in een rechtsstaat. Een dergelijk akkoord gesloten tussen de leden van de nationale Regering, en dat niet bindend is voor derden, kan a fortiori niet worden beschouwd als een « garantie » in de zin van artikel 16bis die door andere overheden zou moeten worden nageleefd, zodat het geen beperking kan inhouden van de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap; elke andere interpretatie van artikel 16bis zou impliceren dat dat artikel in strijd is met artikel 190 van de Grondwet, a fortiori wanneer die bepaling wordt gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.19.3.2. De Vlaamse Regering is daarnaast van mening dat de aangevoerde garanties niet « bestaan », in die zin dat zij ongrondwettig zijn. Immers, de interpretatie volgens welke artikel 16bis zou verwijzen naar artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 en naar het protocol van 1 juni 1970, zou betekenen dat artikel 16bis buiten toepassing moet worden gelaten wegens de ongrondwettigheid ervan doordat het de exclusiviteit van de bevoegdheden van de gemeenschappen inzake onderwijs schendt. Volgens de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof voert artikel 127 van de Grondwet een exclusieve verdeling van de materiële en territoriale bevoegdheden in, die inhoudt dat één enkele gemeenschap kan optreden op een bepaald grondgebied. Uitzonderingen op die exclusiviteit van de bevoegdheden kunnen niet worden gemaakt bij protocol, bij wet, zelfs niet bij bijzondere wet, maar alleen door de Grondwetgever, waarbij de bijzondere wet de Grondwet moet naleven. A.19.4.1. Volgens de Vlaamse Regering bestaan de aangevoerde garanties niet (meer) op 1 januari 2002. In de veronderstelling dat artikel 5 van de wet van 21 juli 1971 en het protocol van 1970 zouden kunnen worden toegepast, moet worden beschouwd dat die garanties impliciet zijn opgeheven door de grondwetsherziening van 15 juli 1988, die artikel 59bis van de Grondwet heeft gewijzigd door het onderwijs bijna in zijn geheel over te dragen aan de gemeenschappen, waarbij slechts drie uitzonderingen onder de federale bevoegdheid blijven en de in het protocol van 1970 bedoelde onderwijsinspectie geen van die uitzonderingen uitmaakt. Dat protocol is dus onverzoenbaar met de federalisering van het onderwijs, alsook met het federale systeem van het land : het zou immers absurd zijn te beschouwen dat dat protocol, dat verwijst naar een dienst die ressorteert onder de uitvoerende macht, verantwoordelijk voor het nationaal tweetalig parlement dat indertijd op het betrokken grondgebied bevoegd was, zou kunnen worden uitgevoerd door de Franse Gemeenschap, die geen enkele verantwoording moet afleggen aan het Parlement dat voor het betrokken grondgebied bevoegd is, namelijk het Vlaams Parlement, dat het betrokken onderwijs niettemin erkent en subsidieert. Indien de betrokken gemeenschappen, na de federalisering van het onderwijs, hadden gesteld dat de praktische voorwaarden van dat protocol verder moesten worden toegepast, dan hadden zij daarin moeten voorzien door middel van een samenwerkingsakkoord in de zin van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.19.4.2. De impliciete opheffing van het protocol van 1970 blijkt ook uit de onmogelijkheid om het toe te passen. Immers, in de veronderstelling dat de pedagogische inspectie van de scholen van de rand sinds de communautarisering van het onderwijs wordt uitgevoerd door inspecteurs van de Franse Gemeenschap, zouden die inspecteurs alleen kunnen toezien op de naleving, door die scholen, van de Vlaamse onderwijswetgeving in haar geheel, wat niet alleen praktisch uitgesloten is, maar ook niet de bedoeling is van de verzoekende partijen. A.19.5. De Vlaamse Regering is van mening dat de aangevoerde garanties niet worden beschermd bij artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aangezien dat laatste moet worden geïnterpreteerd in het licht van de overdracht, door de vijfde staatshervorming van 2001, van de bevoegdheden inzake de lokale besturen aan de gewesten. 24 Die bepaling heeft dus geenszins betrekking op de eventuele garanties inzake onderwijs, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap aan de Franstaligen van de randgemeenten. De parlementaire voorbereiding van die bepaling verwijst overigens nergens naar de pedagogische inspectie van de Franstalige scholen van de rand, maar alleen naar de naleving, door de gewesten, van de zogeheten « Pacificatiewet » van 1988. Het feit dat de bij artikel 16bis beschermde garanties betrekking hebben op de gewesten, blijkt eveneens uit het feit dat diezelfde waarborgen zijn toegekend aan Brussel, in artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, opgenomen in een hoofdstuk gewijd aan de « Bepalingen ter uitvoering van artikel 107quater van de Grondwet ». De uitsluitend gewestelijke draagwijdte van de artikelen 16bis en 16ter en van de artikelen 5bis en 5ter is overigens door het Grondwettelijk Hof in de arresten nrs. 104/2007 en 101/2008 bevestigd. A.19.6. Het feit dat artikel 16bis de door de verzoekende partijen aangevoerde garanties niet beoogt, vloeit ten slotte voort uit het gegeven dat dat artikel in grondwettige zin moet worden verstaan. Beschouwen dat die bepaling het protocol van 1970 beschermt, zou echter tot gevolg hebben dat die bepaling kennelijk ongrondwettig zou zijn, ofwel omdat zij artikel 190 van de Grondwet schendt, ofwel omdat zij indruist tegen het beginsel van de exclusiviteit van de bevoegdheden inzake onderwijs. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet B.1. De vorderingen tot schorsing zijn gericht tegen het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 23 oktober 2009 « houdende interpretatie van de artikelen 44, 44bis en 62, § 1, 7°, 9° en 10°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 » (hierna : het bestreden decreet), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 november 2009, dat bepaalt : « Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Art. 2. De artikelen 44, 44bis en 62, § 1, 7°, 9° en 10°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden in deze zin uitgelegd dat ze gelden voor alle erkende, gefinancierde en gesubsidieerde scholen voor kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs of afdelingen ervan gevestigd in het Nederlandse taalgebied, met inbegrip van de Franstalige scholen en afdelingen, en voor de erkende, gefinancierde en gesubsidieerde scholen voor kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs of afdelingen ervan gevestigd in het tweetalige, gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap. De bepaling van het eerste lid impliceert dat deze scholen of afdelingen ervan : 1° de door het Vlaams Parlement vastgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen implementeren, tenzij het Vlaams Parlement een gevraagde afwijking heeft bekrachtigd; 25 2° de controle aanvaarden en mogelijk maken door de onderwijsinspectie georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap krachtens het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten of door de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, voor zover belast met taken op het gebied van het kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs; 3° een leerplan toepassen dat door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd; 4° een beleidscontract of beleidsplan hebben met een Vlaams centrum voor leerlingenbegeleiding, gefinancierd of gesubsidieerd krachtens het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding. Art. 3. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 1 september 2009 ». B.2.1. De artikelen 44 en 44bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 (hierna : het decreet van 25 februari 1997) zijn de twee bepalingen onder afdeling 2, getiteld « Eindtermen en ontwikkelingsdoelen », van hoofdstuk V « Opdracht van het basisonderwijs ». Artikel 44 van het decreet van 25 februari 1997 bepaalt : « § 1. De ontwikkelingsdoelen voor het gewoon kleuteronderwijs, eindtermen voor het gewoon lager onderwijs en ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen hebben uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft. § 2. De regering houdt hierbij rekening met wat volgt : 1° Ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor die leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven. 2° Eindtermen voor het lager onderwijs zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes bestemd voor die leerlingenpopulatie. 26 Eindtermen kunnen leergebiedgebonden of leergebiedoverschrijdend zijn. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de leergebiedgebonden eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden bij de leerlingen te bereiken. Het bereiken van de eindtermen zal worden afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. De leergebiedgebonden eindtermen met betrekking tot attitudes dienen door elke school bij de leerlingen te worden nagestreefd. Leergebiedoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot één leergebied, maar onder meer door middel van meer leergebieden of onderwijsprojecten worden nagestreefd. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de leergebiedoverschrijdende eindtermen bij de leerlingen na te streven. De school toont aan dat ze met een eigen planning aan de leergebiedoverschrijdende eindtermen werkt. 3° Ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor zoveel mogelijk leerlingen van de leerlingenpopulatie. In samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en zo mogelijk in overleg met de ouders en eventueel andere betrokkenen, kiest de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die aan individuele leerlingen of groepen worden aangeboden en uitdrukkelijk nagestreefd. De ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs kunnen worden vastgelegd per type. 4° Voor het onderwijs in een erkende godsdienst, een op die godsdienst berustende zedenleer, in de niet-confessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie en de cultuurbeschouwing worden geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen bepaald ». Artikel 44bis van het decreet van 25 februari 1997, ingevoerd bij artikel II.6 van het decreet van 22 juni 2007 « betreffende het onderwijs XVII », bepaalt : « § 1. Een schoolbestuur kan oordelen dat de conform artikel 44 vastgelegde ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en/of ermee onverzoenbaar zijn. In dat geval dient het schoolbestuur bij de regering een afwijkingsaanvraag in. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten en/of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. Het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen voor. § 2. De regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist in voorkomend geval of de vervangende ontwikkelingsdoelen en/of eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke conform artikel 44 werden vastgelegd en toelaten gelijkwaardige studiebewijzen en diploma's af te leveren. 27 De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria : 1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden; 2° de vereiste inhoud :
- a)het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskundige initiatie;
- b)het onderwijsaanbod in de eindtermen voor het lager onderwijs omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden, het onderwijsaanbod omvat ook inhouden voor het leergebied Frans indien dit in toepassing van artikel 10 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en artikel 7 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken verplicht is gesteld;
- c)het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs, met uitzondering van het type 2 zoals bepaald in artikel 10 omvat minstens inhouden voor lichamelijke opvoeding, muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie, wiskunde, leren leren, informatie en communicatietechnologie en sociale ontwikkeling of sociale vaardigheden. Deze inhouden moeten enkel in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor conform artikel 44 ontwikkelingsdoelen en eindtermen werden vastgelegd; 3° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes; 4° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn geformuleerd in termen wat van leerlingen verwacht kan worden; 5° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn zo geformuleerd dat, afhankelijk van het statuut van de eindtermen, nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen deze verwerven of de scholen deze nastreven bij de leerlingen; 6° aangegeven wordt welke eindtermen leergebiedgebonden, leergebiedoverschrijdend of attitudinaal zijn. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid, wint de regering het gemotiveerd advies in van de onderwijsinspectie en van een commissie ad hoc. Voor de samenstelling van deze laatste commissie stelt de regering een lijst op van onafhankelijke deskundigen, na overleg met een gemengde commissie met 28 vertegenwoordigers van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad. Deze lijst geldt voor een periode van vier jaar. Uit voornoemde lijst kiezen de aanvrager en de regering elk één deskundige. Beide deskundigen wijzen binnen acht dagen in gemeen overleg een derde deskundige aan, die tevens voorzitter van de commissie is. Als er geen consensus bereikt wordt, wijst de regering uit de voornoemde lijst de derde deskundige aan. De regering bepaalt de verdere regels van deze procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt. § 3. Het schoolbestuur dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende ontwikkelingsdoelen/eindtermen zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag. De regering legt dit besluit binnen de zes maand ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben. § 4. In afwijking van wat bepaald is in § 3, kan het schoolbestuur een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van één maand na de publicatie van een bekrachtigingsdecreet, indien deze publicatie gebeurt na 1 september van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is het schoolbestuur gebonden door de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vanaf 1 september volgend op de bekrachtiging van de goedkeuring van de afwijkingsaanvraag ». B.2.2. Artikel 62, § 1, 7°, 9° en 10°, van het decreet van 25 februari 1997, zoals gewijzigd bij de decreten van 1 december 1998, 13 juli 2001 en 14 februari 2003, bepaalt : « § 1. Een school kan erkend worden indien zij : […] 7° de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maakt; […] 9° in het gewoon basisonderwijs bovendien een leerplan toepast dat door de regering werd goedgekeurd en voor het buitengewoon basisonderwijs de bepalingen naleeft inzake handelingsplannen; 10° een beleidscontract of beleidsplan heeft met een centrum voor leerlingenbegeleiding; ». 29 B.2.3. Het bestreden decreet heeft dus tot doel de draagwijdte toe te lichten van de artikelen 44, 44bis en 62, § 1, 7°, 9° en 10°, van het decreet van 25 februari 1997, door te preciseren dat die bepalingen van toepassing zijn op « alle erkende, gefinancierde en gesubsidieerde scholen voor kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs of afdelingen ervan gevestigd in het Nederlandse taalgebied, met inbegrip van de Franstalige scholen en afdelingen ». Het doel van dat decreet bestaat erin « juridische duidelijkheid [te] creëren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1163/6, p. 6) over de situatie van de Franstalige scholen in de randgemeenten, gevestigd in het Nederlandse taalgebied. Volgens de auteurs van het voorstel dat het bestreden decreet is geworden, respecteert de huidige situatie van de acht Franstalige scholen in de Vlaamse randgemeenten « het absolute territorialiteitsbeginsel inzake de onderwijsregeling vervat in artikel 127, § 2, van de Grondwet, niet volledig » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1163/1, p. 9), ermee rekening houdend dat het, « ondanks hun taalregime, […] Vlaamse scholen [zijn], onderworpen aan de Vlaamse onderwijsregelgeving » (ibid., p. 12). B.3.1. Artikel 7 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, niet gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966, bepaalt, in verband met de zes « randgemeenten » bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint- Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem) : « § 3. Inzake onderwijs in de zes gemeenten : A. De onderwijstaal is het Nederlands. […] B. Het kleuteronderwijs en het lager onderwijs mag worden verstrekt in het Frans indien deze taal de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind is en indien het gezinshoofd verblijf houdt in een van deze gemeenten. Dit onderwijs mag slechts worden georganiseerd op verzoek van zestien gezinshoofden die in de gemeente verblijf houden. 30 De gemeente, die vorenvermeld verzoek ontvangt, is ertoe gehouden dit onderwijs te organiseren. […] ». B.3.2. Op het grondgebied van de zes randgemeenten bestaan thans acht Franstalige basisscholen, waarvan zes door de gemeenten zijn ingericht met toepassing van de voormelde bepaling, en twee vallen onder het vrij gesubsidieerd onderwijs. B.3.3. Het bestreden decreet heeft tot gevolg dat, enerzijds, de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van de Vlaamse Gemeenschap - of, bij ontstentenis daarvan, de beginselen inzake gelijkwaardigheid - (artikelen 44 en 44bis van het decreet van 25 februari 1997) en, anderzijds, drie voorwaarden om een erkenning te verkrijgen, namelijk de leerplannen van de Vlaamse Gemeenschap toepassen (artikel 62, § 1, 9°), de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maken (artikel 62, § 1, 7°) en een beleidscontract of een beleidsplan met een centrum voor leerlingenbegeleiding sluiten (artikel 62, § 1, 10°), van toepassing zijn in de Franstalige scholen en de afdelingen ervan van de zes randgemeenten gesitueerd in het Nederlandse taalgebied die een bijzondere taalregeling genieten tot bescherming van de Franstaligen. De decreetgever leidt uit die territoriale toepassing vier gevolgen af ten aanzien van de doelen, de leerplannen, de pedagogische inspectie en het sluiten van een beleidscontract of beleidsplan met een centrum voor leerlingenbegeleiding. Die gevolgen van de interpretatie van het decreet van 25 februari 1997, door het bestreden decreet, zijn overigens uitdrukkelijk vermeld in artikel 2, tweede lid, 1° tot 4°, van het bestreden decreet. B.3.4. In de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt evenwel onderstreept dat het doel van het decreet in wezen betrekking heeft op de pedagogische inspectie : « De essentie is dat de Franstalige scholen in de faciliteitengemeenten voortaan aan de Vlaamse onderwijsinspectie kunnen worden onderworpen » (Hand., Vlaams Parlement, 2009- 2010, 21 oktober 2009, nr. 5, p. 10). 31 Ten aanzien van het belang B.4. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.5.1. De vordering tot schorsing in de zaak nr. 4877 is ingesteld door 633 ouders van kinderen die onderwijs volgen in de Franstalige scholen in de randgemeenten; zij zijn allen gedomicilieerd in één van die gemeenten. Zij verantwoorden hun belang om in rechte te treden door het feit dat het bestreden decreet gevolgen zal hebben voor de structuur van het onderwijs dat zij vrij hebben gekozen voor hun kinderen en dat is opgevat als een regeling tot bescherming van de minderheden. B.5.2. De verzoekers in de zaak nr. 4879 zijn 53 leerkrachten die lesgeven in de Franstalige scholen in de randgemeenten; sommigen onder hen zijn eveneens gedomicilieerd in die gemeenten en hebben kinderen die onderwijs volgen in de Franstalige scholen in die gemeenten. Zij verantwoorden hun belang door het feit dat het bestreden decreet een ingrijpende wijziging van hun werkmethode en hun pedagogie met zich zal meebrengen en tot gevolg zal hebben dat zij zullen worden gecontroleerd door Nederlandstalige inspecteurs, hetgeen indruist tegen de waarborg volgens welke een ambtenaar dient te worden beoordeeld door een ambtenaar die beschikt over een werkelijke kennis van de taal van de ambtenaar, vastgesteld door een examen ad hoc. B.5.3. De vordering tot schorsing in de zaak nr. 4882 is ingesteld door de zes randgemeenten (Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem). De verzoekende partijen verantwoorden hun belang door hun hoedanigheid van inrichtende machten van de Franstalige scholen gevestigd op hun grondgebied, waarbij het bestreden decreet de regeling van het Franstalige onderwijs zoals het is ingericht, gecontroleerd en uitgevoerd in de Franstalige scholen waarvan zij de inrichtende machten zijn 32 op grond van artikel 7, § 3, B, van de voormelde wet van 2 augustus 1963, ingrijpend zal wijzigen. In geval van niet-naleving van de gestelde vereisten zullen bovendien de Franstalige scholen in de randgemeenten, bij ontstentenis van een erkenning, niet langer worden gefinancierd of gesubsidieerd en zullen zij dus ertoe veroordeeld zijn te verdwijnen. B.6. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden, daar zij niet aantonen dat het bestreden decreet hen benadeelt. Volgens haar is het enige nadeel dat de Franstalige scholen in de randgemeenten zouden kunnen lijden, een opheffing van de erkenning van de inrichting; dat - hypothetische - nadeel zou alleen voortvloeien uit een beslissing van de Vlaamse Regering en niet uit het bestreden decreet. Wat de verzoekers in de zaak nr. 4877 betreft, is de Vlaamse Regering van mening dat zij, indien zij een onderwijs wensten dat steunt op de leerplannen van de Franse Gemeenschap, hun kinderen hadden moeten inschrijven in een school gevestigd in het Franse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Ten aanzien van de verzoekers in de zaak nr. 4879 stelt de Vlaamse Regering vast dat de pedagogische inspectie zal worden uitgevoerd door inspecteurs die het Frans voldoende beheersen; die inspectie houdt geenszins een evaluatie van de leerkrachten in en zal dus geen gevolgen hebben voor hun loopbaan. Ten slotte, wat de verzoekende partijen in de zaak nr. 4882 betreft, is de Vlaamse Regering van mening dat de randgemeenten niet rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door het bestreden decreet, vermits dat decreet geenszins belet dat in de randgemeenten onderwijs in het Frans wordt verstrekt. B.7.1. De verzoekers lijken, in hun hoedanigheid van ouders van kinderen die onderwijs volgen in de Franstalige scholen in de randgemeenten (zaak nr. 4877), van leerkrachten in die inrichtingen (zaak nr. 4879) of van inrichtende machten (zaak nr. 4882), rechtstreeks en ongunstig te kunnen worden geraakt door het bestreden decreet, dat in werking is getreden op 1 september 2009 en mogelijk aanzienlijke gevolgen heeft, niet alleen voor de regeling inzake de controle en de ondersteuning van het onderwijs dat in de Franstalige scholen in de randgemeenten wordt verstrekt, maar eveneens voor de inhoud zelf van dat onderwijs, dat zal 33 moeten steunen op een door de Vlaamse Regering goedgekeurd leerplan (artikel 62, § 1, 9°, van het decreet van 25 februari 1997, toepasselijk verklaard bij het bestreden decreet). B.7.2. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vorderingen tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt in het huidige stadium van de procedure niet dat de beroepen tot vernietiging - en dus de vorderingen tot schorsing - onontvankelijk moeten worden geacht. B.8. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de vorderingen tot schorsing B.9. In de drie samengevoegde zaken wordt de schorsing gevorderd met toepassing van artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. In hun enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zijn de verzoekende partijen van mening dat het bestreden decreet afbreuk doet aan de « bestaande garanties » die de Franstaligen genieten in de randgemeenten. B.10.1. Artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 en gewijzigd bij artikel 3 van de bijzondere wet van 21 februari 2010, bepaalt : « Tot de schorsing van een norm of een handeling kan worden besloten door het Grondwettelijk Hof of de Raad van State indien ernstige middelen de vernietiging van de norm of de handeling rechtvaardigen op grond van artikel 16bis ». Die bepaling wijkt af van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doordat zij de schorsing toestaat op voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd, doch zonder dat het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden geleverd. 34 B.10.2. Wanneer een vordering tot schorsing wordt ingesteld op grond van artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, beperkt het Hof zijn onderzoek tot het ernstige karakter van de middelen die zijn afgeleid uit de schending van artikel 16bis van dezelfde bijzondere wet. B.11.1. De Vlaamse Regering is van mening dat de vorderingen tot schorsing dienen te worden verworpen, daar geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangetoond en die vorderingen niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat een schending van artikel 16bis van diezelfde bijzondere wet veronderstelt. Zij is van mening dat dat bewijs op zijn minst vereist is in zoverre het bestreden decreet betrekking heeft op andere aspecten dan de pedagogische inspectie, de enige onderwijsregeling die zou zijn beschermd door de « bestaande garanties » die de verzoekende partijen aanvoeren. B.11.2. Daar die kritiek, die betrekking heeft op de grondvoorwaarden van de schorsing, afhangt van de draagwijdte die aan artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dient te worden gegeven, valt dat onderzoek samen met dat van het ernstige karakter van het middel. Wat betreft het ernstige karakter van het middel B.12. Een ernstig middel mag niet worden verward met een gegrond middel. Om als ernstig te worden beschouwd in de zin van artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, volstaat het niet dat het middel kennelijk niet ongegrond is in de zin van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, maar moet het ook gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure. B.13. In hun enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zijn de verzoekende partijen van mening dat het bestreden decreet afbreuk doet aan artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 « betreffende de bevoegdheid en de werking van de Cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap » (hierna : de bijzondere wet van 21 juli 1971), dat met 35 name zou waarborgen dat de inspectie van de Franstalige scholen in de randgemeenten gebeurt in het Frans door inspecteurs van de Franse Gemeenschap op basis van de door de Franse Gemeenschap bepaalde leerplannen en eindtermen. Ter ondersteuning van hun middel weerleggen de verzoekende partijen de dubbele argumentatie van het Vlaams Parlement volgens welke, enerzijds, de naleving van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 alleen zou gelden voor de gewesten en niet voor de gemeenschappen die onderwijsbevoegdheden uitoefenen en, anderzijds, de bepaling van artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 geen « bestaande garantie » zou zijn in de zin van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, daar zij ongrondwettig zou zijn in zoverre zij in strijd zou zijn met de bevoegdheidsverdeling vervat in artikel 127 van de Grondwet, op zijn minst sinds de grondwetsherziening van 1988. Wat betreft artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 B.14.1. Artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, bepaalt : « De decreten, reglementen en administratieve handelingen mogen geen afbreuk doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande garanties die de Franstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de Nederlandstaligen, respectievelijk Franstaligen en Duitstaligen genieten in de gemeenten genoemd in artikel 8 van diezelfde wetten ». Die bepaling is in werking getreden op 1 januari 2002 (artikel 41 van de bijzondere wet van 13 juli 2001). B.14.2. Met die bepaling « wordt beoogd aan de rand- en faciliteitengemeenten te garanderen dat de thans bestaande garanties ook na de regionalisering van de organieke gemeentewet en gemeentekieswet onverkort zullen worden gehandhaafd » (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-709/1, p. 21). Met het gebruik van de term « garanties » beoogde de wetgever « het geheel van de thans geldende bepalingen die een specifieke regeling voor de in de tekst vermelde particulieren instellen, en in het algemeen alle bepalingen die particulieren 36 […] in de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de gecoördineerde wetten, beschermen » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1280/003, p. 10). B.15.1. Hoewel zij past in het kader van de regionalisering van de organieke wetgeving betreffende de lokale besturen, bevestigt de ratio legis van artikel 16bis dat die bepaling, die is ingegeven door de zorg van de bijzondere wetgever om een evenwicht te verwezenlijken tussen de belangen van de verschillende gemeenschappen en de gewesten binnen de Belgische Staat, en die een fundamenteel element van het institutionele evenwicht van de Belgische Staat vormt, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat zij, zowel ten aanzien van de gewestwetgevers als ten aanzien van de gemeenschapswetgevers, de naleving oplegt van de waarborgen ten behoeve van de Nederlandstaligen, Franstaligen en Duitstaligen in de gemeenten met een bijzondere taalregeling. Artikel 16bis is dus van toepassing op de onderwijsmaterie die bij het bestreden decreet wordt geregeld. Zulks wordt eveneens bevestigd door het feit dat die bepaling zich in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevindt op het einde van titel II « De bevoegdheden », gewijd aan de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten. B.15.2. De exceptie van de Vlaamse Regering volgens welke het ontbreken van het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou moeten leiden tot de verwerping van de vorderingen, aangezien het bestreden decreet niet zou vallen onder het toepassingsgebied van artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, wordt verworpen. Wat betreft artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 B.16. Volgens de verzoekende partijen omvatten de « bestaande garanties », beschermd bij artikel 16bis, onder meer artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971, dat de « praktische uitvoeringsmaatregelen inzake onderwijs » handhaaft die bestonden vóór 31 december 1970, waaronder een akkoordprotocol van 1 juni 1970, gesloten tussen de Franstalige en Nederlandstalige ministers van Nationale Opvoeding, dat erin voorziet dat het pedagogisch 37 toezicht op de Franstalige scholen in de randgemeenten tot de bevoegdheid van de Franstalige minister van Nationale Opvoeding behoort. B.17. Het is nodig de draagwijdte van artikel 5 van de bijzondere wet van 21 juli 1971 te bepalen. B.18. Op 18 februari 1970 heeft de Eerste Minister in het Parlement een regeringsmededeling afgelegd die zowel in een grondwetsherziening als in de totstandkoming van bijzondere wetten voorzag. Die voorstellen bevatten onder meer, onder de titel « Inhoud van de wetten betreffende de culturele autonomie », een punt 19, dat luidt : « Op basis van het wederkerigheidsbeginsel in de taalgrensgemeenten en in de zes randgemeenten, zal de wet houdende oprichting van de cultuurraden :
- a)beslissen dat die raden, in gemeenschappelijk overleg, het karakter en de inhoud zullen vastleggen van de waarborgen die aan de inwoners die een andere landstaal gebruiken in culturele aangelegenheden zullen worden toegekend;
- b)de handhaving bevestigen van de culturele waarborgen, zoals die reeds worden verzekerd door een akkoord van de ministers van Nationale Opvoeding of van de ministers van Cultuur; die waarborgen zullen alleen kunnen worden gewijzigd in onderlinge overeenstemming tussen beide raden » (Hand., Kamer, nr. 41, 18 februari 1970, p. 4). B.19.1. Een akkoordprotocol van 1 juni 1970, ondertekend door de Franstalige en Nederlandstalige ministers van Nationale Opvoeding, bepaalt dat de pedagogische inspectie van de Franstalige scholen gevestigd in het Nederlandse taalgebied wordt uitgevoerd door inspecteurs van de Franse taalrol, en dat de pedagogische inspectie van de Nederlandstalige scholen gevestigd in het Franse taalgebied wordt uitgevoerd door inspecteurs van de Nederlandse taalrol. B.19.2. Een ministerieel besluit van 19 november 1970, ondertekend door de Franstalige en Nederlandstalige ministers van Nationale Opvoeding, voert het akkoordprotocol van 1 juni 1970 uit. 38 Artikel 1 van dat ministerieel besluit bepaalt, voor de zes randgemeenten, met name : « Het pedagogisch toezicht over de lagere en kleuterklassen van het Frans taalstelsel, gevestigd in de nederlandstalige streek wordt uitgeoefend door de leden van de inspectie van het lager onderwijs ressorterend onder het Frans taalstelsel […] ». In dat ministerieel besluit wordt eveneens gepreciseerd : « Zoals bedoeld in dit artikel, omvat het pedagogisch toezicht inzonderheid het toezicht over het leerplan en onderwijspeil alsmede de klassebezoeken, en de onderwijzersvergaderingen bedoeld bij artikel 79 van de wetten op het lager onderwijs gecoördineerd bij koninklijk besluit van 20 augustus 1957 ». Dat besluit is in werking getreden op 1 september 1970 (artikel 3 van het ministerieel besluit). B.20.1. Door de grondwetsherziening van 24 december 1970 is een artikel 59bis in de Grondwet ingevoegd. In de oorspronkelijke versie ervan bepaalde dat artikel : « § 1. Er is een cultuurraad voor de Nederlandse cultuurgemeenschap bestaande uit de leden van de Nederlandse taalgroep van beide Kamers en een cultuurraad voor de Franse cultuurgemeenschap bestaande uit de leden van de Franse taalgroep van beide Kamers. Een wet aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen uitgebracht in beide taalgroepen tweederde van de uitgebrachte stemmen bereikt, bepaalt de wijze waarop de cultuurraden hun bevoegdheid uitoefenen, met name met inachtneming van de artikelen 33, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 59, 70 en 88. § 2. De cultuurraden regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet : 1° de culturele aangelegenheden; 2° het onderwijs, met uitsluiting van wat betrekking heeft op de schoolvrede, de leerplicht, de onderwijsstructuren, de diploma’s, de toelagen, de wedden, de schoolbevolkingsnormen; 3° de samenwerking tussen de cultuurgemeenschappen, alsook de internationale culturele samenwerking. 39 Een wet, aangenomen met de in § 1, 2° lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden, alsook de in 3° van deze paragraaf vermelde vormen van samenwerking vast. […] § 4. De decreten, genomen bi