← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.119

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.119 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101028.1 Arrest- Rolnummer: 119/2010 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-11-04 Raadplegingen: 658 - laatst gezien 2026-07-02 01:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing blijven op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet zolang geen eindvonnis is uitgesproken, en niet op de tegenvorderingen die op die gronden worden ingeleid na die inwerkingtreding. - Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel op de vorderingen tot echtscheiding, zowel hoofdvorderingen als tegenvorderingen, die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken als op de tegenvorderingen die zijn ingediend na die inwerkingtreding. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Uitkering tot levensonderhoud (rechtspleging) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Burgerlijk recht - Echtscheiding - Uitkeringen tot levensonderhoud - Overgangsrecht - Toepassingsgebied -

  1. Hoofdvordering -
  2. Tegenvordering. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-04-2007 - 42,§2,L1 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4839 Arrest nr. 119/2010 van 28 oktober 2010 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 22 december 2009 in zake E.J. tegen D.V., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 december 2009, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  3. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 [betreffende de hervorming van de echtscheiding], aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek enkel verder van toepassing blijven op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding, die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar niet op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding, die beheerst worden door het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen de eiser in echtscheiding en de verweerder in echtscheiding ?
  4. A. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek verder van toepassing blijven, niet enkel op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar eveneens op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen, enerzijds, de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus nog de mogelijkheid hebben om, zolang de zaak wat de hoofdvordering tot echtscheiding betreft niet in beraad is genomen, zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep, een vordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de opgeheven artikelen 229 en/of 231 B.W. in te stellen bij wege van tegeneis, en, anderzijds, de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus niet de mogelijkheid hebben om nog een vordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de opgeheven artikelen 229 en/of 231 B.W. in te stellen ? B. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek verder van toepassing blijven, niet enkel op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar eveneens op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen, enerzijds, de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus niet de mogelijkheid hebben om, gebruik makend van de nieuwe echtscheidingswet, een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting op grond van het nieuwe artikel 229 B.W. in te stellen, en anderzijds, de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet geconfronteerd werden met een door hun echtgenoot 3 ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout en die aldus wel de mogelijkheid hebben om, gebruik makend van de nieuwe echtscheidingswet, een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting op grond van het nieuwe artikel 229 B.W. in te stellen ? C. Schendt artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, aldus begrepen dat de aldaar aangehaalde oude artikelen 229 en 231 (en 232) van het Burgerlijk Wetboek verder van toepassing blijven, niet enkel op de (hoofd- en tegen)vorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (en voorzover er bij de inwerkingtreding van die wet nog geen eindvonnis was uitgesproken), maar eveneens op de na de inwerkingtreding van deze wet ingeleide tegenvorderingen tot echtscheiding, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen, enerzijds, de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 een echtscheidingsvordering op grond van fout hadden ingeleid die dan nog hangende was en die aldus na deze inwerkingtreding nog geconfronteerd kunnen worden met een door hun echtgenoot ingestelde (tegen)vordering tot echtscheiding op grond van fout zelfs gesteund op tekortkomingen gepleegd na of vastgesteld na deze inwerkingtreding en, anderzijds, de gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geen echtscheidingsvordering op grond van fout hadden ingeleid, en die aldus sinds deze inwerkingtreding niet meer geconfronteerd kunnen worden met een door hun echtgenoot ingestelde vordering tot echtscheiding op grond van fout gesteund op tekortkomingen gepleegd voor of na of vastgesteld voor of na deze inwerkingtreding ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 28 september 2010 : - is verschenen : Mr. A. Poppe loco Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij dagvaarding van 22 augustus 2007 vordert een man de echtscheiding ten nadele van zijn echtgenote op grond van het vroegere artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek (overspel). Met besluiten neergelegd ter griffie op 4 september 2007, vordert de echtgenote bij wege van tegenvordering de echtscheiding ten nadele van haar man op grond van de vroegere artikelen 229 (overspel) en 231 (grove beledigingen) van het Burgerlijk Wetboek. 4 In eerste aanleg wordt de echtscheiding bij vonnis van 29 oktober 2007 ten nadele van de vrouw uitgesproken. Haar tegenvordering op grond van de vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wordt bij datzelfde vonnis verworpen. De echtgenote stelt gedeeltelijk hoger beroep in tegen dat vonnis. Zij is van mening dat haar tegenvordering ten onrechte werd verworpen. In ondergeschikte orde – voor zover het Hof van Beroep van oordeel zou zijn dat de tegenvordering te verwerpen is - vraagt zij dat aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag zou worden gesteld over de ongelijkheid die bestaat tussen een partij die de echtscheiding inleidt op grond van de vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en een partij die een tegenvordering instelt maar die zich na 1 september 2007 niet meer kan beroepen op de vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. In meer ondergeschikte orde vraagt zij de echtscheiding op grond van het nieuwe artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek (duurzame ontwrichting). In het verwijzingsarrest doet het Hof van Beroep te Brussel opmerken dat er in de rechtspraak en rechtsleer onenigheid bestaat over de vraag of na 1 september 2007 nog tegenvorderingen tot echtscheiding kunnen worden ingesteld op grond van de vroegere bepalingen, rekening houdend met artikel 42, § 2, eerste lid, van de op 1 september 2007 in werking getreden wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding. Volgens die overgangsbepaling blijven de vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op de echtscheidingsprocedures die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken. Volgens een eerste stelling kan vanaf 1 september 2007 een tegenvordering in een reeds hangende echtscheidingsprocedure enkel worden ingesteld op grond van de nieuwe bepalingen. Volgens een tweede stelling kan in een reeds hangende procedure ook na 1 september 2007 een tegenvordering op grond van bepaalde feiten overeenkomstig de vroegere artikelen 229 of 231 van het Burgerlijk Wetboek worden ingesteld. Het Hof van Beroep refereert aan het arrest nr. 100/2009 van 18 juni 2009 van het Grondwettelijk Hof in antwoord op een prejudiciële vraag over het tweede lid van artikel 42, § 2, van de wet van 27 april
  5. Het Grondwettelijk Hof oordeelde daarin dat er geen redelijke verantwoording is voor het verschil in behandeling dat door die bepaling, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, in het leven wordt geroepen tussen, enerzijds, de partij die de echtscheiding heeft verkregen op grond van de vroegere wet en die bijgevolg, zelfs in geval van fout, recht heeft op een uitkering tot levensonderhoud en, anderzijds, de partij die de echtscheiding heeft verkregen op tegenvordering. Het Hof van Beroep stelt dat de redenering van het Grondwettelijk Hof in dat arrest nr. 100/2009 uitgaat van de vaststelling dat de situatie die ten grondslag ligt zowel aan de hoofdvordering tot echtscheiding als aan de tegenvordering tot echtscheiding dezelfde is, namelijk de ontwrichting van het huwelijk van twee echtgenoten die beide de echtscheiding wensen te verkrijgen, en daaruit afleidt dat als die situatie dezelfde is, zij niet kan verantwoorden dat op de respectieve vorderingen twee verschillende regelingen worden toegepast die zowel vanuit het oogpunt van de vereisten tot het verkrijgen van de echtscheiding als vanuit dat van het verkrijgen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding verschillend zijn. Het Hof van Beroep doet opmerken dat er volgens het Grondwettelijk Hof, naast de aldus ongrondwettig bevonden interpretatie, een andere grondwetsconforme interpretatie mogelijk blijkt volgens welke ook de na 1 september 2007 ingeleide tegenvordering tot echtscheiding wordt beheerst door de vroegere echtscheidingswet. In die interpretatie is er geen probleem van discriminatoire behandeling van de eiser op hoofdeis en de eiser op tegeneis. Het Hof van Beroep heeft echter vragen bij de door het Grondwettelijk Hof gevolgde redenering en bij de gevolgen die uit dat arrest voortvloeien. Het Hof van Beroep besluit daarop de vier hiervoor geciteerde prejudiciële vragen te stellen. Het verwijzende rechtscollege preciseert dat de onder punt 1 geciteerde vraag steunt op de interpretatie van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 die volgens het Hof van Beroep overeenstemt met de ratio legis van die overgangsbepaling (de vroegere artikelen blijven van toepassing op de hoofd- en tegenvorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 maar niet op de na 1 september 2007 ingeleide tegenvorderingen, die beheerst worden door het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek). De onder punt 2 A tot C geformuleerde vragen berusten op de tweede interpretatie van die bepaling (de vroegere artikelen blijven van toepassing, niet enkel op de hoofd- en 5 tegenvorderingen tot echtscheiding die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, maar eveneens op de na 1 september 2007 ingeleide tegenvorderingen). III. In rechte -A- A.
  6. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, is de Ministerraad van mening dat artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, in de interpretatie dat een verweerder op een vordering tot echtscheiding ingeleid vóór 1 september 2007 op grond van de vroegere bepalingen een tegenvordering tot echtscheiding kan indienen op grond van diezelfde bepalingen (voor zover over de hoofdvordering nog geen eindvonnis is uitgesproken), bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Eiser en verweerder worden dan immers op dezelfde manier behandeld. De Ministerraad refereert aan het arrest nr. 100/2009 van 18 juni 2009, overweging B.7, eerste alinea. Thans is echter de vraag of er een schending is van die grondwetsbepalingen in de interpretatie dat de verweerder zijn tegeneis tot echtscheiding enkel mag doen steunen op de vroegere artikelen 229 of 231 van het Burgerlijk Wetboek als de tegeneis werd ingediend vóór 1 september 2007, en enkel op het nieuwe artikel 229 vanaf 1 september
  7. De Ministerraad citeert het arrest nr. 100/2009 (B.4.1 - B.8) en stelt vast dat de redenering van het Grondwettelijk Hof in het verwijzingsarrest wordt bekritiseerd, onder meer « abstractie makend van het oogpunt van de onderhoudsuitkering en andere gevolgen van de echtscheiding ». Volgens de Ministerraad beperkt het Grondwettelijk Hof zich in dat arrest nr. 100/2009 niet tot de onderhoudsuitkering en andere gevolgen van de echtscheiding, aangezien het Hof het uitdrukkelijk ongrondwettig acht dat de partijen bij het geding het vervuld zijn van andere voorwaarden om de echtscheiding te verkrijgen zouden moeten aantonen (punt B.7, tweede alinea, van het arrest nr. 100/2009). De Ministerraad doet ook opmerken dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 100/2009 geen onderscheid maakt tussen het eerste en het tweede lid van artikel 42, § 2, van de wet van 27 april
  8. De Ministerraad besluit dat de eerste prejudiciële vraag al een antwoord kreeg in het bovenvermelde arrest, en derhalve geen antwoord meer behoeft. A.2.
  9. Wat de overige prejudiciële vragen betreft, is de Ministerraad in hoofdorde van mening dat de beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, nu de ene volledig onder de oude wetgeving valt en de andere volledig onder de nieuwe. A.2.
  10. In ondergeschikte orde betoogt de Ministerraad dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de datum van inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, en dat het door de wetgever gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is ten aanzien van het doel van de wet. Het gegeven dat de nieuwe wet na haar inwerkingtreding integraal van toepassing is op procedures die pas na die datum worden ingesteld, komt tegemoet aan de bedoeling van de wetgever om de nieuwe wet daadwerkelijk in werking te zien treden, wat een rechtmatige doelstelling is. Dat de vroegere wet integraal van toepassing blijft op de partijen bij een geding dat werd ingeleid vóór de inwerkingtreding van een nieuwe wet en dat nog niet werd beslecht met een eindvonnis, komt tegemoet aan de bedoeling van de wetgever om de continuïteit van de procedures te waarborgen en de rechtmatige verwachtingen van de partijen niet te schenden, wat eveneens een rechtmatige doelstelling is. Volgens de Ministerraad brengt dat verschil in behandeling geen kennelijk onevenredige gevolgen teweeg, rekening houdend met het beoogde doel. In het verwijzingsarrest wordt geen enkele indicatie gegeven over eventuele onredelijke gevolgen en de Ministerraad kan er ook geen ontwaren. 6 A.2.
  11. Wat de vraag onder punt 2 A betreft, verklaart de Ministerraad niet in te zien waarom de verweerder bij een echtscheidingsprocedure die is ingeleid na 1 september 2007 een kennelijk onevenredig nadeel zou lijden doordat hij geen tegenvordering kan instellen op grond van de vroegere artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek. De eiser kan dit dan immers ook niet meer. A.2.
  12. Wat de vraag onder punt 2 B betreft, is de Ministerraad van mening dat het gegeven dat een verweerder bij een procedure die is ingeleid vóór 1 september 2007 geen tegenvordering kan instellen op grond van het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, evenmin kennelijk onevenredig kan worden beschouwd, nu hij op dezelfde wijze wordt behandeld als de eiser. A.2.
  13. Ten slotte, wat de vraag onder punt 2 C betreft, kan volgens de Ministerraad evenmin worden ingezien waarom de eiser bij een echtscheidingsprocedure die hij heeft ingeleid vóór 1 september 2007 op een kennelijk onevenredige wijze zou worden behandeld louter doordat de verweerder een tegeneis kan instellen op grond van dezelfde bepalingen als die welke de grondslag waren van de door hemzelf ingeleide hoofdvordering. Ook hij wordt dan immers op dezelfde wijze behandeld als de tegenpartij. A.2.
  14. De Ministerraad besluit dat de eerste prejudiciële vraag geen antwoord behoeft en dat de overige vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. -B- B.
  15. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, dat bepaalt : « De vroegere artikelen 229, 231 en 232 van [het Burgerlijk] Wetboek blijven van toepassing op de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid voor de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken ». B.
  16. Die vroegere artikelen maakten het de gehuwden mogelijk om – naast de echtscheiding bij onderlinge toestemming – de echtscheiding te vorderen op grond van bepaalde feiten (overspel of gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen – artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek) of na twee jaar feitelijke scheiding (artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek). De wetgever, die beoogde de schadelijke gevolgen van die echtscheidingsprocedures voor de relaties tussen de partijen zoveel mogelijk te beperken en de schuldloze echtscheiding in te voeren, heeft de artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek vervangen door een nieuw artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de echtscheiding kan worden aangevraagd op eenvoudige vaststelling van de duurzame ontwrichting tussen de echtgenoten (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2341/001, pp. 6-7). 7 Artikel 44 van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat die wet in werking treedt op 1 september
  17. B.
  18. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. B.
  19. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.
  20. Het verwijzende rechtscollege wordt geconfronteerd met de vraag naar de ontvankelijkheid van een tegenvordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die door de echtgenote na 1 september 2007 werd ingesteld bij wege van besluiten neergelegd in een voordien door de echtgenoot ingeleide rechtspleging tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten. B.
  21. De eerste prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het verschil in behandeling dat door de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 ontstaat indien die bepaling zo wordt begrepen dat de hoofdeiser en de eiser op tegeneis de vóór 1 september 2007 ingestelde vordering tot echtscheiding kunnen doen steunen op de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek (en zolang geen eindvonnis is geveld), maar dat de verweerder, die na 1 september 2007 een tegenvordering instelt, geen beroep meer kan doen op die vroegere bepalingen. B.7.
  22. Bij zijn arrest nr. 100/2009 van 18 juni 2009 heeft het Hof geoordeeld dat dit verschil in behandeling niet in redelijkheid verantwoord is : 8 « Aangezien de situatie die ten grondslag ligt aan de vorderingen voor de rechter, dezelfde is - namelijk de ontwrichting van het huwelijk van twee echtgenoten die de echtscheiding wensen te verkrijgen -, kan zij immers niet verantwoorden dat daarop twee regelingen worden toegepast die zowel vanuit het oogpunt van de voorwaarden tot verkrijging van de echtscheiding als vanuit dat van het verkrijgen van een uitkering tot levensonderhoud verschillend zijn ». B.7.
  23. In het bovenvermelde arrest heeft het Hof doen opmerken dat de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 de bedoeling van de wetgever vertaalt om, wat betreft de lopende procedures, af te wijken van de onmiddellijke toepassing van de wet van 27 april
  24. B.7.
  25. De overweging van het verwijzende rechtscollege dat « verdedigd kan worden dat de situatie van de echtgenoot die geconfronteerd wordt met een ernstige tekortkoming aan de huwelijksplichten door zijn partner, helemaal niet dezelfde is als de situatie van de echtgenoot wiens huwelijk weliswaar ontwricht is maar die geen ernstige tekortkoming aan de huwelijksplichten door zijn partner kan inroepen », neemt niet weg dat – zoals het Hof in zijn arrest nr. 100/2009 heeft opgemerkt – de ontwrichting van het huwelijk van twee echtgenoten die de echtscheiding wensen te verkrijgen ten grondslag ligt aan hun respectieve vorderingen. Nu de wetgever, in afwijking van de gewone regels van inwerkingtreding van wetgeving, heeft gewild dat de reeds op grond van bepaalde feiten ingeleide echtscheidingsprocedures konden worden voortgezet op basis van de vroegere artikelen 229, 231 of 232 van het Burgerlijk Wetboek, is het niet verantwoord dat de ene echtgenoot die de procedure heeft ingeleid vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, na 1 september 2007 nog de echtscheiding op grond van bepaalde feiten overeenkomstig die vroegere bepalingen zou kunnen verkrijgen maar dat de andere echtgenoot zulks niet meer zou kunnen op dezelfde gronden. B.7.
  26. Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007, in de interpretatie dat de artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing blijven op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet (zolang geen eindvonnis is geveld) en niet op de tegenvorderingen die op diezelfde gronden zijn ingeleid na de inwerkingtreding van die wet, is in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 Nu de voldoende precieze en volledige vaststelling van de ongrondwettigheid zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, in de interpretatie dat de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 enkel betrekking heeft op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór 1 september 2007 (waarover nog geen eindvonnis is geveld) maar niet op de tegenvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten ingesteld na die datum, komt het aan het verwijzende rechtscollege toe de discriminatie te verhelpen door die tegenvorderingen te beoordelen in het licht van de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek, ook wanneer zij na 1 september 2007 zijn ingediend in een nog hangende echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten. B.7.
  27. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.8.
  28. De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag gaan, in tegenstelling tot de eerste prejudiciële vraag, uit van de interpretatie van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 volgens welke de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel op de vorderingen tot echtscheiding (zowel hoofdvorderingen als tegenvorderingen) die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet (zolang geen eindvonnis is geveld) als op de tegenvorderingen die na die datum (1 september 2007) zijn ingediend. B.8.
  29. In zijn arrest nr. 100/2009 van 18 juni 2009 heeft het Hof overwogen dat er in die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling geen verschil in behandeling bestaat tussen de echtgenoot die de hoofdvordering tot echtscheiding heeft ingesteld en de echtgenoot die een tegenvordering instelt. B.8.
  30. In het verwijzingsarrest wordt opgemerkt dat « voor zover bekend het Hof van Cassatie over deze controverse (nog) geen uitspraak heeft moeten doen ». Inmiddels heeft het Hof van Cassatie bij twee arresten van 12 april 2010 geoordeeld dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven op de tegenvordering die is ingediend na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op 1 september 2007, wanneer de oorspronkelijke vordering waarop zij is geënt, werd ingesteld vóór die datum (Cass., 12 april 2010, C.09.0278.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100412.6 en C.09.0378.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100412.7). 10 B.9.
  31. Met de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege te vernemen of in de interpretatie weergegeven in B.8.1 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden door het verschil in behandeling tussen, enerzijds, gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 werden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout, en die aldus nog de mogelijkheid hebben om (zolang de hangende procedure niet is beslecht bij een eindvonnis), een tegenvordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de vroegere artikelen 229 of 231 van het Burgerlijk Wetboek in te stellen - zelfs steunende op tekortkomingen gepleegd na of vastgesteld na die inwerkingtreding (vraag 2 C) -, maar die alsdan niet de mogelijkheid hebben om een vordering op grond van onherstelbare ontwrichting op grond van het nieuwe artikel 229 van dat Wetboek in te stellen (vraag 2 B) en, anderzijds, - gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet werden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout, en die aldus niet de mogelijkheid hebben om nog een vordering tot echtscheiding op grond van fout op grond van de vroegere bepalingen in te stellen (vraag 2 A); - gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 niet werden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingeleide en nog hangende echtscheidingsvordering op grond van fout, en die aldus wel de mogelijkheid hebben om een vordering tot echtscheiding in te stellen op grond van het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek (vraag 2 B); - gehuwden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geen echtscheidingsvordering op grond van bepaalde feiten hadden ingeleid, en die aldus sinds die inwerkingtreding niet meer kunnen worden geconfronteerd met een door hun echtgenoot ingestelde vordering tot echtscheiding op grond van fout steunende op 11 tekortkomingen gepleegd vóór of na of vastgesteld vóór of na die inwerkingtreding (vraag 2 C). B.9.
  32. De aangevoerde verschillen in behandeling berusten op een objectief criterium, het feit dat vóór 1 september 2007 voor een rechtbank een vordering tot echtscheiding is ingesteld op grond van de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek waarover nog geen eindvonnis is geveld. B.9.
  33. De wetgever heeft met de in het geding zijnde bepaling gewild dat voor die vorderingen of « procedures van echtscheiding » de voormelde artikelen verder van toepassing zouden blijven. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 100/2009 geoordeeld dat het niet verantwoord is dat, hoewel de ene echtgenoot die de procedure heeft ingeleid vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet na 1 september 2007 nog de echtscheiding op grond van bepaalde feiten overeenkomstig die vroegere bepalingen zou kunnen verkrijgen, de andere echtgenoot zulks niet meer zou kunnen op dezelfde gronden. Als de ene huwelijkspartner krachtens de overgangsbepaling van artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 de echtscheiding nog kan verkrijgen op grond van de vroegere bepalingen, is er geen verschil in behandeling voor zover wordt aangenomen dat de andere partner in dat geval ook de echtscheiding kan vorderen op grond van dezelfde bepalingen. Er is eveneens gelijkheid van behandeling wanneer er tussen de echtgenoten op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 geen echtscheidingsvordering hangende is : beiden kunnen na 1 september 2007 een vordering instellen op grond van de nieuwe bepaling van het Burgerlijk Wetboek. B.9.
  34. Het is niet onredelijk dat de echtgenoten na 1 september 2007 tegenover elkaar enkel een tegenvordering tot echtscheiding kunnen instellen op basis van de vroegere bepalingen wanneer op dat tijdstip nog een hoofdvordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten hangende is (vraag 2 A en partim 2 C). Het is evenmin onredelijk dat de gehuwden tegenover elkaar geen tegenvordering kunnen instellen op basis van het nieuwe artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek wanneer op dat tijdstip nog een hoofdvordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 230 en 232 van dat Wetboek hangende is (vraag 12 2 B), voor zover wordt aangenomen dat zij dan de mogelijkheid behouden om bij wege van tegenvordering de echtscheiding te vragen op grond van diezelfde bepalingen. Voorts is het evenmin onredelijk dat, zolang de ene echtgenoot de echtscheiding kan nastreven op grond van bepaalde feiten en er geen einduitspraak is geveld, ook de andere echtgenoot de echtscheiding kan vorderen op grond van bepaalde feiten - zelfs als het gaat om feiten die voortduren of dateren van na 1 september 2007 - en dat geen van beiden na 1 september 2007 nog kan worden geconfronteerd met een vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten als er voordien geen dergelijke echtscheidingsprocedure hangende was (vraag 2 C). Wanneer er op 1 september 2007 geen echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten hangende is, kunnen beide echtgenoten de echtscheiding vorderen op grond van de nieuwe bepaling van het Burgerlijk Wetboek. Aldus wordt niet op buitensporige wijze afbreuk gedaan aan het vertrouwensbeginsel. Immers, enerzijds, heeft de wetgever uitdrukkelijk gewild dat de verwachting van de eisende partij in een hangende echtscheidingsprocedure om haar vordering te zien slagen, niet zou worden miskend en, anderzijds, kon de verwerende partij in een hangende echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten niet in redelijkheid hopen dat zij vanaf de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 door middel van het instellen van een tegenvordering op grond van onherstelbare ontwrichting zou kunnen ontsnappen aan een veroordeling tot echtscheiding te haren nadele en aan de daaraan in de regel verbonden onderhoudsverplichting. B.9.
  35. De tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag dienen ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing blijven op de hoofdvorderingen tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet zolang geen eindvonnis is uitgesproken, en niet op de tegenvorderingen die op die gronden worden ingeleid na die inwerkingtreding. - Artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel op de vorderingen tot echtscheiding, zowel hoofdvorderingen als tegenvorderingen, die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken als op de tegenvorderingen die zijn ingediend na die inwerkingtreding. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 oktober
  36. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.119 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100412.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100412.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.