id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.097 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100729.9 Arrest- Rolnummer: 97/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-08-02 Raadplegingen: 537 - laatst gezien 2026-06-30 19:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsinrichting - Secundair onderwijs PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 maart 2010 « tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, op het gebied van de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs », ingesteld door de gemeente Villers-la-Ville en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Secundair onderwijs - Eerste graad - Inschrijving. # Schorsing - Voorwaarden - Belangenafweging - 1. Belang van de verzoekers - 2. Algemeen belang. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 18-03-2010 - 04 ELI link Pub nr 2010029211 Tekst van de beslissing Rolnummer 5002 Arrest nr. 97/2010 van 29 juli 2010 In zake : de vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 maart 2010 « tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, op het gebied van de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs », ingesteld door de gemeente Villers-la-Ville en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 juli 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 juli 2010, is een vordering tot schorsing ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 maart 2010 « tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, op het gebied van de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 april 2010) door de gemeente Villers-la-Ville, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, en door de hierna volgende personen, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarig(
- e)kind(eren) : Christian Carpentier en Véronique Brienne, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue Ernest Deltenre 91, Benoît Schaeck en Catherine Van Thielen, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de la Croix 11, Axel Frennet, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de la Croix 21, Annabelle Daussaint, wonende te 6223 Wagnelée, rue des Ecoles 11, Jacques Mayolle en Isabelle Niespodziany, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de la Gare 33, Robert Rotseleur en Martine Callewaert, wonende te 7140 Morlanwelz, Résidence du Pachy 55, Philippe Goeffoet en Martine Van Haudenhove, wonende te 1495 Villers-la-Ville, Chemin Depas 13, Bernard Bonjean en Marie-Lise Dive, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de Dreumont 19, Jean-Michel Hendrick en Marie-France Detheux, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de Suisse 16, Philippe Staes en Nathalie Poulet, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de Suisse 10, Christophe Faelens en Rachida Zaoudi, wonende te 1800 Vilvoorde, Nijverheidstraat 103, Didier Pansaers en Caroline Hubrecht, wonende te 1780 Wemmel, Van Elewijckstraat 104, Thierry Fouat en Carine Galant, wonende te 1120 Brussel, Oorlogskruisenlaan 369, Jorge Carvalho en Manuela Marques, wonende te 1780 Wemmel, Nerviërslaan 78, Marie-Noëlle De Vos, wonende te 1140 Brussel, Haachtsesteenweg 1050, Joëlle Pierrard, wonende te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Kasteelgaarde 14, Alain Pirnay en Ariane Van der Elst, wonende te 1460 Itter, rue d’Hennuyères 13, Jean-Pol Chapelier en Martine Timsonet, wonende te 1180 Brussel, Eikenlaan 55, François de Voghel, wonende te 1050 Brussel, Maliestraat 19, en Nathalie Marchal, wonende te 1180 Brussel, Floridalaan 86, Eugène Jurado Moriana en Montserrat Moro Gonzales, wonende te 1080 Brussel, Levallois-Perretstraat 40, Murielle Motquin, wonende te 1080 Brussel, Alfred Duboisstraat 27, Christophe Godart, wonende te 1800 Vilvoorde, Romeinsesteenweg 268, en Montserrat Lopez Margolles, wonende te 1080 Brussel, Landmeterstraat 23, François Boon en Isabelle Gaudissart, wonende te 1332 Genval, avenue Gevaert 197, Werner Vergels en Rousseau, wonende te 1380 Lasne, route de l’Etat 58, Philippe Gerard en Virginie De Winde, wonende te 1332 Genval, Fontaine Fontenoy 2, Jacopo Giola en Isabelle Leloup, wonende te 1410 Waterloo, avenue des Constellations 18, Candy Saulnier, wonende te 1030 Brussel, Koninklijke Sinte-Mariastraat 239, Sylvie Paumen, wonende te 1020 Brussel, Stevens-Delannoystraat 79, Miguel Marques Gomez en Maria Cristina Peten De Pina Prata, wonende te 1330 Rixensart, rue du Moulin 12, en Daniel Rahier en Fabienne Van Frachen, wonende te 1380 Lasne, rue du Printemps 96. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet. 3 Bij beschikking van 13 juli 2010 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 27 juli 2010 na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen uiterlijk op 22 juli 2010 ter griffie neer te leggen, in de vorm van een memorie, waarvan een afschrift binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen zou worden overgezonden. De Franse Gemeenschapsregering heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 juli 2010 : - zijn verschenen : . Mr. V. De Wolf en Mr. B. Heymans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1. De eerste verzoekende partij is de inrichtende macht van twee gemeentescholen verspreid over drie vestigingen. Zij heeft aldus de taak het continuüm van de leerlingen te verzekeren tussen de door haar ingerichte instellingen voor basisonderwijs en de instellingen voor secundair onderwijs. Zij stelt vast dat het merendeel van de 65 leerlingen die het zesde leerjaar in de door haar ingerichte scholen verlaten, geen secundaire school heeft. Zij zet uiteen dat die situatie voortvloeit uit het feit dat het schoolbezoek aan een van de door haar ingerichte scholen het samengestelde indexcijfer van de leerlingen verlaagt, cijfer dat hun voorrang van inschrijving in de instelling van hun keuze bepaalt, en bijgevolg hun kansen op een inschrijving in een secundaire school verkleint. Zij vreest derhalve voor een forse daling van het schoolbezoek aan haar basisscholen. A.1.2. Alle andere verzoekers zijn ouders van leerlingen op wie de door hen bestreden bepalingen betrekking hebben of kunnen hebben. A.1.3. Ten aanzien van het belang van de eerste verzoekende partij om in rechte te treden, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de rechtstoestand van die partij, die geen secundair onderwijs inricht, niet rechtstreeks zou kunnen worden geraakt door een decreet dat tot doel heeft de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs te regelen. 4 De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de andere verzoekers om in rechte te treden niet, aangezien zij aantonen ouders van leerlingen te zijn. Ten aanzien van de middelen Wat het eerste middel betreft A.2. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het decreet van 18 maart 2010, door artikel 25 van hetzelfde decreet in zoverre het een artikel 79/17, § 1, 1°, invoegt in het decreet van 24 juli 1997, door artikel 16 van hetzelfde decreet in zoverre het een artikel 79/10, § 1, 6°, invoegt in het decreet van 24 juli 1997, en door artikel 45 van hetzelfde decreet, van de artikelen 10, 11, 19, 22, 22bis, 23, 24, 27 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 9, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 17, 18, 19 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met de artikelen 2 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek, met het algemeen beginsel van niet-retroactiviteit, met het algemeen beginsel van rechtszekerheid, met het algemeen standstill-beginsel en met het algemeen beginsel van de inachtneming van het gewettigd vertrouwen. De verzoekende partijen vorderen tevens de schorsing en de vernietiging van de artikelen 1 tot 44 van het bestreden decreet, in zoverre het behoud ervan in de juridische ordening niet verenigbaar zou zijn met de vernietiging van de voormelde bepalingen. A.3.1.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel verwijten de verzoekende partijen de decreetgever te hebben gekozen voor de factor « afstand tussen de woonplaats van de leerling en zijn lagere school » onder de factoren voor het bepalen van het samengestelde indexcijfer van de leerling, terwijl die factor afhankelijk is van een keuze door de ouders minstens zes jaar vóór de aanneming van de betwiste norm. Zij zetten uiteen dat, sinds de ouders die keuze hebben gemaakt, andere scholen voor lager of basisonderwijs zich in hun wijk hebben kunnen vestigen, hetgeen een verschil teweegbrengt tussen de kinderen die wonen in een wijk waar het schoollandschap niet is geëvolueerd en diegenen die wonen in een wijk waar het schoollandschap wel is geëvolueerd. Zij geven aan dat de artikelen 16 en 25 van het bestreden decreet een belangrijk onderscheid onder de leerlingen invoeren naargelang hun ouders een lerarenambt uitoefenen in een lagere school dan wel in een secundaire school. Ten slotte verwijten zij het bestreden decreet alleen rekening te houden met de geografische situering van de arbeidsplaats van de ouders wanneer zij een functie in het onderwijs uitoefenen, en in de andere gevallen geen rekening te houden met de afstand tussen de arbeidsplaats van de ouders en de gekozen secundaire school. A.3.1.2. In verband met het criterium van de afstand tussen de lagere school en de woonplaats verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar het arrest nr. 121/2009, waarbij het Hof heeft geantwoord op een vergelijkbaar middel, en voert zij aan dat het Hof heeft geoordeeld dat de regels inzake de voorrang van inschrijving van het ene schooljaar op het andere konden worden gewijzigd zonder strijdig te worden bevonden met het beginsel van het gewettigd vertrouwen. Ten aanzien van de regeling die het bestreden decreet invoert, voert zij aan dat de drie criteria die steunen op een afstand, samen moeten worden genomen, dat zij het mogelijk maken tegemoet te komen aan talrijke situaties en dat zij gerelativeerd worden door het wezenlijke belang dat wordt toegekend aan de voorkeur en door de erkenning van de formules voor pedagogische ondersteuning en samenwerking. Wat betreft de voorrang die wordt toegekend aan de kinderen van ouders die werken in de gekozen instelling voor secundair onderwijs, geeft de Franse Gemeenschapsregering aan dat het Hof dat systeem geldig heeft verklaard, dat reeds in de vorige decreten bestond. Zij voert aan dat die voorrang tot doel heeft de organisatie van het gezin te vergemakkelijken wanneer een van de ouders werkt in een instelling voor secundair onderwijs en dat die dus alleen in die hypothese zinvol is, en niet wanneer een van de ouders lesgeeft in een instelling voor lager onderwijs. 5 A.3.2.1. In het tweede onderdeel van het middel verwijten de verzoekende partijen het bestreden decreet, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 april 2010, terugwerkende kracht te hebben tot 15 februari 2010. Zij voeren aan dat het bestreden decreet, naast het feit dat het formeel terugwerkende kracht heeft tot een datum vóór de bekendmaking ervan, ertoe leidt situaties te wijzigen die definitief vorm hebben gekregen, namelijk de keuze die de ouders in tempore non suspecto hebben gemaakt bij de inschrijving van de leerling in een instelling voor basisonderwijs. A.3.2.2. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de retroactiviteit van het decreet van 18 maart 2010 geen enkele rechtsonzekerheid met zich heeft meegebracht, vermits de wettelijke periode voor de registratie van de inschrijvingsaanvragen pas na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad is aangevat. Wat het tweede middel betreft A.4.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het decreet van 18 maart 2010 en door artikel 25 van hetzelfde decreet in zoverre het een artikel 79/17, § 1, tweede lid, 3°, invoegt in het decreet van 24 juli 1997, van de artikelen 10, 11, 19, 22, 22bis, 23, 24, 27 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 9, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 17, 18, 19 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partijen vorderen eveneens de schorsing en de vernietiging van de artikelen 1 tot 44 van het bestreden decreet, in zoverre het behoud ervan in de juridische ordening niet verenigbaar zou zijn met de vernietiging van de voormelde bepalingen. A.4.2. De verzoekende partijen verwijten de decreetgever, onder de factoren voor de berekening van het samengestelde indexcijfer van de leerlingen, te hebben gekozen voor de afstand tussen de lagere school van herkomst en de gekozen secundaire school. De bestreden bepaling voorziet aldus erin dat het samengestelde indexcijfer van de leerling wordt vermenigvuldigd met factor 1,54 indien de gekozen secundaire school zich bevindt in een straal van 4 kilometer rond de lagere school van herkomst, en met factor 1 in de andere gevallen. Zij voeren aan dat, voor de leerlingen die onderwijs volgen in een lagere school die zich bevindt op een plaats waar geen enkele secundaire school is gevestigd in een straal van 4 kilometer, het samengestelde indexcijfer automatisch wordt vermenigvuldigd met factor 1, waardoor zij worden benadeeld ten opzichte van de leerlingen die zich niet in die situatie bevinden, terwijl die situatie niet voortvloeit uit hun keuze of hun wil. Zij wijzen erop dat dit het geval is voor de scholen ingericht door de gemeente Villers-la-Ville, zodat de leerlingen die onderwijs volgen in die scholen automatisch worden benadeeld bij de vaststelling van hun samengestelde indexcijfer. A.4.3. De Franse Gemeenschapsregering herhaalt dat, hoewel sommige elementen van het rangschikkingsmechanisme, afzonderlijk beschouwd, voor sommige categorieën van ouders en kinderen relatief gezien minder gunstig kunnen zijn, zij daarom echter niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording zijn wanneer het volledige rangschikkingsmechanisme en dus het samengestelde indexcijfer in zijn geheel worden onderzocht, rekening houdend met de nagestreefde doelstellingen van de inschrijvingsregeling. Zij voegt eraan toe dat, op 17 juli 2010, de toestand van de kinderen die hun zesde leerjaar in een van de scholen van Villers-la-Ville met vrucht hebben beëindigd, aantoont dat zij allen batig zijn gerangschikt in de instelling voor secundair onderwijs van hun eerste, tweede of, voor slechts twee kinderen, derde keuze. Wat het derde middel betreft A.5.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 1, 2 en 3 van het decreet van 18 maart 2010, door artikel 4 van hetzelfde decreet in zoverre het een artikel 79/2 invoegt in het decreet van 24 juli 1997, en door artikel 25 van hetzelfde decreet in zoverre het een artikel 79/17 invoegt in het decreet van 24 juli 1997, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 van de Grondwet. 6 A.5.2. De verzoekende partijen verwijten de door hen bestreden artikelen dat zij het samengestelde indexcijfer van de leerlingen berekenen volgens afstanden « in vogelvlucht ». Zij voeren aan dat het gebruik van de software « google maps » - die een indicatie geeft en geen echtverklaring inhoudt – om de door het decreet bepaalde afstanden in vogelvlucht te berekenen, in vele opzichten kan worden bekritiseerd, met name in zoverre het aanleiding geeft tot talrijke fouten die een belangrijke invloed hebben op de samengestelde indexcijfers van de leerlingen en bijgevolg op hun voorrang van inschrijving. A.5.3. De Franse Gemeenschapsregering geeft aan dat de betrokken bepalingen dezelfde zijn voor iedereen en dus geen enkel verschil in behandeling invoeren. Voor het overige voert zij aan dat het Hof niet bevoegd is om de eventuele tekortkomingen bij de uitvoering van het decreet af te keuren, noch om te oordelen over de opportuniteit van een rangschikkingscriterium dat op zich niet discriminerend is. Wat het vierde middel betreft A.6.1. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 4 van het decreet van 18 maart 2010 in zoverre het een artikel 79/2 invoegt in het decreet van 24 juli 1997, en door artikel 25 van hetzelfde decreet in zoverre het een artikel 79/17 invoegt in het decreet van 24 juli 1997, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 van de Grondwet, met de zogeheten « Schoolpactwet » van 29 mei 1959, met de artikelen 8, 9, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 17, 18, 19 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. A.6.2. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepalingen de nabijheid tussen de woonplaats van de leerling en zijn lagere en secundaire school alleen op gunstige wijze in aanmerking te nemen indien die scholen tot hetzelfde net behoren, terwijl het begrip « net » niet is verankerd in het decreet van 24 juli 1997, terwijl de concentratie van de scholen op een bepaald grondgebied sterk varieert naar gelang van het daaraan toegewezen net, zodat de leerlingen, afhankelijk van dat net, een hoger of minder hoog samengesteld indexcijfer zullen genieten, en terwijl sommige leerlingen die wonen op een grote afstand van een secundaire school en onderwijs volgen in een lagere school in een afgelegen dorp, zullen worden gestuurd naar een instelling die in vogelvlucht nabijgelegen is, maar via de weg of met het openbaar vervoer niet bereikbaar is, zodat zij van net zullen moeten veranderen. A.6.3. De verzoekende partijen merken op dat de bestreden bepalingen, omdat zij het begrip « net » invoeren, tot gevolg hebben dat het criterium van de afstand de facto wordt vervangen door de concentratie van de scholen van dat « net » op een bepaald grondgebied. Zij zijn van mening dat het werkelijke criterium van onderscheid tussen de leerlingen niet objectief is, in zoverre het afhankelijk is van, enerzijds, de wijk waar de leerling woont en, anderzijds, het aantal vestigingen voor onderwijs van het beschouwde net in die wijk. Hieruit vloeit voort dat sommige leerlingen worden bevoordeeld, niet volgens de door hun ouders gemaakte keuze, maar volgens een situatie die zij niet hebben gewild. A.6.4. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat het criterium van de afstand « in vogelvlucht » geenszins rekening houdt met de praktische moeilijkheden die de leerlingen ondervinden om zich met het openbaar vervoer te begeven naar de instelling voor secundair onderwijs. In sommige situaties verplicht dat criterium de leerlingen ertoe te vertrekken naar een instelling die niet behoort tot het net van hun keuze. Zij onderstrepen overigens dat een kind ertoe verplichten een school te bezoeken die minder ver verwijderd is van zijn woonplaats, maar niet bereikbaar is met het openbaar vervoer, in strijd is met de vereiste van het milieucriterium dat de decreetgever heeft gewild. Zij voegen eraan toe dat die situatie een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de leerlingen wier ouders de materiële middelen hebben om hen met de wagen naar de onderwijsinstelling te brengen en diegenen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. A.6.5. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat, in tegenstelling tot hetgeen de Raad van State meende te begrijpen, geen enkel van de criteria voor het bepalen van het samengestelde indexcijfer van ieder kind, belet om van net te veranderen. Zij geeft aan dat de memorie van toelichting op dat punt is aangevuld teneinde elk misverstand te voorkomen. Zij besluit hieruit dat de regels voor de berekening van het samengestelde indexcijfer dus wel degelijk zijn vastgesteld en toegepast met naleving van artikel 24 van de Grondwet en van de beginselen waarop het Schoolpact berust. 7 Wat het vijfde middel betreft A.7.1. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 25 van het decreet van 18 maart 2010 in zoverre het een artikel 79/17, § 1, tweede lid, 6°, invoegt in het decreet van 24 juni 1997, van de artikelen 10, 11, 19, 22, 22bis, 23, 24, 27 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 9, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 17, 18, 19 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. A.7.2. De verzoekende partijen verwijten het bestreden artikel, bij het bepalen van de criteria voor de berekening van het samengestelde indexcijfer, in het kader de continuïteit van het taalbadonderwijs slechts rekening te houden met een vermenigvuldigingsfactor van 1,18, factor die zeer laag is in vergelijking met de andere in het decreet gebruikte factoren. Zij zijn van mening dat sommige leerlingen ertoe verplichten het pedagogische continuüm te onderbreken waarin zij op grond van een bepaald educatief project waren ingeschreven, een niet passende en onevenredige aantasting van de vrije keuze van onderwijs inhoudt. A.7.3. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de voorwaarden voor de toekenning van een voorrang niet noodzakelijk definitief zijn verworven voor alle toekomstige inschrijvingen, zodat tevergeefs wordt terugverlangd naar het stelsel van voorrang dat door de vorige decreten was ingevoerd. Zij geeft aan dat de wil om een taalbadonderwijs voort te zetten in aanmerking wordt genomen door de toekenning van factor 1,18 bij de berekening van het samengestelde indexcijfer zelfs indien het betrokken kind dat taalbadonderwijs uiteindelijk door een gebrek aan plaatsen niet volgt. Zij voegt eraan toe dat alle leerlingen die een taalbadonderwijs in het lager onderwijs hebben genoten en dat wensen voort te zetten in het secundair onderwijs, worden geconfronteerd met hetzelfde probleem van het tekort aan beschikbare plaatsen, aangezien het aanbod van plaatsen voor het taalbadonderwijs in het secundair onderwijs beperkter is dan het aanbod van plaatsen in het lager onderwijs. Wat het zesde middel betreft A.8.1. Het zesde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 26 van het decreet van 18 maart 2010 in zoverre het een artikel 79/18 invoegt in het decreet van 24 juli 1997, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 van de Grondwet. A.8.2. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden artikel, om te kiezen uit de leerlingen met eenzelfde samengesteld indexcijfer, gebruik maakt van het sociaaleconomische indexcijfer van hun wijk van herkomst en bepaalt dat, wanneer het sociaaleconomische indexcijfer van de wijk van herkomst van de leerling niet kan worden bepaald, de administratie hem het gemiddelde sociaaleconomische indexcijfer van de wijk van herkomst van de leerlingen met hetzelfde samengestelde indexcijfer toekent. Zij verwijten de Franse Gemeenschap ervan uit te gaan dat zij niet in staat is het sociaaleconomische indexcijfer te bepalen van de wijk van herkomst van de leerlingen die in het Vlaamse Gewest wonen, zodat het bestreden decreet een verschil in behandeling invoert tussen de leerlingen die in het Vlaamse Gewest wonen en diegenen die in het Waalse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen. Zij voegen eraan toe dat dat verschil in behandeling a priori alleen door het onvermogen van de Franse Gemeenschap wordt verantwoord. A.8.3. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, de Gemeenschap beschikt over het sociaaleconomische indexcijfer van alle wijken die zijn gedekt door een interuniversitaire studie op basis van federale gegevens, zodat zij het sociaaleconomische indexcijfer kan bepalen van de wijk van herkomst van een leerling die in het Nederlandse taalgebied woont. Zij erkent daarentegen dat de Gemeenschap niet beschikt over het sociaaleconomische indexcijfer van de wijken gelegen buiten het grondgebied van het land en van de recentelijk gevestigde wijken, daar de studie waarop zij steunt, dateert van 2005. Daar de verzoekers niet aantonen dat zij zich in een dergelijke situatie bevinden, is zij echter van mening dat het middel voor hen zonder belang is. 8 Wat het zevende middel betreft A.9.1. Het zevende middel is afgeleid uit de schending, door artikel 28 van het decreet van 18 maart 2010 in zoverre het een artikel 79/19 invoegt in het decreet van 24 juli 1997, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 van de Grondwet. A.9.2. De verzoekende partijen verwijten het bestreden artikel dat het, om te bepalen of een leerling de plaatsen kan genieten die zijn voorbehouden aan de leerlingen met een zwak sociaaleconomische indexcijfer, gebruik maakt van een criterium dat niet persoonsgebonden is, maar overeenstemt met het sociaaleconomische indexcijfer toegekend aan de lagere school waar hij onderwijs volgde, waardoor een onverantwoord verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen de leerlingen met een sterk persoonlijk sociaaleconomische indexcijfer die echter worden beschouwd als « ZSEI »-leerlingen (die onderwijs volgen in een minder begunstigde school of instelling voor basis- of lager onderwijs) en de leerlingen met een zwak persoonlijk sociaaleconomische indexcijfer die niet als « ZSEI »-leerlingen worden beschouwd omdat zij onderwijs volgen in een school die niet minder begunstigd is. A.9.3. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de decreetgever, met name ten aanzien van de beschouwing dat het sociaaleconomische indexcijfer van een school het sociaaleconomische indexcijfer van de kinderen die er onderwijs volgen wellicht beter weergeeft dan het indexcijfer van de wijk waar zij wonen, redelijkerwijs het indexcijfer van de lagere school van herkomst voor de toepassing van de « ZSEI »-voorrang vermocht te verkiezen. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.10.1. De verzoekers die ouders van leerlingen zijn die in juni 2010 het attest basisonderwijs hebben verkregen, voeren aan dat de onmiddellijke toepassing van het bestreden decreet en de daaruit voortvloeiende rangschikkingen van leerlingen tot gevolg hebben dat hun kinderen niet zijn ingeschreven in de school van hun keuze. Zij voeren aan dat zij ertoe verplicht zullen zijn hun kinderen in te schrijven in een instelling waarvan zij noch de vestiging, noch de pedagogische keuzes, noch zelfs het net zullen hebben gekozen. Zij voegen daaraan toe dat de toestand van onzekerheid waarin de ouders en de niet ingeschreven leerlingen thans leven, een belangrijk moreel nadeel teweegbrengt. De eerste verzoekende partij vreest voor een vlucht van haar schoolbevolking en voor een daling van het schoolbezoek aan haar lagere scholen. A.10.2. De verzoekende partijen uiten de hoop dat een snelle schorsing en vernietiging van het decreet het de decreetgever van de Franse Gemeenschap mogelijk zullen maken de inschrijvingsregels grondig te herzien met het oog op de aanvang van het schooljaar op 1 september 2010. Zij zijn van mening dat een vernietiging na die datum niet zou toelaten het door hen geleden nadeel op passende wijze te herstellen, daar die noodzakelijkerwijs de organisatie van een nieuwe inschrijvingsfase zou impliceren, terwijl de leerlingen en hun ouders reeds alle maatregelen zouden hebben genomen voor de aanvang van dat schooljaar in de school die voortvloeit uit de betwiste inschrijving. A.10.3. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de vordering tot schorsing kennelijk niet ontvankelijk is wat de eerste verzoekende partij betreft, daar deze niet uiteenzet in welke zin het door haar aangevoerde nadeel ernstig en moeilijk te herstellen zou zijn. A.10.4. Wat de andere verzoekende partijen betreft, is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel alleen dient te worden onderzocht vanuit het oogpunt van de kinderen die thans zijn betrokken bij het inschrijvingsproces voor de aanvang van het schooljaar op 1 september 2010, en van hun ouders. Zij voert in dat opzicht aan dat die verzoekende partijen geen enkel concreet element aangeven ter ondersteuning van hun bewering volgens welke de betrokken kinderen niet zouden zijn ingeschreven in de school van hun keuze. Zij legt daarentegen uittreksels voor uit de registers van de netoverschrijdende inschrijvingscommissie waaruit blijkt dat een groot deel van de betrokken kinderen batig zijn gerangschikt in ofwel de school die overeenstemt met hun eerste voorkeur, ofwel een school die is aangegeven onder hun andere voorkeuren, ofwel nog een school gekozen na de periode voor de registratie van de inschrijvingsaanvragen. Ten slotte wijst zij erop dat, voor de kinderen die zijn geplaatst op een wachtlijst na de werkzaamheden van de voormelde commissie, niets nog toelaat ervan uit te gaan dat hun het recht zal worden ontnomen om onderwijs te volgen in een secundaire school waar zij hun inschrijving zouden hebben 9 aangevraagd. Zij besluit hieruit dat het nadeel dat de verzoekers zelf zouden lijden, ernstiger zou zijn in geval van een schorsing van het bestreden decreet, daar het nog aan de gang zijnde proces voor de optimalisatie van de voorkeuren zou worden stopgezet. A.10.5. De Franse Gemeenschapsregering onderstreept overigens dat het feit dat een kind niet is ingeschreven in de school van de keuze van zijn ouders, terwijl andere scholen die een voor dat kind geschikt educatief en pedagogisch project voorstellen, het kind zouden kunnen opnemen, geen ernstig nadeel inhoudt. Zij is van mening dat het tegenovergestelde beweren, voortvloeit uit een te strikte interpretatie van het beginsel van de keuzevrijheid van de ouders. A.10.6. De Franse Gemeenschapsregering voert voorts aan dat, zelfs indien zou worden beschouwd dat het nadeel aangetoond en ernstig is, het niet langer zou gaan om een risico van een nadeel, maar om een reeds berokkend nadeel. Zij is van mening dat een schorsing van het decreet niets zou veranderen aan de situatie van de kinderen die nog op een wachtlijst staan, vermits het, in het stadium van de aanhangigmaking van de zaak bij het Hof, namelijk op de vooravond van de aanvang van het schooljaar, onmogelijk is de situatie recht te zetten die de verzoekers als nadelig beschouwen. Zij voegt eraan toe dat het door de verzoekende partijen aangevoerde morele nadeel klaarblijkelijk zou kunnen worden hersteld door een vernietigingsarrest. A.11. De Franse Gemeenschapsregering zet ten slotte uiteen dat een schorsing van het bestreden decreet, op het ogenblik dat die wordt uitgesproken, een overdreven ernstig nadeel zou inhouden voor de leerlingen en de ouders die het niet hebben bestreden, alsook voor de directies en de inrichtende machten van de instellingen voor secundair onderwijs. Zij verwijst naar het arrest nr. 34/2009 en vraagt aan het Hof te dezen op dezelfde wijze gebruik te maken van de beoordelingsruimte die artikel 19 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof aan dat laatste toekent om de vordering tot schorsing te verwerpen. -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De vordering tot schorsing is gericht tegen het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 maart 2010 « tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, op het gebied van de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs ». B.1.2. Dat decreet strekt ertoe de inschrijvingen te organiseren van de leerlingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs, vanaf het schooljaar 2010-2011 en voor de volgende jaren. Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de minister van Leerplichtonderwijs van de Franse Gemeenschap het decreet als volgt voorgesteld : « Op pragmatisch vlak stelt het objectieve regels vast om zo nodig een keuze uit de aanvragen te maken. Tot tweemaal toe zijn systemen uitgeprobeerd : het open register vanaf een bepaalde datum en de lottrekking als ultiem criterium. De wachtrijen naar aanleiding van het eerste systeem zijn op menselijk vlak onaanvaardbaar gebleken. De lottrekking, die in sommige opzichten nochtans billijk is, is door de publieke opinie niet goed onthaald : 10 gezinnen hebben de indruk gehad dat het lot van hun kind(eren) afhing van een soort loterij waarop zij geen vat hadden. Vandaag [wordt voorgesteld] een ander systeem aan te nemen dat steunt op de berekening van een samengesteld indexcijfer met het oog op de rangschikking van de aanvragen en de daaruit te maken keuze volgens de beschikbare plaatsen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/3, p. 4). B.1.3. Het decreet behoudt in elke inrichting voor secundair onderwijs 20,4 pct. van de beschikbare plaatsen voor aan de zogeheten « ZSEI-leerlingen » (zwakke sociaaleconomische index), die afkomstig zijn van een minder begunstigde school of vestiging voor basis- of lager onderwijs in de zin van artikel 3, 4°, ervan. Het legt de voorrang vast die sommige leerlingen genieten vanwege hun familiale of persoonlijke situatie. Om een keuze te maken uit de inschrijvingsaanvragen ingediend in de onderwijsinstellingen die niet al die aanvragen kunnen aanvaarden omdat zij niet over voldoende plaatsen beschikken, wordt een rangschikking opgemaakt op basis van een « samengesteld indexcijfer » dat aan iedere leerling wordt toegekend. Dat indexcijfer wordt verkregen door een vermenigvuldiging van bij het decreet bepaalde factoren. Die factoren hangen onder andere af van de afstand tussen de woonplaats van de leerling en de lagere school of basisschool waar hij onderwijs volgde, de woonplaats van de leerling en de gekozen instelling voor secundair onderwijs, en de afstand tussen die laatste en de lagere school of basisschool waar de leerling onderwijs volgde. Het samengestelde indexcijfer wordt eveneens beïnvloed door de keuze om in het secundair onderwijs verder een taalbadonderwijs te volgen dat in de loop van het lager onderwijs was aangevat. Ten aanzien van het belang B.2.1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name het bestaan van het vereiste belang, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.2.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. 11 B.3.1. De tweede tot de eenendertigste verzoekende partij zijn ouders van leerlingen die zijn ingeschreven in een door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde basisschool, die handelen uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun kinderen. De situatie van die verzoekende partijen zou rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door het bestreden decreet, dat de voorwaarden vaststelt voor de inschrijving van de leerlingen in de eerste cyclus van een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde secundaire onderwijsinstelling. B.3.2. Het is derhalve niet nodig na te gaan in het stadium van de vordering tot schorsing of de eerste verzoekende partij, de gemeente Villers-la-Ville, die optreedt als inrichtende macht van twee basisscholen, eveneens doet blijken van het vereiste belang. B.3.3. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht. Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.4. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 12 B.5. Uit het gebruik van het woord « kan » in artikel 19 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 volgt dat het Hof, zelfs wanneer het oordeelt dat aan de twee grondvoorwaarden in artikel 20, 1°, van dezelfde bijzondere wet om tot schorsing te kunnen overgaan is voldaan, niet is verplicht tot schorsing over te gaan. Het Hof dient na te gaan of het verantwoord is om tot schorsing van de bestreden bepalingen over te gaan, waarbij het de nadelen van de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen voor de verzoekende partijen moet afwegen tegen de nadelen voor het algemeen belang die een schorsing zou meebrengen. B.6. Te dezen hebben de partijen hun vordering tot schorsing ingediend op 9 juli 2010. Op die datum was het proces van de inschrijving van de leerlingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs voor het schooljaar dat aanvangt op 1 september 2010 reeds verschillende maanden aan de gang. Het met toepassing van de bestreden bepalingen berekende samengestelde indexcijfer van iedere leerling was vastgesteld; de rangschikking van de aanvragen tot inschrijving in de instellingen waar het aantal aanvragen groter was dan het aantal beschikbare plaatsen, was opgemaakt op basis van de samengestelde indexcijfers van de betrokken leerlingen; de onderwijsinstellingen en de netoverschrijdende inschrijvingscommissie hadden de plaatsen toegekend en die laatste had aan de meeste leerlingen die niet konden worden ingeschreven in de instelling van hun eerste keuze, een plaats in een andere instelling voorgesteld. Uit dat proces vloeit voort dat, op de datum dat de vordering tot schorsing is ingediend, vrijwel alle leerlingen reeds waren ingeschreven in een instelling voor secundair onderwijs. B.7. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van verschillende bepalingen van het decreet van 18 maart 2010 die, naar gelang van het geval, een voorrang vaststellen voor sommige leerlingen of sommige van de factoren vaststellen voor de berekening van het samengestelde indexcijfer van alle leerlingen die vóór de aanvang van het schooljaar op 1 september 2010 in het eerste jaar van het secundair onderwijs moeten worden ingeschreven. B.8.1. Een schorsing van de bestreden bepalingen door het Hof, zou voor alle betrokken leerlingen en voor hun ouders rechtsonzekerheid met zich kunnen meebrengen. 13 De leerlingen wier inschrijving is verkregen door de onmiddellijke toepassing van het decreet, zouden immers het voordeel ervan kunnen verliezen door de werking van een schorsing, omdat de decretale rechtsgrond van hun inschrijving zou zijn aangetast, hetgeen voor hen een nadeel met zich zou meebrengen dat zij door de onmiddellijke toepassing van het decreet niet lijden. Een schorsing van de bestreden bepalingen zou eveneens tot gevolg kunnen hebben dat het inschrijvingsproces moet worden overgedaan, hetgeen, op iets meer dan één maand vóór de aanvang van het schooljaar, niet in bevredigende omstandigheden lijkt te kunnen worden uitgevoerd door de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde secundaire onderwijsinstellingen, zodat zeer veel moeilijkheden en onzekerheden zouden ontstaan bij de aanvang van het schooljaar op 1 september 2010 voor alle leerlingen, ouders en onderwijsinstellingen. B.8.2. De verzoekende partijen voeren op de terechtzitting evenwel aan dat een schorsing van de bestreden bepalingen de onderwijsinstellingen niet zou beletten de op de dag van de schorsing geregistreerde inschrijvingen te behouden, maar het de ouders van kinderen die in geen enkele instelling batig zijn gerangschikt, mogelijk zou maken hun inschrijving in de instelling van hun keuze aan te vragen. Zelfs indien ervan moest worden uitgegaan dat de inschrijvingen die op basis van door het Hof geschorste bepalingen zijn geregistreerd, definitief zouden kunnen worden behouden zonder decretale rechtsgrond, dient te worden opgemerkt dat, in die hypothese, de kinderen van de verzoekers niet zouden kunnen worden ingeschreven in de instellingen van hun eerste keuze, vermits, per definitie, die instellingen al hun beschikbare plaatsen reeds hebben toegewezen. Het bestreden decreet belet de verzoekers overigens niet de inschrijving van hun kind aan te vragen in de instellingen waar nog beschikbare plaatsen zijn. Op grond van artikel 79/9, derde lid, ingevoegd in het decreet van 24 juli 1997 bij artikel 14 van het bestreden decreet, worden die inschrijvingen chronologisch opgenomen en worden zij niet beïnvloed door de berekening van een samengesteld indexcijfer. Hieruit vloeit voort dat, in die hypothese, een schorsing niets zou veranderen aan de situatie van de verzoekers. B.9. De vordering tot schorsing dient te worden verworpen. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 29 juli 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.097 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div