← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.125

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.125 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101028.7 Arrest- Rolnummer: 125/2010 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-11-04 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-06-30 05:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - PROBATIEWET - Uitstel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hasselt. Strafrecht - Opschorting, uitstel en probatie - Uitstel van strafuitvoering - Voorwaarden - Geen in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot bepaalde straffen. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1964 - 8,§1,L1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4889 Arrest nr. 125/2010 van 28 oktober 2010 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hasselt. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 3 maart 2010 in zake het openbaar ministerie en Johny Blokken, burgerlijke partij, tegen Ingo Iven, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 maart 2010, heeft de Correctionele Rechtbank te Hasselt de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 2004 [lees : 29 juni 1964] betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zoals gewijzigd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de lezing dat de beklaagde die op de datum van de ter beoordeling voorliggende feiten nog geen veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden opliep, doch die wel dergelijke veroordeling heeft op het ogenblik van de beoordeling van deze feiten door de rechtbank, niet meer in aanmerking komt voor uitstel van tenuitvoerlegging op grond van artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 2004 [lees : 29 juni 1964] betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, terwijl de beklaagde die op de datum van de ter beoordeling voorliggende feiten nog geen veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden opliep, die op het ogenblik van de beoordeling van deze feiten door de rechtbank evenmin dergelijke veroordeling heeft, doch die op dat ogenblik reeds feiten gepleegd heeft die nadien aanleiding geven tot een veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden wel nog in aanmerking zou komen voor uitstel van tenuitvoerlegging, rekening houdende met het feit dat alsdan de mogelijkheid om uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen bepaald wordt door de snelheid waarmee de feiten worden beoordeeld en de vooruitgang van de procedure ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2010 : - is verschenen : Mr. A. Poppe loco Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Ingo Iven heeft verzet aangetekend tegen een verstekvonnis van 4 februari 2009 waarbij hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden en een geldboete wegens opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht aan Johny Blokken op 17 juli 2005 en aan E.H. op 23 september

  1. 3 De beklaagde betwist niet meer de feiten ten aanzien van Johny Blokken maar wel die ten aanzien van E.H.. Hij verzoekt om een straf met uitstel van tenuitvoerlegging met toepassing van artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, krachtens hetwelk de rechtbanken een uitstel kunnen verlenen voor werkstraffen of straffen van niet meer dan vijf jaar indien de veroordeelde nog niet is veroordeeld tot een criminele straf of tot een gevangenisstraf van meer dan twaalf maanden. De Rechtbank stelt vast dat de beklaagde bij vonnis van 13 november 2006 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met uitstel voor dertig maanden en een geldboete, voor andere feiten die dateren van na de door haar te beoordelen feiten. De Rechtbank doet opmerken dat bij een letterlijke lezing van artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964 de beoordeling of een uitstel mogelijk is, geschiedt op het tijdstip waarop de rechter zijn oordeel velt en niet op het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, en dat de mogelijkheid tot uitstel dus afhankelijk is van de snelheid van de procedure. Nu de beklaagde inmiddels is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, ook al dateren de feiten die tot die veroordeling aanleiding waren van na de thans te beoordelen feiten, rijst volgens de beklaagde en de Rechtbank de vraag of artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964 in die letterlijke lezing niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en stelt de Rechtbank de hiervoor geciteerde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  2. De Ministerraad, die als enige een memorie heeft ingediend, stelt dat in deze zaak de vergelijking wordt gemaakt tussen twee categorieën van personen : - enerzijds, die beklaagden die, zoals te dezen, bepaalde feiten hebben gepleegd en daarna zijn veroordeeld tot een straf die tot gevolg heeft dat zij door de wet worden uitgesloten om in aanmerking te komen voor het uitstel van tenuitvoerlegging in de zin van artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964; - anderzijds, de beklaagden die dezelfde feiten hebben gepleegd maar nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling met als gevolg dat zij wel nog in aanmerking komen voor de gunstmaatregel waarin artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964 voorziet. De Ministerraad acht die categorieën van rechtsonderhorigen voldoende vergelijkbaar, onder een voorbehoud dat later (A.5) wordt uiteengezet. A.
  3. De Ministerraad is van mening dat er te dezen een objectief criterium van onderscheid is, namelijk het feit dat er nog geen in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor een criminele straf of een gevangenisstraf voor twaalf maanden of meer werd uitgesproken ten aanzien van de betrokkene op het ogenblik van de veroordeling voor de nieuwe feiten. A.
  4. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juni 1964 maakt de Ministerraad op dat het uitstel van tenuitvoerlegging een gunstmaatregel is die wordt toegekend indien het loutere dreigen met de uitvoering van een opgelegde straf voldoende blijkt te zijn om recidive te vermijden en om de verbetering van de veroordeelde te bewerkstelligen. A.
  5. De Ministerraad bespreekt vervolgens de gevolgen van het verschil in behandeling. Hij doet opmerken dat de toetsing van de billijkheid van de gevolgen dient te gebeuren in het licht van het feit dat het te dezen gaat over gunstmaatregelen die kunnen worden toegekend aan personen die schuldig zijn bevonden aan het begaan van misdrijven. 4 Het zou tegen de geest van de wet ingaan dat de gunst van een uitstel, die een uitzonderlijke maatregel is waarvan de rechter gebruik kan maken, nog zou worden toegekend aan personen die werden veroordeeld tot een criminele straf of een gevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, ook al was de eerste veroordeling in kracht van gewijsde gegaan nadat de beoogde feiten werden gepleegd. Overigens wordt, ook wat de opschorting van een veroordeling betreft, rekening gehouden met veroordelingen die werden opgelopen nadat de feiten werden gepleegd. Ook hier dient rekening te worden gehouden met alle reeds uitgesproken veroordelingen en dus ook met die welke werden uitgesproken na de feiten waarvoor de beklaagde wordt vervolgd. Zelfs indien de voorwaarden vooropgesteld door artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964 zouden zijn vervuld (namelijk het nog niet hebben ondergaan van een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden), dan nog rust er geen enkele verplichting op de rechter om een gunstmaatregel in een bepaalde zaak toe te kennen. Wanneer de rechter uitstel verleent, dient hij in het vonnis uiteen te zetten dat hij een afweging heeft gemaakt tussen, enerzijds, de zwaarwichtigheid van de feiten en de persoonlijkheid van de dader en, anderzijds, de nadelige effecten die de effectieve uitvoering van de straf zal hebben op de resocialisering en de reclassering van de veroordeelde. De beklaagde kan hierbij niet rechtsgeldig aanvoeren dat de rechter geen rekening mag houden met de door hem opgelopen veroordelingen die dateren van vóór of na de feiten. De rechter zal de gunstmaatregelen hoe dan ook maar toekennen als hij van oordeel is dat de beklaagde nefaste gevolgen zal moeten ondergaan die niet in verhouding staan met de aard van zijn strafbare handeling, nadat hij alle feitelijke omstandigheden heeft onderzocht. A.
  6. Volgens de Ministerraad kan er geen sprake zijn van een discriminatie ten aanzien van personen die ook al andere strafbare feiten hebben gepleegd, maar die daarvoor nog niet werden veroordeeld. Bij gebrek aan een definitieve veroordeling kunnen die feiten, gelet op het vermoeden van onschuld, immers niet als vaststaand worden beschouwd. Minstens kan er niet worden geoordeeld dat die personen reeds een misdrijf hebben gepleegd. Het vermoeden van onschuld maakt hier iedere vergelijking onmogelijk. Daarnaast is het zo dat de gevolgen voorvloeiend uit het feit dat de rechter geen rekening zou kunnen houden met veroordelingen die zijn uitgesproken nadat de feiten werden gepleegd, nefast zouden zijn wegens het mogelijke gevaar dat zij kunnen vormen voor de maatschappij. De wetgever heeft dan ook, gebruik makend van zijn discretionaire bevoegdheid, ervoor gekozen dat rekening dient te worden gehouden met alle veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan vóór de uitspraak in de desbetreffende zaak. De Ministerraad refereert ten slotte aan het arrest nr. 2/98 van 14 januari 1998 en besluit dat er te dezen geen schending kan zijn van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. -B- B.
  7. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zoals gewijzigd bij wet van 17 april 2002, dat bepaalt : « Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij tot een werkstraf of een of meer straffen van niet meer dan vijf jaar veroordelen, bij een met redenen omklede beslissing gelasten dat de tenuitvoerlegging hetzij van het vonnis of het arrest, hetzij van de hoofdstraffen of vervangende straffen dan wel van een gedeelte ervan, 5 wordt uitgesteld. De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering ». B.
  8. Met het uitstel van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen, geheel of gedeeltelijk, laat de wetgever de rechter toe om de straf die hij wil opleggen, te differentiëren, rekening houdend met de persoonlijkheid van de dader en zijn verleden, de aard van de feiten, de kans dat de dader zou hervallen en de mogelijk desocialiserende gevolgen van een tenuitvoerlegging. Het uitstel laat inzonderheid verhopen dat de dader niet zal recidiveren omdat hij anders het risico loopt dat het uitstel zou worden herroepen. De rechter is niet verplicht om een uitstel van tenuitvoerlegging van de straf toe te staan, maar dient zijn beslissing daartoe te motiveren overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van strafvordering. B.
  9. Een van de wettelijke vereisten voor het verlenen van uitstel van de tenuitvoerlegging is dat de veroordeelde nog niet mag zijn veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden. De prejudiciële vraag heeft betrekking op die voorwaarde. B.
  10. Nu de beklaagde in de zaak voor de verwijzende rechter inmiddels voor andere feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met uitstel voor dertig maanden, stelt de verwijzende rechter vast dat de beklaagde niet meer in aanmerking komt voor een nieuw uitstel, doordat de rechter zich bij een letterlijke lezing van artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 moet plaatsen op het tijdstip van zijn beoordeling en niet op het tijdstip van de feiten om te oordelen over het verlenen van uitstel. De eerdere veroordeling heeft echter betrekking op feiten die dateren van na de feiten die voor de verwijzende rechter ter beoordeling staan. De rechter vraagt of het discriminerend is dat een beklaagde die op het tijdstip van de te beoordelen feiten nog geen veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden opliep maar die op het tijdstip van de beoordeling van die feiten door de rechter inmiddels wel een dergelijke veroordeling opliep voor andere feiten, niet meer in aanmerking komt voor een uitstel van strafuitvoering, terwijl een beklaagde die op het tijdstip van de te beoordelen feiten nog geen veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf 6 maanden opliep en die op het tijdstip van de beoordeling van die feiten geen dergelijke veroordeling heeft - ook al heeft hij op dat ogenblik reeds feiten gepleegd die nadien aanleiding gaven tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden - wel nog in aanmerking kan komen voor een uitstel. De rechter doet opmerken dat de mogelijkheid om uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen alsdan wordt bepaald door de snelheid waarmee de verschillende feiten worden beoordeeld. B.
  11. Het Hof antwoordt op de prejudiciële vraag in de interpretatie die de verwijzende rechter geeft aan de in het geding zijnde bepaling. B.6.
  12. Hoewel de wetgever ervoor heeft geopteerd om, met het verlenen van een uitstel van tenuitvoerlegging van de straf, aan de rechter de mogelijkheid te bieden om de bestraffing te individualiseren, heeft hij die mogelijkheid niettemin uitgesloten voor personen die reeds zijn veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden. B.6.
  13. Het bestaan van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden op het tijdstip van de beoordeling door de rechter van de feiten waarvoor een uitstel van tenuitvoerlegging van de straf wordt overwogen, is een criterium dat adequaat is om het beoogde doel te bereiken. Het is immers pertinent om toch nog uitstel mogelijk te maken voor bepaalde feiten wanneer voor andere feiten niet bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling vaststaat dat de betrokkene ze heeft gepleegd en dat hij daarvoor tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden moet worden veroordeeld. B.6.
  14. Het is juist – zoals de verwijzende rechter doet opmerken – dat de mogelijkheid van een uitstel wordt uitgesloten wanneer er inmiddels reeds een veroordeling is tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, zelfs wanneer die veroordeling, zoals te dezen, berust op feiten van na die waarover hij dient te oordelen. Aan de doelstelling van de wetgever om personen met een zwaar gerechtelijk verleden uit te sluiten van het voordeel van het uitstel, zou evenwel afbreuk worden gedaan indien de strafrechter geen rekening zou kunnen houden met een veroordeling voor andere feiten, enkel omdat die dateren van na de feiten waarover hij nog uitspraak moet doen. In zoverre de 7 mogelijkheid van uitstel ertoe strekt het risico van recidive te beperken, is het bereiken van die doelstelling des te onwaarschijnlijker indien de dader zich inmiddels schuldig blijkt te hebben gemaakt aan andere feiten, waarvoor hij reeds een veroordeling tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden heeft opgelopen. De wetgever heeft de maatregel niettemin verzacht voor zover de verschillende feiten deel zouden uitmaken van eenzelfde misdadig opzet : het tweede lid van artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964, ingevoegd bij wet van 11 juli 1994, bepaalt immers : « Nochtans, wanneer artikel 65, tweede lid, van het Strafwetboek wordt toegepast, vormen de vroegere straffen uitgesproken voor feiten die voortvloeien uit hetzelfde misdadige opzet, geen beletsel voor het toekennen van een uitstel ». Ten slotte is het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf een maatregel die de rechter kan doch niet moet nemen, en die vooral ertoe strekt de dader te ontraden nieuwe inbreuken te plegen. De dader kan des te minder verwachten een uitstel te kunnen genieten naarmate de feiten waarover de rechter nog dient te oordelen, zijn gevolgd door nieuwe feiten waarvoor reeds een in kracht van gewijsde gegane veroordeling is uitgesproken. Hieruit volgt dat het niet zonder redelijke verantwoording is dat de wetgever de mogelijkheid om uitstel te verlenen heeft uitgesloten voor personen die op het tijdstip van de beoordeling van een strafzaak reeds zijn veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, ook al dateren de nog te beoordelen feiten van vóór die welke waarop die veroordeling betrekking heeft. B.
  15. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 oktober
  16. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.