id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.102 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100916.6 Arrest- Rolnummer: 102/2010 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-09-20 Raadplegingen: 348 - laatst gezien 2026-07-01 14:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De ontstentenis van de mogelijkheid voor de minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid om een minderheidsvordering in te stellen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Coöperatieve vennootschap (met onbeperkte aansprakelijkheid) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende het Wetboek van vennootschappen (in het bijzonder de minderheidsvordering in de coöperatieve vennootschappen), gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde. Vennootschapsrecht - Minderheidsvordering -
- Naamloze vennootschap -
- Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid -
- Coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid -
- Coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid - Afwezigheid van minderheidsvordering. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - 416 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4817 Arrest nr. 102/2010 van 16 september 2010 In zake : de prejudiciële vragen betreffende het Wetboek van vennootschappen (in het bijzonder de minderheidsvordering in de coöperatieve vennootschappen), gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 19 november 2009 in zake Godelieve Benoot tegen Franciscus Cornelis en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 november 2009, heeft de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Is er inzake de minderheidsvordering toekomend aan de minderheidsvennoten sprake van een discriminatie door de ontstentenis van een wettelijke regeling (en bijgevolg van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet), nu voor een minderheidsvennoot van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cvba) wel is voorzien in een minderheidsvordering (artikel 416 W.Venn.), terwijl dergelijke vordering niet is voorzien voor de minderheidsvennoot van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (cvoa) ? »;
- « Is er inzake de minderheidsvordering toekomend aan de minderheidsvennoten sprake van een discriminatie door de ontstentenis van een wettelijke regeling (en bijgevolg van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet), nu deze minderheidsvordering enkel is voorzien voor een minderheidsvennoot van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bvba – artikel 290 W.Venn.), van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cvba – artikel 416 W.Venn.) en van een naamloze vennootschap (nv – artikel 562 W.Venn.), terwijl dergelijke vordering niet is voorzien voor de minderheidsvennoot van vennootschappen met een andere rechtsvorm, zoals de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (cvoa) ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Godelieve Benoot, wonende te 9500 Geraardsbergen, Smeerebbestraat 38; - Franciscus Cornelis, wonende te 9320 Aalst, Laarstraat 16, de cv « Immo Service », met maatschappelijke zetel te 9320 Aalst, Laarstraat 16, en de bvba « Ter Laar », met maatschappelijke zetel te 9320 Aalst, Laarstraat 16; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 14 juli 2010 : - zijn verschenen : . Mr. B. Lambrecht, tevens loco Mr. M. De Wolf, advocaten bij de balie te Dendermonde, voor Godelieve Benoot; . Mr. V. Roggeman loco Mr. Daniël Van Ransbeeck, advocaten bij de balie te Dendermonde, voor Franciscus Cornelis en anderen; . Mr. A. Poppe loco Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Godelieve Benoot, eiseres, en Franciscus Cornelis, verweerder, zijn vennoten van de cvoa « Fiskaal en Boekhoudkundig Dienstenkantoor » (hierna : de cvoa « Fiscbodi »). De eiseres en de verweerder bezitten 49 pct. respectievelijk 51 pct. van de aandelen van die vennootschap. Voor de verwijzende rechter vordert Godelieve Benoot een schadevergoeding voor rekening van de cvoa « Fiscbodi » wegens onttrekking van cliënteel en de « sterfhuisconstructie ». De verwijzende rechter verklaart de cvoa « Fiscbodi » ontbonden lastens en ten nadele van Franciscus Cornelis en stelt een vereffenaar aan. Wat de vordering van Godelieve Benoot tot het verkrijgen van een schadevergoeding betreft, rijst volgens de verwijzende rechter de vraag of het ontbreken van een wettelijke regeling (minderheidsvordering) voor vennootschappen van het type van de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (cvoa) een discriminatie inhoudt. Hij is van oordeel dat, wat de « minderheidsvordering » betreft die door Godelieve Benoot werd ingesteld, het Hof prejudicieel dient te worden ondervraagd. Na vastgesteld te hebben dat de vennootschapswetgeving niet in een minderheidsvordering in de cvoa voorziet en dat er evenmin een algemene regeling bestaat inzake de minderheidsvordering voor elke vennootschap met rechtspersoonlijkheid, stelt de verwijzende rechter - alvorens over de vordering van Godelieve Benoot uitspraak te doen - ambtshalve de voormelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van het verzoek tot herformulering van de tweede prejudiciële vraag A.1.
- Godelieve Benoot is van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag dient te worden geherformuleerd, in die zin dat die vraag zou moeten worden uitgebreid tot de situatie van de minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten van een commanditaire vennootschap op aandelen, van een Europese vennootschap en van een Europese coöperatieve vennootschap, aangezien ook in die vennootschapsvormen in een minderheidsvordering voor de minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten is voorzien. A.1.
- Uit de vergelijking van het statuut van de minderheidsvennoten van een Europese coöperatieve vennootschap met dat van de minderheidsvennoten van een Belgische coöperatieve vennootschap, vloeit volgens Godelieve Benoot nog een andere discriminatie voort. Er valt immers niet in te zien waarom de minderheidsvordering niet aan de minderheidsvennoten van een Belgische coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid wordt toegekend, terwijl alle minderheidsvennoten van een Europese coöperatieve vennootschap wel over een minderheidsvordering beschikken, ongeacht het feit of het een Europese coöperatieve vennootschap met beperkte dan wel met onbeperkte aansprakelijkheid betreft. 4 A.
- De Ministerraad verzet zich tegen het verzoek tot herformulering, vermits het niet aan het Hof staat om de vraag die door de verwijzende rechter is gesteld, uit te breiden tot normen waarover het in de oorspronkelijke prejudiciële vraag niet werd ondervraagd. Ten aanzien van de vergelijkbaarheid A.
- Volgens Franciscus Cornelis zijn de verschillende categorieën van vennootschappen die in de prejudiciële vragen worden vermeld niet vergelijkbaar. De verschillende vennootschapsvormen beantwoorden immers aan onderscheiden noden vanuit de praktijk en voor elke vennootschapsvorm gelden specifieke regels. A.
- Volgens de Ministerraad dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid naargelang die aandeelhouders of vennoten hoofdelijk en onbeperkt dan wel beperkt aansprakelijk zijn. Beide categorieën van personen bevinden zich in twee onderscheiden situaties. Ten gronde A.5.
- Godelieve Benoot betoogt dat, vermits de actio mandati een meerderheidsbeslissing van de algemene vergadering vereist, dat actiemiddel geen soelaas biedt voor de aandeelhouders die over onvoldoende stemmen beschikken om die meerderheid te verkrijgen. Daarom werd bij de wet van 18 juli 1991 de minderheidsvordering ingevoerd : de minderheidsaandeelhouder beschikt krachtens de artikelen 290 en 562 van het Wetboek van vennootschappen over de mogelijkheid om voor rekening van de vennootschap een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de bestuurders respectievelijk de zaakvoerders van de naamloze vennootschap (nv) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bvba). Bij de wet van 20 juli 1991 werd de minderheidsvordering ingevoerd voor de minderheidsvennoten in de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cvba) (artikel 416 van het Wetboek van vennootschappen). Via de minderheidsvordering kan de minderheidsaandeelhouder of minderheidsvennoot zich in de plaats van een in gebreke blijvende en te lakse meerderheid stellen. Die laatste zal onder meer om redenen van collusie of samenspanning niet altijd even snel bereid worden gevonden om de aansprakelijkheid van haar bestuurders of zaakvoerders in het geding te brengen. Het bestuur van de vennootschap is immers niet zelden de emanatie van de meerderheid van de aandeelhouders in de algemene vergadering, zodat het initiatief tot de echte vennootschapsvordering of de actio mandati in de meeste gevallen slechts wordt genomen na een meerderheidswissel, een vereffening of een faillissement. Bij de wetten van 18 en 20 juli 1991 werd evenwel enkel in een minderheidsvordering voorzien voor de minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten van de voormelde vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, doch niet voor de cvoa. Dat verschil in behandeling tussen, enerzijds, de minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten van een nv, een bvba en een cvba en, anderzijds, de minderheidsvennoten van een cvoa is volgens Godelieve Benoot discriminerend. Dat verschil in behandeling tussen minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten die, naar gelang van de vennootschapsvorm, al dan niet over een minderheidsvordering beschikken, berust niet op een objectief criterium. Noch in de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juli 1991 (invoering van de minderheidsvordering in de nv en in de bvba), noch in die van de wet van 20 juli 1991 (invoering van de minderheidsvordering in de cvba) wordt een criterium aangegeven waarop het bekritiseerde verschil in behandeling zou berusten. Er is hoe dan ook geen redelijke verantwoording voor dat verschil voorhanden. In de cvoa is niet in een minderheidsvordering voor de minderheidsaandeelhouders voorzien. Nochtans is de cvoa, zoals de nv, de bvba en de cvba, een vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Ook in de cvoa zijn de bestuurders aan de gemeenrechtelijke regels inzake bestuurdersaansprakelijkheid onderworpen (artikel 380 van het Wetboek van vennootschappen). Ook in de cvoa is in een algemene vergadering van vennoten voorzien die bij meerderheid over de aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders dient te beslissen alvorens zulk een vordering te kunnen instellen. Ook in de cvoa bestaat dus dezelfde nood aan bescherming als in de nv, de bvba en de cvba. A.5.
- Volgens Godelieve Benoot vloeit uit het al dan niet toekennen van de mogelijkheid om een minderheidsvordering in te stellen een andere discriminatie voort, namelijk op het vlak van het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek. Zowel de vordering tot het instellen van een deskundigenonderzoek als de minderheidsvordering beogen de bescherming van de minderheidsaandeelhouders binnen de vennootschap te waarborgen. Anders dan de minderheidsvordering die enkel in een nv, een bvba en 5 een cvba kan worden ingesteld, staat het vennootschapsrechtelijk deskundigenonderzoek open voor alle vennootschappen met rechtspersoonlijkheid. Er bestaat geen enkele redelijke verantwoording waarom een minderheidsvennoot van een cvoa enkel een vordering tot een deskundigenonderzoek kan instellen, met uitsluiting van de mogelijkheid om een minderheidsvordering in te stellen, terwijl uit het verslag van de deskundige zou kunnen blijken dat de vastgestelde fouten van de bestuurders schade hebben veroorzaakt, zodat een minderheidsvordering kan worden aangewend om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen. A.6.
- Volgens Franciscus Cornelis beoogde de wetgever met het invoeren van de minderheidsvordering de eventuele tekortkomingen van de algemene vergadering te ondervangen en een evenwicht in de structuur van de vennootschap te bewaren. Het verschil in behandeling tussen de nv, de bvba en de cvba, enerzijds, en de cvoa, anderzijds, steunt op het objectieve gegeven dat hun juridische toestand verschilt. Zo zijn de aandeelhouders of vennoten in een nv, een bvba en een cvba slechts aansprakelijk tot beloop van hun inbreng, terwijl de vennoten van een cvoa onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn. De wetgever vermocht de in het geding zijnde maatregel te nemen in het kader van zijn doelstelling om vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid te bevorderen om reden dat er in dat geval een vermogen van de vennoten bestaat dat duidelijk van dat van de vennootschap is afgescheiden. Bovendien is het de minderheidsvennoot zelf die beslist om vennoot in een bepaalde vennootschapsvorm te worden. De beslissing om aandeelhouder of vennoot te worden in een nv, een bvba of een cvba dan wel in een cvoa gebeurt met kennis van alle voor- en nadelen van de verschillende vennootschapsvormen. Niemand wordt verplicht om minderheidsvennoot in een cvoa te worden. A.6.
- Dat het onderscheid in aansprakelijkheid naar gelang van de vennootschapsvorm, een wezenlijk verschil uitmaakt, blijkt volgens Franciscus Cornelis uit de zienswijze van de verwijzende rechter inzake de ontbinding van het vennootschapscontract wegens wanprestatie. De vennoot lastens wie zulk een ontbinding wordt uitgesproken, is gehouden tot het betalen van een schadevergoeding aan de andere vennoot die eveneens partij was bij het vennootschapscontract. Indien het gaat om de ontbinding van een cvoa, is de vennoot die de schade dient te vergoeden, onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk. In die omstandigheden beschikt de minderheidsvennoot van een cvoa over een actiemiddel, aangezien hij de ontbinding wegens wanprestatie kan vorderen lastens de meerderheidsvennoot, die vervolgens onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk is om de geleden schade ten gevolge van de ontbinding van het vennootschapscontract te vergoeden. Indien de bestuurders de emanatie zijn van de meerderheidsvennoten, kan de minderheidsvennoot de ontbinding wegens wanprestatie vorderen waardoor de meerderheidsvennoten - in hun verhouding tot de bestuurders - ter verantwoording worden geroepen. Indien de bestuurders niet de emanatie van de meerderheidsvennoten zijn, zullen de laatstgenoemden gepast kunnen opkomen tegen bestuursfouten met een vennootschapsvordering. A.6.
- Volgens Franciscus Cornelis is de argumentatie van Godelieve Benoot op een volledig verkeerd uitgangspunt gebaseerd : voor alle vennootschapsvormen, zowel die met beperkte als die met onbeperkte aansprakelijkheid van de vennoten, zouden dezelfde regels moeten gelden. Aldus wordt voorbijgegaan aan een wezenskenmerk van het vennootschapsleven dat de verschillende vennootschapsvormen met elk hun specifieke regels naast elkaar bestaan. Godelieve Benoot negeert in haar uiteenzetting een fundamenteel onderscheid : in een cvoa zijn de vennoten onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk, terwijl in een nv, een bvba en een cvba de aandeelhouders of vennoten slechts tot beloop van hun inbreng aansprakelijk zijn. A.
- De Ministerraad verwijst vooraf naar artikel 18 van het Wetboek van vennootschappen. Hij merkt daarbij op dat de cvoa allereerst door de vennootschapswetgeving wordt beheerst en aanvullend door de regels van het burgerlijk recht. Wat het verhaalrecht van de vennoten onderling betreft, voorziet het Wetboek van vennootschappen niet in specifieke regels, zodat de ene vennoot de andere vennoot op grond van het algemeen verbintenissenrecht kan aanspreken. Krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek moeten de overeenkomsten te goeder trouw worden uitgevoerd. In het bodemgeschil is er volgens de Ministerraad sprake van kwade trouw, zodat de eiseres schadevergoeding kan vorderen op grond van de contractuele wanprestatie van haar medecontractant. De minderheidsvordering tegenover de bestuurders dient dan ook niet te worden ingesteld om het door de eiseres beoogde doel, namelijk de vergoeding van de schade, berokkend door het bedrieglijk gedrag van de verweerder, te bereiken. In die omstandigheden is het antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen kennelijk niet dienstig om het geschil dat hem is voorgelegd te beslechten, zodat die vragen geen antwoord behoeven. 6 A.
- Franciscus Cornelis verzet zich tegen de bewering van de Ministerraad dat in het bodemgeschil van kwade trouw sprake zou zijn. Bovendien komt het niet aan de Ministerraad toe om een standpunt in te nemen over de feitelijke gegevens die aan de beoordeling van de verwijzende rechter zijn onderworpen. A.
- Godelieve Benoot daarentegen is van oordeel dat de kwade trouw van Franciscus Cornelis te dezen wel degelijk relevant is. In dat verband merkt zij op dat zij als minderheidsvennoot van een cvoa over geen enkele mogelijkheid beschikt om een vordering tot schadevergoeding tegen de bestuursorganen van die cvoa in te stellen, terwijl die organen nochtans bestuursfouten hebben begaan en aldus schade aan de vennootschap hebben berokkend. A.10.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust volgens de Ministerraad op een objectief criterium, namelijk de beperkte of onbeperkte aansprakelijkheid van de vennoten van een bepaalde vennootschap. Met het invoeren van de minderheidsvordering bij de wetten van 18 en 20 juli 1991 beoogde de wetgever vooral de deelneming van de kleinere aandeelhouders aan de algemene vergadering en aan het vennootschapsleven te bevorderen. Zo werd de minderheidsvennoten de mogelijkheid geboden om een aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders en voor rekening van de vennootschap in te stellen indien de meerderheid daartoe in gebreke bleef. Wat de coöperatieve vennootschap betreft, heeft de wetgever met de wet van 20 juli 1991 nieuwe bepalingen aangenomen, omdat misbruik werd gemaakt van de soepele rechtsvorm van een dergelijke vennootschapsvorm inzake oprichting, minimumkapitaal en publiciteitsvereisten. De wetgeving met betrekking tot de coöperatieve vennootschap werd dus in de eerste plaats hervormd ter bescherming van derden die met zulke vennootschappen in contact kwamen. Voorts diende een onderscheid tussen de coöperatieve vennootschap met onbeperkte dan wel met beperkte aansprakelijkheid te worden gemaakt, aangezien - zoals in de parlementaire voorbereiding werd aangegeven - enkel de vennoten van een cvoa hoofdelijk gehouden zijn voor al hun bezittingen. De Ministerraad is dan ook van oordeel dat de minderheidsvordering ten gunste van de cvba is ingevoerd om het rechtsmisbruik te voorkomen van vennoten die het bestuur van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in handen hebben. A.10.
- De Ministerraad is van oordeel dat het in het geding zijnde verschil in behandeling geen kennelijk onevenredige gevolgen sorteert. In dat verband wijst hij erop dat de vennoten van een cvoa, op grond van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, een vordering kunnen instellen tegen de vennoten die hebben nagelaten een vennootschapsvordering tegen de bestuurders in te stellen. Bijgevolg kan het doel van de minderheidsvordering - vergoeding van de schade veroorzaakt door een foutief handelen van de bestuurders en een middel tegen het stilzitten van de meerderheidsvennoten - op een andere manier worden bereikt. A.
- Volgens Franciscus Cornelis is de redenering van de Ministerraad betreffende de vordering van de minderheidsvennoot in een cvoa tegenover andere vennoten, irrelevant en bovendien onjuist. Allereerst bestaat er een wezenlijk onderscheid tussen vennoten in een cvoa en in een cvba, zodat een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel zelfs niet aan de orde is. Bovendien heeft de verwijzende rechter reeds stelling genomen, waaromtrent Franciscus Cornelis overigens alle voorbehoud aantekent : de minderheidsvennoot van een cvoa kan de ontbinding lastens de meerderheidsvennoot vorderen. De Ministerraad kan geen nieuwe (onjuiste) vorderingsmogelijkheden voor de minderheidsvennoot voorstellen, wanneer in de verwijzingsbeslissing van de premisse wordt uitgegaan dat individuele vennoten niet beschikken over een rechtstreekse vordering om afgeleide of weerkaatsingschade vergoed te zien. Bij het beantwoorden van de prejudiciële vragen dienen de overwegingen van de verwijzende rechter - desnoods onder voorbehoud - te worden aanvaard. A.12.
- Godelieve Benoot betoogt dat, wat haar vorderingsmogelijkheden betreft, zowel de argumentatie van de Ministerraad als die van Franciscus Cornelis van een verkeerde premisse uitgaan, vermits beiden verwijzen naar vorderingen die tussen vennoten kunnen worden ingesteld wegens tekortkomingen begaan in de hoedanigheid van vennoot. Dat vormt evenwel geen oplossing voor vorderingen ingesteld door een minderheidsvennoot tegen bestuurders. 7 A.12.
- Volgens Godelieve Benoot zijn zowel de Ministerraad als Franciscus Cornelis ten onrechte van oordeel dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk het gegeven dat de aandeelhouders of vennoten van een nv, een bvba en een cvba slechts tot beloop van hun inbreng aansprakelijk zijn, terwijl de vennoten van een cvoa onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn. Aan de hand van de parlementaire voorbereiding van de wetten van 18 en 20 juli 1991 zegt Godelieve Benoot te hebben aangetoond dat de doelstelling van de wetgever om in bepaalde vennootschappen in een minderheidsvordering voor vennoten te voorzien, niets uit te staan heeft met enig onderscheid tussen vennootschappen naargelang hun vennoten een beperkte dan wel een onbeperkte aansprakelijkheid hebben. De doelstelling van de wetgever bestond wel erin in een regeling te voorzien waarbij de belangen van de aandeelhouders of vennoten met een minderheidsdeelneming worden geëerbiedigd met het oog op het bewaren van een evenwicht in de structuur van de vennootschap, niet om reden dat bepaalde vennootschappen al dan niet met beperkte aansprakelijkheid zijn, maar om reden dat in vennootschappen met rechtspersoonlijkheid een correctie diende te gebeuren van de nadelige rechtspositie van (minderheids)aandeelhouders of vennoten die een vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid willen instellen tegen de bestuurders van die vennootschappen. De minderheidsvordering is een in het belang van de vennootschap verantwoorde correctie op het meerderheidsbeginsel. De beweegreden van de wetgever om de minderheidsvordering in te voeren - betere rechtsbescherming van de minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten - geldt voor alle vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, ongeacht de rechtsvorm van die vennootschappen. A.12.
- Godelieve Benoot betwist tevens de zienswijze van de Ministerraad volgens welke het in het geding zijnde verschil in behandeling zou zijn verantwoord vanwege het misbruik dat van de soepele rechtsvorm van de coöperatieve vennootschap werd gemaakt. De door de Ministerraad aangehaalde parlementaire voorbereiding heeft volgens Godelieve Benoot evenwel niets uit te staan met het al dan niet toekennen van de mogelijkheid aan vennoten van een cvoa om een minderheidsvordering in te stellen. Voorts blijken de maatregelen die door de wetgever van 1991 werden ingevoerd duidelijk betrekking te hebben op de bescherming van de schuldeisers en geenszins op de bescherming van de minderheidsaandeelhouders of minderheidsvennoten. -B- B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van de ontstentenis van een wettelijke regeling wat de mogelijkheid voor minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (cvoa) betreft om een minderheidsvordering in te stellen, terwijl het Wetboek van vennootschappen wel in die mogelijkheid voorziet voor minderheidsvennoten of minderheidsaandeelhouders van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cvba), van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bvba) en van een naamloze vennootschap (nv). B.2.
- Volgens de Ministerraad zou de eisende partij in het bodemgeschil, krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, schadevergoeding kunnen vorderen op grond van de contractuele wanprestatie van haar medecontractant, zodat de minderheidsvordering dan ook niet zou dienen te worden ingesteld om het beoogde doel - vergoeding van de schade door wanprestatie van de verwerende partij - te bereiken. Daarom is de Ministerraad van oordeel 8 dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen kennelijk niet dienstig zou zijn voor de verwijzende rechter om het hem voorgelegde geschil te beslechten, zodat die vragen geen antwoord zouden behoeven. B.2.
- Het staat niet aan het Hof maar aan de verwijzende rechter te oordelen of te dezen van kwade trouw van de verwerende partij sprake is en zich uit te spreken over de eventuele vorderingsmogelijkheden waarover de eisende partij in het bodemgeschil zou beschikken om de vergoeding te verkrijgen van de door haar geleden schade. B.2.
- In beginsel komt het de verwijzende rechter toe na te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. De verwijzende rechter stelt vast dat de algemene vergadering van de betrokken cvoa geen beslissing heeft genomen om de actio mandati tegen de bestuurders van die vennootschap in te stellen en dat de eisende partij een minderheidsvennoot is. Daarom zou volgens de verwijzende rechter de enige actiemogelijkheid, gebaseerd op de (interne) bestuurdersaansprakelijkheid voor rekening van de vennootschap, de minderheidsvordering zijn, waarin de vennootschapswetgeving evenwel niet voorziet voor de minderheidsvennoten van een cvoa. Aldus blijkt dat, in de voormelde zienswijze van de verwijzende rechter, het antwoord op de door hem ambtshalve gestelde prejudiciële vragen, nuttig is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. De exceptie wordt verworpen. B.3.
- Volgens de verwerende partij voor de verwijzende rechter zouden de verschillende categorieën van vennootschappen die in de prejudiciële vragen worden vermeld, niet vergelijkbaar zijn. De verschillende vennootschapsvormen zouden immers aan onderscheiden noden vanuit de praktijk beantwoorden en voor elke vennootschapsvorm zouden specifieke regels gelden. 9 B.3.
- Het gegeven dat voor de verschillende vennootschapsvormen die in de prejudiciële vragen worden vermeld, specifieke regels gelden en dat diegenen die van een vennootschap deel willen uitmaken, voor deze of gene vennootschapsvorm kunnen kiezen, belet niet dat, wat de mogelijkheid betreft om al dan niet een minderheidsvordering in te stellen, die verschillende vennootschapsvormen vergelijkbaar zijn in het licht van een toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De exceptie wordt verworpen. B.
- Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof de twee prejudiciële vragen samen. B.
- De minderheidsvordering werd in de naamloze vennootschap en in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ingevoerd bij de wet van 18 juli
- Aldus kan de minderheidsaandeelhouder of minderheidsvennoot voor rekening van de vennootschap een aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders respectievelijk de zaakvoerders van een nv of een bvba instellen indien de meerderheid van de algemene vergadering zulks nalaat. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juli 1991 wordt gesteld dat een van de grondslagen waarop de wet tot wijziging van het vennootschapsrecht moet steunen, de eerbiediging van de belangen van de aandeelhouders of vennoten met een minderheidsdeelneming is teneinde een evenwicht in de structuur van de vennootschap te bewaren (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1107-1, pp. 12 en 14). Het ontwerp voorziet dan ook « in de mogelijkheid voor een minderheid van de aandeelhouders om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen, die hen, met inachtneming van bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid biedt om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen bestuurders indien de algemene vergadering geweigerd heeft zulks te doen » (ibid., p. 15). Thans wordt in een minderheidsvordering voorzien door het bij de wet van 7 mei 1999 ingevoerde Wetboek van vennootschappen, in artikel 290, wat de bvba betreft, en in artikel 562, wat de nv betreft. B.6.
- Bij de wet van 20 juli 1991 werd de regelgeving inzake de coöperatieve vennootschap hervormd en werd, onder meer, de minderheidsvordering in de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ingevoerd. 10 B.6.
- Door de indiening van het ontwerp tot hervorming van de coöperatieve vennootschap beoogde de Regering een duidelijk onderscheid te maken « tussen enerzijds de bepalingen in verband met de werking van de coöperatieve vennootschap en anderzijds de bepalingen en de gevolgen van een regeling met beperkte aansprakelijkheid » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1374-1, p. 61). De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent : « Aangezien de coöperatieve vennootschap kan kiezen voor een regeling met beperkte aansprakelijkheid, moeten daaraan bepaalde gevolgen worden verbonden om een einde te maken aan de ‘ ongezonde ’ situatie die de mogelijkheid biedt de beperkte aansprakelijkheid te genieten en tegelijkertijd, door te kiezen voor de rechtsvorm van de coöperatieve vennootschap, onder een minder strikte regeling te vallen dan de N.V. of de B.V.B.A. wat de verbintenissen van de vennootschap betreft. De Regering wil in geen geval dat op grond van de thans voor de coöperatieve vennootschappen geldende, soepele vormvoorwaarden gebruik wordt gemaakt van een dergelijke vorm van rechtspersoonlijkheid ten einde bepaalde wetgevingen en regelgevingen op het gebied van het vennootschapsrecht en het sociaal recht te omzeilen » (ibid., p. 62). Wat het onderscheid tussen coöperatieve vennootschappen met beperkte dan wel met onbeperkte aansprakelijkheid betreft, werd gesteld dat aan de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid de verplichting dient te worden opgelegd een hele reeks voorwaarden met betrekking tot de vorm en de inhoud na te leven (ibid.). Met betrekking tot de coöperatieve vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid werd vermeld : « Aangezien wordt gekozen voor een onbeperkte en hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden van de coöperatieve vennootschap, is het noodzakelijk om met betrekking tot de oprichting van en het toezicht op dergelijke coöperatieve vennootschappen in een veel soepeler regeling te voorzien. In dat geval zijn de vennoten immers hoofdelijk gebonden voor al hun bezittingen » (ibid., p. 63). B.6.
- Bij een mondeling amendement stelt de vertegenwoordiger van de minister, bij de artikelsgewijze bespreking in de Senaatscommissie, een tekst voor ten gevolge waarvan de minderheidsvordering ook in de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid werd ingevoerd : 11 « Deze vraag namens de Regering vindt haar oorsprong in het engagement dat de Regering genomen heeft bij de bespreking van het ontwerp tot wijziging op de N.V.’s onlangs in de Senaat goedgekeurd. Het betreft met name de minderheidsvordering zoals ze voorzien werd in de N.V.- en B.V.B.A.-wetgeving en sluit dus bij die wetgeving aan » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1374-8, p. 43). Dat amendement werd aangenomen en resulteerde, ten gevolge van het aannemen van de wet van 20 juli 1991, in de aanvulling met een 10° van artikel 158 van de toenmalige gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen. B.7.
- Paragraaf 1 van artikel 416 van het Wetboek van vennootschappen, waarin thans de minderheidsvordering in een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is geregeld, bepaalt : « Een vordering tegen de bestuurders, kan voor rekening van de vennootschap door minderheidsvennoten worden ingesteld. Deze minderheidsvordering wordt voor rekening van de vennootschap ingesteld door één of meer vennoten die, op de dag waarop de algemene vergadering zich uitspreekt over de aan de bestuurders te verlenen kwijting, effecten bezitten die ten minste 10 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de op die dag bestaande effecten, of op diezelfde dag effecten bezitten die een gedeelte van het kapitaal vertegenwoordigen ter waarde van ten minste 1 250 000 EUR. De vordering kan slechts worden ingesteld door personen die de kwijting niet hebben goedgekeurd en door personen die de kwijting wel hebben goedgekeurd maar waarvan blijkt dat zij ongeldig is ». B.7.
- Noch het Wetboek van vennootschappen, noch enige andere wetsbepaling voorziet in een soortgelijke minderheidsvordering ten gunste van de minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid. B.8.
- Volgens de Ministerraad zou het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium berusten en redelijk verantwoord zijn, gelet op de onbeperkte dan wel de beperkte aansprakelijkheid van de vennoten of van de aandeelhouders : de vennoten of de aandeelhouders van een vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid zijn hoofdelijk gehouden voor al hun bezittingen, terwijl die van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid slechts zijn gehouden tot beloop van hun inbreng. Met de invoering van de minderheidsvordering zou de wetgever, volgens de Ministerraad, de bedoeling hebben gehad 12 de personen te beschermen die in een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid hebben geïnvesteerd, maar niet het bestuur over zulk een vennootschap voeren. Bijgevolg zou de minderheidsvordering zijn ingevoerd om bepaalde vennoten of aandeelhouders te beschermen tegen de fouten van degenen die het bestuur van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in handen hebben. B.8.
- Uit de in B.5 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juli 1991 waarbij de minderheidsvordering in de nv en de bvba werd ingevoerd, blijkt dat aldus aan de minderheidsaandeelhouders of de minderheidsvennoten de mogelijkheid wordt geboden zich in de plaats te stellen van de in gebreke gebleven meerderheid en de verdediging op zich te nemen van de belangen van de vennootschap waarvoor die meerderheid niet is opgekomen (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1107-1, p. 29). Door ten gunste van die minderheidsaandeelhouders of die minderheidsvennoten in een minderheidsvordering te voorzien, kunnen dezen, voor rekening van de vennootschap, een aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders of de zaakvoerders instellen, inzonderheid in het geval van stilzitten of van weigering van de meerderheid van de algemene vergadering van de betrokken vennootschap om in voorkomend geval zulk een vordering in te stellen. B.8.
- Uit de in B.6 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 1991 blijkt dat de wetgever inzonderheid beoogde te vermijden dat van de soepele vormvoorwaarden die voor de coöperatieve vennootschappen golden, misbruik zou worden gemaakt om bepaalde regelgevingen inzake het vennootschapsrecht en het sociaal recht te omzeilen. In dat verband viseerde de wetgever hoofdzakelijk de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Tijdens dezelfde parlementaire behandeling werd naar aanleiding van een mondeling amendement van de vertegenwoordiger van de bevoegde minister een tekst aangenomen ten gevolge waarvan een minderheidsvordering in de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid werd ingevoerd. De verantwoording waarom zulk een minderheidsvordering in een cvba werd ingevoerd, lijkt enkel te zijn gelegen in een eerder engagement van de Regering om de wetgeving inzake de cvba te harmoniseren met die inzake de nv en de bvba. Een verantwoording waarom niet in een minderheidsvordering in een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid wordt voorzien, is in die parlementaire voorbereiding niet voorhanden. 13 B.8.
- De argumentatie van de Ministerraad om het in het geding zijnde verschil in behandeling te verantwoorden, vindt bijgevolg geen steun in de voormelde parlementaire voorbereiding van de wetten van 18 en 20 juli
- Het onderscheid tussen vennootschappen met rechtspersoonlijkheid naargelang zij met beperkte dan wel met onbeperkte aansprakelijkheid zijn, maakt geen objectief en pertinent criterium uit om enkel ten gunste van de minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid - en niet ten gunste van de minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid - in de mogelijkheid te voorzien om een minderheidsvordering in te stellen. B.
- Door ten gunste van de minderheidsaandeelhouders of de minderheidsvennoten in een minderheidsvordering te voorzien, kunnen dezen, voor rekening van de vennootschap, een aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders of de zaakvoerders instellen, inzonderheid in het geval van stilzitten of van weigering van de meerderheid van de algemene vergadering van de betrokken vennootschap om een dergelijk initiatief te nemen. Het is redelijkerwijze niet verantwoord die mogelijkheid enkel aan de minderheidsaandeelhouders of de minderheidsvennoten van een nv, een bvba of een cvba toe te kennen en die te ontzeggen aan de minderheidsvennoten van een cvoa. Zulks geldt des te meer nu de minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap, terwijl de minderheidsvennoten van onder meer een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid slechts ten belope van hun inbreng voor de schulden van de vennootschap instaan (artikel 352 van het Wetboek van vennootschappen), zodat de minderheidsvennoten van een cvoa in voorkomend geval een groter vermogensrechtelijk risico lopen bij eventuele fouten van hun zaakvoerders dan de minderheidsvennoten van een cvba. Bovendien stelt het Hof vast dat in de Europese coöperatieve vennootschap een minderheidsvordering kan worden ingesteld tegen de bestuurders, de leden van de directieraad en de leden van de raad van toezicht (artikel 993 van het Wetboek van vennootschappen). 14 B.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het in de prejudiciële vragen aangeklaagde verschil in behandeling discriminerend is, ten gevolge van het ontbreken van een wettelijke regeling op grond waarvan de minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid een minderheidsvordering kunnen instellen, vergelijkbaar met die welke de minderheidsvennoten of minderheidsaandeelhouders van, onder meer, een bvba, een cvba of een nv kunnen instellen. B.
- De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De ontstentenis van de mogelijkheid voor de minderheidsvennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid om een minderheidsvordering in te stellen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div