← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.126

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.126 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101028.8 Arrest- Rolnummer: 126/2010 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-06-30 05:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, wanneer er meer dan één vordering is ingesteld, ten aanzien van de echtgenoten terugwerken tot op de dag waarop de eerste echtscheidingsvordering is ingesteld, ook wanneer bij rechterlijke beslissing daterend van vóór 1 september 2007 werd vastgesteld dat de echtgenoten zich na die eerste vordering hebben verzoend in de zin van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, schendt artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, wanneer er meer dan één vordering is ingesteld, ten aanzien van de echtgenoten niet terugwerken tot op de dag waarop de eerste echtscheidingsvordering is ingesteld, wanneer bij rechterlijke beslissing daterend van vóór 1 september 2007 werd vastgesteld dat de echtgenoten zich na die eerste vordering hebben verzoend in de zin van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, schendt artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Echtscheidingsprocedure - Aanvang van de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding - Datum van het instellen van de eerste vordering - Verzoening na die eerste vordering. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1278,L2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1284 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wet - 27-04-2007 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4893 Arrest nr. 126/2010 van 28 oktober 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 februari 2010 in zake B.F. tegen H.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 maart 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1278, tweede lid Ger. W., in de mate het zo wordt toegepast dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding ten aanzien van de echtgenoten terugwerken tot op de dag waarop de eerste echtscheidingsvordering is ingesteld wanneer er meer dan een vordering is, ongeacht of zij werd toegewezen of niet, en ongeacht of er zich tussen de echtgenoten na de inleiding van de eerste eis tot echtscheiding al dan niet een verzoening heeft voorgedaan in de zin van artikel 1284 Ger. W., zoals dit gold tot aan de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van de echtscheidingsprocedure, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding tussen de partijen volgens die interpretatie noodzakelijkerwijze zouden worden vastgesteld op de datum van de eerste echtscheidingsvordering voor alle echtgenoten, terwijl de enen hebben besloten zich te verzoenen en derhalve ook een patrimoniale solidariteit te laten herleven, terwijl de anderen een verzoening en een hervatting van de vermogensrechtelijke samenwerking hebben uitgesloten met de bedoeling zich te onttrekken aan de regels van het primaire stelsel ? ». H.B. en de Ministerraad hebben ieder een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2010 : - zijn verschenen : . Mr. S. Joncheere loco Mr. M. De Roo-Neven, advocaten bij de balie te Hasselt, voor H.B.; . Mr. F. Vandevoorde loco Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 19 december 2003 stelde H.B. een vordering tot echtscheiding in op basis van het vroegere artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek. Die vordering werd door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt gegrond verklaard bij vonnis van 3 februari 2004, bij verstek gewezen ten aanzien van B.F., die er op 21 april 2004 verzet tegen aantekende en daarbij een tegeneis tot echtscheiding inleidde op grond van het vroegere artikel 231 van het 3 Burgerlijk Wetboek. In de maand mei van 2004 hernamen de echtgenoten echter hun samenleven in de echtelijke woning. Tijdens die periode van samenleven verkochten zij het appartement dat aan de huwelijksgemeenschap toebehoorde. De partijen zijn het niet eens over het einde van die periode van samenleven. Op 14 december 2005 legde B.F. conclusies neer ter griffie waarin zij een aanvullende tegeneis tot echtscheiding inleidde. Bij conclusies van 9 augustus 2006 werd door H.B. een aanvullende hoofdeis tot echtscheiding ingeleid. Bij vonnis van 5 juni 2007 werd het verzet van B.F. ontvankelijk en deels gegrond verklaard. De oorspronkelijke hoofdeis tot echtscheiding van H.B. werd om reden van verzoening vervallen verklaard. De aanvullende hoofdeis tot echtscheiding werd ontvankelijk en gegrond verklaard. De oorspronkelijke en de aanvullende tegeneisen werden verwezen naar de bijzondere rol. Volgens de Rechtbank verwierf het echtscheidingsvonnis kracht van gewijsde op 21 juli

  1. Naar aanleiding van de boedelverdeling ontstond een geschil tussen de ex-echtgenoten over de datum waarop de echtscheiding tussen hen, wat hun goederen betreft, geacht wordt terug te werken. Volgens B.F. is die datum 19 december 2003 (datum waarop H.B. zijn oorspronkelijke vordering tot echtscheiding heeft ingeleid); volgens H.B. is die datum 9 augustus 2006 (datum waarop hij een aanvullende hoofdeis tot echtscheiding heeft ingeleid). Op 22 oktober 2008 stelde de notaris een proces-verbaal van tussengeschil op om de Rechtbank die rechtsvraag te laten beslechten. De Rechtbank stelt vast dat krachtens artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, wat de goederen van de echtgenoten betreft, terugwerkt tot op de dag waarop de vordering tot echtscheiding is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet. Zij verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 24 februari 2005 waarin werd geoordeeld dat een arrest dat de herleving van de solidariteitsband tussen de echtgenoten na het instellen van een eerste echtscheidingsvordering vaststelt, en op die grond de gevolgen van de echtscheiding tussen de echtgenoten, wat hun goederen betreft, laat terugwerken tot de tweede echtscheidingsvordering, artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt. Het Hof van Cassatie zou in dat arrest eveneens hebben geoordeeld dat er sprake is van meer dan één vordering in de zin van artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wanneer twee vorderingen tot echtscheiding tegelijkertijd bestaan. De Rechtbank stelt vervolgens vast dat in de voorliggende zaak wel degelijk twee echtscheidingsvorderingen tegelijkertijd bestonden. Op het ogenblik dat de Rechtbank in haar vonnis van 5 juni 2007 de echtscheiding tussen de partijen uitsprak op de aanvullende hoofdeis tot echtscheiding, diende immers ook de oorspronkelijke hoofdeis tot echtscheiding nog door de Rechtbank te worden beoordeeld. Ofschoon in dat vonnis de oorspronkelijke hoofdeis tot echtscheiding vervallen werd verklaard wegens verzoening, waren beide echtscheidingsvorderingen volgens de Rechtbank wel degelijk tegelijkertijd aanhangig. De Rechtbank verwijst vervolgens naar het arrest nr. 61/2009 van het Hof, waarin werd geoordeeld dat artikel 1278, tweede lid, in de interpretatie die het Hof van Cassatie in zijn arrest van 24 februari 2005 eraan heeft gegeven, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maar stelt daarbij vast dat het Hof heeft beklemtoond dat de toetsing van de in het geding zijnde bepaling werd beperkt tot de hypothese van twee echtgenoten die zich niet met elkaar hebben verzoend in de zin van het vroegere artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, maar wel het samenleven hebben hervat. Vermits de Rechtbank van oordeel is dat er te dezen wel sprake is van een verzoening in de zin van het vroegere artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, acht zij het nodig de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
  2. De Ministerraad wijst erop dat artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aanleiding heeft gegeven tot onenigheid in de rechtspraak. Hij verwijst daarbij naar een arrest van 11 juni 2002 van het Hof van Beroep te Luik, waarin werd geoordeeld dat het omwille van de billijkheid noodzakelijk was rekening te houden met een hervatting van de patrimoniale samenwerking na de indiening van een eerste vordering tot echtscheiding, en dat het 4 echtscheidingvonnis ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, bijgevolg slechts kan terugwerken tot de dag waarop de na die hervatting van de patrimoniale samenwerking ingediende vordering tot echtscheiding werd ingesteld. Dit arrest werd evenwel door het Hof van Cassatie verbroken in een arrest van 24 februari 2005, waarin werd geoordeeld dat het Hof van Beroep te Luik, door rekening te houden met de hervatting van de samenwoning, aan artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek een voorwaarde had toegevoegd welke die bepaling niet bevat, zodat die wetsbepaling was geschonden. A.1.
  3. De Ministerraad verwijst vervolgens naar een arrest van 14 mei 2008, waarmee het Hof van Beroep te Luik aan het Grondwettelijk Hof de vraag heeft gesteld of artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In het arrest nr. 61/2009 van 25 maart 2009 heeft het Hof geantwoord dat de in het geding zijnde bepaling enkel tot doel heeft de rechtszekerheid van de gewezen echtgenoten te verzekeren, op grond van de overweging, die niet zonder redelijke verantwoording is, dat wanneer een echtscheidingsprocedure is toegewezen, het op de dag van het instellen van de oorspronkelijke vordering is dat de « verdachte periode » vanuit patrimoniaal oogpunt is begonnen. A.2.
  4. De Ministerraad wijst erop dat artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, tot aan de hervorming van de echtscheidingwetgeving in 2007, bepaalde dat de rechtsvordering tot echtscheiding vervalt door de verzoening van de echtgenoten, tot stand gekomen hetzij na de feiten die deze rechtsvordering hadden kunnen rechtvaardigen, hetzij na het instellen van de vordering tot echtscheiding. Vervolgens verwijst hij naar rechtspraak van het Hof van Cassatie, volgens welke een verzoening niet kan worden aangetoond door een enkele eenzijdige handeling van de beledigde echtgenoot, noch door de loutere hervatting van het samenwonen; de verzoening zou moeten blijken uit een wilsovereenkomst van de echtgenoten, waarbij de beledigde partner vergiffenis schenkt en de schuldige dit aanvaardt, hierbij de wil uitdrukkend niet te hervallen in de vroegere vergissingen. Van deze verzoening kon door de rechter op de inleidingszitting, overeenkomstig het vroegere artikel 1258, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, proces-verbaal worden opgemaakt, maar zij kon ook « tussenkomen buiten elke instantie », in welk geval het bestaan ervan, indien nodig, aan de beoordeling van de rechter diende te worden onderworpen. A.2.
  5. De Ministerraad zet uiteen dat de rechtsvordering een facet is van een subjectief recht en dat ze verwijst naar het recht om de zaak aanhangig te maken bij de rechter, terwijl de vordering de uitoefening is van dit recht, dit wil zeggen de concrete rechtshandeling waardoor de houder van het subjectief recht beslist het recht uit te oefenen door zich tot het gerecht te wenden. Wanneer de verzoening plaatsvond voor de rechter en daarvan proces-verbaal werd opgemaakt, had ze dezelfde gevolgen als een afstand van vordering. Wanneer de verzoening echter plaatsvond « buiten elke instantie », kon de vordering tot echtscheiding aanhangig blijven. Zij kon later eventueel samen bestaan met een nieuwe vordering tot echtscheiding ingediend na de verzoening. De in het geding zijnde bepaling legde aldus op de gevolgen van de echtscheiding te doen terugwerken tot de eerste vordering, ondanks de verzoening. A.
  6. De Ministerraad beklemtoont dat de eerste stap van de argumentatie op het vlak van de naleving van het gelijkheidsbeginsel erin bestaat de objectieve categorieën te identificeren tussen welke er een verschil in behandeling of een gelijke behandeling zou bestaan. Ter zake vergelijkt de verwijzende rechter de echtparen die zich hebben verzoend na een eerste vordering tot echtscheiding, met de echtparen die zich niet hebben verzoend na zulk een vordering. Het Hof wordt volgens de Ministerraad dus gevraagd of het discriminerend is dat beide categorieën, ondanks hun verschillen, gelijk worden behandeld. De Ministerraad ziet echter niet in welke categorie bevoordeeld en welke categorie benadeeld zou zijn. Indien de vraag zou worden geherformuleerd in die zin dat de situatie van de echtgenoten binnen een koppel dient te worden vergeleken, zou zich overigens eenzelfde probleem stellen. Het Hof zou op dat vlak reeds hebben geoordeeld dat het niet mogelijk is te bepalen in welke mate de in het geding zijnde bepaling één van de gewezen echtgenoten die ervoor zouden hebben gekozen het samenleven gedurende een bepaalde tijd te hervatten tijdens de echtscheidingsprocedure, zou bevoordelen of zou benadelen. A.
  7. In de hypothese dat het Hof zou aannemen dat er ter zake onderscheiden en objectief identificeerbare categorieën zijn die kunnen worden vergeleken, meent de Ministerraad dat de in het geding zijnde bepaling wordt verantwoord door de nagestreefde doelstelling, namelijk het verwezenlijken van rechtszekerheid. De gevolgen van de identieke behandeling van echtparen, ongeacht of zij zich al dan niet hebben verzoend na een eerste vordering tot echtscheiding, zijn volgens hem niet onevenredig ten aanzien van de doelstelling van rechtszekerheid. De maatregel zou des te meer evenredig zijn, nu de echtgenoten zelf kunnen afwijken van de datum waarin de wet voorziet en de ontbinding van hun vermogensstelsel kunnen laten terugwerken tot de datum van de feitelijke scheiding of tot een vroegere datum. Artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek zou 5 de rechter bovendien toelaten sommige goederen die zijn verworven of sommige schulden die zijn aangegaan na de feitelijke scheiding, uit de vereffening uit te sluiten, zoals beroepsinkomsten of een erfenis, en dit wegens uitzonderlijke omstandigheden. A.
  8. In de hypothese dat het Hof zou aannemen dat de in het geding zijnde bepaling wel onevenredige gevolgen heeft, beklemtoont de Ministerraad dat het probleem dat zich ter zake stelt volkomen verbonden is met artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek. Die laatste bepaling werd evenwel opgeheven bij artikel 31 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, die in werking is getreden op 1 september
  9. De Ministerraad verzoekt het Hof daarom om een eventuele ongrondwettigheid van artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te beperken tot de gevallen waarin er sprake is van een verzoening, zoals bedoeld in het - tot en met 1 september 2007 van kracht zijnde - artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek. A.
  10. H.B., verwerende partij voor de verwijzende rechter, betwist allereerst de stelling van die rechter dat er in de voor hem hangende zaak twee echtscheidingsvorderingen tegelijkertijd aanhangig waren; de echtgenoten hadden zich immers na de eerste vordering verzoend in de zin van het vroegere artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek. De verwijzende rechter heeft overigens in zijn vonnis van 5 juni 2007 vastgesteld dat de eerste echtscheidingsvordering, ten gevolge van de door beide echtgenoten opgeworpen exceptie van verzoening, was vervallen. Volgens H.B. kan bijgevolg geen rekening meer worden gehouden met de eerste vordering, vermits ze van rechtswege is vervallen. Om die reden zou van die vordering zelfs geen afstand meer kunnen worden gedaan. A.7.
  11. H.B. is van oordeel dat het Hof van Cassatie zich nog niet heeft uitgesproken over de wijze waarop artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet worden toegepast in het geval waarin de exceptie van verzoening afgeleid uit artikel 1284 van dat Wetboek, en het daaruit voortvloeiende verval van de echtscheidingsvordering, werd aangevoerd. A.7.
  12. H.B. wijst erop dat artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is gebaseerd op de idee dat er vanaf het instellen van de vordering tot echtscheiding een « verdachte periode » ontstaat, waarin de vermogensrechtelijke solidariteitsband verdwijnt. Hij meent echter dat aan die verdachte periode een einde komt wanneer de echtgenoten zich verzoenen. Hij zoekt daarvoor steun in arrest nr. 61/2009 van het Hof, waarin werd geoordeeld dat de wetgever vermocht geen rekening te houden met een eventueel hervatten van het samenleven van de echtgenoten « wanneer zulks niet geleid heeft tot een verzoening die de vordering tot echtscheiding heeft doen vervallen ». Daaruit kan volgens hem a contrario worden afgeleid dat de wetgever en de rechtspraak rekening moeten houden met een hervatten van het samenleven van de echtgenoten als dat wel heeft geleid tot een verzoening die de vordering tot echtscheiding heeft doen vervallen. Hij verwijst daarbij naar rechtsleer die zijn standpunt onderschrijft en die de rechtspraak van het Hof van Cassatie bekritiseert. Dat standpunt zou volgens hem ook in overeenstemming zijn met de ratio legis van artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals die kan worden afgeleid uit de parlementaire voorbereiding: wanneer tussen de echtgenoten niet langer een vermogensrechtelijke solidariteit aanwezig is, ontstaat een « verdachte periode », maar die verdwijnt wanneer de solidariteitsband wordt hersteld. A.
  13. H.B. is dan ook van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, wegens gelijke behandeling van wezenlijk verschillende situaties, meer bepaald, enerzijds, de situatie van de echtparen die na een - op grond van een verzoening - vervallen echtscheidingsvordering een nieuwe echtscheidingsvordering instellen, en anderzijds, de situatie van de echtparen die de eerste echtscheidingsprocedure voortzetten. -B- B.1.
  14. Artikel 1278 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 30 juni 1994 houdende wijziging van artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek en van de bepalingen betreffende de procedures van echtscheiding en bij artikel 6 van de wet van 6 20 mei 1997 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek betreffende de procedures tot echtscheiding, bepaalt : « Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, heeft ten aanzien van de persoon van de echtgenoten gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden, en heeft ten aanzien van derden zijn gevolgen vanaf de dag van de overschrijving. Ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, werkt het terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet. Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de echtscheiding is overgeschreven doch nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van overschrijving overeenkomstig artikel
  15. De rechtbank kan, op vordering van één van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden. De partijen kunnen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de gemeenschap ». B.1.
  16. Vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, bepaalde artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek : « De rechtsvordering tot echtscheiding vervalt door de verzoening van de echtgenoten, tot stand gekomen hetzij na de feiten die deze rechtsvordering hadden kunnen rechtvaardigen, hetzij na het instellen van de vordering tot echtscheiding ». B.2.
  17. Het Hof wordt gevraagd of artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, wanneer er meer dan één echtscheidingsvordering is ingesteld, ten aanzien van de echtgenoten terugwerken tot op de dag waarop de eerste vordering is ingesteld, ongeacht of de echtgenoten zich na die eerste vordering al dan niet hebben verzoend in de zin van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek (zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij de voormelde wet van 27 april 7 2007), doordat de echtgenoten die zich na de eerste vordering hebben verzoend en de echtgenoten die dat niet hebben gedaan, op gelijke wijze worden behandeld. B.2.
  18. Uit de feiten van de zaak en de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verzoening van de echtgenoten werd vastgesteld bij een rechterlijke beslissing daterend van vóór 1 september 2007, datum van inwerkingtreding van de voormelde wet van 27 april 2007 waarmee het artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek werd opgeheven. Het Hof beperkt zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling bijgevolg tot de situatie waarin de verzoening werd vastgesteld bij een rechterlijke beslissing daterend van vóór de opheffing van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek. B.
  19. Uit het tweede lid van artikel 1278 van het Gerechtelijk Wetboek vloeit voort dat wanneer twee vorderingen tot echtscheiding tegelijkertijd bestaan, het vanaf de datum van het instellen van de eerste vordering is dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding ten aanzien van de echtgenoten een aanvang nemen. Het volstaat dat een vordering tot echtscheiding is ingesteld, zonder dat zij is voortgezet en zelfs indien zij niet is toegewezen, opdat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, die later wordt uitgesproken naar aanleiding van een andere vordering of van een tegenvordering die voor dezelfde rechtbank of voor een andere rechtbank is ingesteld, van rechtswege terugwerken tot op de dag van de eerste vordering. B.
  20. De wijziging van het tweede lid van artikel 1278 van het Gerechtelijk Wetboek bij de voormelde wet van 30 juni 1994 is, volgens de parlementaire voorbereiding, als volgt verantwoord : « Om elke betwisting te voorkomen omtrent de datum waarop de rechterlijke uitspraak ten aanzien van de goederen van de echtgenoten terugwerkt, is bepaald dat, ingeval er meer dan één vordering is ingesteld, die uitspraak gevolg heeft vanaf de dag waarop de eerste vordering is ingesteld, ongeacht of die eerste vordering al dan niet is toegewezen. Vanaf dat moment immers is er tussen de echtgenoten een klimaat van ‘ vermogensrechtelijke verdenking ’ ontstaan, dat in feite de ratio legis van die terugwerking is » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 545/1, p. 10). 8 B.
  21. In de interpretatie die de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt, worden alle echtparen door de in het geding zijnde bepaling op identieke wijze behandeld, wat de aanvangsdatum van de patrimoniale gevolgen van een echtscheiding betreft, zonder in aanmerking te nemen of zij zich, in voorkomend geval, tussen twee of meerdere vorderingen in, hebben verzoend in de zin van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek (vastgesteld bij rechterlijke beslissing daterend van vóór de opheffing van dat artikel). B.
  22. De in het geding zijnde bepaling heeft niet tot doel, noch tot gevolg, zich te mengen in de keuze die twee echtgenoten maken met betrekking tot de juridische of de praktische voorwaarden die een echtscheidingsprocedure omkaderen. Zij heeft enkel tot doel de datum vast te stellen waarop de patrimoniale gevolgen van een echtscheiding in aanmerking dienen te worden genomen, indien en wanneer zij wordt uitgesproken. Door die datum vast te stellen op de dag van het instellen van de oorspronkelijke vordering, zelfs indien er meer dan één vordering is, heeft de in het geding zijnde bepaling enkel tot doel de rechtszekerheid van de gewezen echtgenoten te verzekeren, op grond van de overweging, die niet zonder redelijke verantwoording is, dat wanneer een echtscheiding wordt toegewezen, het op de dag van het instellen van de oorspronkelijke vordering is dat de « verdachte periode » vanuit patrimoniaal oogpunt is begonnen. B.
  23. In zijn arrest nr. 61/2009 van 25 maart 2009 heeft het Hof, in antwoord op een prejudiciële vraag betreffende de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de interpretatie volgens welke de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, indien er meerdere vorderingen tot echtscheiding tegelijkertijd bestaan, tot op de dag van de eerste vordering terugwerken, zelfs indien de echtgenoten, na het instellen van de oorspronkelijke hoofdvordering, gedurende een bepaald tijd het samenleven hebben hervat, geoordeeld : « B.4.
  24. De wetgever vermocht geen rekening te houden met een eventueel hervatten van het samenleven van de echtgenoten wanneer zulks niet geleid heeft tot een verzoening die de vordering tot echtscheiding heeft doen vervallen. Bovendien is het niet mogelijk te bepalen in welke mate de door hem aangenomen regel één van de gewezen echtgenoten die ervoor zouden hebben gekozen het samenleven gedurende een bepaalde tijd te hervatten tijdens de scheidingsprocedure, zou bevoordelen of zou benadelen. Wanneer, gedurende die tijd, wijzigingen kunnen zijn aangebracht aan het gemeenschappelijk vermogen en aan hun respectieve vermogen, en zulks wegens het tijdelijk doen herleven van het primaire stelsel, is het immers onmogelijk vooraf te bepalen of die wijzigingen veeleer aan de ene dan aan de andere een voordeel kunnen verschaffen. 9 B.
  25. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord ». B.
  26. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie brengt het samenwonen, zelfs met geslachtelijk verkeer, niet noodzakelijk een verzoening in de zin van het vroegere artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek met zich mee; een verzoening in de zin van die bepaling dient te volgen uit de wilsovereenkomst van beide echtgenoten waarbij de beledigde echtgenoot onvoorwaardelijk vergiffenis verleent en de schuldige echtgenoot de vergiffenis aanvaardt en tevens blijk geeft van het voornemen niet meer te hervallen in de vroegere tekortkomingen, zulks met het oog op de hervatting of de voortzetting van het echtelijk leven (Cass., 14 mei 1954, Arr. Cass., 1954, p. 592; Cass., 25 september 1964, arrest nr. 40; Cass., 23 april 1971, Arr. Cass., 1971, p. 818). B.
  27. Ofschoon, ook in het geval van een verzoening van de echtgenoten, niet kan worden bepaald in welke mate de door de wetgever aangenomen regel één van de gewezen echtgenoten die ervoor zouden hebben gekozen zich te verzoenen, zou bevoordelen of zou benadelen, dient te worden vastgesteld dat aan een verzoening andere rechtsgevolgen zijn verbonden dan aan het louter hervatten van het samenleven, vermits artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek - vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007 - bepaalde dat de « rechtsvordering tot echtscheiding vervalt door de verzoening van de echtgenoten ». In tegenstelling met het louter hervatten van het samenleven, brengt een verzoening na het inleiden van een eerste vordering tot echtscheiding, door de werking van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, met zich mee dat de « verdachte periode vanuit patrimoniaal oogpunt » die door het instellen van die eerste vordering was ontstaan, moet worden geacht een einde te hebben genomen. B.
  28. In de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt, worden twee categorieën van echtparen die zich ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.
  29. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. 10 B.
  30. Rekening houdend met artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek (vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007), kan de in het geding zijnde bepaling echter ook zo worden geïnterpreteerd dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, wanneer er meer dan één echtscheidingsvordering is ingesteld, ten aanzien van de echtgenoten niet terugwerken tot op de dag waarop de eerste vordering is ingesteld wanneer bij rechterlijke beslissing werd vastgesteld dat de echtgenoten zich na die eerste vordering hebben verzoend, in de zin van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek. B.
  31. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Aldus geïnterpreteerd dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, wanneer er meer dan één vordering is ingesteld, ten aanzien van de echtgenoten terugwerken tot op de dag waarop de eerste echtscheidingsvordering is ingesteld, ook wanneer bij rechterlijke beslissing daterend van vóór 1 september 2007 werd vastgesteld dat de echtgenoten zich na die eerste vordering hebben verzoend in de zin van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, schendt artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Aldus geïnterpreteerd dat de patrimoniale gevolgen van de echtscheiding, wanneer er meer dan één vordering is ingesteld, ten aanzien van de echtgenoten niet terugwerken tot op de dag waarop de eerste echtscheidingsvordering is ingesteld, wanneer bij rechterlijke beslissing daterend van vóór 1 september 2007 werd vastgesteld dat de echtgenoten zich na die eerste vordering hebben verzoend in de zin van artikel 1284 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, schendt artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 oktober
  32. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.