id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.139 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.20101216.1 Arrest- Rolnummer: 139/2010 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-01-26 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-06-30 05:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » schendt niet artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest - Plan ruimtelijke ordening Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Opneming van gebieden in het gewestplan -Wettelijke bekrachtiging. # Rechten en vrijheden -
- Jurisdictionele waarborgen -
- Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu - Standstill-verplichting. # Europees recht - Leefmilieu - Milieubeoordeling. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 30-04-2009 - 1 - 68 ELI link Pub nr 2009202441 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 23 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-03-1952 - 1 - 30 Link Justel databank 19520320-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4826 Arrest nr. 139/2010 van 16 december 2010 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit emeritus voorzitter M. Melchior, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en voorzitter M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 198.195 van 25 november 2009 in zake Patrick Vantomme en anderen, en Francine D’Haeze tegen het Waalse Gewest, vrijwillig tussenkomende partij : de nv « Cora », en partijen geroepen tot tussenkomst :
- de stad Moeskroen,
- de gemeente Estaimpuis, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 december 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium het standstill-beginsel, dat inherent is aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu bepaald in artikel 23 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsook artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre het tot gevolg heeft dat het : - de inhoud van de gewestplannen geldig verklaart, zonder aan de burgers de waarborgen te bieden die gekoppeld zijn aan een procedure tot wijziging van die plannen (met name een openbaar onderzoek, een milieueffectrapport en de mogelijkheid om de wettigheid van de wijzigingsbeslissing te betwisten), en hun dus slechts een bescherming biedt die wezenlijk geringer is dan die welke zij tot op heden konden genieten, zonder dat hiervoor een met de maatregel evenredig doel van algemeen belang bestaat; - de mogelijkheden om de bestemming te betwisten aanzienlijk beperkt, waardoor een verschil in behandeling wordt ingevoerd ten opzichte van de burgers die de wettigheid kunnen betwisten van een bestemming die niet op wetgevende wijze geldig is verklaard; - met terugwerkende kracht van toepassing is op de aan de gang zijnde procedures, terwijl die toepassing, die een van de belangrijkste werkelijke doelen van het decreet vormt, niet evenredig is met het aangevoerde doel van de maatregel ? ». Memories zijn ingediend door : - Patrick Vantomme en Marie-Andrée Samain, wonende te 7730 Estaimpuis, rue Saint-Roch 16, Marie-Claude Deconinck, wonende te 7711 Moeskroen, Frankrijkstraat 6-8, Philippe Delberghe, wonende te 7711 Moeskroen, Herseauxlaan 131, Stéphane Delberghe, wonende te 7711 Moeskroen, Herseauxlaan 122, Emmanuel Kerkhove, wonende te 7730 Estaimpuis, chaussée de Dottignies 50, en Stéphane Vanhove en Isabelle Vandenbroucke, wonende te 7730 Estaimpuis, rue de la Couronne 42a; - Francine D’Haeze, wonende te 7711 Dottignies, rue du Quevaucamps 4; - de nv « Cora », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 6040 Jumet, 4ème rue; - de Waalse Regering. 3 Patrick Vantomme en anderen en de nv « Cora » hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2010 : - zijn verschenen : . Mr. I. Brouckaert, advocaat bij de balie te Doornik, voor Patrick Vantomme en anderen, tevens loco Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor Francine D’Haeze; . Mr. M. Alexandre loco Mr. T. Vandenput, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « Cora »; . Mr. P. Lambert, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter vorderen de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 4 september 2007 van de Waalse minister van Huisvesting, Transport en Ruimtelijke Ontwikkeling waarin hij, uitspraak doende over de beroepen ingesteld tegen het besluit van de technische en gemachtigde ambtenaren van 30 maart 2007, aan de nv « Cora » een globale vergunning verleent voor de bouw en de exploitatie van een commercieel centrum dat een supermarkt, een winkelgalerij, restaurants, een bowling, een tuincentrum, een bioscoopcomplex, een benzinestation, een eenheid voor de voorbehandeling van water, een parkeerterrein, technische installaties en lokalen, en een stormbekken omvat, dit alles gesitueerd in de gemengde bedrijfsruimte van Quevauchamps te Moeskroen en Estaimpuis. Bij een arrest nr. 186.682 van 30 september 2008 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van dat besluit omdat de aan de nv « Cora » verleende globale vergunning, die steunt op twee uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven, respectievelijk opgenomen in de gewestplannen van Moeskroen-Komen en van Doornik-Leuze-Péruwelz, illegaal is omdat zij niet voor advies is voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Op 30 april 2009 wordt het decreet van het Waals Parlement tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP) afgekondigd. Met dat decreet verklaart de Waalse decreetgever alle uitbreidingsgebieden geldig, waaronder de twee voormelde uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven. In een op 8 december 2009 aan het Hof gericht verzoekschrift stellen Patrick Vantomme en anderen een beroep tot nietigverklaring in tegen dat decreet. Naar aanleiding van de aanneming van dat decreet meent de Raad van State aan het Hof de voorliggende prejudiciële vraag te moeten stellen. 4 III. In rechte -A- Memorie van Patrick Vantomme en consorten, verzoekende partijen voor de verwijzende rechter A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zetten uiteen dat zij, te Moeskroen, omwonenden zijn van de vestigingssite van een project betreffende een winkelcomplex dat zich uitstrekt over 77 hectare en dat reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van drie stedenbouwkundige vergunningen, die alle door de Raad van State nietig zijn verklaard, en van een globale vergunning, die op 4 september 2007 is uitgereikt en bij een arrest van de Raad van State van 30 september 2008 is geschorst; in dat arrest wordt vastgesteld dat de afdeling wetgeving niet is geraadpleegd over de wijziging van de twee gewestplannen waarop de site betrekking heeft, wijziging waardoor het gebied van die site niet langer een agrarisch gebied was en een gemengde bedrijfsruimte werd. In plaats van de twee gewestplannen te wijzigen teneinde de uitreiking van een nieuwe globale vergunning mogelijk te maken, werd besloten om het in het geding zijnde decreet aan te nemen waarvan het gevolg, zo niet het belangrijkste werkelijk doel is dat de gevolgen van het arrest van de Raad van State van 30 september 2008 worden tegengegaan. Antwoorden op parlementaire vragen tonen het verband aan tussen dat decreet en het in het geding zijnde project van het winkelcomplex. In de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet, ingediend op 23 maart 2009, wordt aangegeven dat in verschillende zaken middelen worden afgeleid uit de onwettigheid van gewestplannen die niet aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd en dat, indien alle procedures voor de uitwerking van de gewestplannen zouden moeten worden overgedaan om een of ander procedureel gebrek te verhelpen, zulks een kolossale taak en enorme kosten zou inhouden. In de memorie van toelichting wordt bovendien erop gewezen dat de mogelijkheid - zonder beperking in de tijd, in tegenstelling tot het Franse recht - om op grond van artikel 159 van de Grondwet een exceptie van onwettigheid op te werpen over een bepaald gewestplan, algehele rechtsonzekerheid doet ontstaan ten koste van de verwezenlijking van het beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. Het in het geding zijnde decreet, dat voorziet in de wettelijke dekking met absolute terugwerkende kracht - ook met betrekking tot de hangende rechtsgedingen - van verschillende wijzigingen in de planologische bestemming, waaronder die met betrekking tot de in het geding zijnde site, is op 30 april 2009 afgekondigd. In een verslag van 31 maart 2009 had de auditeur bij de Raad van State besloten tot de nietigverklaring van de globale vergunning. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat de in het geding zijnde norm, door de regelmatigheid van een reeks planologische bestemmingen geldig te verklaren op de dag van het opnemen ervan in de gewestplannen, zonder een uitzondering te maken op de toepasbaarheid ervan in de hangende rechtsgedingen, erop neerkomt dat de burgers die al dan niet een jurisdictioneel beroep hebben ingesteld waarvan de afloop wordt beïnvloed door die terugwerkende kracht, op identieke wijze worden behandeld en dat zij de eerstgenoemden de voordelen van een hangende jurisdictionele procedure doet verliezen, wat voor de tegenpartij erop neerkomt dat zij zich mengt in jurisdictionele procedures en dat zij zichzelf daarin de middelen aanreikt om in het gelijk te worden gesteld, en ertoe leidt dat terugwerkende kracht wordt verleend aan een decretale norm op een wijze die een dwingende reden van algemeen belang overstijgt, terwijl de in het geding zijnde norm op evenredige wijze de doelstellingen had moeten verwezenlijken die ermee worden nagestreefd, door een voorbehoud te maken bij de toepasbaarheid ervan met betrekking tot de hangende rechtsgedingen. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter wijzen erop dat de Raad van State in het geschil met betrekking tot de vestiging van een « Cora »-winkel te Moeskroen, geschil waarin zij partij zijn, kan oordelen dat het in het geding zijnde decreet de betwiste bestemmingen van de betrokken gewestplannen heeft gedekt, zodat het middel in kwestie (dat nochtans ernstig is geacht in het schorsingsarrest en gegrond is bevonden in het auditoraatsverslag inzake het beroep tot nietigverklaring) zou worden verworpen. Dat geschil lijkt het enige rechtsgeding te zijn dat hangende was bij het aannemen van het decreet en dat relevant is ten aanzien daarvan : in de parlementaire voorbereiding wordt immers verwezen naar arresten van de Raad van State met betrekking tot geschillen die ofwel zonder voorwerp zijn geworden ingevolge het aannemen van een nieuwe beslissing (Dethier, nr. 149.576 van 28 september 2005), ofwel tot een wettelijke geldigverklaring hebben geleid (FEDEX [lees : Poumon vert de La Hulpe e.a.], nr. 175.463 van 8 oktober 2007), ofwel zijn afgesloten (COPEVA, nr. 170.234 van 19 april 2007); de minister is daarenboven vaag gebleven toen andere geschillen moesten worden aangehaald. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat het in het geding zijnde decreet op dubbele wijze discriminerend is in zoverre het de burgers die geen jurisdictioneel beroep hebben ingesteld 5 waarvan de afloop wordt beïnvloed door de inwerkingtreding van de in het geding zijnde norm en diegenen die dat wel hebben gedaan (die de bestemming die aan een van de bij het decreet gedekte gebieden is gegeven, niet langer kunnen betwisten, terwijl zij zich in een verschillende situatie bevinden), op identieke wijze behandelt, en in zoverre het de burgers die een jurisdictioneel beroep hebben ingesteld waarvan de afloop wordt beïnvloed door de inwerkingtreding van de in het geding zijnde norm, anders behandelt dan de rest van de burgers die een jurisdictioneel beroep op andere gebieden hebben ingesteld en aan wie een deel van hun kansen op slagen niet wordt ontzegd via een wetgevend optreden dat hun procedure omzeilt. Verwijzend naar de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en naar artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, doen de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter gelden dat de rechtspraak van het Hof een inmenging van de wetgevende macht in de rechtsbedeling afkeurt die tot gevolg zou hebben dat de gerechtelijke ontknoping van het geschil wordt beïnvloed, tenzij een dergelijke inmenging wordt verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang; zij doen gelden dat het beginsel van de wapengelijkheid zich ertegen verzet dat het Waalse Gewest zichzelf, tijdens de procedure, de middelen aanreikt om in het gelijk te worden gesteld, terwijl het voormelde artikel 13 het bestaan van een daadwerkelijk rechtsmiddel inhoudt wanneer de bij dat Verdrag beschermde rechten (met name het recht op eerbiediging van het privéleven en van de woning, beïnvloed door de bestemmingsmogelijkheden van de onmiddellijke omgeving, alsook de eerbiediging van het eigendomsrecht) worden geschonden en terwijl artikel 14 van hetzelfde Verdrag discriminatie bij het genot van diezelfde rechten verbiedt. Zij brengen eveneens de rechtspraak van het Hof in herinnering volgens welke de retroactiviteit van de wetskrachtige normen enkel kan worden verantwoord op grond van bijzondere omstandigheden, met name wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter doen gelden dat de bij het in het geding zijnde decreet nagestreefde doelstellingen - namelijk het voorkomen van rechtsonzekerheid door te vermijden dat bepaalde bestemmingen van bepaalde gewestplannen stelselmatig kunnen worden betwist, en het vermijden van de administratieve last die een wijziging van de gewestplannen volgens de daarop van toepassing zijnde procedure zou inhouden - konden worden verwezenlijkt zonder op de hangende rechtsgedingen van toepassing te zijn. De rechtsonzekerheid kan immers niet enkel uit het geschil met betrekking tot het door de verzoekende partijen betwiste project voortvloeien en het is niet noodzakelijk om alle betrokken gewestplannen te wijzigen voor enkel die percelen waarop dat project betrekking heeft, die in hun huidige staat konden worden gelaten. De aangeklaagde discriminaties hebben dus een onevenredig karakter. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat geen enkele dwingende reden van algemeen belang de toepasbaarheid van het decreet op de hangende rechtsgedingen verantwoordt, gesteld dat er een zou bestaan om te verantwoorden dat de gewestplannen geldig worden verklaard. Het in het geding zijnde belang is het belang van een winkelcomplex en geen algemeen belang. Ondanks de omvang van het complex kan het bovendien niet als een dwingende reden worden beschouwd en is het trouwens niet in aanmerking genomen in het « DAR »-decreet van 17 juli
- De onevenredigheid die voortvloeit uit het niet maken van een voorbehoud bij de toepasbaarheid van het decreet op de hangende rechtsgedingen blijkt des te meer daar dat decreet nauw verband houdt met het beroep dat de verzoekende partijen bij de Raad van State hebben ingesteld. Ofwel was er een wetgevend optreden « op maat », hetgeen niet toelaatbaar is, ofwel werd een niet-exclusieve maatregel genomen, hetgeen niet mocht beletten dat een uitzondering werd gemaakt op de toepasbaarheid van het decreet op de hangende rechtsgedingen. Die onevenredigheid werd aan de kaak gesteld door de « Conseil supérieur des villes, communes et provinces de la Région wallonne » en impliciet erkend door de verantwoordelijke minister, maar is geenszins verantwoord in de memorie van toelichting bij het in het geding zijnde decreet, in tegenstelling tot andere evidente gronden van betwisting. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter brengen de rechtspraak van het Hof in herinnering volgens welke het bestaan van hangende beroepen zich niet verzet tegen een wettelijke geldigverklaring, maar doen gelden dat wanneer de toepassing op een hangend rechtsgeding niet wordt verantwoord door een reden die noodzakelijk is voor het algemeen belang of wanneer het mogelijk is het nagestreefde doel te verwezenlijken zonder inbreuk te maken op de in het geding zijnde normen en beginselen, er een onevenredigheid bestaat tussen de maatregel en het nagestreefde doel. Het Hof heeft rekening gehouden met die omstandigheden om een wettelijke geldigverklaring te vernietigen (arrest nr. 16/91). In het onderhavige geval is de problematiek van de hangende rechtsgedingen het belangrijkst aangezien niet wordt betwist dat zij aan de oorsprong van het aannemen van het in het geding zijnde decreet liggen. 6 A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat het in het geding zijnde decreet, door de regelmatigheid van een reeks planologische bestemmingen van gewestplannen louter bij decreet geldig te verklaren, aan de burgers niet de waarborgen biedt die gekoppeld zijn aan een procedure tot wijziging van die plannen (met name een openbaar onderzoek, een milieueffectrapport en de mogelijkheid om de wettigheid van de beslissing tot wijziging te betwisten) of zelfs niet die welke gekoppeld moeten zijn aan het aannemen van een norm die belangrijke gevolgen voor het milieu heeft, terwijl de normen waarvan de schending wordt aangevoerd, inhouden dat die waarborgen worden geboden, of op zijn minst dat de adressaten van de in het geding zijnde norm niet het voorwerp kunnen uitmaken van een bescherming die duidelijk geringer is dan die welke zij tot op heden konden menen te genieten, zonder dat daarvoor een met de maatregel evenredig doel van algemeen belang bestaat. Aldus zou afbreuk zijn gedaan aan het standstill-beginsel, dat inherent is aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu bepaald in artikel 23 van de Grondwet. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter doen gelden dat krachtens de richtlijn 2001/42/EG, alsook krachtens het Verdrag van Aarhus, de burgers op adequate wijze moeten worden geraadpleegd, de milieueffecten van dat plan of van die norm moeten worden onderzocht en de burgers over de mogelijkheid moeten beschikken om de materiële en formele rechtmatigheid van het besluit van de instantie die dat plan of die norm invoert of wijzigt, te bestrijden. Die verplichtingen worden opgelegd vóór het aannemen van een bestemmingsplan, maar ook vóór het aannemen van normen die niet van planologische aard zijn maar toch een aanzienlijk effect op het milieu hebben. Zij doen, ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel, eveneens gelden dat de wettelijke geldigverklaring niet dezelfde waarborgen biedt als die welke verband houden met een reglementaire wijziging van de gewestplannen. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter doen gelden dat het in het geding zijnde decreet hun de waarborgen ontzegt waarop zij zich hadden kunnen beroepen indien de bij dat decreet bekrachtigde gebieden via een wijziging van de gewestplannen waren vastgelegd, en die waarop zij zich hadden moeten kunnen beroepen vóór het aannemen van een norm met belangrijke gevolgen voor het milieu. De partijen kunnen immers de wettigheid van de bij het decreet gedekte bestemmingen niet langer betwisten en de toepassing ervan kan niet langer worden geweerd door de bevoegde instanties, zowel met betrekking tot het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State als met betrekking tot de andere grieven. Bovendien wordt niet geheimzinnig gedaan over het feit dat het in het geding zijnde decreet de logge procedures vermijdt die inherent zijn aan een herstel van de gewestplannen volgens de van toepassing zijnde procedure, hetgeen aanzienlijk afbreuk doet aan de bezwaarmogelijkheden van derden. Overeenkomstig de in het middel aangevoerde verdragsnormen had een wijziging van de gewestplannen volgens de van toepassing zijnde procedure immers ingehouden dat de burgers vóór die wijziging hadden moeten worden geraadpleegd, dat de gevolgen van die wijziging daarenboven onderzocht hadden moeten worden en dat de burgers de materiële en formele rechtmatigheid van de doorgevoerde bestemmingswijziging hadden moeten kunnen bestrijden. Dat brengt een aanzienlijke vermindering van het niveau van de bescherming van het gezonde leefmilieu met zich mee. Te dezen bekrachtigt het decreet, met betrekking tot het door de verzoekende partijen aan de kaak gestelde winkelcomplex, een bestemming die de bouw van het complex mogelijk maakte maar die onwettig was en had moeten worden geweerd ten voordele van de vorige bestemming. Het gevolg van het decreet is met andere woorden niet dat wat bestaat wordt bekrachtigd, maar wel dat de bestaande situatie wordt gewijzigd. Het zijn immers niet de twee gewijzigde gewestplannen (die bij de in het geding zijnde norm worden bekrachtigd) die de bestaande situatie uitmaken, maar wel de twee gewestplannen in zoverre zij niet onwettig zijn verklaard door de Raad van State in zijn arrest van 30 september 2008 (wat per definitie verschilt van de gewijzigde gewestplannen). A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter doen gelden dat de inbreuk op het recht op een gezond leefmilieu onevenredig lijkt, rekening houdend met de alternatieven : - de bestemmingen enkel voor het verleden geldig verklaren, zodat enkel de definitief geworden vergunningen niet opnieuw in het geding kunnen worden gebracht; - bepalen dat de wettelijke dekking slechts een overgangsregeling is die het mogelijk maakt de rechtszekerheid te waarborgen totdat nieuwe bestemmingen worden aangenomen met inachtneming van de van toepassing zijnde procedures (en dus met de waarborgen dat zulks inhoudt); - enkel het gebrek dekken dat ertoe heeft geleid dat gewestplannen onwettig zijn verklaard, namelijk het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State; aldus was het voldoende geweest 7 terugwerkende kracht te verlenen aan de sedert het decreet van 27 november 1997 bestaande regeling waarbij de Raad van State voor de gewestplanherzieningen niet moet worden geraadpleegd. Zodoende zouden de nagestreefde doelstellingen zijn verwezenlijkt, terwijl de bestemmingen geen wetgevende aard zouden verkrijgen en dus nog steeds zouden kunnen worden betwist om andere redenen dan enkel de gedekte formaliteit; - een wettelijke dekking doorvoeren door een uitzondering te maken voor de hangende rechtsgedingen en/of voor de gevallen waarin de geldig te verklaren bestemming werd betwist; - het proces van wettelijke dekking koppelen aan waarborgen ad hoc die een verzet van de burgers tegen de bekrachtiging van de bestemmingen mogelijk maken. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter verwijzen in dat verband naar het arrest nr. 137/
- De omstandigheid dat het in het geding zijnde decreet terugwerkende kracht heeft tot een tijdstip vóór de inwerkingtreding van de in het middel aangevoerde verdragsbepalingen, is te dezen onbelangrijk aangezien het wel degelijk het decreet is dat het mogelijk maakt om de in het geding zijnde site te bebouwen. Bovendien hebben de partijen voor het Hof niet de mogelijkheid om de procedure-elementen of elementen ten gronde in verband met het decreet (zoals, respectievelijk, de verplichting om de Raad van State te raadplegen of de opportuniteit van de bekrachtigde gebiedsindeling) te betwisten. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter weerleggen de verantwoordingen die in de memorie van toelichting bij het in het geding zijnde decreet zijn aangevoerd om de bestaanbaarheid van de gevolgen van het decreet met de standstill-verplichting aan te tonen. De eerste verantwoording, volgens welke het decreet vermijdt dat gebieden meestal « buiten het gewestplan » zouden vallen, met als enige waarborg de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, is onjuist aangezien de betrokken bestemmingen sedert het aannemen van het oorspronkelijke gewestplan vaak zijn gewijzigd zodat het, bij gebrek aan geldigverklaring, de vroegere bestemming is die opnieuw zou verschijnen. In elk geval zou een terugkeer naar een gebied dat « buiten het gewestplan » valt, minder nadelig zijn voor de burger dan een gebied met wetgevende waarde aangezien hij, in het eerste geval, de regelmatigheid van de bestemming kan betwisten. De tweede verantwoording, volgens welke het gevolg van de norm niet zou kunnen worden gelijkgesteld met een herziening van de gewestplannen aangezien de gebiedsindeling niet wordt gewijzigd en niet tot bezwaren had geleid, is evenmin relevant : de gebiedsindeling wordt wel degelijk gewijzigd aangezien een onregelmatige gebiedsindeling voortaan geldig wordt verklaard, en zelfs indien de gebiedsindeling niet werd gewijzigd, hadden de bij artikel 23 van de Grondwet en bij het Verdrag van Aarhus geboden waarborgen in acht moeten worden genomen, rekening houdend met de belangrijke gevolgen van het decreet voor het milieu. Ten slotte werden wel degelijk bezwaren geuit tijdens het openbaar onderzoek met betrekking tot het betwiste project, en het blijkt niet dat daarmee rekening is gehouden zodat die situatie is verkregen zonder inachtneming van de procedurele waarborgen. Voor het overige is de ontstentenis van beroepen tegen de gewestplanwijzigingen geen doorslaggevend element aangezien een planologische bestemming gewoonlijk pas wordt betwist wanneer zij een nadeel berokkent aan een particulier die een concreet project overweegt. De derde verantwoording, volgens welke de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de wettigheid van de gewestplannen in bepaalde arresten met betrekking tot de betrokken gebieden niet ambtshalve heeft opgeworpen, is irrelevant, aangezien de geldigverklaring aantoont dat de wetgever het in andere arresten vastgestelde gebrek ernstig heeft bevonden. De vierde verantwoording houdt verband met de dwingende redenen van algemeen belang die de inbreuk op het standstill-beginsel, gesteld dat zij wordt aangetoond, zouden verantwoorden. Die redenen kunnen niet worden aanvaard, ongeacht of het de logge procedure tot wijziging van de gewestplannen betreft (aangezien die procedure net de procedure is die een vaste vorm geeft aan de bij het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2001/42/EG geboden waarborgen) of de rechtsonzekerheid (aangezien die verdragsnormen het net mogelijk maken om bepaalde bestemmingen in het geding te brengen). Daarenboven is reeds erop gewezen dat een voorbehoud bij de toepasbaarheid van de in het geding zijnde akte wat betreft de hangende rechtsgedingen geen enkele rechtsonzekerheid zou hebben teweeggebracht, gezien het beperkte aantal gevallen. Ten slotte is de vijfde verantwoording die is afgeleid uit het arrest nr. 51/2007 waarin de geldigverklaring van het gewestelijk ontwikkelingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij de ordonnantie van 8 2 december 2004 niet is afgekeurd, evenmin relevant rekening houdend met het beperkte karakter van het gezag van gewijsde van de verwerpingsarresten. Daarenboven zijn beide normen fundamenteel verschillend : in tegenstelling tot de gewestplannen is het gewestelijk ontwikkelingsplan in beginsel indicatief en beperken de beperkte en onrechtstreekse reglementaire gevolgen ervan zich tot positieve elementen voor de adressaten; de bij de Brusselse ordonnantie gedekte gebreken waren beperkt tot het niet raadplegen van de Raad van State, terwijl bij het in het geding zijnde decreet gewestplanherzieningen geldig worden verklaard die zijn doorgevoerd zonder rekening te houden met de meningen die tijdens het openbaar onderzoek zijn geuit; nog doorslaggevender is dat de Brusselse ordonnantie niet werd betwist ten aanzien van het standstill-beginsel, het Verdrag van Aarhus of de richtlijn 2001/42/EG en daarenboven enkel een voorlopige regeling vaststelde, voorafgaand aan een herstel van de onwettige reglementaire akte met inachtneming van processen tot herziening van het plan. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zijn van mening dat de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zou moeten worden gesteld : « Dienen de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, in samenhang gelezen met bijlage II van die richtlijn, alsook de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, goedgekeurd door de Europese Gemeenschap bij het besluit 2005/330/EG [lees : 2005/370/EG] van de Raad van 17 februari 2005, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij een overheid de mogelijkheid bieden een wetskrachtige norm aan te nemen die tot gevolg heeft dat de geldigheid van bepaalde planologische bestemmingen wordt bekrachtigd, zonder aan het publiek de in de voormelde bepalingen bedoelde waarborgen inzake raadpleging, onderzoek van de milieueffecten en verzet te bieden ? ». A.1.
- Zij voeren in een derde punt aan dat de in het geding zijnde norm, wegens de wetgevende aard ervan, tot gevolg heeft dat de mate van onaantastbaarheid van de planologische bestemmingen die zij dekt, wordt versterkt, met als gevolg een verschillende behandeling tussen burgers naargelang de bestemming in het gewestplan dat op hen betrekking heeft, al dan niet op wetgevende wijze geldig is verklaard, terwijl burgers die in een identieke situatie zijn geplaatst, op dezelfde wijze moeten worden behandeld en dus over dezelfde betwistings-, wijzigings- en afwijkingsmogelijkheden moeten beschikken ten opzichte van het bestemmingsgebied dat op hen betrekking heeft. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter doen gelden dat het in het geding zijnde decreet een verschil in behandeling teweegbrengt tussen burgers, naargelang de bestemming die in het gewestplan aan het gebied waarin zij wonen wordt gegeven of die zij willen betwisten, al dan niet geldig is verklaard op wetgevende wijze. In het eerste geval worden de betwistingsmogelijkheden aanzienlijk ingeperkt en kan artikel 159 van de Grondwet niet langer worden aangevoerd. Bovendien zal de wijziging van de geldig verklaarde gebieden niet langer op reglementaire wijze kunnen plaatsvinden en zal daarvan niet langer kunnen worden afgeweken via een gemeentelijk plan van aanleg dat afwijkt van het gewestplan. A.1.
- Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter wordt dat verschil in behandeling niet verantwoord in de parlementaire voorbereiding van het decreet maar beperkt men zich daarin tot het verantwoorden van de wettelijke dekking en niet van de modaliteiten ervan. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zijn van mening dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel : dat doel kon worden bereikt door alle gebieden van de gewestplannen geldig te verklaren of door enkel de problematiek van de verplichting tot raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State geldig te verklaren. Bij het decreet worden evenwel enkel de daarin beoogde gebieden geldig verklaard, maar in alle opzichten, hetgeen de belanghebbende derden verhindert om elk ander gebrek te betwisten dat de geldigheid van het gewestplan aantast, zoals het niet in aanmerking nemen van het advies van de Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening of van de mening van de omwonenden die tijdens het openbaar onderzoek zijn geraadpleegd. Artikel 41 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium had evenwel met terugwerkende kracht kunnen worden aangewend om enkel het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State te dekken. A.1.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter voeren een inbreuk op de scheiding der machten aan in zoverre het in het geding zijnde decreet aan de Waalse Regering een bevoegdheid ontzegt die haar in beginsel bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium is voorbehouden, namelijk de concrete regeling van de bestemming van het gehele gewestelijke grondgebied. De 9 gewestplannen kunnen enkel nog gedeeltelijk door de Waalse Regering worden gewijzigd, wat een gebrek aan samenhang creëert; de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter refereren mutatis mutandis aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het « DAR »-decreet. Memorie van F. D'Haeze, verzoekende partij voor de verwijzende rechter A.
- F. D’Haeze, verzoekende partij voor de verwijzende rechter, zet uiteen dat de twee in het geding zijnde gewestplannen in 1993 het voorwerp hebben uitgemaakt van gedeeltelijke herzieningen en dat de wettigheid van die herzieningen om twee redenen voor de Raad van State in het geding is gebracht : de ene is afgeleid uit de schending van artikel 40, § 1, van het vroegere Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna : WWROSP), in zoverre die herzieningen, daar zij niet de in die bepaling bedoelde verrichtingen van openbaar belang beogen, niet binnen de grenzen blijven waarbinnen een gedeeltelijke herziening - in plaats van een globale herziening - kon worden uitgevoerd; de andere is het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State waaraan die maatregelen moesten worden voorgelegd rekening houdend met het reglementaire karakter van de inhoud ervan, zoals dat voortvloeide uit de bepalingen van het WWROSP vóór de wijziging ervan bij het decreet van 27 november 1997 (dat aan de inhoud van de gebiedsindeling een decretale waarde geeft). De dringende noodzakelijkheid werd aangevoerd om drogredenen en het is de tussenkomende partij niet duidelijk welke dwingende redenen een inmenging in de voor de Raad van State hangende procedures verantwoorden ten aanzien van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens : de Waalse Regering wist sedert 1990 immers dat de afdeling wetgeving van de Raad van State moest worden geraadpleegd; zij is die verplichting om drogredenen evenwel niet nagekomen en de decreetgever heeft tot 2009 gewacht om op te treden, terwijl het probleem sedert 1997 niet meer bestaat. Ten slotte wordt het wetgevend optreden uitsluitend verantwoord door dat procedurele gebrek, terwijl de tussenkomende partij een middel ten gronde heeft aangevoerd voor de Raad van State, dat is afgeleid uit de schending van het voormelde artikel 40 van het vroegere WWROSP. Memorie van de nv « Cora », tussenkomende partij voor de verwijzende rechter A.3.
- De nv « Cora » wijst erop dat het in het geding zijnde project zowel voor haar positionering op het Belgische grondgebied als voor het betrokken gewest strategisch is. Zij brengt in herinnering dat dat project het voorwerp van drie vergunningen heeft uitgemaakt. De eerste vergunning is nietig verklaard om een reden die niets te maken heeft met de onwettigheid van de gewestplannen, de tweede wegens een gebrek aan motivering van de betrokken akte en de derde is geschorst om een reden die verband houdt met de onwettigheid van gewestplannen die niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd. Zij brengt in herinnering dat het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen de verschillende gebieden omschreef op basis waarvan het grondgebied via de door de Koning vast te stellen gewestplannen kon worden ingedeeld. De afdeling wetgeving van de Raad van State is erover geraadpleegd en het is op grond van dat koninklijk besluit dat het gewestplan Moeskroen-Komen op 17 januari 1979 en het gewestplan Doornik-Leuze-Péruwelz op 24 juli 1981 zijn aangenomen, die beide de vestigingssite van het project van de nv « Cora » in agrarisch gebied opnamen. Die twee gewestplannen werden gedeeltelijk gewijzigd bij twee besluiten van de Waalse Regering van 29 juli 1993, op grond waarvan de vestigingssite van het project van de nv « Cora » in een uitbreidingsgebied voor ambachtelijke bedrijven werd opgenomen, maar zonder dat het voorschrift van dat nieuwe soort van gebied, waarin niet was voorzien bij het voormelde koninklijk besluit van 28 december 1972, aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd. Een Waals decreet van 27 november 1997 bepaalt dat de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven voortaan worden geregeld door de bepalingen die van toepassing zijn op de gemengde bedrijfsruimten. Die gebieden worden, op de datum van inwerkingtreding van de opneming ervan in de betrokken gewestplannen, geldig verklaard bij het in het geding zijnde decreet. Zij beschrijft vervolgens de ontstaansgeschiedenis van dat decreet door te verwijzen naar parlementaire interpellaties, naar de memorie van toelichting bij dat decreet, naar het advies van de Raad van State en van de verschillende instanties die over het project zijn geraadpleegd en die daarbij, over het geheel genomen, gunstige adviezen hebben verleend, en naar de parlementaire voorbereiding. 10 A.3.
- De nv « Cora » brengt het beginsel van de wettelijke geldigverklaring in herinnering. Zij wijst erop dat de Raad van State, in zijn arrest van 30 september 2008, de wetgever heeft verzocht om de door onregelmatigheden aangetaste gewestplannen geldig te verklaren. Zij brengt de draagwijdte van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in herinnering. Verwijzend naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en naar het arrest nr. 98/2001 van 13 juli 2001, voert zij aan dat de wetgever het recht heeft om afbreuk te doen aan de bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechten voor zover hij dwingende redenen van algemeen belang aantoont. Wat betreft het recht op daadwerkelijke toegang tot een rechtbank, voert zij aan dat het niet absoluut is en verwijst zij naar zowel de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het arrest nr. 49/2002 van 13 maart
- De beperking tot een beroep bij het Hof kan op zich niet worden geïnterpreteerd als een schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, althans indien die beperking een grondslag vindt in een legitiem doel en een redelijk verband van evenredigheid vertoont tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Zij brengt de draagwijdte van de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus in herinnering, waarvan de Toepassingsgids aangeeft dat artikel 7 aan de partijen meer speelruimte laat om geschikte oplossingen te vinden met het oog op de inspraak van het publiek in die categorie van besluitvorming. Dat publiek heeft, krachtens artikel 8, een rol te vervullen met betrekking tot de beslissingen die zijn bestaan beïnvloeden en met betrekking tot de totstandkoming van de wetten en normatieve akten. De uitdrukking « zoveel mogelijk » wijst evenwel erop dat de partijen bij het Verdrag rekening zullen moeten houden met de politieke context waarin die wetten en akten kaderen. Wat de richtlijn 2001/42/EG betreft, is zij van mening dat daarin de minimale vereisten worden vastgesteld waaraan elke milieubeoordeling moet voldoen vóór het aannemen van het plan of het programma in kwestie (artikel 4, lid 1). De beoordeling omvat het opstellen van een milieurapport dat minstens aan de vereisten van artikel 5 moet voldoen en het raadplegen van de bevoegde milieu-instanties en van het publiek over het ontwerpplan of -programma en over het milieurapport (artikel 6). Zij brengt ten slotte de draagwijdte van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en van de standstill-verplichting in herinnering. Die verplichting verbiedt de overheid om wetten uit te vaardigen die haaks staan op de gewaarborgde rechten; daarvan kan worden afgeweken, zoals is aangegeven in de arresten nrs. 87/2007 van 20 juni 2007, 137/2006 van 14 september 2006 en 114/2008 van 31 juli
- A.3.
- Bij het onderzoek ten gronde voert de nv « Cora » aan dat dwingende redenen van algemeen belang het de wetgever mogelijk maken om een onregelmatige akte met terugwerkende kracht te dekken door middel van een wetskrachtige norm met een invloed op een hangend rechtsgeding. Die redenen bestaan te dezen en beperken zich niet alleen tot haar private belangen aangezien het een belang met gewestelijke draagwijdte betreft. Het arrest van de Raad van State waarbij de in het geding zijnde vergunningen zijn geschorst, was hoogstens de katalysator die de decreetgever ertoe bracht om vast te stellen dat dat debat op de meeste gebieden betrekking had en dat tal van projecten bijgevolg waren bedreigd, aangezien het 15 249 hectare betreft : de betwiste geldigverklaring betreft dus veel meer dan de 36 hectare van het door de verzoekende partijen bekritiseerde project. Dat decreet heeft niet dezelfde draagwijdte als het « DAR »-decreet van 17 juli 2008 aangezien de erin beoogde gewestplannen een reglementaire draagwijdte hebben en akten met algemene draagwijdte vormen. De dwingende redenen van algemeen belang waarop het decreet is gebaseerd, zijn talrijk : het vrijwaren van de rechtszekerheid, het bevorderen van de economische ontwikkeling, het vermijden van de logge administratieve procedures die inherent zijn aan het herstel van de betrokken gewestplannen en het beschermen van het leefmilieu (waartoe de gewestplannen een instrument zijn), zoals in de memorie van toelichting duidelijk wordt aangegeven. Het aanvaarden van het bestaan van dergelijke redenen volstaat om de naleving van het evenredigheidsbeginsel aan te tonen. Dat geldt des te meer daar het in het geding zijnde decreet de procedure tot nietigverklaring van de bestreden vergunning, waartegen tien andere middelen zijn aangevoerd waarop dat decreet geen betrekking heeft slechts in geringe mate beïnvloedt. De terugwerkende kracht van het decreet was onontbeerlijk om de doeltreffendheid van de maatregelen te waarborgen aangezien, zo niet, duizenden vergunningen onwettig zouden kunnen worden verklaard, niet zouden kunnen worden vernieuwd (wanneer het om milieuvergunningen gaat) of het voorwerp van beroepen zouden kunnen uitmaken (wanneer het om recente maatregelen gaat) wanneer zij zijn uitgereikt voor de betrokken gebieden, sedert de inwerkingtreding van de uitbreidingsgebieden. Zij moesten dus geldig worden verklaard vanaf de respectievelijke opneming ervan in de 23 gewestplannen van het Waalse Gewest. Er valt niet in te zien wat zou verantwoorden dat de gebieden met 11 betrekking tot het door de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter bekritiseerde project niet geldig worden verklaard, aangezien dat een discriminatie zou teweegbrengen en het bestaan zelf van de hiervoor in herinnering gebrachte dwingende redenen zou weren. A.3.
- De nv « Cora » voert voorts aan dat het voorschrift van de in het geding zijnde uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven niet is vastgesteld bij het koninklijk besluit van 28 december 1972, noch bij het WWROSP, maar bij de koninklijke besluiten van 24 juli 1981 en 29 juli 1993 tot vaststelling van de twee betrokken gewestplannen. Bij artikel 6 van het decreet van 27 november 1997 is het voorschrift van de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven in alle gewestplannen gewijzigd door het in artikel 30, eerste en derde lid, van het WWROSP vastgelegde voorschrift dat op de gemengde bedrijfsruimten van toepassing is, erop van toepassing te verklaren, en het in het geding zijnde decreet beperkt zich tot de geldigverklaring van de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven sedert de opneming ervan in de twee betrokken gewestplannen. Daaruit volgt dat het in het geding zijnde decreet op geen enkele wijze het voorschrift van de betrokken gebieden wijzigt, waarvan de inhoud enkel bij het decreet van 27 november 1997 is gewijzigd; dat decreet is niet in het geding. In de parlementaire voorbereiding wordt bevestigd dat de gewestplannen niet zijn gewijzigd en het decreet kan dus geen afbreuk doen aan welke norm dan ook, met betrekking tot het aannemen of het wijzigen van planologische voorschriften van reglementaire aard. Er is bijgevolg geen enkele inbreuk op het standstill-beginsel aangezien de in het geding zijnde gebieden daarenboven zijn opgenomen in gewestplannen die zijn aangenomen overeenkomstig de wet die toen van toepassing was zonder door de verzoekende partijen te zijn betwist, en aangezien geen enkel beroep bij de Raad van State daartegen is ingesteld. In die omstandigheden moet worden aangenomen dat alle procedurele waarborgen waarop de verzoekende partijen zich beroepen, ofwel toen naar behoren waren vervuld (openbaar onderzoek), ofwel toen niet werden opgelegd zonder dat zij vandaag kunnen worden opgelegd, bij gebrek aan een wijziging van de betrokken gewestplannen (milieueffectrapport), ofwel toen bestonden maar door de verzoekende partijen niet zijn aangewend (beroep bij de Raad van State). In dat verband kan geen enkel argument worden afgeleid uit het arrest nr. 137/2006, aangezien dat arrest betrekking had op de mogelijkheid om een gewestplan te wijzigen (quod non te dezen) zonder een voorafgaande milieueffectrapportering uit te voeren. A.3.
- De nv « Cora » is ten slotte van mening dat de door de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet noodzakelijk is aangezien het in het geding zijnde decreet het voorschrift van de betrokken gebieden niet wijzigt en aangezien de waarborgen die zij aanvoeren, enkel worden opgelegd wanneer nieuwe regels worden aangenomen. A.3.
- De nv « Cora » brengt ten slotte in herinnering dat stedenbouw tot de bevoegdheid van de Waalse decreetgever behoort en dat die een eerder aan de Regering overgedragen bevoegdheid kan overnemen, zoals is beslist in het voormelde arrest nr. 51/2007 en in het arrest van de Raad van State van 30 september 2008 waarbij de in het geding zijnde vergunningen zijn geschorst. Aangezien het Waals Parlement zich heeft beperkt tot de geldigverklaring van het werk dat eerder door de Regering is verricht, kan geen enkele inbreuk op het beginsel van de scheiding der machten worden aangevoerd, waarbij de afdeling wetgeving van de Raad van State trouwens geen enkele kritiek in dat verband heeft geuit. De vergelijking met het voormelde « DAR »-decreet is in dat verband ongegrond gezien het verschillende onderwerp van dat decreet. De nv « Cora » is van mening dat het verschil in behandeling dat is afgeleid uit het feit dat aan de burgers die een bepaling van een bij het in het geding zijnde decreet geldig verklaard gewestplan wensen te betwisten, de waarborg zou worden ontzegd die artikel 159 van de Grondwet uitmaakt, ongegrond is aangezien die personen de grondwettigheid van een bepaling van wetgevende aard bij het Hof kunnen betwisten. Het verschil vloeit voort uit regels met betrekking tot de verdeling van de bevoegdheden van de rechtscolleges, die niet in het geding zijn. Het verschil in behandeling dat is afgeleid uit het feit dat de aldus geldig verklaarde bepalingen niet op reglementaire wijze zouden kunnen worden gewijzigd en uit het feit dat een afwijkend gemeentelijk plan van aanleg wel daarvan zou kunnen afwijken, is evenmin gegrond aangezien het voorschrift van de planologische gebiedsindeling van de gewestplannen sedert de inwerkingtreding van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium voortaan op wetgevende wijze wordt vastgesteld; dat decreet heeft het voorschrift van de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven gewijzigd door voortaan het voorschrift van de gemengde bedrijfsruimten erop toe te passen. Wat de eventuele wijziging van de betrokken gebieden betreft, valt evenmin in te zien in welk opzicht de doorgevoerde wettelijke bekrachtiging de in het geding zijnde gebieden onaantastbaarder zou maken dan de gebieden die niet op dergelijke wijze zijn bekrachtigd. Ten slotte wordt in het WWROSP geen onderscheid gemaakt naargelang de in het geding zijnde gebieden al dan niet geldig zijn verklaard door de wetgever. Niets 12 verzet zich dus ertegen dat de in het WWROSP vervatte wettelijke machtigingen in termen van gewestplanwijzigingen via besluiten van de Regering of via het aannemen van afwijkende gemeentelijke plannen van aanleg nog steeds worden aangewend. Gesteld dat een verschil in behandeling zou bestaan, zou het evenredig zijn en worden verantwoord door de reeds aangevoerde dwingende redenen van algemeen belang. Memorie van de Waalse Regering A.4.
- De Waalse Regering brengt de feiten van de zaak in herinnering en wijst met name erop dat de globale vergunning die op 30 maart 2007 door de technische en de gemachtigde ambtenaar aan de nv « Cora » is toegekend, werd bekrachtigd door de bevoegde minister die de voorwaarden ervan aanvulde in een besluit van 4 september
- Dat besluit werd op 30 september 2008 door de Raad van State geschorst daar het besluit van de Waalse Regering van 29 september 1993 tot definitieve vaststelling van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan Moeskroen-Komen niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State was voorgelegd. Bij zijn arrest van 25 november 2009 heeft de Raad van State vastgesteld dat hij zich niet ten gronde over dat middel kon uitspreken, daar het niet raadplegen van de afdeling wetgeving bij het in het geding zijnde decreet is gedekt. A.4.
- De Waalse Regering brengt in herinnering dat de Grondwetgever, bij het aannemen van artikel 23 van de Grondwet, heeft geoordeeld dat die bepaling, die geen rechtstreekse werking heeft, niet kan worden aangevoerd door de burger om het rechtstreekse voordeel van de daarin vermelde rechten te eisen zolang de wetgever ter zake niet is opgetreden. In de arresten nrs. 135/2006 en 137/2006 van 14 september 2006 werd evenwel geoordeeld dat artikel 23 een standstill-verplichting inhoudt, waarbij de nieuwe rechten dus door het Hof kunnen worden getoetst; bij het arrest nr. 114/2008 werd een aanzienlijke vermindering van het door de vroegere wetgeving geboden beschermingsniveau die niet kan worden verantwoord door redenen van algemeen belang, afgekeurd. A.4.
- Wat het proportioneel algemeen belang betreft, haalt de Waalse Regering uittreksels aan uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 30 april 2009 om aan te geven dat in dat verband talrijke beschouwingen zijn geformuleerd. De Waalse Regering voegt eraan toe dat het symptomatisch zou zijn vast te stellen dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in talrijke arresten in verband met beroepen tegen vergunningen die in een van de betwiste gebieden zijn uitgereikt, niet heeft gewezen op de vraag van de wettigheid van het gewestplan, wegens het niet raadplegen van de afdeling wetgeving, terwijl die van openbare orde is. De Waalse Regering merkt voorts op dat het ontwerpdecreet een gunstig advies heeft gekregen van de Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening, alsook van de Economische en Sociale Raad van het Waalse Gewest. Het is eveneens unaniem goedgekeurd door de leden van de Commissie voor Ruimtelijke Ordening, Transport, Energie en Huisvesting. Al die elementen zouden toelaten te besluiten dat, indien zou moeten worden beschouwd dat het in het geding zijnde decreet afbreuk doet aan het standstill-beginsel, het verantwoord zou zijn door beschouwingen in verband met het algemeen belang die geenszins onevenredig zouden zijn. Wat betreft de verenigbaarheid van het decreet met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, merkt de Waalse Regering op dat de vraag aan het Hof te Straatsburg is gesteld naar aanleiding van de geldigverklaringen bij wet. De rechtspraak van het Hof te Straatsburg zou in dat verband bijzonder genuanceerd zijn. A.4.
- De Waalse Regering verwijst voorts naar de arresten nrs. 73/2004 en 188/2005 van het Hof, waarin wordt aanvaard dat een retroactieve geldigverklaring bij wet kan worden verantwoord door bijzondere omstandigheden, met name wanneer die noodzakelijk is voor de goede werking of voor de continuïteit van de openbare dienst, of door dwingende overwegingen van algemeen belang. Volgens de Waalse Regering kan de geldigverklaring van bepaalde gebieden van gewestplannen in geen geval worden gelijkgesteld met een herziening van de betrokken plannen. De indeling in gebieden blijft dezelfde. De Waalse Regering onderstreept voorts dat het feit dat die betwiste gebieden die in het gewestplan zijn opgenomen, ten aanzien van hun wettigheid niet zijn betwist op het ogenblik dat zij in werking zijn getreden, doet vermoeden dat de burgers tevreden waren over de destijds vastgestelde ruimtelijke ordening. Het decreet 13 zou niet leiden tot een aanzienlijke beperking van de mogelijkheden om de bestemming te betwisten, aangezien de burgers sinds 1989 voor het Grondwettelijk Hof een beroep kunnen instellen met betrekking tot de naleving, door de wetgevende macht, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.4.
- Ten aanzien van het feit dat het decreet ertoe leidt dat het op retroactieve wijze van toepassing is op de aan de gang zijnde procedures, verwijst de Waalse Regering naar het arrest nr. 188/2005 en besluit zij dat de verzoekers niet het recht is ontzegd een jurisdictioneel beroep in te stellen, aangezien de aanneming van het in het geding zijnde decreet is verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden in verband met het dwingende algemeen belang. Memorie van antwoord van Patrick Vantomme en consorten, verzoekende partijen voor de verwijzende rechter A.5.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter weerleggen het argument dat door de nv « Cora » is afgeleid uit het feit dat het in het geding zijnde decreet slechts betrekking zou hebben op een van de middelen die zij voor de Raad van State hebben aangevoerd : zij doen gelden dat dat middel doorslaggevend is, aangezien het het enige is dat door de Raad van State ernstig is bevonden in het schorsingsarrest van de in het geding zijnde globale vergunning. Noch de nv « Cora », noch de Waalse Regering verantwoorden trouwens het niet voorzien in een uitzondering op de toepasbaarheid van het decreet met betrekking tot de hangende procedures, wat aantoont dat de in het geding zijnde vergunning wel degelijk een element was dat erg zwaar heeft gewogen bij het aannemen van dat decreet. A.5.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter refereren voorts aan het arrest nr. 30/2010 van 30 maart 2010 betreffende het « DAR »-decreet van 17 juli 2008 en stellen zij vast dat beide decreten, hoewel verschillend, soortgelijke gevolgen hebben aangezien het in beide gevallen erom gaat om decretaal op te treden in stedenbouwkundige of milieuaangelegenheden die normaliter met bestuurshandelingen zouden moeten worden geregeld; stedenbouwkundige vergunningen worden bekrachtigd (op uitdrukkelijke wijze in het geval van het decreet van 17 juli 2008 of de facto in het geval van het in het geding zijnde decreet); door die wetgevende vorm worden aan bestuurden de waarborgen ontzegd die hun bij rechtstreeks van toepassing zijnde internationale normen (zoals het Verdrag van Aarhus of de richtlijnen 2001/42/EG en 85/337/EEG), met name inzake raadpleging van het publiek en gevolgen voor het milieu, zouden zijn voorbehouden indien de bekrachtigde akten bij nieuwe akten van dezelfde aard waren rechtgezet; het wetgevend optreden maakt het de belanghebbende derden mogelijk om hun bezwaren ertegen enkel voor het Hof of voor de gewone rechtscolleges te doen gelden, met duidelijke beperkingen wat betreft de middelen die kunnen worden aangevoerd; het wetgevend optreden heeft tot gevolg dat individuele bestuurshandelingen die soms in rechte worden betwist, met terugwerkende kracht geldig worden verklaard. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zijn van mening dat de soortgelijke gevolgen van beide decreten vragen doen rijzen die vergelijkbaar zijn met die welke het Hof in het arrest nr. 30/2010 heeft gesteld, zodat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dezelfde vragen moeten worden gesteld als die welke in dat arrest zijn gesteld, zelfs indien dat, in geringe mate, de uitbreiding van de in het verzoekschrift geformuleerde middelen met zich meebrengt. A.5.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zijn, in tegenstelling tot de nv « Cora », eveneens van mening dat het verschil tussen het « DAR »-decreet en het in het geding zijnde decreet louter formeel is. De decreetgever heeft bij het aannemen van het in het geding zijnde decreet getwijfeld over de vorm van dekking van de vergunningen die moest worden gekozen en heeft het in het « DAR »-decreet bedoelde « FedEx »-project te Terhulpen aangevoerd. Zij zijn bovendien van oordeel dat de bestemmingen wel degelijk worden gewijzigd bij het in het geding zijnde decreet aangezien dat decreet onwettige bestemmingen, die bij betwisting worden geweerd, omzet in geldig verklaarde bestemmingen die daadwerkelijk worden toegepast. Bovendien is het net het bekrachtigingsmechanisme dat te dezen vragen doet rijzen. Per definitie wordt bij een dergelijk mechanisme niet gewijzigd wat reeds bestond (schijnbaar althans), maar wordt de instandhouding ervan beoogd. Het betreft een bekrachtiging « zonder meer » van wat bestaat (zij het op gebrekkige wijze), namelijk bij loutere wetgevende verklaring, zonder de tussenstap van de op Europees niveau opgelegde procedures ad hoc, die aan het publiek net de mogelijkheid zouden moeten bieden om de inhoud van de beslissing te beïnvloeden teneinde, in voorkomend geval, tot een wijziging te leiden die niet heeft plaatsgehad. Ten slotte wordt bij het « DAR »-decreet evenmin enige bestemming gewijzigd, hetgeen in het arrest nr. 30/2010 niet verhindert dat vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zonder ze te beperken tot een wijziging van de bestemming. 14 A.5.
- De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter merken eveneens op dat de vier eerste prejudiciële vragen, gesteld in het arrest nr. 30/2010, betrekking hebben op het Verdrag van Aarhus, waarvan bijlage I activiteiten beoogt waarop de bij het in het geding zijnde decreet geldig verklaarde bestemmingen van de gewestplannen betrekking hebben, zodat de vraag rijst of de wettelijke bekrachtiging van gewestplannen tot gevolg kan hebben dat in dat Verdrag bedoelde projecten geldig worden verklaard. Zij merken op dat de in het arrest nr. 30/2010 gestelde tweede, derde en vierde prejudiciële vraag eveneens de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten beogen. In het tweede middel van de onderhavige zaak werd dan weer de richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s beoogd. Het verschil wordt verklaard doordat bij het in het geding zijnde decreet gebieden van gewestplannen geldig worden verklaard terwijl bij het « DAR »-decreet projecten geldig worden verklaard, maar het probleem ten gronde is gemeenschappelijk aangezien het erom gaat te weten of het wetgevend optreden het de overheid mogelijk maakt om de formaliteiten met betrekking tot de beoordeling van de gevolgen niet na te leven waartoe zij zou zijn gehouden indien zij had gehandeld op grond van de internrechtelijke bepalingen die van kracht waren vóór het aannemen van de in het geding zijnde wetskrachtige norm. Te dezen wordt de herziening van de gewestplannen die men bij het decreet wil vermijden, met name wegens de logge administratieve procedure ervan, ongetwijfeld beoogd in de richtlijn 2001/42/EG en ook in de richtlijn 85/337/EEG aangezien het « Cora »-project te Moeskroen in de memorie van toelichting bij het decreet wordt beoogd. De in het arrest nr. 30/2010 gestelde vijfde prejudiciële vraag is te dezen eveneens relevant, aangezien het bestreden decreet gevolgen heeft voor beschermde « Natura 2000 »-gebieden, zoals de FedEx-site die is gelegen in een gebied dat onder de bij dat decreet doorgevoerde geldigverklaringen van de gewestplannen valt. Hetzelfde geldt voor de zesde vraag, aangezien het « Cora »-project te Moeskroen onrechtstreeks, los van de richtlijn 92/43/EEG maar in het kader van de beoordeling van het onevenredige karakter van de gevolgen van het in het geding zijnde decreet, de principiële vraag doet rijzen over de vestiging van een privaatrechtelijke vennootschap, zij het dat zij (zogenaamd) tal van arbeidsplaatsen schept, wat al dan niet kan worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang die het mogelijk maakt om met name een inmenging van de wetgevende macht in een hangende procedure of een inbreuk op het standstill-beginsel te verantwoorden. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zijn van mening dat de vragen die bij het arrest nr. 30/2010 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld, ook in de onderhavige zaak moeten worden gesteld. A.5.
- Ten slotte voeren zij het arrest nr. 30/2010 aan waarin, in de vragen 3.a) en 3.b) die aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld, net wordt verwezen naar het beperken van de mogelijkheden om akten die in beginsel enkel door de Regering kunnen worden gewijzigd, in rechte te betwisten. Zij betwisten dat reglementaire akten kunnen afwijken van bij decreet bekrachtigde bestemmingen en verklaren, door in dat verband naar de bijzonderemachtenbesluiten te verwijzen, niet in te zien hoe die bestemmingen een reglementaire waarde zouden kunnen behouden. Memorie van antwoord van de nv « Cora », tussenkomende partij voor de verwijzende rechter A.6.
- De nv « Cora » voert aan dat de wettelijke geldigverklaring de vele overheden die bevoegd zijn om de geldig verklaarde akte af te keuren, verhindert om die bevoegdheid uit te oefenen maar de reglementaire aard van de geldig verklaarde akte behoudt. In casu heeft de Waalse decreetgever die oplossing in aanmerking genomen om te vermijden dat de bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium ingevoerde samenhang tussen de instrumenten inzake ruimtelijke ordening wordt verstoord, wat een proces van (discriminerende) wettelijke bekrachtiging waarbij de betrokken uitbreidingsgebieden in gebieden van decretale aard worden veranderd, niet mogelijk zou hebben gemaakt. A.6.
- Door alle betrokken uitbreidingsgebieden met terugwerkende kracht geldig te verklaren, brengt de in het geding zijnde maatregel geen enkele discriminatie teweeg, in tegenstelling tot de door de verzoekende partijen verkozen oplossing, en hij is redelijk aangezien hij de logge administratieve procedures in verband met een procedure tot wijziging van de gewestplannen vermijdt; hij verzekert de economische ontwikkeling, de bescherming van het leefmilieu en de rechtszekerheid. Het zijn uitzonderlijke omstandigheden die de invloed van de maatregel op het geschil waarin de verzoekende partijen partij zijn, verantwoorden. Daarenboven beantwoordt die maatregel aan geen enkele wil om alleen de belangen van de nv « Cora » op de voorgrond te stellen. De arresten van de Raad van State die erop betrekking hebben, hebben enkel een 15 parlementaire reflectie op gang gebracht, aangezien uit die arresten het gevaar is gebleken van een stilstand in de economische ontwikkeling en de bescherming van het leefmilieu op een groot deel van het betrokken grondgebied. Gesteld dat de verwijzing naar het project van de nv « Cora » een ongeoorloofd karakter zou hebben (quod non), blijft het feit dat de maatregel eveneens op redenen berust die niet ongeoorloofd zijn en die bijgevolg elke verdenking van machtsafwending weren. A.6.
- De nv « Cora » voert eveneens aan dat de geldigverklaring bij wet des te meer verantwoord is daar de inhoud van de verschillende gebieden van de 23 gewestplannen sedert de inwerkingtreding van het decreet van 27 november 1997 (1 maart 1998) een decretale aard en niet langer een reglementaire aard heeft, zodat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet langer moet worden gevraagd, en dat, anderzijds, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter aanvoeren, in de rechtspraak van de Raad van State, op grond van het vroegere artikel 40 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, de gedeeltelijke herziening van een gewestplan op grond van economische redenen wordt toegestaan. Te dezen zijn de besluiten van de Waalse Gewestexecutieve van 6 september 1991 (procedure tot gedeeltelijke herziening) en 29 juli 1993 (gedeeltelijke wijziging) met betrekking tot de gewestplannen Moeskroen-Komen en Doornik-Leuze-Péruwelz, waarin met name naar motieven van economische aard is verwezen formeel gemotiveerd, overeenkomstig het vroegere artikel 40, § 1, van het voormelde Waalse Wetboek, en gaan zij niet voorbij aan het in die bepaling bedoelde begrip « verrichting van openbaar belang »; sindsdien is die motivering voor de herziening van een gewestplan onder verwijzing naar dat begrip uit de juridische ordening verdwenen. Aangezien de voor de Raad van State aangevoerde middelen niet langer actueel zijn, zijn de dwingende redenen die door de decreetgever zijn aangevoerd bij het aannemen van het in het geding zijnde decreet, des te meer toelaatbaar. -B- B.
- Aan het Hof wordt een prejudiciële vraag gesteld over de verenigbaarheid van artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium », met het standstill-beginsel, dat inherent is aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu bepaald in artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. B.2.
- Het Hof wordt over de in het geding zijnde bepaling ondervraagd in zoverre zij, volgens de verwijzende rechter, ertoe zou leiden de inhoud van de gewestplannen geldig te verklaren zonder de burgers de waarborgen te bieden die zijn gekoppeld aan een procedure tot wijziging van die plannen (met name een openbaar onderzoek, een milieueffectrapport en de mogelijkheid om de wettigheid van de wijzigingsbeslissing te betwisten) en hun dus slechts een bescherming te bieden die wezenlijk geringer is dan die welke zij tot op heden konden genieten, zonder dat daarvoor een met de maatregel evenredig doel van algemeen belang bestaat. 16 B.2.
- Het Hof moet zich eveneens uitspreken over het feit dat artikel 1 van het voormelde decreet de mogelijkheden om de bestemming te betwisten aanzienlijk zou beperken, waardoor een verschil in behandeling wordt ingevoerd ten opzichte van de burgers die de wettigheid kunnen betwisten van een bestemming die niet op wetgevende wijze geldig is verklaard. B.2.
- Ten slotte wordt het Hof ondervraagd over het feit dat de in het geding zijnde bepaling met terugwerkende kracht van toepassing is op de aan de gang zijnde procedures, terwijl die toepassing, die een van de belangrijkste werkelijke doelen van het decreet zou vormen, niet evenredig zou zijn met het aangevoerde doel van de maatregel. B.
- Artikel 1 van het in het geding zijnde decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 bepaalt : « In artikel 6 van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een nieuw paragraaf 1 ingevoegd, luidend als volgt : §
- De in de gewestplannen opgenomen volgende gebieden worden op de datum van inwerkingtreding van hun opname in laatstgenoemde plannen bekrachtigd : 1° de woonuitbreidingsgebieden met een landelijk karakter; 2° de uitbreidingsgebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; 3° de uitbreidingsgebieden voor recreatie die de uitbreidingsgebieden voor recreatie, de uitbreidingsgebieden voor recreatie met verblijf, de uitbreidingsgebieden voor recreatiegebieden met verblijf, de uitbreidingsgebieden voor ontspanning en verblijf en de uitbreidingsgebieden voor ontspanning omvatten; 4° de uitbreidingsgebieden voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen; 5° de gebieden voor industriële ontwikkeling die de gebieden voor industriële ontwikkeling en het gebied voor industriële ontwikkeling van Sart-Tilman omvatten; 6° de uitbreidingsgebieden voor dienstverlening; 17 7° de uitbreidingsgebieden voor industrie die de uitbreidingsgebieden voor industrie, het uitbreidingsgebied voor industrie ' BD ', het uitbreidingsgebied voor thermale industrie, het uitbreidingsgebied voor industriële ontwikkeling van Sart-Tilman, het uitbreidingsgebied voor industrie ' GE ' omvatten. 2° de §§ 1 en 2 worden de §§ 2 en 3 ». B.
- Bij een verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 december 2009 ter post aangetekende brief en op 9 december 2009 ter griffie is ingekomen, hebben de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter het Hof verzocht artikel 1 van het voormelde decreet in zijn geheel of gedeeltelijk te vernietigen. B.5.
- Het eerste middel van het verzoekschrift was afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de beginselen van de scheiding der machten, van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, van de wapengelijkheid en van de niet- retroactiviteit van de normen en met het verbod van machtsoverschrijding en van machtsafwending. In het kader van het door hen ingestelde beroep hebben de verzoekende partijen gepreciseerd dat zij omwonenden zijn van een site die het voorwerp heeft uitgemaakt van een globale vergunning waarvan zij de schorsing van de tenuitvoerlegging hebben verkregen voor de Raad van State, aangezien die het middel dat was afgeleid uit de onwettigheid - bij gebrek aan een advies van de afdeling wetgeving - van het gewestplan ter uitvoering waarvan de vergunning was toegekend, ernstig heeft geacht. Zij deden gelden dat het bestreden decreet, dat bepalingen geldig verklaart waarvan de wettigheid door de Raad van State in het geding is gebracht, een verschillende of een gelijke behandeling teweegbrengt tussen de rechtzoekenden naargelang zij al dan niet een beroep hebben ingesteld tegen een maatregel die krachtens de aldus geldig verklaarde bepalingen is genomen : die geldigverklaring zou een inmenging van de overheid in hangende jurisdictionele procedures met zich meebrengen en zou aan diegenen die erin partij zijn, in tegenstelling tot de anderen, het voordeel van die procedures ontzeggen; geen enkele dwingende reden van algemeen belang verantwoordt evenwel de terugwerkende kracht van de bestreden bepaling en de toepassing ervan had uit de hangende rechtsgedingen kunnen worden geweerd. Die geldigverklaring zou daarenboven ertoe leiden dat beiden op identieke wijze worden behandeld, aangezien de mogelijkheid tot 18 het betwisten van de wettigheid van de geldig verklaarde bepalingen voortaan aan allen zal worden ontzegd terwijl zij zich in verschillende situaties bevinden. De verzoekende partijen deden eveneens gelden dat het bestreden decreet enkel op het geschil waarin zij partij zijn, betrekking lijkt te hebben en dat het afbreuk doet aan het bij artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wanneer bij dat Verdrag gewaarborgde rechten worden geschonden, zoals het recht op de eerbiediging van het privéleven en van de woning. B.5.
- Bij zijn arrest nr. 131/2010 van 18 november 2010 heeft het Hof het eerste middel van het verzoekschrift om de volgende redenen ongegrond verklaard : « B.
- In de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt gewezen op de bedoeling van de auteurs ervan : ' De beroepen waarin, op grond van artikel 159 van de Grondwet en met succes, de gedeeltelijke onwettigheid van een bepaald gewestplan wordt opgeworpen, leiden tot de geleidelijke ontrafeling van de gewestplannen die een echte gatenkaas worden, terwijl zij niet alleen voor het beleid inzake ruimtelijke ordening een belangrijk instrument vormen, maar ook, zoals reeds opgemerkt, voor de bescherming van het leefmilieu wanneer men weet dat meer dan 80 pct. van het Waalse grondgebied zich in de gewestplannen in niet-bebouwbaar gebied bevindt. Zoals het Grondwettelijk Hof in een recent arrest opmerkt, is het evident dat de gewestplannen een doorslaggevende rol spelen bij de in artikel 1 van het WWROSP bepaalde harmonieuze coördinatie van de economische en stedenbouwkundige vereisten (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 114/2008, 31 juli 2008, B.4.1). Indien alle procedures voor de opmaak van de gewestplannen moesten worden overgedaan teneinde een of ander procedureel gebrek te verhelpen, zou dat een gigantische opgave zijn en enorme kosten inhouden. Bovendien doet de mogelijkheid - zonder beperking in de tijd, in tegenstelling tot het Franse recht - om op grond van artikel 159 van de Grondwet een exceptie van onwettigheid op te werpen die op een bepaald gewestplan betrekking heeft, algehele rechtsonzekerheid ontstaan ten koste van de verwezenlijking van het beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. Het is daarom dat in dit ontwerp van decreet wordt overwogen om de gebieden van de gewestplannen die niet in de nomenclatuur van het koninklijk besluit van 28 december 1972 zijn vermeld, geldig te verklaren in zoverre zij niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd vóór de opneming ervan in de gewestplannen, hetzij bij de oorspronkelijke aanneming ervan, hetzij bij een van de herzieningen ervan ' (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 2). B.5.
- Weliswaar hebben wetsbepalingen die reglementaire bepalingen geldig verklaren waarvan, zoals te dezen, de wettigheid door de Raad van State in het geding is gebracht, tot gevolg dat zij hem verhinderen om de nietigverklaring van een akte uit te spreken op grond 19 van een middel dat steunt op de onregelmatigheid van de reglementaire bepalingen krachtens welke die akte is aangenomen. De categorie van burgers op wie die bepalingen van toepassing waren, wordt op verschillende wijze behandeld ten opzichte van de andere burgers wat de jurisdictionele waarborg betreft die bij artikel 159 van de Grondwet, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (met name de bij de artikelen 6, 8 en 14 ervan en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag gewaarborgde rechten) en bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is toegekend. Daaruit volgt evenwel niet noodzakelijk dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in het middel aangevoerde beginselen, zouden zijn geschonden. B.5.
- Zoals in B.4 wordt aangegeven, is er rechtsonzekerheid ontstaan die de decreetgever heeft willen verhelpen. B.5.
- Door in een decreet het behoud van bepaalde gebieden in gewestplannen te regelen, heeft de gewestwetgever zelf een bevoegdheid willen uitoefenen die hem toekomt. Het voorontwerp van decreet is voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd die, binnen de perken die hem bij artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zijn toegestaan, heeft geoordeeld, verwijzend naar het arrest nr. 51/2007 van 28 maart 2007 van het Hof, dat het ontwerp geen opmerkingen behoefde (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 6). Te dezen zijn de geldig verklaarde bepalingen trouwens geen vergunningen waartegen beroepen bij de Raad van State zijn ingesteld, maar reglementaire bepalingen die door die vergunningen worden uitgevoerd. Het bestreden decreet heeft dus niet tot gevolg dat de Raad van State onbevoegd wordt om zich over die beroepen uit te spreken, maar wel dat hij wordt verhinderd zich uit te spreken over die middelen die op de onwettigheid van de geldig verklaarde maatregel zijn gebaseerd, onverminderd de mogelijkheid om de nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van andere middelen te verkrijgen. B.5.
- Blijft het feit dat de decreetgever, zodoende, bepalingen heeft aangenomen die, wegens de terugwerkende kracht ervan, een inmenging in de hangende rechtsgedingen inhouden. B.5.
- De terugwerkende kracht is enkel verantwoord indien ze absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot doel heeft dat de afloop van een of andere gerechtelijke procedure in een bepaalde zin wordt beïnvloed of dat de rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vereist de aard van het in het geding zijnde beginsel dat buitengewone omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang het optreden verantwoorden van de wetgever, dat, ten nadele van een categorie van burgers, afbreuk doet aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen. B.5.
- De eventuele vaststelling, in een rechterlijke beslissing van de schending van een substantiële vormvereiste bij de aanneming of de wijziging van een gewestplan kan niet tot gevolg hebben dat de wetgever in de onmogelijkheid verkeert de hierdoor ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen. B.5.
- De bestreden bepalingen, waaraan terugwerkende kracht is gekoppeld, nemen enkel reeds voordien bestaande regels over. De draagwijdte van het bestreden decreet bestaat immers niet erin het gewestplan te herzien (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, 20 p. 3), maar strekt ertoe een gebiedsindeling die identiek is aan diegene die in het gewestplan is opgenomen en waarvan de wettigheid wordt betwist, te behouden, zodat het geen afbreuk vermocht te doen aan de te dien opzichte gewettigde verwachtingen van de verzoekende partijen. B.5.
- Het gebrek dat voor de Raad van State wordt aangevoerd en dat, zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, het bestreden decreet moet verhelpen, bestaat erin dat niet is voorzien in de raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State waaraan het ontwerpgewestplan had moeten worden voorgelegd. Die onregelmatigheid heeft voor de partijen die voor de Raad van State een op grond van dat gewestplan toegekende vergunning hadden bestreden, niet het onaantastbare recht kunnen doen ontstaan om voor altijd te zijn vrijgesteld van de naleving van de in dat plan vervatte voorschriften, zelfs al zouden die steunen op een nieuwe handeling waarvan de grondwettigheid onbetwistbaar zou zijn. Die nieuwe handeling zou alleen ongrondwettig zijn indien zij zelf de in het middel vermelde bepalingen zou schenden. B.5.
- De decreetgever vermocht te oordelen dat het betwisten van de wettigheid van in gewestplannen opgenomen bepalingen ertoe zou leiden dat het beleid dat hij ten uitvoer wilde leggen na de aanneming van dat plan en tegelijk ook de maatregelen die ter uitvoering ervan zouden worden genomen, in het geding zouden worden gebracht en dat, gelet op het belang van het instrument dat het plan is, het in het geding brengen van dat beleid en van die maatregelen zou voorkomen als een uitzonderlijke omstandigheid die zijn optreden verantwoordde. Het herhaaldelijk betwisten, op grond van artikel 159 van de Grondwet, van de wettigheid van het plan maakt het immers mogelijk om de ter uitvoering van dat plan genomen bepalingen in het geding te brengen. De door de verzoekende partijen aangevoerde omstandigheid dat het bestreden decreet enkel tot gevolg - en zelfs tot doel - zou hebben een winkelcomplex te realiseren op een site waarvan zij de omwonenden zijn en dat er geen andere vergelijkbare betwisting zou bestaan die hangende is voor de Raad van State, is niet van dien aard dat zij die vaststelling kan ontkrachten, vermits het bestreden decreet betrekking heeft op gebieden met een totale oppervlakte van 15 249 ha (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 6), waarin de gronden waarop het door de verzoekende partijen bekritiseerde project betrekking heeft, maar een uiterst klein deel vertegenwoordigen. De decreetgever kon de bestreden maatregel op de hangende rechtsgedingen van toepassing maken, rekening houdend met de gewestplannen die zouden kunnen worden geraakt, waarbij het in het geding zijnde winkelcomplex reeds op twee ervan betrekking heeft ». B.5.
- Om dezelfde redenen dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord in zoverre de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat zij met terugwerkende kracht van toepassing is op de aan de gang zijnde procedures. B.6.
- In het beroep tot vernietiging dat zij bij het Hof hebben ingesteld en waarvan gewag wordt gemaakt in B.4, hebben de verzoekende partijen een tweede middel afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake 21 milieuaangelegenheden (met name de artikelen 7 en 8 ervan), met de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (met name de artikelen 3, 4, 5 en 6 en bijlage II ervan) en met het standstill-beginsel. De verzoekende partijen klaagden aan dat het bestreden decreet aan de rechtzoekenden noch de waarborgen biedt die zijn gekoppeld aan de procedure tot wijziging van de gewestplannen waarvan het bepalingen geldig verklaart (zoals het openbaar onderzoek, het milieueffectrapport en de mogelijkheid om de wettigheid van de wijziging te betwisten), noch die welke zijn gekoppeld aan het aannemen van een norm met belangrijke gevolgen voor het milieu. Dergelijke waarborgen zouden hun zijn geboden indien de bepalingen van het bestreden decreet waren aangenomen via een wijziging van de gewestplannen die de toepassing van procedures inhield die dat decreet net beoogt te vermijden, terwijl alternatieve maatregelen het mogelijk zouden hebben gemaakt om niet op onevenredige wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokkenen. B.6.
- Bij zijn arrest nr. 131/2010 heeft het Hof dat tweede middel om de volgende redenen ongegrond verklaard : « B.8.
- De bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met artikel 23 van de Grondwet, de in het middel bedoelde verdragsbepalingen en de standstill-verplichting is tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet onderzocht : ' De geldigverklaring van de beoogde gebieden druist niet in tegen de standstill-verplichting die wordt afgeleid uit artikel 23 van de Grondwet. Die geldigverklaring vormt immers geen achteruitgang van het niveau van de bescherming van het leefmilieu. Integendeel. Zoals hiervoor is opgemerkt, speelden de gewestplannen - en spelen zij nog steeds - een belangrijke rol voor de ruimtelijke ordening van Wallonië. Het feit dat meer dan 85 pct. van de oppervlakte niet voor bebouwing is bestemd in de gewestplannen, heeft van die plannen een echt milieubeschermingsinstrument gemaakt. Het weren van grote oppervlakten uit die plannen op grond van artikel 159 van de Grondwet en het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State druisen niet alleen in tegen het beginsel van rechtszekerheid dat een even grote draagwijdte heeft als die van de standstill-verplichting, maar zal ook ertoe leiden dat grote oppervlakten van het grondgebied - mogelijk om en bij de 15 000 hectare - buiten het gewestplan zullen vallen. De overheden die bevoegd zijn om te beslissen over de vergunningsaanvragen binnen die gebieden zullen meestal enkel nog tot de naleving van de regel van de goede ruimtelijke ordening verplicht zijn. Die regel zou evenwel bestaanbaar kunnen zijn met andere bestemmingen dan die welke in de in het geding zijnde gebieden in aanmerking zijn genomen. 22 Die geldigverklaring van bepaalde gebieden van de gewestplannen kan geenszins worden gelijkgesteld met een herziening van de betrokken plannen. De gebiedsindeling blijft dezelfde. Door die werkwijze worden geen nieuwe gebieden gecreëerd die voor bebouwing zijn bestemd. De gebiedsindeling zoals die soms reeds meer dan dertig jaar bestaat zonder dat dit tot enige bezwaren heeft geleid, wordt nog steeds toegepast. De vraag over de overeenstemming van de bepaling met het internationale recht (Verdrag van Aarhus) of met het Europese recht (richtlijn 2001/42/EG) rijst dus niet (zie, naar analogie, Grondwettelijk Hof, arrest nr. 87/2007, 20 juni 2007, B.10). Er moet eveneens worden beklemtoond dat die in het geding zijnde gebieden, die in de gewestplannen zijn opgenomen, niet zijn betwist met betrekking tot de wettigheid ervan op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan. Hetgeen, gezien de ruchtbaarheid waarmee het aannemen van de gewestplannen en de inwerkingtreding ervan gepaard gingen, doet vermoeden dat de burgers tevreden waren over de toen vastgestelde ruimtelijke ordening. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft, in tal van arresten met betrekking tot beroepen tegen vergunningen die in een van de in het geding zijnde gebieden zijn uitgereikt, de problematiek van de wettigheid van het gewestplan niet zelf opgeworpen wanneer dat punt niet door de verzoekers zelf was opgeworpen. Dat alles maakt het mogelijk te besluiten dat de ontworpen bepaling op geen enkele wijze een aanzienlijke achteruitgang van het thans geldende niveau van de bescherming van het leefmilieu vormt. In uiterst ondergeschikte orde, gesteld dat sommigen in dat ontwerp van decreet een mogelijke aanzienlijke achteruitgang zouden zien, zou die uiteraard worden verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang. Het betreft een soortgelijke situatie als de reeds aangehaalde situatie van de geldigverklaring van het Brusselse gewestelijk ontwikkelingsplan (GewOp). Naast de reeds vermelde rechtsonzekerheid waarvoor het van belang is zo snel mogelijk een eind eraan te maken, zou het overdoen van de opmaak van de 23 Waalse gewestplannen teneinde het niet raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State recht te zetten, veel tijd in beslag nemen en de gemeenschap veel geld kosten, waarbij gedurende die hele periode belangrijke gebieden brozer zouden worden gemaakt en de ‘ honger ’ van bepaalde omwonenden zou worden opgewekt, die geneigd zouden kunnen zijn om, gedurende die periode waarin de nieuwe plannen worden opgemaakt, beslissingen die daarvóór op geen enkele wijze waren betwist, opnieuw in het geding te brengen. Er moet dus worden besloten dat de ontwerptekst in overeenstemming is met artikel 23 van de Grondwet ' (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 3). B.8.
- Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat door de van toepassing zijnde wetgeving wordt geboden, in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Onderzocht moet worden of de geldigverklaring, door het bestreden decreet, van sommige gebieden van de gewestplannen, die vroeger in die plannen zijn opgenomen, zonder dat een voorafgaande milieueffectbeoordeling van die geldigverklaring moet plaatsvinden en zonder dat daaromtrent enig openbaar onderzoek moet worden georganiseerd, afbreuk doet aan artikel 23 23 van de Grondwet, rekening houdend met de artikelen 3 tot 6 van de voormelde richtlijn 2001/42/EG en met de artikelen 7 en 8 van het voormelde Verdrag van Aarhus. B.8.
- De voormelde richtlijn 2001/42/EG betreft de milieubeoordeling van plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Luidens artikel 3, lid 2, a), van die richtlijn moeten alle plannen en programma’s die worden voorbereid met betrekking tot ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader kunnen vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen bedoeld in bijlagen I en II bij de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, worden onderworpen aan een milieubeoordeling overeenkomstig de eisen van de eerstvermelde richtlijn. Gelet op de economische bestemming van de bedoelde gebieden, is het geenszins uitgesloten dat in die gebieden projecten zullen worden gerealiseerd als bedoeld in de bijlagen I of II van de richtlijn 85/337/EEG en dat bijgevolg de inrichting van dergelijke gebieden is onderworpen aan het in acht nemen van de voorschriften van de richtlijn 2001/42/EG. De richtlijn 2001/42/EG stelt de minimumeisen vast waaraan bedoelde milieubeoordeling moet beantwoorden. De milieubeoordeling moet worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van het desbetreffende plan of programma (artikel 4, lid 1). De beoordeling omvat de opstelling van een milieurapport dat ten minste aan de eisen van artikel 5 moet beantwoorden, de raadpleging van de bevoegde milieu-instanties en het publiek over het ontwerp-plan of ontwerp-programma en het milieurapport (artikel 6) en de verplichting om rekening te houden met het milieurapport en de resultaten van de raadpleging bij de vaststelling van het plan of programma (artikel 8). Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus legt de verplichting op om ' de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu ' te onderwerpen aan een inspraakprocedure waarvan het bepaalde modaliteiten vastlegt. Meer bepaald dienen passende praktische of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek te worden getroffen, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. Artikel 8 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat de partijen trachten om doeltreffende inspraak in een passend stadium te bevorderen - en terwijl opties nog openstaan - gedurende de voorbereiding door overheidsinstanties van uitvoerende regelingen en andere algemeen toepasselijke wettelijk bindende regels die een aanzienlijk effect kunnen hebben op het milieu; er wordt bepaald dat met het resultaat van de inspraak zoveel mogelijk rekening wordt gehouden. B.8.
- Zoals in B.5.7 is aangegeven, nemen de bestreden bepalingen bestaande regels over en konden zij derhalve geen afbreuk doen aan de gewettigde verwachtingen van de rechtzoekenden. Zij behouden gebieden die zijn ingeschreven overeenkomstig de toen toepasselijke regels die, rekening houdend met hun voorafgaandelijk karakter, niet moesten worden aangenomen met inachtneming van de procedurele waarborgen die zijn bedoeld in de verdragsbepalingen waarop de verzoekende partijen zich beroepen, of waarvan niet wordt beweerd dat zij aldus hadden moeten worden aangenomen; de decreetgever vermocht dus te oordelen dat het aannemen ervan, op grond van het in B.5.2 beschreven vereiste van rechtszekerheid en voorafgegaan door de beraadslaging van een democratisch verkozen vergadering, geen afbreuk deed aan de standstill-verplichting. De beslissingen die zullen worden genomen ter uitvoering van de bij het bestreden decreet geldig verklaarde reglementaire maatregelen, zouden trouwens, in voorkomend geval, moeten worden aangenomen met inachtneming van de in die verdragsbepalingen bedoelde procedurele 24 waarborgen. Hetzelfde geldt voor de wijzigingen van de geldig verklaarde gebieden die later zouden worden doorgevoerd door middel van een herziening van een gewestplan. Wellicht maken bepaalde door de verzoekende partijen vermelde alternatieve oplossingen deel uit van die welke de wetgever had kunnen overwegen. Blijft het feit dat van andere van die oplossingen (zoals een geldigverklaring die zich beperkt tot het verleden, waarbij de definitief geworden vergunningen niet opnieuw in het geding worden gebracht, of die zich enkel beperkt tot het gebrek in verband met het niet raadplegen van de Raad van State) tegelijk kon worden aangenomen dat zij niet voldoende waarborgen inzake samenhang voor alle te nemen maatregelen boden, terwijl de in aanmerking genomen oplossing van dien aard was dat zij het mogelijk maakte om niet alleen die samenhang te verzekeren, maar ook de rechtsonzekerheid te vermijden en, door zich ertoe te beperken in een decreet bepalingen weer te geven die voorkomen in gewestplannen en door aldus een bestaande situatie in stand te houden, geen afbreuk aan de standstill-verplichting te doen. B.9.
- De verzoekende partijen vragen dat de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt gesteld indien het middel niet gegrond wordt bevonden : ' Dienen de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, in samenhang gelezen met bijlage II van die richtlijn, alsook de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, goedgekeurd door de Europese Gemeenschap bij het besluit [2005/370/EG] van de Raad van 17 februari 2005, in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij een overheid de mogelijkheid bieden een wetskrachtige norm aan te nemen die tot gevolg heeft dat de geldigheid van bepaalde planologische bestemmingen wordt bekrachtigd, zonder aan het publiek de in de voormelde bepalingen bedoelde waarborgen inzake raadpleging, onderzoek van de milieueffecten en verzet te bieden ? '. B.9.
- Wanneer een vraag met betrekking tot de uitlegging van het gemeenschapsrecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld ' dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan ' (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21). B.9.
- De ' planologische bestemmingen ', bedoeld in de in B.9.1 weergegeven prejudiciële vraag, stemmen overeen met die welke zijn vastgesteld bij vroegere bepalingen en hebben noch tot doel, noch tot gevolg de betrokken gewestplannen te wijzigen, zoals in B.5.7 en B.8.4 is vastgesteld. Het antwoord op de vraag is dus niet relevant voor het onderzoek van het middel. Hetzelfde geldt, om dezelfde redenen, voor de antwoorden op de vragen die door de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord zijn gesuggereerd en die zijn geïnspireerd op die welke bij het arrest nr. 30/2010 van 30 maart 2010 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld. Er is ook geen reden om dus in te gaan op de 25 vraag van de verzoekende partijen om de uitspraak uit te stellen totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie op die vragen heeft geantwoord ». B.6.
- Om dezelfde redenen dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord in zoverre zij het feit beoogt dat het in het geding zijnde artikel 1 de inhoud van de gewestplannen geldig verklaart. B.7.
- Ten slotte was in het beroep tot vernietiging dat bij het Hof was ingesteld tegen de bepaling die te dezen in het geding is, een derde middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 13, 144, 145 en 159 ervan, met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met het beginsel van de scheiding der machten en met het verbod van machtsoverschrijding en van machtsafwending. De verzoekende partijen voor het Hof klaagden aan dat het bestreden decreet de bepalingen van de gewestplannen die het geldig verklaart, onaantastbaar maakt, wat ertoe zou leiden dat rechtzoekenden die zich in identieke situaties bevinden, op verschillende wijze worden behandeld naargelang de bepalingen van de plannen die op hen betrekking hebben al dan niet zijn geldig verklaard, aangezien de enen, in tegenstelling tot de anderen, artikel 159 van de Grondwet kunnen aanvoeren en gemakkelijker de wijziging van de bepalingen die op hen van toepassing zijn, kunnen verkrijgen, hetzij via de herziening van een gewestplan op reglementaire wijze, hetzij via een gemeentelijk plan van aanleg dat afwijkt van het gewestplan. Daardoor zou het bestreden decreet aan de Waalse Regering bevoegdheden ontzeggen die haar bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium zijn voorbehouden. B.7.
- Het Hof heeft in het arrest nr. 131/2010 het middel om de volgende redenen verworpen : « B.11.
- Zoals in B.5.3 is aangegeven, heeft de decreetgever, door het opnemen van de gebieden in gewestplannen te regelen, zelf een bevoegdheid willen uitoefenen die hem toekomt. B.11.
- Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de rechtspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State rechtsonzekerheid kan doen 26 ontstaan ten aanzien van de geldigheid van sommige bepalingen van de gewestplannen, zodat het optreden van de decreetgever en het verschil in behandeling dat eruit voortvloeit, om de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen, redelijk verantwoord zijn. B.11.
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, vermocht de decreetgever het onderwerp van het bestreden decreet te beperken tot de gebieden van de gewestplannen die niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd en waarvoor dus rechtsonzekerheid was gebleken (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 981/1, p. 2). Overigens kon hij zich, om redenen van coherentie, bij de wettelijke geldigverklaring niet uitsluitend beperken tot het verhelpen van het gebrek van niet-raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State, raadpleging die een voorafgaande formaliteit vormt die vergelijkbaar is met die welke door de verzoekende partijen werden geciteerd ». B.7.
- Om dezelfde redenen dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord in zoverre de in het geding zijnde bepaling, volgens de verwijzende rechter, tot gevolg zou hebben de mogelijkheden om de bestemming te betwisten, aanzienlijk te beperken, waardoor een verschil in behandeling wordt ingevoerd ten opzichte van de burgers die de wettigheid kunnen betwisten van een bestemming die niet op wetgevende wijze geldig is verklaard. 27 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 april 2009 « tot wijziging van het decreet van 27 november 1997 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium » schendt niet artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div