id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.114 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101021.1 Arrest- Rolnummer: 114/2010 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-11-03 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-30 18:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 335, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Naam - Naamsverandering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei. Burgerlijk recht - Afstamming - Toekenning van de naam - Verandering van naam - Afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 335,§3 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4836 Arrest nr. 114/2010 van 21 oktober 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 14 december 2009 in zake Nicolas Lemestre tegen Angélique Mottoulle, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 december 2009, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 335, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het de wijziging van de familienaam van het kind jonger dan één jaar dat met toepassing van artikel 329bis van het Burgerlijk Wetboek de plano door zijn vader mag worden erkend, onderwerpt aan de willekeurige toestemming van zijn moeder, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien het kind dat binnen het huwelijk is geboren en de familienaam van de vader draagt, bij een betwisting van vaderschap bedoeld in artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek waarop de wetgever zich heeft geïnspireerd om de in artikel 329bis van het Burgerlijk Wetboek opgenomen spilleeftijd vast te stellen, die familienaam automatisch verliest teneinde zijn familienaam in overeenstemming te brengen met zijn afstamming ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Nicolas Lemestre, wonende te 4219 Wasseiges, rue du Tilleul 7; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 september 2010 : - zijn verschenen : . Mr. F. Degroot, advocaat bij de balie te Luik, voor Nicolas Lemestre; . Mr. J. Bourtembourg en Mr. J. Markey, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Na te zijn ingegaan op het verzoek tot erkenning van het vaderschap van Nicolas Lemestre, waartegen de moeder van het kind, Angélique Mottoulle, zich niet had verzet, moet de verwijzende rechter zich uitspreken over het verzoek van Nicolas Lemestre om zijn naam toe te kennen aan zijn dochter. Luidens artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek behoudt het kind de naam van zijn moeder indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, behalve indien de vader en de moeder samen verklaren dat het kind de naam van zijn vader zal dragen. Angélique Motoulle verzet zich evenwel ertegen dat de naam van haar dochter wordt veranderd. 3 In die omstandigheden acht de verwijzende rechter het noodzakelijk die hiervoor vermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- Standpunt van Nicolas Lemestre A.
- De spilleeftijd van de nieuwe wetgeving betreffende de erkenning van vaderszijde is de leeftijd van één jaar waaronder geen enkele beoordeling van het belang van het kind is toegestaan en waarbij alleen rekening wordt gehouden met de biologische werkelijkheid. Het door de wetgever nagestreefde doel bestaat erin het verschil in behandeling tussen de afstamming binnen het huwelijk en buiten het huwelijk te milderen. Het binnen het huwelijk geboren kind geniet immers het vermoeden van vaderschap, dat het voorwerp van geen enkele opportuniteitscontrole uitmaakt. Het vaderschap van de echtgenoot van de moeder kan evenwel worden betwist gedurende één jaar na de geboorte zonder rekening te houden met het belang van het kind. In dat perspectief heeft de wetgever het noodzakelijk geacht de erkenning door de biologische vader van een kind jonger dan één jaar onvoorwaardelijk toe te staan. A.
- De gevolgen verbonden aan een vordering tot betwisting van het vaderschap of tot erkenning van het vaderschap binnen het jaar na de geboorte van het kind verschillen echter. Bij betwisting van het vaderschap oordeelt de wetgever dat het in het belang van het kind is het dragen van de familienaam te laten samenvallen met de afstamming. In dat geval zal het kind immers niet langer de naam van de echtgenoot van de vrouw dragen. Het erkende kind jonger dan één jaar zal daarentegen niet automatisch de naam van zijn vader dragen. Het betreft eveneens een discriminatie tussen de kinderen die buiten het huwelijk zijn geboren en die welke binnen het huwelijk zijn geboren, waarbij alleen die laatstgenoemden automatisch de naam van hun vader dragen. Er is geen enkele redelijke verantwoording voor het feit dat de naamsverandering, die slechts de bijzaak is van het begrip afstamming, aan striktere regels is onderworpen. A.
- Het is juist dat de toekenning van de naam van de vader niet altijd in het belang van het kind is wiens afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde. Wanneer de moeder zich daartegen zonder wettige reden verzet, kan die weigering echter redelijkerwijs als willekeurig worden beschouwd. Standpunt van de Ministerraad A.
- De in het geding zijnde bepaling stelt op algemene wijze de regels vast inzake het verkrijgen van de naam, hetgeen als een gevolg van de afstamming wordt beschouwd. Wanneer de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na die van moederszijde, wordt de naam van de vader niet automatisch toegekend. Die bepaling is verantwoord door de overweging dat een naamsverandering niet altijd in het belang van het kind is. Zo heeft de wetgever de toekenning van de naam geregeld rekening houdend met het maatschappelijk nut om aan de naam een zekere bestendigheid te geven, en tegelijk met het belang van diegene die hem draagt. Het beginsel blijft de afwezigheid van naamsverandering. De vader en de moeder kunnen evenwel samen beslissen de naam van hun kind te veranderen. Die verandering is dus niet onderworpen aan een willekeurige beslissing van de moeder, maar wel aan een gezamenlijke beslissing van de ouders, teneinde de bestaande gezinskern te beschermen. 4 A.
- De verwijzende rechter identificeert de categorieën van personen niet tussen welke de in het geding zijnde bepaling een discriminerend verschil in behandeling zou invoeren. Het blijkt evenwel dat de veronderstelde discriminatie zou voortvloeien uit het verschil in behandeling tussen het kind waarvan de afstammingen van vaderszijde en moederszijde terzelfder tijd worden vastgesteld en het kind waarvan de afstamming van vaderszijde is vastgesteld na de afstamming van moederszijde. De vraag zou dus veeleer artikel 335, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek dan artikel 335, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek in het geding brengen. De afstamming vastgesteld door erkenning van vaderschap blijft een ondergeschikte wijze van vaststelling van de afstamming, in die zin dat die alleen kan plaatshebben indien de afstamming van vaderszijde niet of niet meer is vastgesteld door de werking van de wet. Wanneer het kind jonger is dan één jaar, wordt de vordering tot erkenning van het vaderschap gegrond verklaard door uitsluitend de biologische gegevens in beschouwing te nemen. De rechter moet geen rekening houden met het belang van het kind en elke weigering om die erkenning toe te staan, zal als onrechtmatig worden beschouwd indien de aanvrager wel degelijk de biologische vader van het kind is. De vaststelling van die spilleeftijd steunt op de stelling dat een op eervolle wijze handelende vader het kind binnen het jaar van diens geboorte zal erkennen. De gunst die de wetgever toekent aan de biologische band hangt af van de snelheid waarmee de vader reageert. Die termijn van één jaar is eveneens vastgesteld teneinde de verschillen in behandeling tussen de afstamming binnen het huwelijk en die buiten het huwelijk te beperken, waarbij het binnen het huwelijk geboren kind het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot geniet dat niet het voorwerp uitmaakt van enige opportuniteitscontrole. A.
- Het Hof heeft de grondwettigheid van artikel 335, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek herhaaldelijk bevestigd. Het heeft met name geoordeeld dat het niet onredelijk was te voorzien in het gezamenlijke akkoord van de vader en de moeder bij een toekenning of verandering van de naam van het kind, daar zij het meest geschikt zijn om te oordelen over het belang van het kind. Het heeft ook vastgesteld dat, wanneer de ouders geen akkoord bereiken, de aan het kind toegekende naam kon worden behouden, rekening houdend met het maatschappelijk nut van de bestendigheid van de naam. Het is juist dat, in het kader van een vordering tot betwisting van het vaderschap, het verlies van de familienaam automatisch is. De succesvolle betwisting van het vaderschap van de echtgenoot door de biologische vader leidt van rechtswege tot de vaststelling van zijn vaderschap. In dat geval draagt het kind de naam van zijn moeder of, in voorkomend geval, en met naleving van artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, de naam van de persoon die het heeft erkend. De situatie van het kind wiens afstamming van vaderszijde is vastgesteld na de afstamming van moederszijde en die van het kind waarvan de afstamming van vaderszijde wordt betwist, zijn evenwel verschillend. Het betreft twee onderscheiden vorderingen, waarbij de ene een nieuwe afstammingsband vaststelt, terwijl de andere die doet verdwijnen. Evenzo verschillen de gevolgen voor de naam van het kind van de vaststelling van een afstamming van vaderszijde of van het verlies van die afstamming. In tegenstelling tot de artikelen 318 en 329bis van het Burgerlijk Wetboek heeft de wetgever de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling niet aangepast volgens de spilleeftijd van één jaar. Dat element staat immers los van de doelstellingen waarop die bepaling berust. -B- B.
- Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt op algemene wijze de regels voor de toekenning van de naam als een gevolg van de afstamming : 5 « §
- Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat of wiens afstamming van vaderszijde en van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan, draagt de naam van zijn vader. §
- Het kind wiens afstamming alleen van moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn moeder. §
- Indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd. Evenwel kunnen de ouders samen of een van hen, indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind de naam van zijn vader zal dragen. Die verklaring moet worden gedaan binnen een jaar te rekenen van de dag waarop de personen die de verklaring doen, de vaststelling van de afstamming hebben vernomen en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in artikel 319bis, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening. Van de verklaring wordt melding gemaakt op de kant van de akte van geboorte en van de andere akten betreffende het kind. §
- Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, mag er zonder zijn akkoord geen enkele verandering aan zijn naam worden aangebracht ». B.
- Artikel 329bis, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de erkenning alleen ontvankelijk mits de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat of, indien de erkenning voor de geboorte van het kind gebeurt, de moeder, vooraf daarin toestemt. Bovendien is de voorafgaande toestemming van het kind vereist, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Deze toestemming is niet vereist indien het kind onbekwaam is verklaard of zich in een staat van verlengde minderjarigheid bevindt, dan wel indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen heeft. Bij gebreke van die toestemmingen dagvaardt degene die het kind wil erkennen de personen wier toestemming vereist is voor de rechtbank. De partijen worden in raadkamer gehoord. De rechtbank poogt ze te verzoenen. Indien de rechtbank de partijen tot verzoening brengt, ontvangt zij de nodige toestemmingen. Bij gebreke van verzoening wordt het verzoek verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader of moeder is. Als het verzoek een kind betreft dat op het tijdstip van de indiening van het verzoek een jaar of ouder is, kan de rechtbank bovendien de erkenning weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind. Indien tegen degene die het kind wil erkennen een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt de 6 in het vierde lid bedoelde termijn van één jaar opgeschort tot de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan. Als degene die het kind wil erkennen op grond daarvan schuldig wordt verklaard, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt het verzoek om toestemming tot erkenning verworpen ». B.
- Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist. §
- De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is. Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn. Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot. §
- Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is. De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, gegrond verklaard : 1° in de gevallen bedoeld in artikel 316bis; 2° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld; 3° wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen vast te staan. §
- De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn. 7 §
- De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen ». B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 335, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het de verandering van familienaam van een kind jonger dan één jaar dat krachtens artikel 329bis van het Burgerlijk Wetboek door zijn vader is erkend, afhankelijk maakt van de toestemming van de moeder, terwijl, wanneer goed gevolg wordt gegeven aan de betwisting van het vaderschap van de echtgenoot overeenkomstig artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek, het kind de naam van de echtgenoot van de moeder automatisch verliest. Zoals de Ministerraad opmerkt, blijkt uit de vergelijking die de verwijzende rechter maakt, dat zijn vraag betrekking heeft op de bestaanbaarheid, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, niet van het tweede lid, maar van het eerste lid van paragraaf 3 van artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek. B.5.
- De toekenning van een familienaam berust in hoofdzaak op overwegingen van sociaal nut. In tegenstelling tot de toekenning van de voornaam wordt zij door de wet bepaald. Die wet strekt ertoe, enerzijds, de familienaam op een eenvoudige en eenvormige wijze te bepalen en, anderzijds, aan die familienaam een zekere onveranderlijkheid te geven. B.5.
- Anders dan het recht om een naam te dragen, kan het recht om zijn familienaam aan zijn kind te geven niet als een grondrecht worden beschouwd. Wat de regeling van de naamgeving betreft, beschikt de wetgever derhalve over een ruime beoordelingsbevoegdheid. B.6.
- Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek is ondergebracht in het hoofdstuk betreffende de gevolgen van de afstamming. Het stelt op algemene wijze de regels van de naamgeving als gevolg van de afstamming vast. B.6.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de wetgever heeft overwogen dat de naamsverandering ten gevolge van het feit dat de afstamming van vaderszijde na de afstamming van moederszijde werd vastgesteld, strijdig 8 kan zijn met de belangen van het kind (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 305/1, pp. 17-18, en Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904-2, pp. 125-126). Op grond van die overweging heeft hij bepaald dat de naam van het kind wiens afstamming reeds van moederszijde vaststaat, in beginsel onveranderd blijft wanneer nadien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan. De wetgever heeft niettemin voorzien in de mogelijkheid om een naamsverandering door te voeren, door het afleggen van een verklaring voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. B.6.
- Gebruik makend van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, heeft de wetgever in het kader van de afstamming de naamgeving geregeld met inachtneming van de in B.5.1 uiteengezette beginselen. Het is niet onredelijk te bepalen dat, wanneer het kind de naam van zijn moeder draagt omdat de afstamming van moederszijde eerst is vastgesteld, de vervanging van die naam door die van de vader enkel nog mogelijk is op voorwaarde dat de vader en de moeder, of één van hen indien de andere overleden is, daartoe een verklaring afleggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De wetgever vermocht ervan uitgaan dat de ouders het best het belang van het kind kunnen beoordelen. Dat is het geval tot diens meerderjarigheid of ontvoogding. Het is evenmin onredelijk dat de wetgever, rekening houdend met het sociaal nut van de bestendigheid van de naam, erin heeft voorzien dat in geval van onenigheid tussen de vader en de moeder de reeds aan het kind toegekende naam onveranderd zal blijven. B.6.
- Het gegeven dat de moeder, zoals te dezen, vooraf zou hebben ingestemd met de erkenning door de vader of zich daartegen niet heeft kunnen verzetten, heeft in dat opzicht geen belang, aangezien de vaststelling van de afstamming en de naamgeving niet volledig beheerst worden door dezelfde beginselen. B.
- Het is juist dat de succesvolle betwisting van het vaderschap van de echtgenoot door de biologische vader van rechtswege leidt tot de erkenning van het kind en tot het verlies, voor dat laatste, van de familienaam van de echtgenoot van de moeder. In dat geval zal, ofschoon een nieuwe afstamming van vaderszijde is vastgesteld, het kind niettemin alleen de naam van zijn vader dragen voor zover de moeder daarmee instemt, op grond van de in het geding zijnde bepaling. Hieruit volgt dat, vanuit die invalshoek, het door de verwijzende rechter aangevoerde verschil in behandeling niet bestaat. 9 B.
- Overigens maakt de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen het mogelijk een naamsverandering te verkrijgen en zou de overheid die met die verandering is belast, niet anders kunnen dan het verzoek dat iemand tot haar richt om de naam van zijn vader te dragen, als ernstig te beschouwen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 335, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 21 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.114 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.089 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div