← België

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.131

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.131 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101118.3 Arrest- Rolnummer: 131/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-18 Raadplegingen: 273 - laatst gezien 2026-06-30 05:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest - Plan ruimtelijke ordening Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », ingesteld door Patrick Vantomme en anderen. Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Opneming van ruimten in het gewestplan -Wettelijke bekrachtiging. # Rechten en vrijheden -

  1. Jurisdictionele waarborgen -
  2. Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu - Standstill-verplichting. # Europees recht - Leefmilieu - Milieubeoordeling. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 30-04-2009 - 1 - 68 ELI link Pub nr 2009202441 Tekst van de beslissing Rolnummer 4828 Arrest nr. 131/2010 van 18 november 2010 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », ingesteld door Patrick Vantomme en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 december 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 december 2009, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2009) door Patrick Vantomme en Marie-Andrée Samain, wonende te 7730 Estaimpuis, rue Saint-Roch 16, Marie-Claude Deconinck, wonende te 7711 Moeskroen, Frankrijkstraat 6-8, Philippe Delberghe, wonende te 7711 Moeskroen, Herseauxlaan 131, Stéphane Delberghe, wonende te 7711 Moeskroen, Herseauxlaan 122, Emmanuel Kerkhove, wonende te 7730 Estaimpuis, chaussée de Dottignies 50, en Stéphane Vanhove en Isabelle Vandenbroucke, wonende te 7730 Estaimpuis, rue de la Couronne 42a. Memories zijn ingediend door de Waalse Regering en, op grond van artikel 78 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, door : - Francine D’Haeze, wonende te 7711 Dottenijs, Quevaucampsstraat 4, partij in de zaak nr. 4826; - de nv « Cora », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 6040 Jumet, 4ème rue, partij in de zaak nr.
  3. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de nv « Cora » en de Waalse Regering hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 28 september 2010 : - zijn verschenen : . Mr. I. Brouckaert, advocaat bij de balie te Doornik, voor de verzoekende partijen, tevens loco Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor Francine D’Haeze; . Mr. M. Alexandre loco Mr. T. Vandenput, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « Cora »; . Mr. P. Lambert, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden norm A.1.
  4. De verzoekende partijen zetten uiteen dat zij, te Moeskroen, omwonenden zijn van de vestigingssite van een project betreffende een winkelcomplex dat zich uitstrekt over 77 hectare en dat reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van drie stedenbouwkundige vergunningen, die alle door de Raad van State nietig zijn verklaard, en van één globale vergunning, die op 4 september 2007 is uitgereikt en bij een arrest van de Raad van State van 30 september 2008 is geschorst; in dat arrest wordt vastgesteld dat de afdeling wetgeving niet is geraadpleegd over de wijziging van de twee gewestplannen waarop de site betrekking heeft, wijziging waardoor het gebied van die site niet langer een agrarisch gebied was en een gemengde bedrijfsruimte werd. In plaats van de twee gewestplannen te wijzigen teneinde de uitreiking van een nieuwe globale vergunning mogelijk te maken, werd besloten om het bestreden decreet aan te nemen waarvan het gevolg, zo niet het belangrijkste werkelijke doel, is dat de gevolgen van het arrest van de Raad van State van 30 september 2008 worden tegengegaan. Antwoorden op parlementaire vragen tonen het verband aan tussen het bestreden decreet en het in het geding zijnde project van het winkelcomplex. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van het bestreden decreet, ingediend op 23 maart 2009, wordt aangegeven dat in verschillende zaken middelen worden afgeleid uit de onwettigheid van gewestplannen die niet aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd en dat, indien alle procedures voor de uitwerking van de gewestplannen zouden moeten worden overgedaan om een of ander procedureel gebrek te verhelpen, zulks een gigantische opgave zou zijn en enorme kosten zou inhouden. In de memorie van toelichting wordt bovendien erop gewezen dat de mogelijkheid - zonder beperking in de tijd, in tegenstelling tot het Franse recht - om op grond van artikel 159 van de Grondwet een exceptie van onwettigheid op te werpen over een bepaald gewestplan, algehele rechtsonzekerheid doet ontstaan ten koste van de verwezenlijking van het beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. Het bestreden decreet, dat voorziet in de wettelijke dekking met absolute terugwerkende kracht - ook met betrekking tot de hangende rechtsgedingen - van verschillende wijzigingen in de planologische bestemming, waaronder die met betrekking tot de in het geding zijnde site, is op 30 april 2009 afgekondigd. In een verslag van 31 maart 2009 had de auditeur bij de Raad van State besloten tot de nietigverklaring van de globale vergunning. Het geschil is nog steeds hangende. A.1.
  5. F. D’Haeze, tussenkomende partij, zet uiteen dat de twee bestreden gewestplannen in 1993 het voorwerp hebben uitgemaakt van gedeeltelijke herzieningen en dat de wettigheid van die herzieningen om twee redenen voor de Raad van State in het geding is gebracht : de ene is de schending van artikel 40, § 1, van het vroegere Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP), in zoverre die herzieningen, daar zij niet de in die bepaling bedoelde verrichtingen van openbaar belang beogen, niet binnen de grenzen blijven waarbinnen een gedeeltelijke herziening - in plaats van een globale herziening - kon worden uitgevoerd; de andere is het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State waaraan die maatregelen moesten worden voorgelegd rekening houdend met het reglementaire karakter van de inhoud ervan, zoals dat voortvloeide uit de bepalingen van het WWROSP vóór de wijziging ervan bij het decreet van 27 november 1997 (dat aan de inhoud van de gebiedsindeling een decretale waarde geeft). De dringende noodzakelijkheid werd aangevoerd om drogredenen en het is de tussenkomende partij niet duidelijk welke dwingende redenen een inmenging in de voor de Raad van State hangende procedures verantwoorden ten aanzien van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens : de Waalse Regering wist sedert 1990 immers dat de afdeling wetgeving van de Raad van State moest worden geraadpleegd; zij is evenwel om drogredenen die verplichting niet nagekomen en de decreetgever heeft tot 2009 gewacht om op te treden, terwijl het probleem sedert 1997 niet meer bestaat. Ten slotte wordt het wetgevend optreden uitsluitend verantwoord door dat procedurele gebrek, terwijl de tussenkomende partij een middel ten gronde heeft aangevoerd voor de Raad van State, dat is afgeleid uit de schending van het voormelde artikel 40 van het vroegere WWROSP. A.1.
  6. De Waalse Regering brengt de feiten van de zaak in herinnering en wijst met name erop dat de globale vergunning die op 30 maart 2007 door de technische en de gemachtigde ambtenaar aan de nv « Cora » is toegekend, werd bekrachtigd door de bevoegde minister die de voorwaarden ervan aanvulde in een besluit van 4 september
  7. Dat besluit werd op 30 september 2008 door de Raad van State geschorst, om reden dat het besluit van de Waalse Regering van 29 september 1993 tot definitieve vaststelling van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan Moeskroen-Komen niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State was voorgelegd. Bij zijn arrest van 25 november 2009 heeft de Raad van State vastgesteld dat hij zich niet 4 ten gronde over dat middel kon uitspreken, daar het niet raadplegen van de afdeling wetgeving bij het bestreden decreet is gedekt. Hij heeft aan het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de grondwettigheid van dat decreet. Beide zaken zouden te gepasten tijde kunnen worden samengevoegd. A.1.
  8. De nv « Cora », tussenkomende partij, wijst erop dat het in het geding zijnde project zowel voor haar positionering op het Belgische grondgebied als voor het betrokken gewest strategisch is. Zij brengt in herinnering dat dat project het voorwerp van drie vergunningen heeft uitgemaakt. De eerste vergunning is nietig verklaard om een reden die niets te maken heeft met de onwettigheid van de gewestplannen, de tweede wegens een gebrek aan motivering van de bestreden akte en de derde is geschorst om een reden die verband houdt met de onwettigheid van gewestplannen die niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd. Zij brengt in herinnering dat het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen de verschillende gebieden omschreef op basis waarvan het grondgebied via de door de Koning vast te stellen gewestplannen kon worden ingedeeld. De afdeling wetgeving van de Raad van State is erover geraadpleegd en het is op grond van dat koninklijk besluit dat het gewestplan Moeskroen-Komen op 17 januari 1979 en het gewestplan Doornik-Leuze-Péruwelz op 24 juli 1981 zijn aangenomen, die beide de vestigingssite van het project van de nv « Cora » in agrarisch gebied opnamen. Die twee gewestplannen werden gedeeltelijk gewijzigd bij twee besluiten van de Waalse Regering van 29 juli 1993, op grond waarvan de vestigingssite van het project van de nv « Cora » in een uitbreidingsgebied voor ambachtelijke bedrijven werd opgenomen, maar zonder dat het voorschrift van dat nieuwe soort van gebied, waarin niet was voorzien bij het voormelde koninklijk besluit van 28 december 1972, aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd. Een Waals decreet van 27 november 1997 bepaalt dat de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven voortaan worden geregeld door de bepalingen die van toepassing zijn op de gemengde bedrijfsruimten. Die gebieden worden, op de datum van inwerkingtreding van de opneming ervan in de betrokken gewestplannen, geldig verklaard bij het bestreden decreet. De Raad van State heeft het Hof een vraag gesteld over de grondwettigheid ervan. Zij beschrijft vervolgens de ontstaansgeschiedenis van dat decreet en verwijst daarbij naar parlementaire interpellaties, naar de memorie van toelichting bij dat decreet, naar het advies van de Raad van State en van de verschillende instanties die over het project zijn geraadpleegd en die daarbij, over het geheel genomen, gunstige adviezen hebben verleend, en naar de parlementaire voorbereiding. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
  9. De verzoekende partijen doen gelden dat zij allen omwonenden zijn van de vestigingssite van het winkelcomplex ten aanzien waarvan de bestreden norm als gevolg (zo niet als belangrijkste werkelijk doel) heeft dat de exploitatie ervan mogelijk wordt gemaakt; hun belang om in rechte te treden voor de Raad van State werd in vorige procedures met betrekking tot dezelfde vestigingssite aanvaard en zij zijn partij in een voor de Raad van State hangend rechtsgeding met betrekking tot diezelfde site. Ten aanzien van het eerste middel A.3.
  10. De verzoekende partijen voeren een eerste middel aan dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met het beginsel van de scheiding der machten, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in het bijzonder de artikelen 6, 8, 13 en 14 ervan, alsook artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, de beginselen van de rechten van de verdediging, van de wapengelijkheid en van onpartijdigheid, het algemene beginsel van niet-retroactiviteit van de normen en het verbod van machtsoverschrijding en van machtsafwending, doordat de bestreden norm, door de regelmatigheid van een reeks planologische bestemmingen geldig te verklaren op de dag van de opname ervan in de gewestplannen, zonder een uitzondering te maken op de toepasbaarheid ervan in de hangende rechtsgedingen, erop neerkomt dat de burgers die al dan niet een jurisdictioneel beroep hebben ingesteld waarvan de afloop wordt beïnvloed door die terugwerkende kracht, op identieke wijze worden behandeld en dat zij de eerstgenoemden de voordelen van een hangende jurisdictionele procedure doet verliezen, wat voor de tegenpartij erop neerkomt dat zij zich mengt in jurisdictionele procedures en dat zij zichzelf daarin de middelen aanreikt om in het gelijk te worden gesteld, en ertoe leidt dat terugwerkende kracht wordt verleend aan een decretale norm op een wijze die een dwingende reden van algemeen belang overstijgt, terwijl de bestreden norm 5 op evenredige wijze de doelstellingen had moeten verwezenlijken die ermee worden nagestreefd, door een voorbehoud te maken bij de toepasbaarheid ervan met betrekking tot de hangende rechtsgedingen. A.3.
  11. De verzoekende partijen wijzen erop dat in het geschil met betrekking tot de vestiging van een « Cora »-winkel te Moeskroen, geschil waarin zij partij zijn, de Raad van State wel eens zou kunnen oordelen dat het bestreden decreet de in het geding zijnde bestemmingen van de betrokken gewestplannen heeft gedekt, zodat het middel in kwestie (dat nochtans ernstig is geacht in het schorsingsarrest en gegrond is bevonden in het auditoraatsverslag inzake het beroep tot nietigverklaring) zou worden verworpen. Dat geschil lijkt het enige rechtsgeding te zijn dat hangende was bij het aannemen van het decreet en dat relevant is ten aanzien daarvan : in de parlementaire voorbereiding wordt immers verwezen naar arresten van de Raad van State met betrekking tot geschillen die ofwel zonder voorwerp zijn geworden ingevolge het aannemen van een nieuwe beslissing (Dethier, nr. 149.576 van 28 september 2005), ofwel tot een wettelijke geldigverklaring hebben geleid (FEDEX [lees : Poumon vert de La Hulpe e.a.], nr. 175.463 van 8 oktober 2007), ofwel zijn afgesloten (COPEVA, nr. 170.234 van 19 april 2007); de minister is daarenboven vaag gebleven toen andere geschillen moesten worden aangehaald. A.3.
  12. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden decreet op dubbele wijze discriminerend is, in zoverre het de burgers die geen jurisdictioneel beroep hebben ingesteld waarvan de afloop wordt beïnvloed door de inwerkingtreding van de bestreden norm en diegenen die dat wel hebben gedaan (die de bestemming die aan een van de bij het decreet gedekte gebieden is gegeven, niet langer kunnen betwisten, terwijl zij zich in een verschillende situatie bevinden), op identieke wijze behandelt, en in zoverre het de burgers die een jurisdictioneel beroep hebben ingesteld waarvan de afloop wordt beïnvloed door de inwerkingtreding van de bestreden norm, anders behandelt dan de rest van de burgers die een jurisdictioneel beroep op andere gebieden hebben ingesteld en aan wie een deel van hun kansen op slagen niet wordt ontzegd via een wetgevend optreden dat hun procedure doorkruist. Verwijzend naar de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en naar artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doen de verzoekende partijen gelden dat de rechtspraak van het Hof een inmenging van de wetgevende macht in de rechtsbedeling afkeurt die tot gevolg zou hebben dat de gerechtelijke ontknoping van het geschil wordt beïnvloed, tenzij een dergelijke inmenging wordt verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang; zij doen gelden dat het beginsel van de wapengelijkheid zich ertegen verzet dat het Waalse Gewest zichzelf, tijdens de procedure, de middelen geeft om in het gelijk te worden gesteld, terwijl het voormelde artikel 13 het bestaan van een daadwerkelijk rechtsmiddel inhoudt wanneer de bij dat Verdrag beschermde rechten (met name het recht op eerbiediging van het privéleven en van de woning, beïnvloed door de bestemmingsmogelijkheden van de onmiddellijke omgeving, alsook de eerbiediging van het eigendomsrecht) worden geschonden en terwijl artikel 14 van hetzelfde Verdrag discriminatie bij het genot van diezelfde rechten verbiedt. Zij brengen eveneens de rechtspraak van het Hof in herinnering volgens welke de retroactiviteit van de wetskrachtige normen enkel kan worden verantwoord op grond van bijzondere omstandigheden, met name wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. A.3.
  13. De verzoekende partijen doen gelden dat de bij het bestreden decreet nagestreefde doelstellingen - namelijk het voorkomen van rechtsonzekerheid door te vermijden dat bepaalde bestemmingen van bepaalde gewestplannen stelselmatig kunnen worden betwist, en het vermijden van de administratieve last die een wijziging van de gewestplannen volgens de daarop van toepassing zijnde procedure zou inhouden - konden worden verwezenlijkt zonder op de hangende rechtsgedingen van toepassing te zijn. De rechtsonzekerheid kan immers niet enkel uit het geschil met betrekking tot het door de verzoekende partijen betwiste project voortvloeien en het is niet noodzakelijk om alle betrokken gewestplannen te wijzigen voor enkel die percelen waarop dat project betrekking heeft, die in hun huidige staat konden worden gelaten. De aangeklaagde discriminaties hebben dus een onevenredig karakter. A.3.
  14. De verzoekende partijen voeren aan dat geen enkele dwingende reden van algemeen belang de toepasbaarheid van het decreet op de hangende rechtsgedingen verantwoordt, gesteld dat er een zou bestaan om te verantwoorden dat de gewestplannen geldig worden verklaard. Het in het geding zijnde belang is het belang van een winkelcomplex en geen algemeen belang. Ondanks de omvang van het complex kan het bovendien niet als een dwingende reden worden beschouwd en is het trouwens niet in aanmerking genomen in het « DAR »-decreet van 17 juli
  15. 6 De onevenredigheid die voortvloeit uit het niet maken van een voorbehoud bij de toepasbaarheid van het decreet op de hangende rechtsgedingen blijkt des te meer daar dat decreet nauw verband houdt met het beroep dat de verzoekende partijen bij de Raad van State hebben ingesteld. Ofwel was er een wetgevend optreden « op maat », hetgeen niet toelaatbaar is, ofwel werd een niet-exclusieve maatregel genomen, hetgeen niet mocht beletten dat een uitzondering werd gemaakt op de toepasbaarheid van het decreet op de hangende rechtsgedingen. Die onevenredigheid werd aan de kaak gesteld door de « Conseil supérieur des villes, communes et provinces de la Région wallonne » en impliciet erkend door de verantwoordelijke minister, maar is geenszins verantwoord in de memorie van toelichting bij het bestreden decreet, in tegenstelling tot andere evidente gronden van betwisting. A.3.
  16. De verzoekende partijen brengen de rechtspraak van het Hof volgens welke het bestaan van hangende beroepen zich niet verzet tegen een wettelijke geldigverklaring in herinnering, maar doen gelden dat wanneer de toepassing op een hangend rechtsgeding niet wordt verantwoord door een reden die noodzakelijk is voor het algemeen belang of wanneer het mogelijk is het nagestreefde doel te verwezenlijken zonder inbreuk te maken op de in het geding zijnde normen en beginselen, er een onevenredigheid bestaat tussen de maatregel en het nagestreefde doel. Het Hof heeft rekening gehouden met feitelijke omstandigheden om een wettelijke geldigverklaring te vernietigen (arrest nr. 16/91). In het onderhavige geval is de problematiek van de hangende rechtsgedingen het belangrijkst aangezien niet wordt betwist dat zij aan de oorsprong van het aannemen van het bestreden decreet liggen. A.4.
  17. De Waalse Regering is van mening dat de verzoekende partijen een te beperkende interpretatie aan het decreet geven, aangezien dat decreet niet enkel betrekking heeft op het « project-‘ Cora Moeskroen ’ » maar ook op een risico van ontrafeling van de gewestplannen en trouwens een reeks van zeven verschillende gebieden beoogt die in de gewestplannen zijn opgenomen. De draagwijdte van het decreet is ontzettend veel ruimer dan de invloed ervan op het hangende rechtsgeding, hetgeen de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft vastgesteld door te verwijzen naar het arrest nr. 51/2007 van 28 maart
  18. De rechtspraak van de arresten nrs. 73/2004 van 5 mei 2004 en 188/2005 van 14 december 2005 gaat in dezelfde zin als de - bijzonder genuanceerde - rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake wettelijke geldigverklaringen : daarin wordt verwezen naar de motieven van algemeen belang welke die geldigverklaringen kunnen verantwoorden en waarnaar bovendien in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet is verwezen door te stellen dat de gewestplannen, zoals het Hof in het arrest nr. 114/2008 van 31 juli 2008 heeft gezegd, essentiële instrumenten zijn in het beleid inzake ruimtelijke ordening en de bescherming van het leefmilieu. Te dezen vertegenwoordigt het door de verzoekende partijen aan de kaak gestelde project een investering van 200 miljoen euro en zou het 1 000 banen scheppen, wat volledig in de lijn ligt van het vooruitzicht van het Marshallplan. A.4.
  19. De nv « Cora », tussenkomende partij, brengt het beginsel van de wettelijke geldigverklaring in herinnering. Zij wijst erop dat de Raad van State, in zijn arrest van 30 september 2008, de wetgever heeft verzocht om de door onregelmatigheden aangetaste gewestplannen geldig te verklaren. Zij brengt de draagwijdte van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in herinnering. Verwijzend naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en naar het arrest nr. 98/2001 van 13 juli 2001, voert zij aan dat de wetgever het recht heeft om afbreuk te doen aan de bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechten voor zover hij dwingende redenen van algemeen belang aantoont. Wat betreft het recht op daadwerkelijke toegang tot een rechtbank, voert zij aan dat het niet absoluut is en verwijst zij naar zowel de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het arrest nr. 49/2002 van 13 maart
  20. De beperking tot een beroep bij het Hof kan op zich niet worden geïnterpreteerd als een schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, althans indien die beperking een grondslag vindt in een legitiem doel en een redelijk verband van evenredigheid vertoont tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Zij brengt de draagwijdte van de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus in herinnering, waarvan de Toepassingsgids aangeeft dat artikel 7 aan de partijen meer bewegingsvrijheid laat om geschikte oplossingen te vinden met het oog op de inspraak van het publiek in de door die bepalingen bedoelde categorie van besluitvorming. Dat publiek heeft, krachtens artikel 8, een rol te vervullen met betrekking tot de beslissingen die zijn bestaan beïnvloeden en met betrekking tot de totstandkoming van de wetten en normatieve akten. De uitdrukking « zoveel mogelijk » wijst evenwel erop dat de partijen bij het Verdrag rekening zullen moeten houden met de politieke context waarin die wetten en akten kaderen. Wat de richtlijn 2001/42/EG betreft, is zij van mening dat daarin de minimale vereisten worden vastgesteld waaraan elke milieubeoordeling moet voldoen vóór het aannemen van het plan of het programma in kwestie (artikel 4, lid 1). De beoordeling omvat het 7 opstellen van een milieurapport dat minstens aan de vereisten van artikel 5 moet voldoen alsmede het raadplegen van de bevoegde milieu-instanties en van het publiek over het ontwerpplan of -programma en over het milieurapport (artikel 6). Zij brengt ten slotte de draagwijdte van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en van de standstill-verplichting in herinnering. Die verplichting verbiedt de overheid om wetten uit te vaardigen die haaks staan op de gewaarborgde rechten; daarvan kan worden afgeweken, zoals is aangegeven in de arresten nrs. 87/2007 van 20 juni 2007, 137/2006 van 14 september 2006 en 114/2008 van 31 juli
  21. A.4.
  22. Bij het onderzoek van het middel voert de nv « Cora » vervolgens aan dat dwingende redenen van algemeen belang het de wetgever mogelijk maken om een onregelmatige akte met terugwerkende kracht te dekken door middel van een wetskrachtige norm met een invloed op een hangend rechtsgeding. Die redenen bestaan te dezen en beperken zich niet alleen tot haar private belangen aangezien het een belang met gewestelijke draagwijdte betreft. Het arrest van de Raad van State waarbij de in het geding zijnde vergunningen zijn geschorst, was hoogstens de katalysator die de decreetgever ertoe bracht om vast te stellen dat dat debat op de meeste gebieden betrekking had en dat tal van projecten bijgevolg bedreigd waren, aangezien het 15 249 hectare betreft : de betwiste geldigverklaring betreft dus veel meer dan de 36 hectare van het door de verzoekende partijen bekritiseerde project. Dat decreet heeft niet dezelfde draagwijdte als het « DAR »-decreet van 17 juli 2008 aangezien de erin beoogde gewestplannen een reglementaire draagwijdte hebben en akten met algemene draagwijdte vormen. De dwingende redenen van algemeen belang waarop het bestreden decreet is gebaseerd, zijn talrijk : het vrijwaren van de rechtszekerheid, het bevorderen van de economische ontwikkeling, het vermijden van de logge administratieve procedures die inherent zijn aan het herstel van de betrokken gewestplannen en het beschermen van het leefmilieu (waartoe de gewestplannen een instrument zijn), zoals in de memorie van toelichting duidelijk wordt aangegeven. Het aanvaarden van het bestaan van dergelijke redenen volstaat om de naleving van het evenredigheidsbeginsel aan te tonen. Dat geldt des te meer daar het bestreden decreet de procedure tot nietigverklaring van de bestreden vergunning, waartegen tien andere middelen zijn aangevoerd waarop dat decreet geen betrekking heeft, slechts in geringe mate beïnvloedt. De terugwerkende kracht van het decreet was onontbeerlijk om de doeltreffendheid van de maatregelen te waarborgen aangezien, zo niet, duizenden vergunningen onwettig zouden kunnen worden verklaard, niet zouden kunnen worden vernieuwd (wanneer het om milieuvergunningen gaat) of het voorwerp van beroepen zouden kunnen uitmaken (wanneer het om recente maatregelen gaat) wanneer zij zijn uitgereikt voor de betrokken gebieden, sedert de inwerkingtreding van de uitbreidingsgebieden. Zij moesten dus geldig worden verklaard vanaf de respectievelijke opneming ervan in de 23 gewestplannen van het Waalse Gewest. Er valt niet in te zien wat zou verantwoorden dat de gebieden met betrekking tot het door de verzoekende partijen bekritiseerde project niet geldig worden verklaard, aangezien dat een discriminatie zou teweegbrengen en erop zou neerkomen dat het bestaan zelf van de hiervoor in herinnering gebrachte dwingende redenen wordt geweerd. Het middel moet worden verworpen om dezelfde redenen als die welke het Hof in zijn arrest nr. 51/2007 heeft aangenomen. A.4.
  23. In hun memorie van antwoord weerleggen de verzoekende partijen het argument dat door de nv « Cora » is afgeleid uit het feit dat het bestreden decreet slechts betrekking zou hebben op een van de middelen die zij voor de Raad van State hebben aangevoerd : zij doen gelden dat dat middel doorslaggevend is, aangezien het het enige is dat door de Raad van State ernstig is bevonden in het schorsingsarrest van de in het geding zijnde globale vergunning. Noch de nv « Cora », noch de Waalse Regering verantwoorden trouwens het niet voorzien in een uitzondering op de toepasbaarheid van het bestreden decreet met betrekking tot de hangende procedures, wat aantoont dat de in het geding zijnde vergunning wel degelijk een element was dat erg zwaar heeft gewogen bij het aannemen van dat decreet. A.4.
  24. In haar memorie van wederantwoord betoogt de nv « Cora » dat de wettelijke geldigverklaring de vele overheden die bevoegd zijn om de geldig verklaarde akte af te keuren, verhindert om die bevoegdheid uit te oefenen maar de reglementaire aard van de geldig verklaarde akte behoudt. In casu heeft de Waalse decreetgever die oplossing in aanmerking genomen om te vermijden dat de bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium ingevoerde samenhang tussen de instrumenten inzake ruimtelijke ordening wordt verstoord, wat een proces van (discriminerende) wettelijke bekrachtiging waarbij de betrokken uitbreidingsgebieden in gebieden van decretale aard worden veranderd, niet mogelijk zou hebben gemaakt. 8 A.4.
  25. Door alle betrokken uitbreidingsgebieden met terugwerkende kracht geldig te verklaren, brengt de bestreden maatregel geen enkele discriminatie teweeg, in tegenstelling tot de door de verzoekende partijen verkozen oplossing, en hij is redelijk aangezien hij de logge administratieve procedures in verband met een procedure tot wijziging van de gewestplannen vermijdt; hij verzekert de economische ontwikkeling, de bescherming van het leefmilieu en de rechtszekerheid. Het zijn uitzonderlijke omstandigheden die de invloed van de maatregel op het geschil waarin de verzoekende partijen partij zijn, verantwoorden. Daarenboven beantwoordt die maatregel aan geen enkele wil om alleen de belangen van de nv « Cora » op de voorgrond te stellen. De arresten van de Raad van State die op die nv betrekking hebben, waren slechts de aanzet tot een parlementaire reflectie, aangezien uit die arresten het gevaar is gebleken van een stilstand in de economische ontwikkeling en in de bescherming van het leefmilieu op een groot deel van het betrokken grondgebied. Gesteld dat de verwijzing naar het project van de nv « Cora » een ongeoorloofd karakter zou hebben (quod non), blijft het feit dat de maatregel eveneens op redenen berust die niet ongeoorloofd zijn en die bijgevolg elke verdenking van machtsafwending weren. A.4.
  26. De nv « Cora » betoogt eveneens dat de door de verzoekende partijen aangevoerde rechtsmiddelen niet langer actueel zijn, hetgeen de wettelijke geldigverklaring des te meer verantwoordt. Enerzijds, omdat de inhoud van de verschillende gebieden van de 23 gewestplannen sedert de inwerkingtreding van het decreet van 27 november 1997 (1 maart 1998) een decretale aard en niet langer een reglementaire aard heeft, zodat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet langer moet worden gevraagd. Anderzijds, omdat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, in de rechtspraak van de Raad van State, op grond van het vroegere artikel 40 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, de gedeeltelijke herziening van een gewestplan op grond van economische redenen is toegestaan. Te dezen zijn de besluiten van de Waalse Gewestexecutieve van 6 september 1991 (procedure tot gedeeltelijke herziening) en 29 juli 1993 (gedeeltelijke wijziging) met betrekking tot de gewestplannen Moeskroen-Komen en Doornik-Leuze-Péruwelz, waarin met name naar motieven van economische aard is verwezen, - in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren -, formeel gemotiveerd, overeenkomstig het vroegere artikel 40, § 1, van het voormelde Waalse Wetboek, en gaan zij niet voorbij aan het in die bepaling bedoelde begrip « verrichting van openbaar belang »; sindsdien is die motivering voor de herziening van een gewestplan onder verwijzing naar dat begrip uit de juridische ordening verdwenen. Aangezien de voor de Raad van State aangevoerde middelen niet langer actueel zijn, zijn de dwingende redenen die door de decreetgever zijn aangevoerd bij het aannemen van het bestreden decreet, des te meer toelaatbaar. Ten aanzien van het tweede middel A.5.
  27. De verzoekende partijen voeren een tweede middel aan dat is afgeleid uit de schending van het standstill-beginsel, dat inherent is aan het in artikel 23 van de Grondwet bedoelde recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, goedgekeurd door de Europese Gemeenschap bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005, met name de artikelen 7 en 8 ervan, en van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, met name de artikelen 3, 4, 5 en 6 ervan, alsook bijlage II ervan, waarbij elk van die normen afzonderlijk wordt beschouwd of in onderlinge samenhang wordt gelezen, doordat de bestreden norm, door de regelmatigheid van een reeks planologische bestemmingen van gewestplannen louter bij decreet geldig te verklaren, aan de burgers niet de waarborgen biedt die gekoppeld zijn aan een procedure tot wijziging van die plannen (met name een openbaar onderzoek, een milieueffectrapport en de mogelijkheid om de wettigheid van de beslissing tot wijziging te betwisten) of zelfs niet die welke gekoppeld moeten zijn aan het aannemen van een norm die belangrijke gevolgen voor het milieu heeft, terwijl de normen waarvan de schending wordt aangevoerd, inhouden dat die waarborgen worden geboden, of op zijn minst dat de adressaten van de bestreden norm niet het voorwerp kunnen uitmaken van een bescherming die duidelijk geringer is dan die welke zij tot op heden konden menen te genieten, zonder dat daarvoor een met de maatregel evenredig doel van algemeen belang bestaat. 9 A.5.
  28. De verzoekende partijen doen gelden dat krachtens de richtlijn 2001/42/EG, alsook krachtens het Verdrag van Aarhus, de burgers op adequate wijze moeten worden geraadpleegd, de milieueffecten van dat plan of van die norm moeten worden onderzocht en de burgers over de mogelijkheid moeten beschikken om de materiële en formele rechtmatigheid van het besluit van de instantie die dat plan of die norm invoert of wijzigt, te bestrijden. Die verplichtingen worden opgelegd vóór het aannemen van een bestemmingsplan, maar ook vóór het aannemen van normen die niet van planologische aard zijn maar toch een aanzienlijk effect op het milieu hebben. Zij doen, ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel, eveneens gelden dat de wettelijke geldigverklaring niet dezelfde waarborgen biedt als die welke verband houden met een reglementaire wijziging van de gewestplannen. A.5.
  29. De verzoekende partijen doen gelden dat het bestreden decreet hun de waarborgen ontzegt waarop zij zich hadden kunnen beroepen indien de bij het bestreden decreet bekrachtigde gebieden via een wijziging van de gewestplannen waren vastgelegd, alsmede de waarborgen waarop zij zich hadden moeten kunnen beroepen vóór het aannemen van een norm met belangrijke gevolgen voor het milieu. De partijen kunnen immers de wettigheid van de bij het decreet gedekte bestemmingen niet langer betwisten en de toepassing ervan kan niet langer worden geweerd door de bevoegde instanties, zowel met betrekking tot het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State als met betrekking tot de andere grieven. Bovendien wordt niet geheimzinnig gedaan over het feit dat het bestreden decreet de logge procedures vermijdt die inherent zijn aan een herstel van de gewestplannen volgens de van toepassing zijnde procedure, hetgeen aanzienlijk afbreuk doet aan de bezwaarmogelijkheden van derden. Overeenkomstig de in het middel aangevoerde verdragsnormen had een wijziging van de gewestplannen volgens de van toepassing zijnde procedure immers ingehouden dat de burgers vóór die wijziging hadden moeten worden geraadpleegd, dat de gevolgen van die wijziging daarenboven moesten worden onderzocht en dat de burgers de materiële en formele rechtmatigheid van de doorgevoerde bestemmingswijziging hadden moeten kunnen bestrijden. Dat brengt een aanzienlijke vermindering van het niveau van de bescherming van een gezond leefmilieu met zich mee. Te dezen bekrachtigt het decreet, met betrekking tot het door de verzoekende partijen aan de kaak gestelde winkelcomplex, een bestemming die de bouw van het complex mogelijk maakte maar die onwettig was en had moeten worden geweerd ten voordele van de vorige bestemming. Het gevolg van het decreet is met andere woorden niet dat wat bestaat wordt bekrachtigd, maar wel dat de bestaande situatie wordt gewijzigd. Het zijn immers niet de twee gewijzigde gewestplannen (die bij de bestreden norm worden bekrachtigd) die de bestaande situatie uitmaken, maar wel de twee gewestplannen in zoverre zij niet onwettig zijn verklaard door de Raad van State in zijn arrest van 30 september 2008 (wat per definitie verschilt van de gewijzigde gewestplannen). A.5.
  30. De verzoekende partijen doen gelden dat de inbreuk op het recht op een gezond leefmilieu onevenredig blijkt, rekening houdend met de alternatieven : - de bestemmingen enkel voor het verleden geldig verklaren, zodat enkel de definitief geworden vergunningen niet opnieuw in het geding kunnen worden gebracht; - bepalen dat de wettelijke dekking slechts een overgangsregeling is die het mogelijk maakt de rechtszekerheid te waarborgen totdat nieuwe bestemmingen worden aangenomen met inachtneming van de van toepassing zijnde procedures (en dus met de waarborgen dat zulks inhoudt); - enkel het gebrek dekken dat ertoe heeft geleid dat gewestplannen onwettig zijn verklaard, namelijk het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State; aldus was het voldoende geweest terugwerkende kracht te verlenen aan de sedert het decreet van 27 november 1997 bestaande regeling waarbij de Raad van State voor de gewestplanherzieningen niet moet worden geraadpleegd. Zodoende zouden de nagestreefde doelstellingen zijn verwezenlijkt, terwijl de bestemmingen geen wetgevende aard zouden verkrijgen en dus nog steeds zouden kunnen worden betwist om andere redenen dan enkel de gedekte formaliteit; - een wettelijke dekking doorvoeren door een uitzondering te maken voor de hangende rechtsgedingen en/of voor de gevallen waarin de geldig te verklaren bestemming werd betwist; - het proces van wettelijke dekking koppelen aan waarborgen ad hoc die een verzet van de burgers tegen de bekrachtiging van de bestemmingen mogelijk maken. 10 De verzoekende partijen verwijzen in dat verband naar het arrest nr. 137/
  31. De omstandigheid dat het bestreden decreet terugwerkende kracht heeft tot een tijdstip vóór de inwerkingtreding van de in het middel aangevoerde verdragsbepalingen, is te dezen onbelangrijk aangezien het wel degelijk het bestreden decreet is dat het mogelijk maakt om de in het geding zijnde site te bebouwen. Bovendien hebben de partijen voor het Hof niet de mogelijkheid om de procedure-elementen of elementen ten gronde in verband met het decreet (zoals, respectievelijk, de verplichting om de Raad van State te raadplegen of de opportuniteit van de bekrachtigde gebiedsindeling) te betwisten. A.5.
  32. De verzoekende partijen weerleggen de verantwoordingen die in de memorie van toelichting bij het bestreden decreet zijn aangevoerd om de bestaanbaarheid van de gevolgen van het decreet met de standstill-verplichting aan te tonen. De eerste verantwoording, volgens welke het decreet vermijdt dat gebieden meestal « buiten het gewestplan » zouden vallen, met als enige waarborg de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, is onjuist aangezien de betrokken bestemmingen sedert het aannemen van het oorspronkelijke gewestplan vaak zijn gewijzigd zodat het, bij gebrek aan geldigverklaring, de vroegere bestemming is die opnieuw zou verschijnen. In elk geval zou een terugkeer naar een gebied dat « buiten het gewestplan » valt, minder nadelig zijn voor de burger dan een gebied met wetgevende waarde aangezien hij, in het eerste geval, de regelmatigheid van de bestemming kan betwisten. De tweede verantwoording, volgens welke het gevolg van de norm niet zou kunnen worden gelijkgesteld met een herziening van de gewestplannen aangezien de gebiedsindeling niet wordt gewijzigd en niet tot bezwaren had geleid, is evenmin relevant : de gebiedsindeling wordt wel degelijk gewijzigd aangezien een onregelmatige gebiedsindeling voortaan geldig wordt verklaard, en zelfs indien de gebiedsindeling niet werd gewijzigd, hadden de bij artikel 23 van de Grondwet en bij het Verdrag van Aarhus geboden waarborgen in acht moeten worden genomen, rekening houdend met de belangrijke gevolgen van het decreet voor het milieu. Ten slotte werden wel degelijk bezwaren geuit tijdens het openbaar onderzoek met betrekking tot het betwiste project, en het blijkt niet dat daarmee rekening is gehouden, zodat die situatie is verkregen zonder inachtneming van de procedurele waarborgen. Voor het overige is de ontstentenis van beroepen tegen de gewestplanwijzigingen geen doorslaggevend element aangezien een planologische bestemming gewoonlijk pas wordt betwist wanneer zij een nadeel berokkent aan een particulier die een concreet project overweegt. De derde verantwoording, volgens welke de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de onwettigheid van de gewestplannen in bepaalde arresten met betrekking tot de betrokken gebieden niet ambtshalve heeft opgeworpen, is irrelevant, aangezien de geldigverklaring aantoont dat de wetgever het in andere arresten vastgestelde gebrek ernstig heeft bevonden. De vierde verantwoording houdt verband met de dwingende redenen van algemeen belang die de inbreuk op het standstill-beginsel, gesteld dat zij wordt aangetoond, zouden verantwoorden. Die redenen kunnen niet worden aanvaard, ongeacht of het de logge procedure tot wijziging van de gewestplannen betreft (aangezien die procedure net de procedure is die een vaste vorm geeft aan de bij het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2001/42/EG geboden waarborgen) of de rechtsonzekerheid (aangezien die verdragsnormen het net mogelijk maken om bepaalde bestemmingen in het geding te brengen). Daarenboven is reeds erop gewezen dat een voorbehoud bij de toepasbaarheid van de bestreden akte wat betreft de hangende rechtsgedingen geen enkele rechtsonzekerheid zou hebben teweeggebracht, gezien het beperkte aantal gevallen. Ten slotte is de vijfde verantwoording, die is afgeleid uit het arrest nr. 51/2007 waarin de geldigverklaring van het gewestelijk ontwikkelingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij de ordonnantie van 2 december 2004 niet is afgekeurd, evenmin relevant rekening houdend met het beperkte karakter van het gezag van gewijsde van de verwerpingsarresten. Daarenboven zijn beide normen fundamenteel verschillend : in tegenstelling tot de gewestplannen is het gewestelijk ontwikkelingsplan in beginsel indicatief en beperken de restrictieve en indirecte reglementaire gevolgen ervan zich tot positieve elementen voor de adressaten; de bij de Brusselse ordonnantie gedekte gebreken waren beperkt tot het niet raadplegen van de Raad van State, terwijl bij het bestreden decreet gewestplanherzieningen geldig worden verklaard die werden doorgevoerd zonder rekening te houden met de meningen die tijdens het openbaar onderzoek zijn geuit; nog doorslaggevender is dat de Brusselse ordonnantie niet werd betwist ten aanzien van het standstill-beginsel, het Verdrag van Aarhus of de richtlijn 2001/42/EG en daarenboven enkel een voorlopige regeling vaststelde, voorafgaand aan een herstel van de onwettige reglementaire akte met inachtneming van processen tot herziening van het plan. 11 A.5.
  33. De verzoekende partijen zijn van mening dat indien het Hof niet overtuigd zou zijn van de grondslag van het tweede middel, de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zou moeten worden gesteld : « Dienen de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, in samenhang gelezen met bijlage II van die richtlijn, alsook de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, goedgekeurd door de Europese Gemeenschap bij het besluit 2005/330/EG [lees : 2005/370/EG] van de Raad van 17 februari 2005, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij een overheid de mogelijkheid bieden een wetskrachtige norm aan te nemen die tot gevolg heeft dat de geldigheid van bepaalde planologische bestemmingen wordt bekrachtigd, zonder aan het publiek de in de voormelde bepalingen bedoelde waarborgen inzake raadpleging, onderzoek van de milieueffecten en verzet te bieden ? ». A.6.
  34. De Waalse Regering brengt in herinnering dat de Grondwetgever, bij het aannemen van artikel 23 van de Grondwet, heeft geoordeeld dat die bepaling, die geen rechtstreekse werking heeft, niet kan worden aangevoerd door de burger om het rechtstreekse voordeel van de daarin vermelde rechten te eisen zolang de wetgever ter zake niet is opgetreden. In de arresten nrs. 135/2006 en 137/2006 van 14 september 2006 werd evenwel geoordeeld dat artikel 23 een standstill-verplichting inhoudt, waarbij de nieuwe rechten dus door het Hof kunnen worden getoetst; bij het arrest nr. 114/2008 werd een aanzienlijke vermindering van het door de vroegere wetgeving geboden beschermingsniveau die niet kan worden verantwoord door redenen van algemeen belang, afgekeurd. Die redenen werden hiervoor evenwel duidelijk uiteengezet bij het antwoord op het eerste middel. Voor het overige is het Hof duidelijk bevoegd om de bescherming van de rechten van de burgers te waarborgen wanneer in de gewestplannen opgenomen gebieden geldig worden verklaard op de datum van inwerkingtreding van de opneming ervan in die plannen, ongeacht of die bescherming voortvloeit uit de richtlijn 2001/42/EG of uit het Verdrag van Aarhus. De vraag die zou kunnen rijzen, is of het Grondwettelijk Hof zijn beoordeling in de plaats zou kunnen stellen van die welke is vervat in de norm die zou worden bestreden, en of die beoordeling bij zijn optreden niet zou moeten worden beperkt tot het onderzoek van de kennelijke beoordelingsfout, waarbij die beperking evenwel niet zou verschillen van die welke thans op constante wijze wordt aanvaard. A.6.
  35. De nv « Cora », tussenkomende partij, antwoordt in ondergeschikte orde op het tweede middel, aangezien in het antwoord op het eerste middel de dwingende redenen van algemeen belang zijn aangetoond die de door de verzoekende partijen vermelde vermeende inbreuken op de grondrechten verantwoorden. Zij is van mening dat het tweede middel op een substantiële vergissing berust. Het voorschrift van de in het geding zijnde uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven is niet vastgesteld bij het koninklijk besluit van 28 december 1972, noch bij het WWROSP, maar bij de koninklijke besluiten van 24 juli 1981 en 29 juli 1993 tot vaststelling van de twee betrokken gewestplannen. Bij artikel 6 van het decreet van 27 november 1997 is het voorschrift van de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven in alle gewestplannen gewijzigd door het in artikel 30, eerste en derde lid, van het WWROSP vastgelegde voorschrift dat op de gemengde bedrijfsruimten van toepassing is, erop van toepassing te verklaren; het bestreden decreet beperkt zich tot de geldigverklaring van de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven sedert de opneming ervan in de twee betrokken gewestplannen. Daaruit volgt dat het bestreden decreet op geen enkele wijze het voorschrift van de betrokken gebieden wijzigt, waarvan de inhoud enkel bij het decreet van 27 november 1997 is gewijzigd; dat decreet is niet in het geding. In de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd dat de gewestplannen niet zijn gewijzigd en het decreet kan dus geen afbreuk doen aan welke norm dan ook, met betrekking tot het aannemen of het wijzigen van planologische voorschriften van reglementaire aard. Er is bijgevolg geen enkele inbreuk op het standstill-beginsel aangezien de in het geding zijnde gebieden daarenboven zijn opgenomen in gewestplannen die zijn aangenomen overeenkomstig de wet die destijds van toepassing was zonder door de verzoekende partijen te zijn betwist, en aangezien geen enkel beroep bij de Raad van State daartegen is ingesteld. In die omstandigheden moet worden aangenomen dat alle procedurele waarborgen waarop de verzoekende partijen zich beroepen ofwel destijds naar behoren waren vervuld (openbaar onderzoek), ofwel destijds niet werden opgelegd zonder dat zij vandaag kunnen worden opgelegd, bij gebrek aan een wijziging van de betrokken gewestplannen (milieueffectrapport), ofwel destijds bestonden maar door de verzoekende partijen niet zijn aangewend (beroep bij de Raad van State). In dat verband kan geen enkel argument worden afgeleid uit het arrest nr. 137/2006, aangezien dat arrest betrekking had op de mogelijkheid om een gewestplan te wijzigen (quod non te dezen) zonder een voorafgaande milieueffectrapportering uit te voeren. 12 De nv « Cora » is ten slotte van mening dat de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet noodzakelijk is, aangezien het bestreden decreet het voorschrift van de betrokken gebieden niet wijzigt en aangezien de waarborgen die zij aanvoeren, enkel worden opgelegd wanneer nieuwe regels worden aangenomen. A.6.
  36. In hun memorie van antwoord verwijzen de verzoekende partijen naar het arrest nr. 30/2010 van 30 maart 2010 betreffende het « DAR »-decreet van 17 juli 2008 en stellen zij vast dat beide decreten, ofschoon ze verschillend zijn, soortgelijke gevolgen hebben, aangezien het in beide gevallen erom gaat om decretaal op te treden in stedenbouwkundige of milieuaangelegenheden die normaliter met bestuurshandelingen zouden moeten worden geregeld; stedenbouwkundige vergunningen worden bekrachtigd (op uitdrukkelijke wijze in het geval van het decreet van 17 juli 2008 of de facto in het geval van het bestreden decreet); door die wetgevende vorm worden aan bestuurden de waarborgen ontzegd die hun bij rechtstreeks van toepassing zijnde internationale normen (zoals het Verdrag van Aarhus of de richtlijnen 2001/42/EG en 85/337/EEG), met name inzake raadpleging van het publiek en gevolgen voor het milieu, zouden zijn voorbehouden indien de bekrachtigde akten bij nieuwe akten van dezelfde aard waren rechtgezet; het wetgevend optreden maakt het de belanghebbende derden mogelijk om hun bezwaren ertegen enkel voor het Hof of voor de gewone rechtscolleges te doen gelden, met duidelijke beperkingen wat betreft de middelen die kunnen worden aangevoerd; het wetgevend optreden heeft tot gevolg dat individuele bestuurshandelingen die soms in rechte worden betwist, met terugwerkende kracht geldig worden verklaard. De verzoekende partijen zijn van mening dat de soortgelijke gevolgen van beide decreten vragen doen rijzen die vergelijkbaar zijn met die welke het Hof in het arrest nr. 30/2010 heeft gesteld, zodat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dezelfde vragen moeten worden gesteld als die welke in dat arrest zijn gesteld, zelfs indien dat, in geringe mate, de uitbreiding van de in het verzoekschrift geformuleerde middelen met zich meebrengt. A.6.
  37. De verzoekende partijen zijn, in tegenstelling tot de nv « Cora », eveneens van mening dat het verschil tussen het « DAR »-decreet en het bestreden decreet louter formeel is. De decreetgever heeft bij het aannemen van het bestreden decreet getwijfeld over de vorm van dekking van de vergunningen die moest worden gekozen en heeft het in het « DAR »-decreet bedoelde « FedEx »-project te Terhulpen aangevoerd. Zij zijn bovendien van oordeel dat de bestemmingen wel degelijk worden gewijzigd bij het bestreden decreet aangezien dat decreet onwettige bestemmingen, die bij betwisting worden geweerd, omzet in geldig verklaarde bestemmingen die daadwerkelijk worden toegepast. Bovendien is het net het bekrachtigingsmechanisme dat te dezen vragen doet rijzen. Per definitie wordt bij een dergelijk mechanisme niet gewijzigd wat reeds bestond (schijnbaar althans), maar wordt de instandhouding ervan beoogd. Het betreft een bekrachtiging « zonder meer » van wat bestaat (zij het op gebrekkige wijze), namelijk bij loutere wetgevende verklaring, zonder de tussenstap van de op Europees niveau opgelegde procedures ad hoc, die aan het publiek net de mogelijkheid zouden moeten bieden om de inhoud van de beslissing te beïnvloeden teneinde, in voorkomend geval, tot een wijziging te leiden, die niet heeft plaatsgehad. Ten slotte wordt bij het « DAR »-decreet evenmin enige bestemming gewijzigd, hetgeen in het arrest nr. 30/2010 niet verhindert dat vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zonder ze te beperken tot een wijziging van de bestemming. A.6.
  38. De verzoekende partijen merken voorts op dat de vier eerste prejudiciële vragen, gesteld in het arrest nr. 30/2010, betrekking hebben op het Verdrag van Aarhus, waarvan bijlage I activiteiten beoogt waarop de bij het bestreden decreet geldig verklaarde bestemmingen van de gewestplannen betrekking hebben, zodat de vraag rijst of de wettelijke bekrachtiging van gewestplannen tot gevolg kan hebben dat in dat Verdrag bedoelde projecten geldig worden verklaard. Zij merken op dat de in het arrest nr. 30/2010 gestelde tweede, derde en vierde prejudiciële vraag eveneens de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten beogen. In het tweede middel van de onderhavige zaak werd dan weer de richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s beoogd. Het verschil wordt verklaard doordat bij het bestreden decreet gebieden van gewestplannen geldig worden verklaard, terwijl bij het « DAR »-decreet projecten geldig worden verklaard, maar het probleem ten gronde is gemeenschappelijk, aangezien het erom gaat te weten of het wetgevend optreden het de overheid mogelijk maakt om de formaliteiten met betrekking tot de beoordeling van de gevolgen niet na te leven, en waartoe zij zou zijn gehouden indien zij had gehandeld op grond van de internrechtelijke bepalingen die van kracht waren vóór het aannemen van de in het geding zijnde wetskrachtige norm. Te dezen wordt de herziening van de gewestplannen die men bij het bestreden decreet wil vermijden, met name wegens de logge administratieve procedure ervan, ongetwijfeld beoogd in de richtlijn 2001/42/EG en ook in de richtlijn 85/337/EEG, aangezien het « Cora »-project te Moeskroen in de memorie van toelichting bij het 13 bestreden decreet wordt beoogd. De in het arrest nr. 30/2010 gestelde vijfde prejudiciële vraag is te dezen eveneens relevant, aangezien het bestreden decreet gevolgen heeft voor beschermde « Natura 2000 »-gebieden, zoals de FedEx-site die is gelegen in een gebied dat onder de bij het bestreden decreet doorgevoerde geldigverklaringen van de gewestplannen valt. Hetzelfde geldt voor de zesde vraag, aangezien het « Cora »-project te Moeskroen, los van de richtlijn 92/43/EEG maar in het kader van de beoordeling van het onevenredige karakter van de gevolgen van het bestreden decreet, indirect de principiële vraag doet rijzen over de vestiging van een privaatrechtelijke vennootschap, zij het dat zij (zogenaamd) tal van arbeidsplaatsen schept, wat al dan niet kan worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang die het mogelijk maakt om met name een inmenging van de wetgevende macht in een hangende procedure of een inbreuk op het standstill-beginsel te verantwoorden. De verzoekende partijen zijn van mening dat de vragen die bij het arrest nr. 30/2010 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld, ook in de onderhavige zaak moeten worden gesteld, naast de vraag die in hun verzoekschrift tot vernietiging is voorgesteld, en dat het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de bij het arrest nr. 30/2010 gestelde vragen bovendien moet worden afgewacht alvorens uitspraak te doen op het onderhavige beroep. A.6.
  39. In haar memorie van wederantwoord doet de nv « Cora » gelden dat het bestreden decreet niet tot gevolg heeft dat uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven in de plaats van agrarische gebieden worden gecreëerd, aangezien de eerstgenoemde destijds zijn gecreëerd op grond van de wet die destijds van toepassing was en zonder verzet van de verzoekende partijen. Bij het decreet wordt de vooraf doorgevoerde wijziging van de gebiedsindeling, en zulks in strijd met de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geldig verklaard, wat volledig verschillend is. Het kan dus geen aanzienlijke vermindering van het niveau van de bescherming van het leefmilieu met zich meebrengen, wat het overbodig maakt om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie welke prejudiciële vraag dan ook te stellen. A.6.
  40. In haar memorie van wederantwoord is de Waalse Regering van oordeel dat de reeks van vragen die bij het arrest nr. 30/2010 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld, analoog is aan die welke door de verzoekende partijen is voorgesteld en dat het dus van belang is de uitspraak uit te stellen totdat het Hof van Justitie zich heeft uitgesproken. Ten aanzien van het derde middel A.7.
  41. De verzoekende partijen voeren een derde middel aan dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 13, 144, 145 en 159 van de Grondwet, met het beginsel van de scheiding der machten, met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in het bijzonder de artikelen 6, 13 en 14 ervan, alsook artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, en met het verbod van machtsoverschrijding en van machtsafwending, doordat de bestreden norm, wegens de wetgevende aard ervan, tot gevolg heeft dat de mate van onaantastbaarheid van de planologische bestemmingen die hij dekt, wordt versterkt, met als gevolg een verschillende behandeling tussen burgers naargelang de bestemming die door het gewestplan wordt gegeven aan het gebied waarin zij wonen, al dan niet op wetgevende wijze geldig is verklaard, terwijl burgers die in een identieke situatie zijn geplaatst, op dezelfde wijze moeten worden behandeld en dus over dezelfde betwistings-, wijzigings- en afwijkingsmogelijkheden moeten beschikken ten opzichte van het bestemmingsgebied dat op hen betrekking heeft. A.7.
  42. De verzoekende partijen doen gelden dat het bestreden decreet een verschil in behandeling teweegbrengt tussen burgers, naargelang de bestemming die door het gewestplan wordt gegeven aan het gebied waarin zij wonen, al dan niet op wetgevende wijze geldig is verklaard. In het eerste geval worden de betwistingsmogelijkheden aanzienlijk ingeperkt en kan artikel 159 van de Grondwet niet langer worden aangevoerd. Bovendien zal de wijziging van de geldig verklaarde gebieden niet langer op reglementaire wijze kunnen plaatsvinden en geen afwijking zal mogelijk zijn via een gemeentelijk plan van aanleg dat afwijkt van het gewestplan. A.7.
  43. Volgens de verzoekende partijen wordt dat verschil in behandeling niet verantwoord in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet maar beperkt men zich daarin tot het verantwoorden van de wettelijke dekking en niet van de modaliteiten ervan. 14 A.7.
  44. De verzoekende partijen zijn van mening dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel : dat doel kon worden bereikt door alle gebieden van de gewestplannen geldig te verklaren of door enkel de problematiek van de verplichting tot raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State geldig te verklaren. Bij het decreet worden evenwel enkel de daarin beoogde gebieden geldig verklaard, maar in alle opzichten, hetgeen de belanghebbende derden verhindert om elk ander gebrek te betwisten dat de geldigheid van het gewestplan aantast, zoals het niet in aanmerking nemen van het advies van de Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening of van de mening van de omwonenden die tijdens het openbaar onderzoek zijn geraadpleegd. Artikel 41 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium had evenwel met terugwerkende kracht kunnen worden aangewend teneinde enkel het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State te dekken. A.7.
  45. De verzoekende partijen voeren een inbreuk op de scheiding der machten aan in zoverre het bestreden decreet aan de Waalse Regering een bevoegdheid ontzegt die haar in beginsel bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium is voorbehouden, namelijk de concrete regeling van de bestemming van het gehele gewestelijke grondgebied. De gewestplannen kunnen enkel nog gedeeltelijk door de Waalse Regering worden gewijzigd, wat een gebrek aan samenhang creëert; de verzoekende partijen verwijzen mutatis mutandis naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het « DAR »-decreet. A.8.
  46. De Waalse Regering verwijst naar de arresten nrs. 188/2005 van 14 december 2005 en 51/2007 van 28 maart 2007 waarin is geoordeeld dat dwingende motieven van algemeen belang een inmenging van de decreetgever in de rechtsbedeling kunnen verantwoorden. Zij is van mening dat de omstandigheid dat bij een wetskrachtige norm bepaalde bestemmingen van de gewestplannen geldig worden verklaard, niet tot gevolg heeft dat zij definitief worden « bevroren » door, zoals wordt aangevoerd, de mate van onaantastbaarheid te versterken. Geen enkele norm, zij het een wetskrachtige, is onveranderlijk, aangezien een nieuwe norm hem geheel of gedeeltelijk kan vervangen en die norm aan dezelfde voorwaarden met betrekking tot het behoud van de fundamentele waarborgen is onderworpen als de vorige maatregel. A.8.
  47. De nv « Cora », tussenkomende partij, brengt eerst in herinnering dat stedenbouw tot de bevoegdheid van de Waalse decreetgever behoort en dat die een eerder aan de Regering overgedragen bevoegdheid kan overnemen, zoals is beslist in het voormelde arrest nr. 51/2007 en in het arrest van de Raad van State van 30 september 2008 waarbij de in het geding zijnde vergunningen zijn geschorst. Aangezien het Waals Parlement zich heeft beperkt tot de geldigverklaring van het werk dat eerder door de Regering is verricht, kan geen enkele inbreuk op het beginsel van de scheiding der machten worden aangevoerd, waarbij de afdeling wetgeving van de Raad van State trouwens geen enkele kritiek in dat verband heeft geuit. De vergelijking met het voormelde « DAR »-decreet is in dat verband ongegrond gezien het verschillende onderwerp van dat decreet. De nv « Cora » is van mening dat het verschil in behandeling dat is afgeleid uit het feit dat aan de burgers die een bepaling van een bij het bestreden decreet geldig verklaard gewestplan wensen te betwisten de waarborg zou worden ontzegd die artikel 159 van de Grondwet uitmaakt, ongegrond is, aangezien die personen de grondwettigheid van een bepaling van wetgevende aard bij het Hof kunnen betwisten. Het verschil vloeit voort uit regels met betrekking tot de verdeling van de bevoegdheden van de rechtscolleges, die niet in het geding zijn. Het verschil in behandeling dat is afgeleid uit het feit dat de aldus geldig verklaarde bepalingen niet op reglementaire wijze zouden kunnen worden gewijzigd en uit het feit dat een afwijkend gemeentelijk plan van aanleg wel daarvan zou kunnen afwijken, is evenmin gegrond, aangezien het voorschrift van de planologische gebiedsindeling van de gewestplannen sedert de inwerkingtreding van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium voortaan op wetgevende wijze wordt vastgesteld, waarbij dat voorschrift dat van de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven heeft gewijzigd door voortaan het voorschrift van de gemengde bedrijfsruimten erop toe te passen. Wat de eventuele wijziging van de betrokken gebieden betreft, valt evenmin in te zien in welk opzicht de doorgevoerde wettelijke bekrachtiging de in het geding zijnde gebieden onaantastbaarder zou maken dan de gebieden die niet op dergelijke wijze zijn bekrachtigd. Ten slotte wordt in het WWROSP geen onderscheid gemaakt naargelang de in het geding zijnde gebieden al dan niet geldig zijn verklaard door de wetgever. Niets verzet zich dus ertegen dat de in het WWROSP vervatte wettelijke machtigingen in termen van gewestplanwijzigingen via besluiten van de Regering of via het aannemen van afwijkende gemeentelijke plannen van aanleg nog steeds worden aangewend. Gesteld dat een verschil in behandeling zou bestaan, zou het evenredig zijn en worden verantwoord door de reeds aangevoerde dwingende redenen van algemeen belang. 15 A.8.
  48. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen het arrest nr. 30/2010 aan waarin, in de vragen 3.a) en 3.b) die aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld, net wordt verwezen naar het beperken van de mogelijkheden om akten die in beginsel enkel door de Regering kunnen worden gewijzigd, in rechte te betwisten. Zij betwisten dat reglementaire akten kunnen afwijken van bij decreet bekrachtigde bestemmingen en verklaren, door in dat verband naar de bijzonderemachtenbesluiten te verwijzen, niet in te zien hoe die bestemmingen een reglementaire waarde zouden kunnen behouden. A.
  49. De verzoekende partijen en de Waalse Regering doen opmerken dat het bestreden decreet het voorwerp uitmaakt van een prejudiciële vraag die door de Raad van State aan het Hof is gesteld (zaak nr. 4826). Er zou kunnen worden besloten tot samenvoeging. -B- B.
  50. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van het Waalse decreet van 30 april 2009 tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium. Dat decreet bepaalt : « Artikel
  51. In artikel 6 van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een nieuw paragraaf 1 ingevoegd, luidend als volgt : ‘ §
  52. De in de gewestplannen opgenomen volgende gebieden worden op de datum van inwerkingtreding van hun opname in laatstgenoemde plannen bekrachtigd : 1° de woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter; 2° de uitbreidingsgebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; 3° de uitbreidingsgebieden voor recreatie die de uitbreidingsgebieden voor recreatie, de uitbreidingsgebieden voor recreatie met verblijf, de uitbreidingsgebieden voor recreatiegebieden met verblijf, de uitbreidingsgebieden voor ontspanning en verblijf en de uitbreidingsgebieden voor ontspanning omvatten; 4° de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen; 5° de gebieden voor industriële ontwikkeling die de gebieden voor industriële ontwikkeling en het gebied voor industriële ontwikkeling van Sart-Tilman omvatten; 6° de uitbreidingsgebieden voor dienstverlening; 16 7° de uitbreidingsgebieden voor industrie die de uitbreidingsgebieden voor industrie, het uitbreidingsgebied voor industrie “ BD ”, het uitbreidingsgebied voor thermale industrie, het uitbreidingsgebied voor industriële ontwikkeling van Sart-Tilman, het uitbreidingsgebied voor industrie “ GE ” omvatten. ’; 2° de §§ 1 en 2 worden de §§ 2 en
  53. Art.
  54. Dit decreet treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt ». B.
  55. Artikel 6 van het voormelde decreet van 27 november 1997 maakt deel uit van de overgangs- en slotbepalingen van dat decreet. Volgens de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt bij de bepaling die het in het decreet van 1997 invoegt, de opneming van bepaalde gebieden in de gewestplannen die niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State is voorgelegd, met terugwerkende kracht geldig verklaard : « Toen in het begin van de jaren zeventig werd begonnen met de opmaak van de gewestplannen, had de toenmalige Regering immers een nomenclatuur voor de inrichting van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen vastgesteld. Dat is het onderwerp van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Daarin worden een aantal gebieden opgesomd waarvan het de draagwijdte omschrijft. De afdeling wetgeving van de Raad van State werd vóór het aannemen van dat besluit van reglementaire aard geraadpleegd. Dat advies heeft betrekking op de aanneming van een van die gewestplannen - die normaliter een voor een voor advies aan de afdeling wetgeving hadden moeten worden voorgelegd (zie de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 maart 1962, Parl. St., Senaat, 1958-1959, nr. 124, pp. 1 en volgende, 46, 114 en volgende en 119) - voor zover het betrokken gewestplan zich ertoe beperkt die nomenclatuur toe te passen (RvSt, nr. 35.720, 24 oktober 1990, Devos). Met toepassing van dat koninklijk besluit van 28 december 1972 stond het de Regering nu eenmaal vrij om andere gebieden of andere voorschriften vast te stellen. Die hebben hetzelfde reglementaire karakter als de in het koninklijk besluit van 28 december 1972 opgesomde voorschriften van de gewestplannen. Het aannemen ervan vereiste dus het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Om maar één voorbeeld te noemen : alle gewestplannen van het Waalse Gewest omvatten, bij het aannemen ervan, ‘ woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter ’. Dat soort van gebied kwam echter niet voor in de nomenclatuur van het koninklijk besluit van 28 december
  56. Aangezien de afdeling wetgeving niet is geraadpleegd vóór de aanneming van elk gewestplan, zijn zij alle onwettig in zoverre woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter daarin zijn opgenomen (RvSt, nr. 170.234, 19 april 2007, nv ‘ COPEVA ’) » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 2). 17 Ten aanzien van het eerste middel B.3.
  57. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de beginselen van de scheiding der machten, van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, van de wapengelijkheid en van de niet-retroactiviteit van de normen en met het verbod van machtsoverschrijding en van machtsafwending. B.3.
  58. De verzoekende partijen zijn omwonenden van een site die het voorwerp heeft uitgemaakt van een globale vergunning waarvan zij de schorsing van de tenuitvoerlegging hebben verkregen voor de Raad van State, aangezien die het middel dat was afgeleid uit de onwettigheid - bij gebrek aan een advies van de afdeling wetgeving - van het gewestplan ter uitvoering waarvan de vergunning was toegekend, ernstig heeft geacht. Zij doen gelden dat het bestreden decreet, dat bepalingen geldig verklaart waarvan de wettigheid door de Raad van State in het geding is gebracht, een verschillende of een gelijke behandeling teweegbrengt tussen de rechtzoekenden naargelang zij al dan niet een beroep hebben ingesteld tegen een maatregel die krachtens de aldus geldig verklaarde bepalingen is genomen : die geldigverklaring zou een inmenging van de overheid in hangende jurisdictionele procedures met zich meebrengen en zou aan diegenen die erin partij zijn, in tegenstelling tot de anderen, het voordeel van die procedures ontzeggen; geen enkele dwingende reden van algemeen belang verantwoordt evenwel de terugwerkende kracht van de bestreden bepaling en de toepassing ervan had uit de hangende rechtsgedingen kunnen worden geweerd. Die geldigverklaring zou daarenboven ertoe leiden dat beiden op identieke wijze worden behandeld, aangezien de mogelijkheid tot het betwisten van de wettigheid van de geldig verklaarde bepalingen voortaan aan allen zal worden ontzegd terwijl zij zich in verschillende situaties bevinden. De verzoekende partijen doen eveneens gelden dat het bestreden decreet enkel op het geschil waarin zij partij zijn, betrekking zou lijken te hebben en dat het afbreuk doet aan het bij artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wanneer bij dat Verdrag gewaarborgde rechten worden geschonden, zoals het recht op de eerbiediging van het privéleven en van de woning. 18 B.
  59. In de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt gewezen op de bedoeling van de auteurs ervan : « De beroepen waarin, op grond van artikel 159 van de Grondwet en met succes, de gedeeltelijke onwettigheid van een bepaald gewestplan wordt opgeworpen, leiden tot de geleidelijke ontrafeling van de gewestplannen die een echte gatenkaas worden, terwijl zij niet alleen voor het beleid inzake ruimtelijke ordening een belangrijk instrument vormen, maar ook, zoals reeds opgemerkt, voor de bescherming van het leefmilieu wanneer men weet dat meer dan 80 pct. van het Waalse grondgebied zich in de gewestplannen in niet-bebouwbaar gebied bevindt. Zoals het Grondwettelijk Hof in een recent arrest opmerkt, is het evident dat de gewestplannen een doorslaggevende rol spelen bij de in artikel 1 van het WWROSP bepaalde harmonieuze coördinatie van de economische en stedenbouwkundige vereisten (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 114/2008, 31 juli 2008, B.4.1). Indien alle procedures voor de opmaak van de gewestplannen moesten worden overgedaan teneinde een of ander procedureel gebrek te verhelpen, zou dat een gigantische opgave zijn en enorme kosten inhouden. Bovendien doet de mogelijkheid - zonder beperking in de tijd, in tegenstelling tot het Franse recht - om op grond van artikel 159 van de Grondwet een exceptie van onwettigheid op te werpen die op een bepaald gewestplan betrekking heeft, algehele rechtsonzekerheid ontstaan ten koste van de verwezenlijking van het beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. Het is daarom dat in dit ontwerp van decreet wordt overwogen om de gebieden van de gewestplannen die niet in de nomenclatuur van het koninklijk besluit van 28 december 1972 zijn vermeld, geldig te verklaren in zoverre zij niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd vóór de opneming ervan in de gewestplannen, hetzij bij de oorspronkelijke aanneming ervan, hetzij bij een van de herzieningen ervan » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 2). B.5.
  60. Weliswaar hebben wetsbepalingen die reglementaire bepalingen geldig verklaren waarvan, zoals te dezen, de wettigheid door de Raad van State in het geding is gebracht, tot gevolg dat zij hem verhinderen om de nietigverklaring van een akte uit te spreken op grond van een middel dat steunt op de onregelmatigheid van de reglementaire bepalingen krachtens welke die akte is aangenomen. De categorie van burgers op wie die bepalingen van toepassing waren, wordt op verschillende wijze behandeld ten opzichte van de andere burgers wat de jurisdictionele waarborg betreft die bij artikel 159 van de Grondwet, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (met name de bij de artikelen 6, 8 en 14 ervan en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag gewaarborgde rechten) en bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is toegekend. Daaruit volgt evenwel niet noodzakelijk dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in het middel aangevoerde beginselen, zouden zijn geschonden. 19 B.5.
  61. Zoals in B.4 wordt aangegeven, is er rechtsonzekerheid ontstaan die de decreetgever heeft willen verhelpen. B.5.
  62. Door in een decreet het behoud van bepaalde gebieden in gewestplannen te regelen, heeft de gewestwetgever zelf een bevoegdheid willen uitoefenen die hem toekomt. Het voorontwerp van decreet is voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd die, binnen de perken die hem bij artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zijn toegestaan, heeft geoordeeld, verwijzend naar het arrest nr. 51/2007 van 28 maart 2007 van het Hof, dat het ontwerp geen opmerkingen behoefde (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 6). Te dezen zijn de geldig verklaarde bepalingen trouwens geen vergunningen waartegen beroepen bij de Raad van State zijn ingesteld, maar reglementaire bepalingen die door die vergunningen worden uitgevoerd. Het bestreden decreet heeft dus niet tot gevolg dat de Raad van State onbevoegd wordt om zich over die beroepen uit te spreken, maar wel dat hij wordt verhinderd zich uit te spreken over die middelen die op de onwettigheid van de geldig verklaarde maatregel zijn gebaseerd, onverminderd de mogelijkheid om de nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van andere middelen te verkrijgen. B.5.
  63. Blijft het feit dat de decreetgever, zodoende, bepalingen heeft aangenomen die, wegens de terugwerkende kracht ervan, een inmenging in de hangende rechtsgedingen inhouden. B.5.
  64. De terugwerkende kracht is enkel verantwoord indien ze absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot doel heeft dat de afloop van een of andere gerechtelijke procedure in een bepaalde zin wordt beïnvloed of dat de rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vereist de aard van het in het geding zijnde beginsel dat buitengewone omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang het optreden verantwoorden van de wetgever, dat, ten nadele van een categorie van burgers, afbreuk doet aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen. B.5.
  65. De eventuele vaststelling, in een rechterlijke beslissing van de schending van een substantiële vormvereiste bij de aanneming of de wijziging van een gewestplan kan niet tot 20 gevolg hebben dat de wetgever in de onmogelijkheid verkeert de hierdoor ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen. B.5.
  66. De bestreden bepalingen, waaraan terugwerkende kracht is gekoppeld, nemen enkel reeds voordien bestaande regels over. De draagwijdte van het bestreden decreet bestaat immers niet erin het gewestplan te herzien (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 3), maar strekt ertoe een gebiedsindeling die identiek is aan diegene die in het gewestplan is opgenomen en waarvan de wettigheid wordt betwist, te behouden, zodat het geen afbreuk vermocht te doen aan de te dien opzichte gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen. B.5.
  67. Het gebrek dat voor de Raad van State wordt aangevoerd en dat, zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, het bestreden decreet moet verhelpen, bestaat erin dat niet is voorzien in de raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State waaraan het ontwerpgewestplan had moeten worden voorgelegd. Die onregelmatigheid heeft voor de partijen die voor de Raad van State een op grond van dat gewestplan toegekende vergunning hadden bestreden, niet het onaantastbare recht kunnen doen ontstaan om voor altijd te zijn vrijgesteld van de naleving van de in dat plan vervatte voorschriften, zelfs al zouden die steunen op een nieuwe handeling waarvan de grondwettigheid onbetwistbaar zou zijn. Die nieuwe handeling zou alleen ongrondwettig zijn indien zij zelf de in het middel vermelde bepalingen zou schenden. B.5.
  68. De decreetgever vermocht te oordelen dat het betwisten van de wettigheid van in gewestplannen opgenomen bepalingen ertoe zou leiden dat het beleid dat hij ten uitvoer wilde leggen na de aanneming van dat plan en tegelijk ook de maatregelen die ter uitvoering ervan zouden worden genomen, in het geding zouden worden gebracht en dat, gelet op het belang van het instrument dat het plan is, het in het geding brengen van dat beleid en van die maatregelen zou voorkomen als een uitzonderlijke omstandigheid die zijn optreden verantwoordde. Het herhaaldelijk betwisten, op grond van artikel 159 van de Grondwet, van de wettigheid van het plan maakt het immers mogelijk om de ter uitvoering van dat plan genomen bepalingen in het geding te brengen. De door de verzoekende partijen aangevoerde omstandigheid dat het bestreden decreet enkel tot gevolg - en zelfs tot doel - zou hebben een 21 winkelcomplex te realiseren op een site waarvan zij de omwonenden zijn en dat er geen andere vergelijkbare betwisting zou bestaan die hangende is voor de Raad van State, is niet van dien aard dat zij die vaststelling kan ontkrachten, vermits het bestreden decreet betrekking heeft op gebieden met een totale oppervlakte van 15 249 ha (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 6), waarin de gronden waarop het door de verzoekende partijen bekritiseerde project betrekking heeft, maar een uiterst klein deel vertegenwoordigen. De decreetgever kon de bestreden maatregel op de hangende rechtsgedingen van toepassing maken, rekening houdend met de gewestplannen die zouden kunnen worden geraakt, waarbij het in het geding zijnde winkelcomplex reeds op twee ervan betrekking heeft. B.
  69. Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.7.
  70. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (met name de artikelen 7 en 8 ervan), geratificeerd door België op 21 januari 2003, met de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (met name de artikelen 3, 4, 5 en 6 en bijlage II ervan) en met het standstill-beginsel. B.7.
  71. De verzoekende partijen klagen aan dat het bestreden decreet aan de rechtzoekenden noch de waarborgen biedt die zijn gekoppeld aan de procedure tot wijziging van de gewestplannen waarvan het bepalingen geldig verklaart (zoals het openbaar onderzoek, het milieueffectrapport en de mogelijkheid om de wettigheid van de wijziging te betwisten), noch die welke zijn gekoppeld aan het aannemen van een norm met belangrijke gevolgen voor het milieu. Dergelijke waarborgen zouden hun zijn geboden indien de bepalingen van het bestreden decreet waren aangenomen via een wijziging van de gewestplannen die de toepassing van procedures inhield die dat decreet net beoogt te vermijden, terwijl alternatieve maatregelen het mogelijk zouden hebben gemaakt om niet op onevenredige wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokkenen. 22 B.8.
  72. De bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met artikel 23 van de Grondwet, de in het middel bedoelde verdragsbepalingen en de standstill-verplichting is tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet onderzocht : « De geldigverklaring van de beoogde gebieden druist niet in tegen de standstill-verplichting die wordt afgeleid uit artikel 23 van de Grondwet. Die geldigverklaring vormt immers geen achteruitgang van het niveau van de bescherming van het leefmilieu. Integendeel. Zoals hiervoor is opgemerkt, speelden de gewestplannen - en spelen zij nog steeds - een belangrijke rol voor de ruimtelijke ordening van Wallonië. Het feit dat meer dan 85 pct. van de oppervlakte niet voor bebouwing is bestemd in de gewestplannen, heeft van die plannen een echt milieubeschermingsinstrument gemaakt. Het weren van grote oppervlakten uit die plannen op grond van artikel 159 van de Grondwet en het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State druisen niet alleen in tegen het beginsel van rechtszekerheid dat een even grote draagwijdte heeft als die van de standstill-verplichting, maar zal ook ertoe leiden dat grote oppervlakten van het grondgebied - mogelijk om en bij de 15 000 hectare - buiten het gewestplan zullen vallen. De overheden die bevoegd zijn om te beslissen over de vergunningsaanvragen binnen die gebieden zullen meestal enkel nog tot de naleving van de regel van de goede ruimtelijke ordening verplicht zijn. Die regel zou evenwel bestaanbaar kunnen zijn met andere bestemmingen dan die welke in de in het geding zijnde gebieden in aanmerking zijn genomen. Die geldigverklaring van bepaalde gebieden van de gewestplannen kan geenszins worden gelijkgesteld met een herziening van de betrokken plannen. De gebiedsindeling blijft dezelfde. Door die werkwijze worden geen nieuwe gebieden gecreëerd die voor bebouwing zijn bestemd. De gebiedsindeling zoals die soms reeds meer dan dertig jaar bestaat zonder dat dit tot enige bezwaren heeft geleid, wordt nog steeds toegepast. De vraag over de overeenstemming van de bepaling met het internationale recht (Verdrag van Aarhus) of met het Europese recht (richtlijn 2001/42/EG) rijst dus niet (zie, naar analogie, Grondwettelijk Hof, arrest nr. 87/2007, 20 juni 2007, B.10). Er moet eveneens worden beklemtoond dat die in het geding zijnde gebieden, die in de gewestplannen zijn opgenomen, niet zijn betwist met betrekking tot de wettigheid ervan op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan. Hetgeen, gezien de ruchtbaarheid waarmee het aannemen van de gewestplannen en de inwerkingtreding ervan gepaard gingen, doet vermoeden dat de burgers tevreden waren over de toen vastgestelde ruimtelijke ordening. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft, in tal van arresten met betrekking tot beroepen tegen vergunningen die in een van de in het geding zijnde gebieden zijn uitgereikt, de problematiek van de wettigheid van het gewestplan niet zelf opgeworpen wanneer dat punt niet door de verzoekers zelf was opgeworpen. Dat alles maakt het mogelijk te besluiten dat de ontworpen bepaling op geen enkele wijze een aanzienlijke achteruitgang van het thans geldende niveau van de bescherming van het leefmilieu vormt. 23 In uiterst ondergeschikte orde, gesteld dat sommigen in dat ontwerp van decreet een mogelijke aanzienlijke achteruitgang zouden zien, zou die uiteraard worden verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang. Het betreft een soortgelijke situatie als de reeds aangehaalde situatie van de geldigverklaring van het Brusselse gewestelijk ontwikkelingsplan (GewOp). Naast de reeds vermelde rechtsonzekerheid waarvoor het van belang is zo snel mogelijk een eind eraan te maken, zou het overdoen van de opmaak van de 23 Waalse gewestplannen teneinde het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State recht te zetten, veel tijd in beslag nemen en de gemeenschap veel geld kosten, waarbij gedurende die hele periode belangrijke gebieden brozer zouden worden gemaakt en de ‘ honger ’ van bepaalde omwonenden zou worden opgewekt, die geneigd zouden kunnen zijn om, gedurende die periode waarin de nieuwe plannen worden opgemaakt, beslissingen die daarvóór op geen enkele wijze waren betwist, opnieuw in het geding te brengen. Er moet dus worden besloten dat de ontwerptekst in overeenstemming is met artikel 23 van de Grondwet » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 3). B.8.
  73. Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat door de van toepassing zijnde wetgeving wordt geboden, in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Onderzocht moet worden of de geldigverklaring, door het bestreden decreet, van sommige gebieden van de gewestplannen, die vroeger in die plannen zijn opgenomen, zonder dat een voorafgaande milieueffectbeoordeling van die geldigverklaring moet plaatsvinden en zonder dat daaromtrent enig openbaar onderzoek moet worden georganiseerd, afbreuk doet aan artikel 23 van de Grondwet, rekening houdend met de artikelen 3 tot 6 van de voormelde richtlijn 2001/42/EG en met de artikelen 7 en 8 van het voormelde Verdrag van Aarhus. B.8.
  74. De voormelde richtlijn 2001/42/EG betreft de milieubeoordeling van plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Luidens artikel 3, lid 2, a), van die richtlijn moeten alle plannen en programma’s die worden voorbereid met betrekking tot ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader kunnen vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen bedoeld in bijlagen I en II bij de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, worden onderworpen aan een milieubeoordeling overeenkomstig de eisen van de eerstvermelde richtlijn. Gelet op de 24 economische bestemming van de bedoelde gebieden, is het geenszins uitgesloten dat in die gebieden projecten zullen worden gerealiseerd als bedoeld in de bijlagen I of II van de richtlijn 85/337/EEG en dat bijgevolg de inrichting van dergelijke gebieden is onderworpen aan het in acht nemen van de voorschriften van de richtlijn 2001/42/EG. De richtlijn 2001/42/EG stelt de minimumeisen vast waaraan bedoelde milieubeoordeling moet beantwoorden. De milieubeoordeling moet worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van het desbetreffende plan of programma (artikel 4, lid 1). De beoordeling omvat de opstelling van een milieurapport dat ten minste aan de eisen van artikel 5 moet beantwoorden, de raadpleging van de bevoegde milieu-instanties en het publiek over het ontwerp-plan of ontwerp-programma en het milieurapport (artikel 6) en de verplichting om rekening te houden met het milieurapport en de resultaten van de raadpleging bij de vaststelling van het plan of programma (artikel 8). Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus legt de verplichting op om « de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu » te onderwerpen aan een inspraakprocedure waarvan het bepaalde modaliteiten vastlegt. Meer bepaald dienen passende praktische of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek te worden getroffen, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. Artikel 8 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat de partijen trachten om doeltreffende inspraak in een passend stadium te bevorderen - en terwijl opties nog openstaan - gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu; er wordt bepaald dat met het resultaat van de inspraak zoveel mogelijk rekening wordt gehouden. B.8.
  75. Zoals in B.5.7 is aangegeven, nemen de bestreden bepalingen bestaande regels over en konden zij derhalve geen afbreuk doen aan de gewettigde verwachtingen van de rechtzoekenden. Zij behouden gebieden die zijn ingeschreven overeenkomstig de toen toepasselijke regels die, rekening houdend met hun voorafgaandelijk karakter, niet moesten worden aangenomen met inachtneming van de procedurele waarborgen die zijn bedoeld in de verdragsbepalingen waarop de verzoekende partijen zich beroepen, of waarvan niet wordt beweerd dat zij aldus hadden moeten worden aangenomen; de decreetgever vermocht dus te oordelen dat het aannemen ervan, op grond van het in B.5.2 beschreven vereiste van 25 rechtszekerheid en voorafgegaan door de beraadslaging van een democratisch verkozen vergadering, geen afbreuk deed aan de standstill-verplichting. De beslissingen die zullen worden genomen ter uitvoering van de bij het bestreden decreet geldig verklaarde reglementaire maatregelen, zouden trouwens, in voorkomend geval, moeten worden aangenomen met inachtneming van de in die verdragsbepalingen bedoelde procedurele waarborgen. Hetzelfde geldt voor de wijzigingen van de geldig verklaarde gebieden die later zouden worden doorgevoerd door middel van een herziening van een gewestplan. Wellicht maken bepaalde door de verzoekende partijen vermelde alternatieve oplossingen deel uit van die welke de wetgever had kunnen overwegen. Blijft het feit dat van andere van die oplossingen (zoals een geldigverklaring die zich beperkt tot het verleden, waarbij de definitief geworden vergunningen niet opnieuw in het geding worden gebracht, of die zich enkel beperkt tot het gebrek in verband met het niet raadplegen van de Raad van State) tegelijk kon worden aangenomen dat zij niet voldoende waarborgen inzake samenhang voor alle te nemen maatregelen boden, terwijl de in aanmerking genomen oplossing van dien aard was dat zij het mogelijk maakte om niet alleen die samenhang te verzekeren, maar ook de rechtsonzekerheid te vermijden en, door zich ertoe te beperken in een decreet bepalingen weer te geven die voorkomen in gewestplannen en door aldus een bestaande situatie in stand te houden, geen afbreuk aan de standstill-verplichting te doen. B.9.
  76. De verzoekende partijen vragen dat de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt gesteld indien het middel niet gegrond wordt bevonden : « Dienen de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, in samenhang gelezen met bijlage II van die richtlijn, alsook de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, goedgekeurd door de Europese Gemeenschap bij het besluit [2005/370/EG] van de Raad van 17 februari 2005, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij een overheid de mogelijkheid bieden een wetskrachtige norm aan te nemen die tot gevolg heeft dat de geldigheid van bepaalde planologische bestemmingen wordt bekrachtigd, zonder aan het publiek de in de voormelde bepalingen bedoelde waarborgen inzake raadpleging, onderzoek van de milieueffecten en verzet te bieden ? ». 26 B.9.
  77. Wanneer een vraag met betrekking tot de uitlegging van het gemeenschapsrecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld « dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21). B.9.
  78. De « planologische bestemmingen », bedoeld in de in B.9.1 weergegeven prejudiciële vraag, stemmen overeen met die welke zijn vastgesteld bij vroegere bepalingen en hebben noch tot doel, noch tot gevolg de betrokken gewestplannen te wijzigen, zoals in B.5.7 en B.8.4 is vastgesteld. Het antwoord op de vraag is dus niet relevant voor het onderzoek van het middel. Hetzelfde geldt, om dezelfde redenen, voor de antwoorden op de vragen die door de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord zijn gesuggereerd en die zijn geïnspireerd op die welke bij het arrest nr. 30/2010 van 30 maart 2010 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld. Er is ook geen reden om dus in te gaan op de vraag van de verzoekende partijen om de uitspraak uit te stellen totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie op die vragen heeft geantwoord. B.9.
  79. Het tweede middel is niet gegrond. Ten aanzien van het derde middel B.10.
  80. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 13, 144, 145 en 159 ervan, met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met het beginsel van de scheiding der machten en met het verbod van machtsoverschrijding en van machtsafwending. 27 B.10.
  81. De verzoekende partijen klagen aan dat het bestreden decreet de bepalingen van de gewestplannen die het geldig verklaart, onaantastbaar maakt, wat ertoe zou leiden dat rechtzoekenden die zich in identieke situaties bevinden, op verschillende wijze worden behandeld naargelang de bepalingen van de plannen die op hen betrekking hebben al dan niet zijn geldig verklaard, aangezien de enen, in tegenstelling tot de anderen, artikel 159 van de Grondwet kunnen aanvoeren en gemakkelijker de wijziging van de bepalingen die op hen van toepassing zijn, kunnen verkrijgen, hetzij via de herziening van een gewestplan op reglementaire wijze, hetzij via een gemeentelijk plan van aanleg dat afwijkt van het gewestplan. Daardoor zou het bestreden decreet aan de Waalse Regering bevoegdheden ontzeggen die haar bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium zijn voorbehouden. B.11.
  82. Zoals in B.5.3 is aangegeven, heeft de decreetgever, door het opnemen van de gebieden in gewestplannen te regelen, zelf een bevoegdheid willen uitoefenen die hem toekomt. B.11.
  83. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de rechtspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State rechtsonzekerheid kan doen ontstaan ten aanzien van de geldigheid van sommige bepalingen van de gewestplannen, zodat het optreden van de decreetgever en het verschil in behandeling dat eruit voortvloeit, om de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen, redelijk verantwoord zijn. B.11.
  84. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, vermocht de decreetgever het onderwerp van het bestreden decreet te beperken tot de gebieden van de gewestplannen die niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd en waarvoor dus rechtsonzekerheid was gebleken (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 2). Overigens kon hij zich, om redenen van coherentie, bij de wettelijke geldigverklaring niet uitsluitend beperken tot het verhelpen van het gebrek van niet-raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State, raadpleging die een voorafgaande formaliteit vormt die vergelijkbaar is met die welke door de verzoekende partijen werden geciteerd. B.
  85. Het derde middel is niet gegrond. 28 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 november
  86. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.131 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.