id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.112 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101014.7 Arrest- Rolnummer: 112/2010 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-11-03 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-06-30 05:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op het testament, schendt het artikel 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Testamenten BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Handelingsonbekwaamheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. prejudiciële vraag over artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Burgerlijk recht - Erfenissen - Testament - Beschermde persoon - Machtiging van de vrederechter. # Rechten en vrijheden - Eigendomsrecht - Recht om over zijn eigendom te beschikken Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 488bis,h),§2,L1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet - 03-05-2003 - 8 - 62 ELI link Pub nr 2003009448 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4965 Arrest nr. 112/2010 van 14 oktober 2010 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 september 2009 in zake A.B. tegen C.V.G. en M.V.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 juni 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 488bis, H, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek artikel 11 van de Grondwet, in zoverre het iedere onder het stelsel van het voorlopig bewind geplaatste persoon ertoe verplicht te verzoeken om de machtiging van de vrederechter teneinde geldig een uiterste wilsbeschikking te kunnen maken ? ». Op 8 juli 2010 hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. Memories met verantwoording zijn ingediend door A.B., C.V.G. en M.V.B.. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil A.B., begunstigde van het eerste testament van M.B., haar tante, vordert de vernietiging van het latere testament waarmee haar dat voordeel is ontnomen, daar dat tweede testament aan de notaris is gedicteerd nadat M.B. onder het stelsel van het voorlopig bewind is geplaatst, zonder dat haar tante een machtiging van de vrederechter heeft verkregen, zoals bepaald in artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De begunstigden van dat tweede testament, verweerders voor de verwijzende rechter, werpen van hun kant de vraag op of die bepaling bestaanbaar is met artikel 11 van de Grondwet, ervan uitgaande dat die bepaling in het algemeen een nieuwe categorie van onbekwame personen invoert, namelijk de personen die onder het stelsel van het voorlopig bewind zijn geplaatst, zonder evenwel ermee rekening te houden dat de beschermde persoon slechts gedeeltelijk niet in staat is verklaard zijn goederen te beheren, en terwijl uiterste wilsbeschikkingen geenszins een bedreiging vormen voor zijn dagelijks leven, vermits zij geen enkele uitwerking hebben vóór het overlijden. De verwijzende rechter heeft bijgevolg beslist de door de verzoekers voorgestelde vraag te herformuleren en de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- In hun conclusies, opgemaakt met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers verwezen naar het arrest nr. 147/2009, waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het van toepassing is op het testament, niet in strijd was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 3 De rechters-verslaggevers hebben dus voorgesteld de prejudiciële vraag op dezelfde wijze te beantwoorden. A.
- In haar memorie met verantwoording schaart de eiseres voor de verwijzende rechter zich achter het advies van de rechters-verslaggevers en is zij van mening dat de onderhavige prejudiciële vraag op dezelfde wijze als in het arrest nr. 147/2009 zou kunnen worden beantwoord. A.
- In hun memorie met verantwoording zijn de verweerders voor de verwijzende rechter van mening dat de onbekwaamheid om zijn goederen te beheren, geenszins betekent dat men niet bekwaam is zijn wilsbeschikking te uiten in een testament, dat geen enkel onmiddellijk gevolg heeft en dus de schuldeisers, noch de erflater zelf, noch de reservataire erfgenamen enigszins benadeelt. Zij zijn van mening dat de maatregel waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet onevenredig is en daardoor in strijd is met de vrijheid om te testeren, daar de bescherming van de niet-reservataire erfgenamen niet onder het algemeen belang valt. Ten slotte zijn zij van mening dat het Hof, in het voormelde arrest nr. 147/2009, het in dit geding opgeworpen verschil in behandeling niet heeft onderzocht. -B- B.
- Artikel 488bis, h), § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het werd ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 3 mei 2003 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren », bepaalt : « De beschermde persoon kan slechts geldig schenken onder levenden of een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsgeschiktheid van de beschermde persoon. De vrederechter mag de machtiging om te schenken weigeren indien de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden door de schenking behoeftig dreigen te worden. De bepalingen van de artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. In afwijking van artikel 1026, 5°, van hetzelfde Wetboek, volstaat de handtekening van de verzoeker. De vrederechter kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen [lees : beschermde] persoon. De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in en kan eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, oproepen bij gerechtsbrief om door hem in raadkamer te worden gehoord. Hij roept in ieder geval de voorlopige bewindvoerder op in geval van schenking. De procedure van artikel 488bis, b), § 6, is van overeenkomstige toepassing ». B.
- Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de motivering van zijn beslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vraag, blijkt dat het Hof wordt 4 verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met artikel 11 van de Grondwet, van artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het van toepassing is op het testament. B.3.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.3.
- Het recht om over zijn eigendom te beschikken vormt een fundamenteel element van het eigendomsrecht (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 63). B.
- Artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek verbiedt een categorie van personen om bij testament over hun eigendom te beschikken zonder voorafgaande machtiging van een rechter. Het vormt bijgevolg een reglementering van het gebruik van de eigendom in de zin van het tweede lid van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Er dient te worden onderzocht of de inbreuk op het eigendomsrecht in een redelijk verband van evenredigheid staat tot een doelstelling van algemeen belang. De in het geding zijnde bepaling zou niet voldoen aan die voorwaarde indien ze het billijke evenwicht verbreekt tussen de vereisten van het algemeen belang en de imperatieven van de vrijwaring van de grondrechten van het individu door op de betrokken personen « een bijzondere en buitensporige last » te doen wegen (EHRM, 27 november 2007, Hamer t. België, § 77). 5 B.6.
- De in de in het geding zijnde bepaling beoogde beschermde persoon is een meerderjarige « die, wegens zijn gezondheidstoestand » wordt beschouwd als « geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn goederen te beheren » (artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek) en die met het oog op de bescherming daarvan over een voorlopige bewindvoerder beschikt die tot taak heeft « de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan » (artikel 488bis, f), § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Een testament is een akte waarbij een persoon om niet over zijn goederen beschikt (artikel 893 van het Burgerlijk Wetboek). Het gaat om een « akte waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen » (artikel 895 van het Burgerlijk Wetboek). De in het geding zijnde bepaling, die tot doel heeft een persoon die zich in een zwakke positie bevindt te beschermen, beoogt een doelstelling van algemeen belang. B.6.
- De in het geding zijnde bepaling verbiedt de erin beoogde personen niet over hun goederen te beschikken bij testament, maar zij maakt de geldigheid van die akte afhankelijk van het verkrijgen van een voorafgaande machtiging van de vrederechter. De aanvraag tot machtiging wordt neergelegd of toegezonden aan de griffie in de vorm van een eenzijdig verzoekschrift dat niet moet worden ondertekend door een advocaat (artikel 488bis, h), § 2, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek in combinatie met artikel 1027 van het Gerechtelijk Wetboek). De machtigingsprocedure is niet openbaar (artikel 488bis, h), § 2, derde lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek in combinatie met de artikelen 1028 en 1029, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; artikel 488bis, h), § 2, vijfde lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek) en de machtigingsbeschikking is in principe uitvoerbaar bij voorraad (artikel 1029, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De vrederechter kan de machtiging om te testeren enkel weigeren indien de beschermde persoon niet over de vereiste « wilsgeschiktheid » beschikt, dit wil zeggen een « geschiktheid om een geldige rechtswil […] te vormen, te beoordelen in het licht van de geestvermogens » (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-1087/6, p. 11). 6 Hij doet uitspraak op grond van een recente « omstandige geneeskundige verklaring », opgesteld door een onafhankelijke geneesheer, en die moet worden voorgelegd door de beschermde persoon die de machtiging vraagt om te testeren (artikel 488bis, h), § 2, zesde lid, in combinatie met artikel 488bis, b), § 6, van het Burgerlijk Wetboek) en na alle dienstige inlichtingen te hebben ingewonnen (artikel 488bis, h), § 2, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Hij kan bovendien het advies vragen van een geneesheer-deskundige over de gezondheidstoestand van de beschermde persoon en al diegenen horen die, volgens hem, hem kunnen inlichten (artikel 488bis, h), § 2, vierde en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek). B.6.
- Voor het overige dient, ten aanzien van de vereiste van een voorafgaande machtiging van de vrederechter voor de beschikkingen bij testament van de onder het stelsel van het voorlopig bewind geplaatste personen, geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de beschermde persoon gedeeltelijk of geheel niet in staat zou zijn zijn goederen te beheren, daar de voorafgaande machtiging van de rechter precies tot doel heeft na te gaan en vast te stellen of de beschermde persoon in staat is bij testament over zijn goederen te beschikken. B.
- Bijgevolg staat de in het geding zijnde maatregel in een redelijk verband van evenredigheid tot de nagestreefde doelstelling en voert hij geen onverantwoord verschil in behandeling in. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op het testament, schendt het artikel 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 14 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.112 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div