id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.104 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20100916.8 Arrest- Rolnummer: 104/2010 Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-09-20 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid dat de geadopteerde, in het in die bepaling bedoelde geval, zijn naam behoudt door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de adoptant. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Adoptie PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Burgerlijk recht - Afstamming - Adoptie - Adoptie van het kind van de echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht - Naam van de geadopteerde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 353-2,§2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4869 en 4870 Arrest nr. 104/2010 van 16 september 2010 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee arresten van 2 februari 2010 in zake de procureur-generaal tegen respectievelijk N. M.N. en G.D., waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 15 februari 2010, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het bepaalt dat ‘ als iemand het kind of het adoptief kind van zijn echtgenoot van hetzelfde geslacht of van de persoon van hetzelfde geslacht met wie hij samenleeft adopteert, […] deze laatste en de adoptant voor de rechtbank in onderlinge overeenstemming [verklaren] wie van beiden zijn naam aan de geadopteerde zal geven ’, zonder de mogelijkheid te overwegen dat de geadopteerde zijn naam behoudt en die laat voorafgaan of laat volgen door de naam van de adoptant, terwijl die mogelijkheid bestaat in geval van adoptie, door een man, van het kind of het adoptief kind van zijn echtgenote of van de persoon van het andere geslacht met wie hij samenwoont, alsmede in geval van gelijktijdige adoptie door twee echtgenoten of samenwonenden, ongeacht of zij van verschillend of van hetzelfde geslacht zijn ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4869 en 4870 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - N. M.N.; - G.D.; - de Ministerraad. N. M.N., G.D. en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 juli 2010 : - zijn verschenen : . Mr. C. Henricot, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. S. Sarolea, advocaat bij de balie te Nijvel, voor N. M.N en G.D.; . Mr. J. Bourtembourg tevens loco Mr. N. Fortemps, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil G.D. en N. M.N. wonen sinds 1998 samen en zijn sinds 12 september 2005 gehuwd. Zij hebben elk een kind. C.M., geboren in 2005, is de zoon van N. M.N., en C.D., geboren in 2004, is de dochter van G.D. Bij verzoekschriften die op 14 februari 2008 zijn ingediend, hebben zij elk aan de Jeugdrechtbank te Brussel gevraagd om de gewone adoptie van het kind van hun echtgenote tot stand te brengen, en te bepalen dat beide kinderen voortaan dezelfde dubbele naam zullen dragen, « D.-M.N. », die is samengesteld uit hun twee namen. Bij vonnissen van 22 oktober 2009 heeft de Rechtbank die verzoeken ingewilligd. De procureur des Konings te Brussel heeft hoger beroep ingesteld tegen die twee vonnissen. Die beroepen beperken zich tot de problematiek van de naamswijziging van de geadopteerde kinderen, waarbij de verzoekschriften ertoe strekken dat, in beide gevallen, de geïntimeerde en haar echtgenote worden verzocht om in onderlinge overeenstemming, overeenkomstig artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, te kiezen wie van beiden haar naam aan elk kind zal geven. Het Hof van Beroep stelt vast dat elk kind, met toepassing van die bepaling, ofwel de naam van zijn biologische moeder, ofwel de naam van zijn adoptiemoeder zou moeten dragen, maar niet een naam die is samengesteld uit die twee namen. Voor het Hof zetten de geïntimeerden uiteen dat zij samen hebben besloten om kinderen te hebben en om het kind van hun echtgenote te adopteren, zodat de kinderen voortaan broer en zus zijn en met hun moeders een gezin vormen, en dat het in die context belangrijk is dat zij dezelfde familienaam hebben. Het Hof van Beroep stelt vast dat het in andere gevallen van gewone adoptie mogelijk is voor de geadopteerde om zijn oorspronkelijke naam te behouden en die bij de naam van de adoptant te voegen. Het leidt daaruit af dat de in het geding zijnde bepaling, indien zij in die zin moet worden geïnterpreteerd dat zij in het bij het Hof aanhangig gemaakte geval niet toestaat dat de geadopteerde zijn naam behoudt door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de adoptant, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zou kunnen schenden. Bijgevolg stelt het in elke zaak de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- N. M.N. en G.D., geïntimeerden voor het verwijzende rechtscollege, doen gelden dat de regels voor het toekennen van de naam in geval van adoptie het, in verschillende andere gevallen dan dat waarin hun kinderen zich bevinden, mogelijk maken om de oorspronkelijke naam van het kind en de naam van de adoptant naast elkaar te plaatsen. Dat is immers mogelijk in geval van adoptie, door een man, van het kind of adoptief kind van zijn echtgenote of van zijn samenwonende vrouwelijke partner, in geval van adoptie door een paar van verschillend geslacht of door een alleenstaand persoon, en in geval van gelijktijdige adoptie door twee personen van hetzelfde geslacht. In geval van adoptie, door een persoon, van het kind van zijn echtgenoot van hetzelfde geslacht, is het daarentegen niet mogelijk om aan het kind een dubbele naam te geven die is samengesteld uit zijn oorspronkelijke naam en de naam van de adoptant. Zij merken op dat in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling niets wordt vermeld over dat verschil in behandeling, en besluiten daaruit dat het om een vergetelheid of een vergissing van de wetgever moet gaan. A.1.
- N. M.N. en G.D. zetten uiteen dat zij voor het Hof van Beroep hebben gevraagd dat de in het geding zijnde bepaling wordt geïnterpreteerd naar analogie van de andere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de naam van de geadopteerde regelen, en dat de mogelijkheid om beide namen naast elkaar te plaatsen wordt erkend. Zij zijn van mening dat indien artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek niet in die zin wordt geïnterpreteerd, de toepassing ervan discriminerend is ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voegen daaraan toe dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij de paren van hetzelfde geslacht meer raakt dan de 4 paren van verschillend geslacht, eveneens discriminerend moet worden geacht, gezien de wil van de Belgische wetgever om dat onderscheid inzake adoptie af te schaffen. A.1.
- De tussenkomende partijen zijn ten slotte van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij het hun niet mogelijk maakt om hun twee namen naast elkaar te plaatsen om de naam van hun kinderen te vormen, in strijd is met het hogere belang van hun kinderen en bijgevolg de artikelen 2 en 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind schendt. A.2.
- De Ministerraad zet uiteen dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de adoptie twee opeenvolgende hervormingen hebben ondergaan. Eerst is de aangelegenheid bij de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie herzien. Die wet heeft adoptie mogelijk gemaakt voor samenwonenden van verschillend geslacht. Vervolgens heeft de wet van 18 mei 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, de adoptie van een kind door twee personen van hetzelfde geslacht mogelijk gemaakt. Bij het aannemen van die twee wetten had de wetgever de wil om de situatie van de gewone adoptie door een paar van hetzelfde geslacht op voet van gelijkheid te plaatsen met de situatie van de gewone adoptie door een paar van verschillend geslacht. A.2.
- De Ministerraad leidt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Grondwettelijk Hof af dat, ofschoon de naam van een persoon onder het toepassingsgebied van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens valt, een weigering van naamswijziging niet noodzakelijk een inmenging in het recht op het privéleven is, en dat het recht van een persoon om zijn familienaam aan een kind te geven geen grondrecht is. A.2.
- De Ministerraad is van mening dat de in de prejudiciële vraag aangeklaagde situatie niet kan worden vergeleken met die welke voortvloeit uit een gelijktijdige adoptie door een paar dat wordt gevormd door personen van verschillend geslacht (artikel 353-1, § 1, van het Burgerlijk Wetboek) of door een paar van hetzelfde geslacht (artikel 353-1, § 2, van het Burgerlijk Wetboek), aangezien er in die twee gevallen nooit een mogelijkheid voor de geadopteerde is om de namen te dragen van de twee personen die hem gelijktijdig adopteren. Hij merkt eveneens op dat artikel 353-2, § 1, een situatie betreft waarin de personen van verschillend geslacht zijn. A.2.
- De Ministerraad doet gelden dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat niet is overwogen om de algemene regels inzake naamgeving te wijzigen en de dubbele naamgeving in te voeren, maar dat het integendeel de bedoeling was te blijven aanleunen bij de regeling inzake naamgeving die geldt voor de biologische afstamming. Hij verduidelijkt dat de keuze tussen de naam van de ouder van het kind en die van zijn adoptant, die de echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht als de ouder is, werd opgelegd teneinde een discriminatie te vermijden ten aanzien van de kinderen van wie de juridische afstamming overeenstemt met de biologische afstamming en die de dubbele naam van hun ouders niet kunnen dragen. Hij is ten slotte van oordeel dat het criterium waarop het verschil in behandeling berust tussen de adoptie, door een persoon, van het kind van zijn echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht en de adoptie, door een persoon, van het adoptief kind van zijn echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht objectief en relevant is ten opzichte van het door de wetgever nagestreefde doel dat erin bestond geen buitensporige keuzemogelijkheden voor de naam van de geadopteerde te bieden in vergelijking met de personen van wie de naam wordt toegekend in het kader van een biologische afstamming. A.3.
- N. M.N. en G.D. antwoorden dat de familienaam een element is dat behoort tot de identiteit van het kind, en dat hij bijgevolg zowel van zijn recht op het privéleven als van zijn recht op het gezinsleven deel uitmaakt. Te dezen kan de werkelijke identiteit van de kinderen niet worden ontkend, en met name in hun situatie die bijzonder is, is het in hun eigen belang dat hun naam die identiteit weerspiegelt. Zij verduidelijken dat zij niet hun recht om hun naam door te geven verdedigen, maar wel het recht van hun kinderen om een naam te dragen die overeenstemt met hun werkelijke identiteit. Zij zijn van mening dat die situatie niet vergelijkbaar kan worden geacht met die situaties waarin de gewoonte van de voorrang van de naam van de vader kan worden toegepast. Zij wijzen met nadruk erop dat de betrokken kinderen aan hun oorspronkelijke naam gewend zijn en hem wensen te behouden, maar dat hun hogere belang vereist dat zij dezelfde naam dragen, aangezien zij tot hetzelfde gezin behoren. Zij beklemtonen dat de wetgever zelf in de eenheid van naam in een zelfde gezin heeft voorzien, aangezien de bij de eerste adoptie gekozen naam wordt opgelegd bij de latere adopties binnen hetzelfde paar (artikel 353-4bis van het Burgerlijk Wetboek). 5 A.3.
- De tussenkomende partijen wijzen erop dat zij, in tegenstelling tot wat de Ministerraad lijkt te beweren, nooit hebben aangevoerd dat het mogelijk was om bij een adoptie door echtgenoten van hetzelfde geslacht een naam te geven die is samengesteld uit de namen van beide adoptanten. Zij beweren niet dat hun situatie vergelijkbaar is met die van de gelijktijdige adoptie door personen van hetzelfde geslacht in zoverre die personen beiden hun naam aan het geadopteerde kind zouden kunnen geven, maar wel dat er een gelijkenis met die situatie bestaat in zoverre de geadopteerde zelfs in dat geval zijn oorspronkelijke naam kan behouden door de naam van de persoon die hem adopteert ernaast te plaatsen. Ten slotte betwisten zij het argument van de Ministerraad waarin wordt aangegeven dat de wetgever bij de voor de biologische afstamming geldende regeling heeft willen blijven aanleunen, aangezien de doelstelling om de voorrang van de naam van de man in acht te nemen op geen enkele wijze relevant is wanneer het om een adoptie binnen een paar van hetzelfde geslacht gaat. A.3.
- N. M.N. en G.D. voeren eveneens aan dat de bepaling, in zoverre zij meer de paren van hetzelfde geslacht dan de paren van verschillend geslacht raakt, discriminerend moet worden geacht, gezien de wil van de Belgische wetgever om dat onderscheid af te schaffen, alsook gezien de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.
- De Ministerraad herhaalt dat de door de partijen vergeleken situaties verschillend zijn, en brengt in herinnering dat de wetgever niet heeft gewild dat de geadopteerde kinderen de dubbele naam van hun beide ouders kunnen dragen teneinde geen verschil in behandeling teweeg te brengen met de kinderen van wie de toekenning van de naam bij artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek wordt geregeld. Hij brengt in herinnering dat in de gevallen waarin de geadopteerde een dubbele naam kan dragen, die hoe dan ook is samengesteld uit de familienaam die hij op grond van een voorafgaande afstamming bezit en uit de familienaam van een van zijn adoptanten. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 353-2, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt : « Als iemand het kind of het adoptief kind van zijn echtgenoot van hetzelfde geslacht of van de persoon van hetzelfde geslacht met wie hij samenleeft adopteert, verklaren deze laatste en de adoptant voor de rechtbank in onderlinge overeenstemming wie van beiden zijn naam aan de geadopteerde zal geven. Van die verklaring wordt melding gemaakt in het vonnis ». Die bepaling betreft enkel de gewone adoptie. B.
- De verwijzende rechter vergelijkt de situatie van de in die bepaling bedoelde geadopteerde, die maar één naam kan dragen - ofwel die van zijn ouder, ofwel die van de persoon die hem adopteert -, met de situatie van de geadopteerden die, krachtens andere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, de mogelijkheid hebben om hun oorspronkelijke naam te behouden door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de persoon die de gewone adoptie verricht. 6 Artikel 353-1, § 1, dat de basisregels vermeldt met betrekking tot de naam van de persoon die het voorwerp van een gewone adoptie uitmaakt, bepaalt : « De adoptie verleent aan de geadopteerde in plaats van zijn naam, die van zijn adoptant of bij gelijktijdige adoptie door twee echtgenoten of samenwonenden, die van de man. De partijen kunnen evenwel de rechtbank vragen dat de geadopteerde zijn naam behoudt, voorafgegaan of gevolgd door die van de adoptant of van de adopterende man. […] ». B.
- Andere bepalingen voorzien in een soortgelijke mogelijkheid in geval van gewone adoptie in bepaalde bijzondere situaties. Aldus heeft het kind dat gelijktijdig door twee personen van hetzelfde geslacht is geadopteerd, de mogelijkheid om zijn oorspronkelijke naam te behouden, door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van een van beide adoptanten, door hen bepaald (artikel 353-1, § 2). Het kind dat een eerste maal door een vrouw is geadopteerd, dat vervolgens het voorwerp uitmaakt van een tweede adoptie door de echtgenoot of samenwonende partner van zijn adoptiemoeder, en het kind dat het voorwerp van een nieuwe adoptie uitmaakt, kunnen, voor of na de naam van de nieuwe adoptant, naar gelang van het geval, ofwel hun oorspronkelijke naam, ofwel de naam van de vorige adoptant behouden (artikel 353-2, § 1). Het kind dat een eerste maal is geadopteerd, dat vervolgens het voorwerp uitmaakt van een nieuwe adoptie door de echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht als zijn adoptieouder, kan eveneens, naast de naam van de nieuwe adoptant, naar gelang van het geval, ofwel zijn oorspronkelijke naam, ofwel de naam van de vorige adoptant behouden (artikel 353-2, § 2, tweede lid). B.
- Met uitzondering van het geval van de adoptie, door een vrouw, van het kind van haar echtgenoot of samenwonende partner, dat geen enkele weerslag op de naam van de geadopteerde heeft (artikel 353-4), heeft het kind dat het voorwerp van een gewone adoptie uitmaakt, steeds de mogelijkheid een naam te dragen die is samengesteld uit de naam van de adoptant of van een van de adoptanten en zijn oorspronkelijke naam (of de naam van de eerste adoptant in geval van opeenvolgende adopties), behalve in het in de prejudiciële vraag bedoelde geval, namelijk wanneer de adoptie tot stand wordt gebracht door de echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht als zijn ouder. Met andere woorden, in alle gevallen waarin de gewone adoptie het toekennen van de naam van de adoptant aan de 7 geadopteerde met zich meebrengt, kunnen de partijen aan de rechtbank vragen dat de geadopteerde zijn vorige naam (of een van zijn twee vorige namen in geval van een tweede adoptie) behoudt door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de adoptant, behalve in het in de prejudiciële vraag bedoelde geval. B.
- De in het geding zijnde bepaling is in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij artikel 4 van de wet van 18 mei 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, teneinde de adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken. In de verantwoording van het amendement waaruit die tekst is ontstaan, wordt geen enkele toelichting gegeven over de onmogelijkheid - in dat geval - voor de geadopteerde om de naam van de adoptant te laten voorafgaan of te laten volgen door zijn oorspronkelijke naam. De auteurs van het amendement lijken zich overigens niet bewust te zijn geweest van het op dat vlak teweeggebrachte verschil tussen de kinderen die zijn geadopteerd door de echtgenoot of de partner van hetzelfde geslacht als hun ouder (hypothese van artikel 353-2, § 2) en de kinderen die gelijktijdig door twee personen van hetzelfde geslacht zijn geadopteerd (hypothese van artikel 353-1, § 2), voor wie de wet bepaalt dat « de partijen […] evenwel de rechtbank [kunnen] vragen dat de geadopteerde zijn naam behoudt, voorafgegaan of gevolgd door » de overeenkomstig paragraaf 2, eerste lid, gekozen naam, namelijk de naam van een van beide adoptanten. In de verantwoording van het amendement waarbij artikel 353-2, § 2, is ingevoerd, wordt immers uiteengezet dat dat amendement « de toekenning van de naam [regelt] in geval van een adoptie van het kind of het adoptief kind van de echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft, op dezelfde wijze als in het vorige amendement is bepaald », waarbij artikel 353-1, § 2, werd ingevoerd (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0664/002, p. 5). Daarenboven vroeg de afdeling wetgeving van de Raad van State zich af « waarom het in artikel 353-2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek vermelde geval, in het amendement niet in ogenschouw wordt genomen » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0393/002, p. 89). B.
- Artikel 347 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd bij de wet van 22 maart 1940 op de aanneming van een kind, bepaalde dat de geadopteerde door de adoptie de naam van de adoptant verkreeg, die aan de eigen naam van de geadopteerde werd toegevoegd. De naam van de adoptant kon, indien de partijen daarmee instemden, de naam van de geadopteerde eveneens zonder meer vervangen. Bij het begin van het invoeren van de gewone adoptie zoals zij thans is gekend, was het beginsel dus dat de geadopteerde een naam droeg die was 8 samengesteld uit zijn oorspronkelijke naam en de naam van de adoptant. Bij wijze van uitzondering op dat beginsel, konden de partijen bepalen dat de geadopteerde enkel de naam van de adoptant zou dragen. De wet van 21 maart 1969 « tot wijziging van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek, van de titels VIII en X van boek I van hetzelfde Wetboek, alsmede van de wetten op de verwerving, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit, gecoördineerd op 14 december 1932 », verving alle artikelen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de adoptie. Het nieuwe artikel 358 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde op dat ogenblik dat de geadopteerde, door de adoptie, in plaats van zijn naam, de naam van de adoptant of de naam van de adopterende man verkreeg. De partijen konden evenwel overeenkomen dat de geadopteerde zijn naam zou behouden door die te laten volgen door de naam van de adoptant of van de adopterende man. Die nieuwe bepaling keerde dus de tot dat ogenblik geldende regeling om, door als regel te voorzien in de vervanging van de naam van de geadopteerde door de naam van de adoptant. Voor de geadopteerde werd daarbij evenwel de mogelijkheid gehandhaafd om zijn naam te behouden, en die te laten volgen door de naam van de adoptant. Bij de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie werd bovendien de mogelijkheid ingevoerd om de naam van de geadopteerde te laten voorafgaan door die van de adoptant, teneinde « een grotere plaats aan de wilsautonomie » te laten, aangezien de partijen voortaan de volgorde kunnen kiezen waarin de namen van de geadopteerde en van de adoptant voorkomen (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1366/001, p. 37). B.
- In tegenstelling tot de volle adoptie, verbreekt de gewone adoptie niet alle banden van de geadopteerde met zijn oorspronkelijke familie. De adoptant is ten aanzien van de geadopteerde bekleed met de rechten van het ouderlijk gezag (artikel 353-8 van het Burgerlijk Wetboek), maar indien hij overlijdt, kunnen de moeder en de vader van het geadopteerde kind aan de jeugdrechtbank vragen dat het kind opnieuw onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst (artikel 353-10). De verplichting tot uitkering van levensonderhoud blijft bestaan tussen de geadopteerde en zijn vader en moeder, ter vervanging van dezelfde verplichting die bestaat tussen de geadopteerde en zijn adoptieouders (artikel 353-14). De geadopteerde en zijn afstammelingen behouden al hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie (artikel 353-15) en de oorspronkelijke familie wordt tot de nalatenschap geroepen van de geadopteerde die zonder nakomelingen is overleden (artikel 353-16). Ten slotte, kan de gewone adoptie, om zeer gewichtige redenen, worden herroepen (artikel 354-1). In dat geval kunnen de moeder en 9 de vader van de geadopteerde vragen dat het kind opnieuw onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst (artikel 354-2). Het behoud van die banden van de geadopteerde met de oorspronkelijke familie verantwoordt dat de wetgever, met de wijzigingen ter zake, heeft geoordeeld dat hij het de geadopteerde mogelijk moest maken om zijn naam te behouden door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de adoptant. B.
- Hoewel het juist is dat het kind dat is geadopteerd door de echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht als zijn ouder, niet uit zijn oorspronkelijke familie wordt verwijderd om in een andere familie te worden opgenomen, verschilt zijn situatie evenwel niet van onder meer die van het kind dat is geadopteerd door de man of samenwonende partner van zijn moeder of van zijn adoptiemoeder, of van die van het kind dat is geadopteerd door de echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht als zijn adoptieouder. Al die kinderen kunnen hetzelfde belang erbij hebben om na de adoptie de naam te behouden die zij vóór de adoptie droegen, en die bij de naam van de adoptant wordt gevoegd, aangezien zij dezelfde band met hun oorspronkelijke familie behouden. Het is bijgevolg niet verantwoord dat het kind dat is geadopteerd door de echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht als zijn ouder, niet de naam kan behouden die het vóór de adoptie droeg, door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de adoptant, terwijl in de andere gevallen het geadopteerde kind wel de mogelijkheid heeft om de naam te blijven dragen die de zijne was vóór de adoptie, voorafgegaan of gevolgd door de naam die ingevolge de adoptie aan het kind wordt toegekend. B.
- In zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid voor de partijen om aan de rechtbank te vragen dat de geadopteerde zijn naam behoudt door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de adoptant, is artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Aangezien de in B.9 vastgestelde leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, wanneer die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 353-2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in de mogelijkheid dat de geadopteerde, in het in die bepaling bedoelde geval, zijn naam behoudt door die te laten voorafgaan of te laten volgen door de naam van de adoptant. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.104 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div